Majesteit

Part 10

Chapter 104,026 wordsPublic domain

Verder een tornooi, garden-party’s, races, regatta’s, volksspelen en vuurwerk. Lipara was éene stad van pleizier. Iederen dag gingen door haar heen gangen van vorstelijkheid, flikkerde de stoet van uniformen als levend goud, ratelden de keizerlijke landauers in de zon als met wielen van schitterende spaken door de lichte stof, die van het vierkant plaveisel der stad opstuivelde. Als druppelen wit vuur flonkerden het meest de diamanten, die de Syrische monarchen zelfs droegen op straat. Des avonds, als de zon niet meer schitterde, schitterden over de vaag witte avondstad aan hare violette haven, salamander-festoenen en kleurige vuurbrugketens factice hel onder de stille zilverblikken der sterren; bouquetten vuur vielen sissend in het water, waarop de bootjes zwart werden; ze lieten een lichte benauwdheid van kruitdamp na, in den nacht.

In de groote Zuilenzaal volgden de ceremonieele gastmalen elkander op, met een vertoon van fabelachtig kostbaar gouden vaatwerk. De koningin van Syrië sleepte er hare curieuze theaterkostuums heen, den breeden boezem steeds overdwarst door een blauw ordelint vol plaques; hooge pluimen, waaraan diamantjes hingen, in het haar. Ze praatte druk, dankbaar voor de liefheid harer Liparische Vrienden, voor het genot en het gejuich. Hare overvloeiende gebaren maakten ieder vroolijk, brachten humor in de Liparische statie, vol etiquette. Elizabeth zelve moest er om glimlachen. De koningin speelde hare vorstelijke rol met het aplomb eener slechte actrice, die goedig is. Zij sprak ieder aan, strooide de minzaamheid harer klein-mollige, bruine majesteit over ieder in kleine atoompjes heen. Naast haar bleef de koning deftig, wijs kijkend als Salomo. De keizer prees hem als een verstandig vorst, met ruimen blik; de koning was reeds meermalen in Europa geweest. De Syrische adjudanten waren ook deftig, kalm, een beetje stijf, zich vormend naar westelijke zeden; de hofdames der koningin droegen wat vreemd hare Parijsche of Londensche sleeptoiletten, maar bleven er tenger in, bevallig bruin, met kroeskopjes en lange gespleten oogen: ze zouden toch mooier geweest zijn in wat gedrapeerd goudgaas.

Twaalf dagen bleven de Syriërs, vóor ze naar Italië zouden gaan. Het was de voorlaatste avond: in het Imperiaal was een suite van veertien zalen om de groote danszaal verlicht voor een bal. Er waren drieduizend invitaties gedaan. Op het voorplein en in de aangrenzende hoofdstraten stonden de grenadiers.

De danszaal was aan de achterzijde van het paleis; de hooge balkonvensters waren open en zagen over de balustraden heen in de donkerten van het platanenpark. Uit de palmengroepen der galerij schalmde het orkest. De quadrille d’honneur had zich gevormd, in het midden der zaal; de keizer en de koningin, de koning en de keizerin, de aartshertog van Karinthië met Thera, en Othomar met de aartshertogin. De andere officieele quadrille’s vormden hare figuren om ze heen. De honderden gasten zagen toe.

Van het regenbogende rotskristal der kronen vloeide electrisch licht in witte lichtvakken uit de koepelende hoogte, gleed langs de marmeren mozaïek-wanden en porfieren zuilen der zaal en drupte in millioenen flikkeringen op de gladde facetten der juweelen, op het goud der uniformen en galarokken, op de waterende witte brokaten der slepen neêr; want het wit was voorgeschreven; alle dames waren in het wit en de sneeuw der fluweelen, de lelieglans der satijnen zilverden van het licht. Eén verblindend gewemel van glans doorleefde de immense zaal met zijne flonkerwisselingen. Want het licht bleef nooit, wisselde onophoudelijk zijn helste punt, maakte het bal tot éen caleidoscoop van schittering. Het licht guldde op iedere galon, liet zich vangen in elken brillant, bleef aan iedere parel hangen. De muziek scheen met dat licht éen te zijn; het koper weêrgalmde als goud.

De hertogin van Yemena stond in een groep van diplomaten en adjudanten; hoog op rees ze in hare schoonheid, die in dit gewissel van lichtvonkeling sculpturaal prachtig was. Zij scheen kolossaal groot door den zwaren pli-Watteau, die van haren rug af sleepte, in wit broché. Zij droeg hare tiara van smaragd en brillant, en dezelfde groene steenen sparkelden in een groote juweelen bloemtak, die over haar corsage heen bloeide.

De keizer naderde haar; ze knakte in hare beroemde nijging neêr, en Oscar sprak een oogenblik schertsende met haar. Toen de keizer verder was gegaan, zag zij den kroonprins naderen. Zij neeg weêr, hij boog glimlachend en bood haar den arm. Langzaam gingen zij door de zaal heen.

—Ik heb u iets belangrijks te zeggen, fluisterde hij in een stem van conversatieklank.

Hij kon zich niet met haar verwijderen; men zoû hen missen. Ze bleven dus door de zalen wandelen.

—Ik heb U in zoolang niet gezien... alleen! fluisterde zij verwijtend terug, met die zelfde stem. En wat had... Uwe Hoogheid mij te zeggen?

Voorzichtig spraken ze, den glimlach van koele conversatie op de lippen, het geluid van hunne stemmen dempende tusschen hen in, schijnbaar onverschillige blikken werpende om hen heen, of men ze niet hooren kon.

—Iets,... dat ik u al lang had willen zeggen... Een besluit, dat ik nemen moet...

De woorden kwamen hem telkens afgebrokkeld over de lippen, en niet klinkende met hun waar accent, uit voorzichtigheid. Zij merkte, dat hij haar een groot nieuws mede zoû deelen. Zonder dat ze wist waarom, beefde ze... Hijzelve wist niet of wat hij deed, wreed was of niet: zoo kende hij deze vrouw niet. Maar hij wist wel, dat hij met opzet dit moeielijke oogenblik gekozen had voor zijn onderhoud, omdat hij niet wist, hoe zij het dragen zoû. Hoe zij het dragen zoû in een tête-à-tête, als zij toe kon geven aan hartstochtelijkheid. Hier wist hij het, hoe zij het dragen zoû: glimlachend, als vrouw van de wereld, zelfs al werd het haar tot smart. Misschien was hij toch wèl wreed... Maar het was nu te laat: hij moest doorgaan.

Zij zag tot hem op, de pluimen van den waaier bewegend. Hij vervolgde:

—Een besluit... Als onze Syrische gasten weg zijn... ga... ik op reis...

—Waarheen, Hoogheid?

—Naar... verschillende hoven... van Europa...

Zij vroeg niet meer; haar glimlach bestierf; toen glimlachte ze weêr als een automaat. Zij vroeg niet meer, omdat zij wel wist wat het beteekende als een kroonprins een reis ging doen naar verschillende hoven van Europa. Dat beteekende een bruidvaart. En ze zeide alleen, en haar stem kon niet anders klinken dan als een klaagtoon:

—Zoo gauw al...

Zoo gauw al... Zóó kort zoû haar keizerlijke roman duren! Zij had wel geweten, dat zoo het einde zoû kunnen zijn, want zij wist hem te rein om haar te laten naast eene jonge gemalin. Zij had zich ook al zoo een einde voorgesteld over een jaar, twee jaar misschien, zij zich terugtrekkende, en ze had zich voorgesteld, dat ze het doen zoû zonder rancune voor hare jonge, aanstaande keizerin. Maar nu al! Zoo gauw! Nauwelijks eenige weken! Zoo kort had nog géen roman in haar liefdeleven geduurd! Zij voelde er een smartelijken weemoed om, vocht waasde over hare oogen en de lichtwisselingen van het bal trilden voor haar heen als door water. Telkens vergat zij te glimlachen, maar zoodra zij er aan dacht, glimlachte zij weêr.

—Zoo gauw al...?

—Het moet...

Ja, het moest, het kon niet anders. Voor haar was het het einde van haar leven. Wanhoop voelde ze er niet om, om dat einde; alleen maar smartelijken weemoed. Het zoû gedaan zijn. Na dezen keizerlijken roman geen andere. O, neen, nooit meer. Ze zoû hare jeugd er aan geven; hare stiefdochters zoû ze in de wereld brengen. Ze zoû dankbaar zijn, dat ze geleefd had, en nu oud worden. Maar oud... Ze was nog zoo jong, ze voelde zich nog zoo jong. Ze merkte nu eerst hoe ze haren kroonprins liefhad. En ze had gaarne weg willen zijn, uit de schittering van dat feest, om, alleen, hem nog eens te omhelzen, voor het laatst... O, die weemoed van alles, wat eindigen moet, alsof alles niets meer is dan geur, die vervliegt...

—Ik vertrouw op u, mevrouw... sprak hij nu; ik hoop, dat u van die reis niets zeggen zal. U begrijpt, het is alles nog een geheim; er is nog geen keuze gedaan... er is alleen maar even over gesproken geworden met Hunne Majesteiten en Myxila. Niet waar, ik vertrouw op u?

Zij knikte glimlachend van ja, ja...

—Maar ik wilde het u toch nu al zeggen, ging hij voort.

Zij glimlachte weêr. Op dit oogenblik scheen achter het paleis, onder het paleis, waar...? een vreemd onweêr uit te barsten. Door het gegalm der muziek en het getril van het licht heen, daverde een donderslag en rommelde door. Het was of de bliksem was ingeslagen, want door de open ramen, dadelijk na, hoorde men van een der achterzijvleugels van het paleis een ratelenden warrelval van steenen, die in de lucht geslingerd schenen, van groote balken, die onbehouwen neêrstommelden, van glasscherven, die schel naar alle zijden schenen uit elkaâr te springen...

De muziek was in eens verstomd. De uniformen, de sleeptoiletten storten zich naar de open balkons, die op het park zagen, maar de nacht was donker, het park was stil. Een paar laatste balken schenen nog na te rollen, met een laatst afgruizelen van steen...

In de schelle tinteling van het electrische licht waren de gezichten doods wit geworden als van cadavers. In verschrikking staarden de oogen elkaâr aan. De hertogin was half tegen Othomar aangezonken, toen zij Elizabeth met dolle, wezenlooze oogen voorbij hen zagen ijlen, een deur uit; hare lange, witte fluweelen sleep slierde haar radeloos, den hoek om, achterna. De grootmeesteres volgde haar, en Hélène van Thesbia. De keizer scheen haastig den ceremoniemeesters bevelen te geven, verliet toen ook het bal, met eenige officieren.

Kort daarop echter klaterde weêr de muziek van de loggia der galerij af. Men zag vele adjudanten en ordonnans-officieren voor hunne dames buigen; de dames bevende rijzen. Het bal werd vervolgd; in de wendingen van den wals namen de uniformen en slepen weder de vorige schitteringen aan. De glimlachen schenen echter als weggeveegd te zijn van de gelaatstrekken, en de doodsbleeke gezichten der walsers maakten van het bal een macabere ommegang.

Leonie, sidderend, boog voor Othomar.

—Een dynamiet-ontploffing, onder in de kelders van den westelijken achterzijvleugel. De antichambres van het appartement van Zijne Majesteit zijn vernield. Zijne Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid alles in het werk te stellen, om het bal te laten voortgaan. Alle officieren en hofdames zijn bevolen te dansen.

De hertogin klemde Othomar’s arm, viel bijna flauw. Rondom hen heen ging de mare. De adjudanten sleepten hunne dames meê als half zwijmende. Men zag er een paar flauw weggebracht worden. De koningin van Syrië stond wezenloos aan de zijde van den aartshertog van Karinthië, die zijn arm om haar zwaar middel sloeg ten dans. Ze scheen nog niet tot besluit te kunnen komen.

Othomar rondde zijn arm om de hertogin.

—God, ik kàn niet... stamelde zij. In Gods naam, Hoogheid, ik kan niet...!

—Het moet, sprak hij. Zijne Majesteit wil het...

—Zijne Majesteit wil het... herhaalde zij.

Hare beenen trilden onder haar als met electrische sidderingen. Toen liet zij hem haar nemen en zij dansten. Allen dansten.

De keizerin was de trappen en galerijen naar de slaapverdieping opgehold. Zij zag niet, dat een paar dames haar volgden: zij rukte een deur open.

—Berengar!! kreet zij uit.

De slaapkamer van den jongen prins was verlicht. Het kind had zich, in zijn hemdje, al half van zijn veldbed gericht. Zijn kamerdienaar en een kamenier stonden ontzet in het midden van de kamer.

—Berengar!! hokte de keizerin juichend, toen zij hem ongedeerd zag.

Zij sloeg hare armen om hem heen, drukte hem aan hare borst.

—O, mama, u doet me pijn! riep het kind geërgerd.

Hare juweelen hadden hem even bloed geschramd aan zijne kleine bloote borst. Zij omhelsde hem nu zachter, met zenuwachtige snikken, die stokten in hare keel. Een touffe van brillanten struisveêren viel op den grond; de kamenier raapte ze op, met vingers, die niet grijpen konden.

—Mama, laten ze het paleis in de lucht springen?!

—Neen, Berengar, neen, er is niets...

—Mama, ik wil er naar toe!! Ik moet zien, wat er van is.

—Berengar...

De deur was open gebleven; de keizer kwam binnen, rustig. De dames stonden op den corridor, te wachten op de keizerin...

—Papa, mag ik meê, met u, kijken?

—Neen, Berengar, er is niets te zien. Ga slapen...

Toen boog hij zijn arm tot Elizabeth.

—Mevrouw... sprak hij koel.

Zij sloeg een smeekenden blik naar hem op. Hij bleef haar den arm bieden. Toen kuste zij nog eens den jongen, vleide hem nu zacht aan tot slapen.

—Wacht even... stamelde zij tot Oscar.

Zij ging naar den spiegel; de kamenier met hare onhandige vingers bevestigde de juweelen touffe aan den rand van het open corsage, plooide den vierkanten sleep uit.

—Ik ben klaar, sprak de keizerin tot Oscar met eene doode stem.

Zij nam zijn arm, de keizer drukte haar even de hand, en zij knikte Berengar nog eens toe, en gingen.

Geärmd verschenen de vorsten ten tweeden male op het bal. De keizerin was bleek maar glimlachte. Zij was prachtig, delicaat van teedere majesteit in het uitslepende witte fluweel, waarop aan het corsage en over den rok van voren, touffes van brillanten struisveêren, in den vorm van fleurs-de-lys, flonkerden. Een kleine keizerinnekroon van brillanten kroonde haar klein rond hoofd.

Het was twee uur. Meestal waren de vorsten gewoon tot één uur op de hofbals te blijven. De koningin van Syrië echter in haren exuberanten levenslust, had hen verzocht langer te blijven. Zij hadden toegegeven. Waren zij om éen uur gegaan, dan had de ontploffing plaats gehad op het oogenblik, dat Oscar waarschijnlijk zijn appartement juist binnen zoû gegaan zijn. Men had eerst gesproken over de antichambres alleen: het scheen nu toch, dat er ook groote schade veroorzaakt was aan het kabinet zelve van den keizer.

Het souper begon. Men soupeerde in eene groote zaal; uit iedere tafel rees een palmboom, en de zaal was er een woud van palmen door. De grond was met een gouden zand bestrooid, dat, met het loopen, over de slepen heen poeierde. Electrisch licht scheen door de lange bladeren heen als maneschijn. In dien maneschijn bleven de gezichten doodwit, als vlakken van krijt, boven het glinsterend kristal en al het gouden vaatwerk. De muziek klaterde met zware cymbelslagen van koper.

V.

Aan Hare Koninklijke Majesteit Olga, Koningin van Gothland.

Lipara, Imperiaal, Mei 18..

Mijn liefste zuster.

Eindelijk kan ik u den brief schrijven, dien ik al sedert lang in gedachten aan u schreef. De drukte van onze goede Syriërs is voorbij en Lipara weêr kalm. Ik kan tot nadenken komen. Maar mijn nadenken is niets dan treurigheid. Ziehier waarom, Olga.

Ik geloof, dat Othomar zieker is, dan de doktoren het inzien. Hij is magerder geworden en ziet er zeer slecht uit. Hij klaagt nooit veel, maar verleden zei hij me toch, dat hij zich dikwijls moê voelde. De doktoren meenen, dat hij eenigen tijd rust noodig heeft en raden een lange zeereis aan. Zijne reis door Europa, waarover ik u verleden schreef, zal dus uitgesteld moeten worden. En nu kom ik met het volgende verzoek tot u.

Ik weet, dat Herman spoedig een groote vaart op den Viking gaat doen naar Oost-Indië, Japan en Amerika, en het zoû op dit oogenblik mijn liefste verlangen zijn als Othomar hem zoû mogen vergezellen. Toen de doktoren een zeereis aanrieden, sprak ik er met Oscar over, maar wij kwamen tot geen besluit. Mijn kind namelijk heeft geene vrienden van zijne jaren, Olga, en dat maakte me zoo treurig, en we wisten, niet hoe, en met wie, we hem de reis zouden laten doen op eene wijze, die genoegen voor hem zoû zijn en geene eenzame verbanning uit ons midden. Hij is heel wel met zijne adjudanten, maar dat is toch niet wat ik zoû wenschen: een hartelijke, gemeenzame, vertrouwelijke vriendschap met iemand van zijne jaren, met wien hij eenigen tijd samen zoû zijn, geheel voor genoegen en ontspanning.

Ik weet wel, dat het een beetje aan mijn kind zelve ligt, aan dat zeker gemis van gemakkelijkheid om open te zijn en tot zich te trekken. Maar hij heeft toch eigenschappen, waarom men hem zeer zoû kunnen beminnen, zoo men ze wist, zoo hij ze liet uit komen. Niet waar, u houdt toch ook van hem, Olga, en het is niet alleen mijn eigen blinde moederliefde, die mijn kind beminnelijk en sympathiek ziet? En daarom zoû ik zoo ingaarne hebben, dat Herman hem wilde meênemen en hem beter leerde kennen; wie weet of zij dan elkaâr niet zouden leeren liefhebben. Othomar vertelde mij al, dat ze op hunnen tocht in het Noorden van ons land, elkaâr meer genaderd waren dan zij ooit dachten te zullen doen, maar het was een drukke tijd; ieder oogenblik was met plichten en bezigheid gevuld en zij hadden geen tijd om met elkaâr te spreken en elkaâr te leeren kennen. Maar toch, in zulk een moeilijken tijd van samendoen kan men elkaâr ook leeren kennen zónder spreken; hoe het ook zij, zij zijn elkander reeds vriendschappelijker geworden; vroeger was het, tot mijn innig verdriet, Olga, antipathie; ze wilden elkaâr zelfs niet ontmoeten, zelfs uiterlijk was er niets dan koelheid tusschen hen; o, wat heeft mij dit alles leed gedaan, als ik onze jongens zoo tegen elkaâr zag doen en mij herinnerde hoe wij waren, Olga, toen wij jonge meisjes waren op ons mooi oud slot bij Boekarest. Hoe leefden wij niet geheel met elkaâr! Olga, Olga, wat is dat alles treurig lang geleden! Onze ouders zijn nu dood, onze broêrs verspreid, het slot is verlaten, en wij zijn gescheiden: wanneer zien we elkaâr? Nauwlijks een paar dagen nu en dan, als wij ergens samentreffen voor een huwelijk van bloedverwanten: rustelooze dagen altijd, waarin we toch niets aan elkaâr hebben. Dan, soms, niet eens ieder jaar, een paar weken, of in Gothland, of hier. U verwijt mij wel eens, dat ik, die zooveel van Gothland hoû, zoo weinig bij u kom, maar het is altijd de zelfde reden. Oscar verlaat niet gaarne Liparië, en ik kan mijn man niet verlaten. Ik kan sterk zijn naast hem, maar alleen ben ik zoo zwak, Olga. Dat hèm iets zoû kunnen overkomen, waarin ik niet deelen zoû, vermeerdert mijn angst ondragelijk. Ik heb het nog onlangs zoo gevoeld, toen ik met Thera te Altara was; ons bezoek was aangezegd en verplichtend, niet waar, en hoe ongaarne ik Oscar verliet, het moest. Het was juist in dien moeilijken tijd; Lipara in staat van beleg! Maar Oscar wilde het en ik ben gegaan. O, wat ik toen geleden heb!

—Maar ik wen mij aan mijn angst, ik klaag niet en neem het leven op, zooals het ons gegeven wordt; ik hoop alleen maar, dat mijn jongen het ook zoo zal leeren opnemen. Misschien zal hij dit leeren. Het is wel moeilijker voor hem, want hij zal meer moeten handelen dan zijne moeder, die veel passiever zijn kan als vrouw, en het is gemakkelijker passief te leeren berusten, dan handelend. Maar, de Heiligen zullen hem zeker later kracht geven zijn lot te dragen en zijn kroon; hier vertrouw ik op. En toch, o Olga, onmetelijk is de weemoed in mij, dat wij vorsten zijn! Maar laat mij hier niet verder over doorgaan: het maakt zwak, het is niet goed, het is niet goed...

Er is nog een geheime reden, dat ik Othomar gaarne weg zoû hebben van Lipara, al kost het mij ook altijd zoo veel, te scheiden van mijn lieveling. Er schijnt toch iets waar te zijn van die geruchten over de hertogin van Yemena: Oscar heeft er Myxila naar gevraagd, en die kon het niet loochenen, en zeide zelfs, dat het algemeen bekend was. Ik doe mijn best er maar niet te veel verdriet over te hebben, Olga, maar ik vind het een vreeselijke zaak. O God, laat mij er maar niet verder over denken of schrijven; het gaat mij anders zoo warren in mijn arm hoofd. Wat kan mijn kind zien in een vrouw, die ouder is dan zijne moeder! Wat zijn die dingen toch vreeslijk in de wereld, Olga, en wat zijn er toch vrouwen, die wij nooit zullen begrijpen, want temperament is toch niet álles: iedere vrouw heeft toch haar hart, en daarin moesten wij toch allen elkaâr weêrvinden, maar het schijnt zoo niet te zijn. Ik neem, in mijn verdriet hierover, maar aan, dat die vrouw mijn jongen liefheeft en daarom haar man bedriegt. O, het is ook zoo slecht van mijn kind; waarom moet hij zoo zijn, hij is anders zoo goed! Ik neem dat nu maar aan, dat ze hem liefheeft; verleden was het mijn laatste Handkus, de cour, waarmeê, zooals je weet, alle winterfeesten eindigen, en toen ze me naderde en voor me boog en op mijn hand hare lippen drukte, voelde ze zeker mijn afkeer en mijn verdriet van mijne vingers afstralen, want ze richtte zich uit hare buiging op, met een wanhopigen angst in hare oogen en iets van een snik in hare keel! Ik bleef haar koel aanzien, maar ik had toch medelijden met haar, Olga, want als een vrouw van onze wereld zich zóo slecht kan beheerschen op een ceremonieel oogenblik voor hare vorstin, moet hare ziel wel zeer geschokt geweest zijn: gelooft u dit ook niet met mij?

Wij hebben nu rust. Over een week gaan we onze zomerkwartieren betrekken in Xara, op Castel Xaveria; het wordt hier al zeer warm. Voor dat wij gaan, zoû ik zoo gaarne een antwoord van u ontvangen hebben en weten hoe Herman mijn verzoek opneemt. Ik weet, dat hij veel van mij houdt, en het zeker gaarne zal inwilligen, niet waar, en dat hij om mij zal probeeren Othomar lief te hebben; en laat me toch haasten er bij te voegen, dat het ook de innigste wensch van Othomar is met Herman mede te gaan. De zeereis lokte hem eerst in het geheel niet toe, omdat hij niemand wist om meê te nemen en hij zeide, met ons maar naar Castel Xaveria te willen gaan, maar toen ik van Herman sprak, vereenigde hij zich geheel en al met mijn plan.

Olga, wat zal ons de zomer geven? Rust of niet? Ik durf het maar niet hopen. De winter is gruwelijk geweest; onze Noordelijke gouvernementen zijn nog niet de ramp te boven. De ellende is er niet te lenigen. Er heerschen gevaarlijke tyfeuze koortsen, en vele gevallen van cholera zijn voorgekomen. De grèves in het Oosten zijn nu gedaan, maar ik ben zoo bang voor dat bedwingen met ruw geweld. O, als alles maar met zachtheid kon gebeuren! Die aanslag op Othomar en de ontploffing tijdens het laatste bal hebben mij ook zoo ziek gemaakt. Wat zoû ik u gaarne eens zien en in mijn armen drukken: kunt gij niet te Castel Xaveria komen van den zomer? U zoû er mij zoo innig, innig blij meê maken!!

Kus Siegfried en alle de uwen van mij. Antwoord mij gauw, niet waar? Ik omhels u in beide mijne armen.

Elizabeth.

TWEEDE DEEL.

EERSTE HOOFDSTUK.

I.

Augustus, aan de Oostzee. De grijze golven krullen tegen de klippen op met hooge, ronde kammen dik schuim. De lucht is daarboven éen wijde koepel, waardoor groote gebergten van wolken drijven, grijs-wit. Zij komen langzaam aan, vullen den hemeldom met hunne wisselende schijnmassa’s, als van rots- en alpenketen, die zouden zweven op atmosfeer, en drijven langzaam weêr voort, weg. De zee heeft er een smal strand, met veel verbrokkeld klip; zeer nabij donkert zwart-groen dennenbosch. Half als tegen de klippen aan, op de duisternis van het bosch als achtergrond, rijst het oude Altseeborgen. Het is een verweerd kasteel, waaraan de opkrullende golven schijnen te knagen; zijne drie hooge, ongelijke torens bouwen zich zwaar rond de lucht in. De weg naar het kasteel loopt van uit het bosch terrasachtig op, opglooiend, breed, leidt naar het achterplein, waar de hoofdingang is. Om het kasteel, breed heen, traptreden zich de granieten terrassen, met hunne ruwe balustrades, waarvan de hardsteen opgegeten is door de zoute lucht. Die terrassen zien, naarmate ze stijgen, wijder uit over de zee; van af het hoogste terras ligt de zee als éen groot segment van vreemde bewegelijkheid, levend element, aan tegen het strand links, en rechts. Over de zee zwaaien de Zuidewinden op het kasteel aan; het dennenbosch beschermt het veel voor de Noordelijke vlagen.