Part 11
Van den hoogsten toren flappert een ontzachlijk zeil van dundoek uit, en doet er vroolijk in de lucht: twee banen geel en er tusschen een witte baan, waarop de donkere vlak van den gekanteelden burcht, die het wapen van Gothland is. Het is er op den zonloozen morgen een glimlach aan den hemel; het zwelt en valt weêr slap en laat zich hoog op weêr blazen door den wind, die frisch aanwappert over het water.
Een jonge man en een jong meisje loopen aan het strand; ze praten, glimlachen, zien elkander aan. Zij is grooter dan hij, zeer blank; onder den kleinen matrozenhoed waaien enkele harer, even rosgoudbruine, haren, verward door den wind, om haar gezicht; onophoudelijk strijkt zij ze weg. Zij draagt een eenvoudigen blauwen serge rok en witte blouse, een breeden leêren ceintuur om het middel. Hare elegante voetjes zijn telkens door den wind geheel zichtbaar, in de zwart zijden kousen en gele leêren schoenen. Een paar handschoenen zwaait ze luchtigjes in de hand.
De jonge man draagt een licht, geruit zomerpak, en een strooien hoed. Hij is klein, tenger; zijne oogen hebben een zwarten blik van zachte melancholie. Hij schijnt aan het meisje naast hem een verhaal te doen van reizen; zij luistert met haren glimlach toe.
Om hen heen, trots den wind, is de atmosfeer die eener wijde rust. Langs het strand loopende, komen zij voorbij het kasteel, gaan het achterom en zien naar boven. Uit een der vensters wuift iemand vroolijk met de hand, en roept iets. Zij pogen te hooren, de hand aan het oor, maar halen de schouders op: de wind waaide de woorden weg. Nog eens wuiven zij, en gaan door.
Zij gaan echter niet ver, altijd langs het strand. Ginds ligt het visschersdorp, liggen een paar kleine villa’s, optrekjes. Een ervan schijnt juist, voor een vacantie-maand zeker, bewoond door eene groote familie; drukte van stemmen gonst naar buiten, kinderen rennen elkaâr aan het strand na; een klein meisje bonst in haar vaart tegen den jongen man aan.
—Hola, zegt hij vriendelijk, en lacht; lachende gaan zij door.
De kinderen rennen verder. Een visscher komt met zijn netten aan, grinnikt goedig en mompelt een groet. Een dikke dame in de verandah heeft de jongelieden nieuwsgierig nagekeken; ze ziet den visscher groeten, houdt hem staande.
—Wie is die dame met dien heer?
De visscher wijst goedig naar Altseeborgen.
—Van het kasteel.
—Maar wie dan? zegt de dame verschrikt.
—Wel, die meneer is de prins van Liparië en de juffrouw is een Oostenrijksche prinses, zegt de visscher, alsof iets anders onmogelijk ware.
De dame ziet het vorstelijke paar ontzet na en kijkt dan in wanhoop naar hare rennende kinderen. De jongelieden keeren juist terug op hunne heen-en-weêr-wandeling; ze lachen nog vroolijker nu en haasten zich een beetje vlugger naar het kasteel, alsof ze zich verlaat hebben. De dame, bleek nog, durft geene excuzes maken, maar maakt eene diepe buiging; zij krijgt een vriendelijken groet terug.
II.
De koninklijke familie van Gothland was gewoon den geheelen zomer te Altseeborgen te blijven. Het strand leende zich bizonder tot badplaats om het visschersdorp heen, maar koning Siegfried had hier nooit van willen hooren: het strand en het dorp waren koninklijk domein; slechts een paar nederige optrekjes hadden mogen verrijzen. Meestal kwamen daar des zomers enkele burgerfamilies met kinderen. Een moderne badplaats zoû Altseeborgen nooit worden, al vond de elegante wereld de gelegenheid ook uitstekend om te zomerschitteren, zoo vlak in de nabijheid van het koninklijk kasteel.
Maar de Gothlandsche familie bewaakte ook zorgvuldig de vrijheid van haar zomerleven. Vier maanden leefden zij daar, zonder de etiquette der paleizen, in den grootsten eenvoud. Zij vormden een talrijke familie en er waren altijd vele logé’s. De koning deed de staatszaken huishoudelijk op het kasteel af. Zijne kleinkinderen liepen soms zijn kabinet in, als hij met den minister-prezident, die sommige dagen naar Altseeborgen kwam, in gewichtige bespreking was. Hij klopte ze even op de blonde krullebollen en zond ze met een liefkoozing weêr weg, om te spelen. Er waren daar de kroonprins Gunther, en de kroonprinses Sofie, Duitsche vorstin, hertog en hertogin van Wendeholm; zij hadden vier kinderen, een meisje en drie jongens. Op den hertog volgde prins Herman, na hem de prinses Wanda, twintig jaar; na haar de jongere prinsen Olaf en Christofel. Verder waren er ook altijd twee oude prinsessen, zusters van den koning, douairières van Duitsche vorsten. Van alle hoven van Europa, die als éene groote familie zijn, kwamen nu en dan verschillende leden logeeren en brachten er hunne nuance van verschillende nationaliteit mede, iets exotisch in klank van stem en in zijn van zede, voor zoover dit niet in hun cosmopolitisme weggesmolten was.
Othomar was met Herman drie maanden op zee geweest; zij hadden Voor-Indië, China, Japan en Amerika aangedaan. De reis was incognito geweest om alle officieele ontvangst te ontloopen, en Othomar had geen anderen titel gedragen dan dien van prins Czyrkiski. De reis had Othomar veel goed gedaan; hij voelde zich zelfs zoo wel, dat hij keizerin Elizabeth geschreven had nog eenigen tijd in den familiekring te Altseeborgen te willen blijven, maar daarna zijne, reeds vroeger voorgenomen, reis aan de Europeesche hoven te ondernemen.
Het gemakkelijke samenzijn had de neven zeer tot elkaâr gebracht. Herman had Othomar onder zijn strakheid en gemis aan gemakkelijkheid leeren kennen als een jongen kroonprins, die zeer tegen zijne toekomst opzag, maar veel redelijkheid in zich had, wilde leeren berusten in het leven en zich reeds sterk maken voor zijn aanstaand zwaar juk van keizergrootheid. Hij begreep Othomar en had medelijden met hem. Hijzelve zag in het leven een vitaal genot; te ademen alleen reeds was genieten; zijn bestaan van tweeden zoon, met alleen zijne marineplichten, die hij liefhad, zooals een afstammeling van oude zeekoningen ze erfelijk lief kon hebben, hoorde een perspectief voor hem heen van niets dan éene verre onbewolkte zorgeloosheid; dat hij koningszoon was, gaf hem niets dan gemak, dan genot en hij waardeerde zijne hoogheid van omstandigheden met jolig pleizier, hij schepte zich den room af van een kelk, waaruit Othomar later alsem zoû drinken. Vergeleek hij ook eerst Othomar met zijn broêr, den hertog van Weldeholm, en kroonprins ook, hij van Gothland, Herman vergeleek nu niet meer; zijn oordeel was redelijker geworden; hij begreep, dat geene vergelijking mogelijk was. Liparië was een ontzachlijk bijna autocratisch keizerrijk; het volk, vooral in het Zuiden, zeer wisselvallig, altijd met kracht in toom gehouden om zijn kinderlijk nooit zelf weten wat het doen zoû van grilligheid; de Gothlanders, van temperament kalm liberaal, zonder schreeuwerigheid, hielden zich met hunne, reeds lang verkregen, uitgebreide constitutie, rustig om koning Siegfried, dien zij den vader van het land noemden. Dat Gunther er niet tegen opzag eenmaal de kroon te moeten dragen, was dat reden, dat Othomar zonder die vreeze hoefde te zijn? Bezat Othomar niet eerder de teedere eigenschappen, die in den nauwen cirkel van een intiemen kring gewaardeerd worden en beminnelijk maken bij enkele sympathieken, dan dien felleren glans van hoedanigheid, die op een hoog standpunt hel doet uitkomen en relief, en opzien wekt bij de menigte? Was die jongen met zijne ziel vol scrupule, zijn heimwee naar rechtvaardigheid, zijn in-verlangen naar liefde, zijn dadelijk gekwetste teêrgevoeligheid, was hij de zoon zijner vaderen, afstammeling van Berengar den Sterke, Wenceslas den Wreede, zoon der strijdbare Xaveria, of was hij niet eerder het kind maar zijner zachte moeder alleen?
Het was niet in Herman hier veel en lang over na te denken, maar het kwam plotseling tot hem, bruskweg, als een nieuw uitzicht, dat geopend wordt in een klaarder licht. En wat antipathie in hem geweest was, werd medelijden, vriendschap en verwondering over het willen van de wereldorde, omdat ze met een ziel als die van Othomar niets anders wist te doen dan ze neêr te drukken onder een kroon.
Het eenvoudige familieleven te Altseeborgen was voor Othomar als een kuur. Hij voelde er zich in natuurlijkheid opleven, zijne menschelijkheid zich er zonder boei wijder ontplooien. Gewend aan het ceremonieele hofleven van het Imperiaal, aan welks etiquette keizer Oscar streng de hand hield, verwonderde de, bijna burgerlijke, eenvoud zijner Gothlandsche familie hem eerst, maar verheugde hem later. Vorige jaren was hij wel nu en dan korten tijd te Altseeborgen geweest, maar nooit zóo lang gebleven, om zich, zooals nu, geheel en al tot de hunnen te kunnen rekenen.
Behalve Othomar waren er op dit oogenblik geene andere logés dan de aartshertogin Valérie, nicht van den Oostenrijkschen keizer. Vermoedden de jongelieden iets of niet? Werden hunne namen samen genoemd door de jongere prinsen en prinsessen? Uiterlijk scheen het niet; een enkelen keer maar hadden de prinses Sofie of Wanda noodig de jongere broêrs met een blik te doen zwijgen. En toch was het met gewichtige bedoeling, dat de koningin van Gothland, in samenstemming met den keizer van Liparië en de ouders van Valérie—aartshertog Albrecht en aartshertogin Eudoxie, die het slot te Sigismundingen bewoonden—de jonge lieden samen had gebracht. Keizer Oscar zoû zeker liever eene der jeugdige Russische grootvorstinnen, nicht van den Czaar, tot schoondochter hebben willen kiezen, maar het verschil van godsdienst was altijd een onoverkomelijke hinderpaal; bezwaren had de keizer, trots zijn voorkeur, tegen de Oostenrijksche verbintenis intusschen niet.
Misschien rieden Othomar en Valérie iets van deze bedoeling, maar het geheim ervan wekte geene gedwongenheid tusschen hen; zij waren, van beider kant, zoozeer gewend telkens bekende vorsten of prinsessen met hen samen genoemd te hooren, te zien zelfs vermeld in couranten: verlovingsberichten, die kort daarop weêr tegengesproken werden; ze hadden zelfs samen geschertst over de vele malen, die de publieke opinie hen had uitgehuwelijkt, telkens weêr met anderen; soms waren het zelfs voor henzelve verrassingen geweest, die zij vonden in de nieuwsbladen, en waarover zij jolig pleizier hadden gemaakt. Zij stoorden zich dus niet aan een heel enkel ondeugend woord van prins Olaf of prins Christofel; flinke jongens van zeventien en vijftien jaar, die het gezellig vonden te plagen. En daarbij oefende koningin Olga, verstandig en redelijk, niet den minsten invloed op hen uit. Zij had ze samen genoodigd, maar meer deed ze niet. Misschien lette zij stil op hoe zij waren met elkaâr, en schreef ze hiervan een enkel woord aan hare zuster, maar zij hield zich geheel buiten de mazen, die zich tusschen hunne kroonlevens moesten samen weven. Toch was het haar moeilijk zoo te doen. Zij hield van Valérie, en meende, dat dit huwelijk in allen deele goed zoû zijn. Maar daarbij kwamen er dringende brieven van Sigismundingen, en zelfs van Weenen, waar men niets liever wenschte, dan de jonge aartshertogin, hertogin van Xara te zien. Er waren hier, behalve dat men aan het Oostenrijksche hof een hernieuwde verbintenis met Liparië op prijs stelde, nog andere redenen voor, van intimer aard.
III.
De zon was in den namiddag doorgebroken en deed het grijs van de lucht en het water opblauwen met de wazige blauwte van Noordelijken zomer. De zee gloeide en schubde zich goud; het verweerde kasteel stond zijn breeden granietstapel, als een oude man zijn rug, te blakeren in de warmte. Op het hoogste terras, dat met drie glazen deuren tot den grooten hall toegang had, was het gestreepte linnen zeil neêrgelaten. Er lagen matten over den grond. In groote rieten stoelen zaten prinses Sofie en aartshertogin Valérie; beiden schilderden met waterverf. Uit den hall klonken, eentonig, de zachte gamma’s van prinses Elizabeth, het oudste dochtertje der kroonprinses, dat studeerde. Prinses Wanda zat op den grond en stoeide nog al wild met hare twee jongste neefjes, Erik en Karel. Op een langen rieten stoel lag prins Herman, met beide beenen uitgestrekt; naast hem een tafeltje vol couranten en tijdschriften, waarvan er eenige op den grond gevallen waren; een groote bel sherry-cobbler in den rieten glashouder van zijn stoel, een blauwtjes wolkende cigarette tusschen zijne vingers.
Sofie en Valérie vergeleken hare studiën en lachten. Ze keken naar de lucht, die het neêrgelaten zeil recht afsneed; de wolken, wollig wit, schuimden er op elkaâr; de zee was verblindend van gouden schubben, als een reuzenpantser.
—Wat teekenen jullie toch? vroeg Herman, die in een geïllustreerd tijdschrift bladerde.
—Wolken, antwoordde Valérie; niets dan wolken. Ik heb Sofie overgehaald samen wolkstudies te maken. Je moet straks, als je niet te lui bent, mijn album eens komen zien—ze lachte even—het zijn niets dan wolken!
—Hé! zei Herman, lang uitgerekt. Hoe vreemd...
—Ja, zei Sofie droomerig; wolken zijn wel aardig, maar je weet nooit ze te treffen: ze veranderen ieder oogenblik.
—Erik, vraag eens aan tante Valérie haar album voor me, vroeg Herman.
—Wel neen, riep Wanda; ga het zelf halen, hoor luilak...
Maar Erik wilde toch gaan; er ontstond een schermutseling. Wanda hield den kleinen jongen in beide armen vast, Karel deed meê, zij stoeiden, en Wanda viel lachend, schuin over den grond.
—Maar Wanda! berispte Sofie.
Valérie stond op en ging naar Herman toe.
—Met dat al zie je mijn wolken niet, luie jongen. Ik zal maar genadig zijn. Kijk eens...
Herman richtte zich nu, in eens, op, nam het album aan.
—Hoe grappig, zei hij. Geel, en wit en violet en roze! Allemaal zonsondergangen!
—En zonsopgangen. Ik zie er misschien meer dan jij!
—Wat jij toch al niet in wolken ziet, Valérie! Het is verbazend. Wat verschilt de eene mensch toch van den anderen. Ik zoû het nooit in mijn hoofd krijgen wolken te gaan uitteekenen. Je moet eens met me meêgaan op reis; dan zoû je heele verzamelingen van wolken kunnen maken.
—Had me die propozitie maar eerder gedaan! schertste Valérie. Dan had ik met Xara meê kunnen gaan.
—Maar waar is Othomar! zei Herman.
Valérie zei, dat ze het niet wist...
Herman dronk aan zijn sherry-cobbler, Wanda wilde ook proeven, maar Herman zei, dat ze zelve maar om een glas moest bellen en weigerde. Wanda wilde toch; hij greep haar de polsen.
—Maar Wanda! berispte Sofie weêr, loom; zij streek de hand over het voorhoofd en legde haar penseel neer.
Wanda lachte vroolijk.
—Maar Wanda! deed ze Sofie na, en ze lachten allen Sofie uit; Sofie lachte meê.
—Sprak ik zoo? vroeg ze, met hare loome stem. Ik weet het ook niet, ik word hier zoo slaperig, zoo lui...
Zij waren nog allen vroolijk om Sofie, toen stemmen klonken uit den hall, schelle oude stemmen. Het waren de twee douairières met Othomar; de oude dames minaudeerden hoffelijk tegen den jongen prins, die heur stoelen aanbood. De tantes hadden na het lunch een slaapje gemaakt; ze kwamen nu weêr te voorschijn, met tapisseriewerken in groote réticules. Iedereen begroette haar met veel eerbied, waarin een schalksch tintje school.
—Pardon, lieber Herzog, murmelde de oude prinses Elza, de oudste; ik heb liever dat kleine stoeltje...
Ook prinses Marianne wilde een klein recht stoeltje; de oude dames bedankten Othomar met eene révérence voor zijne galanterie, zetten zich stijf recht, begonnen te handwerken: groote blazoenen voor stoelbekleedsels. Zij waren zeer deftig, met fijne maar uitgerimpelde gezichten, grijze tours en een zwart kanten kapsel; ze droegen krakende moiré japonnen, van ouderwetschen snit. Nu en dan wisselden ze een snel, vinnig, woord, met eene, plotselinge kakelende, beweging van hare fijne kakatoeprofielen, ze keken even aandachtig naar de zee, als kon het niet anders of ze zouden iets belangrijks zien aankomen uit het onbestemde; dan werkten ze weêr door... Hare ouderwetsche, deftige, stijf in keurs geregen, schrale figuren deden vreemd samen met de losheid der jonge lieden in hunne eenvoudige serge zomerpakken: de verwarde haren en de opgesjorde blouse van prinses Wanda werden er zeer ongegeneerd om.
Een derde oude dame kwam statieus aan, zij had eenige overeenkomst met de douairières; zij was echter gravin Von Altenburg, vroegere grootmeesteres der prinses Elsa; achter haar brachten twee lakeien bladen, waarop koffie en gebak, het goûter der oude prinsessen. De gravin maakte eene ceremonieele nijging voor de jonge vorsten.
—Het terrein is ingenomen! fluisterde Herman tot Valérie. Zij waren weêr gaan zitten en onder hen plaagden zij, zonder dat de tantes, of de gravin, die eenigszins doof was, het hooren konden. Othomar met zijne drie Nornen, zooals zij schertsten. Een drukke taalwarrel ging om: de tantes spraken Duitsch en schreeuwden, om zich te doen verstaan, iets over de kalmte van de zee in de arme ooren der koffieschenkende gravin, die knikte, dat ze begreep. De jongere vorsten spraken meestal Engelsch; Herman soms met Othomar een paar woorden Liparisch, en de kinderen, die op een lager terras waren gaan spelen, joedelden Gothlands en Fransch luidruchtig door elkaâr.
De lakeien hadden de afternoon-tea gebracht en voor prinses Sofie geplaatst, toen eene hofdame verscheen. Zij boog voor de jonge kroonprinses, en, in het Gothlandsch:
—Hare Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid in den kleinen salon te komen.
—Mama vraagt me bij haar te komen, zei prinses Sofie in het Engelsch, terwijl ze opstond. Wanda, schenk jij thee? Kinderen, zullen jullie naar boven gaan om je te kleeden? Wanda, zeg het hun nog eens, niet waar?
De kroonprinses ging door den hall, een groote, ronde koepelvormige zaal, vol hertengeweien, elandkoppen, jachttrofeeën; daarna een trap op. In de antichambre der Koningin, deed de lakei de deur voor haar open. Koningin Olga zat alleen; zij was eenige jaren ouder dan hare zuster, de keizerin van Liparië, grooter en zwaarder van bouw; hare trekken hadden echter veel overeenkomst met die van Elizabeth, maar waren meer aangedikt.
—Sofie, sprak ze dadelijk, in het Duitsch; ik heb een brief uit Sigismundingen...
De hertogin van Wendeholm was gaan zitten.
—Iets over Valérie? vroeg ze verschrikt.
—Ja... begon de koningin, met een nadenken in haar blik. Arm kind...
—Maar wat dan, mama?
—Daar, lees zelf...
De koningin reikte den brief aan haar schoondochter over. Deze las haastig. De brief was van de aartshertogin Eudoxie, de moeder van Valérie, met een beverige opgewonden hand geschreven, en vermeldde in termen, die onverschillig wilden zijn maar eene groote voldoening verrieden, dat prins Leopold von Lohe-Obkowitz in Nice was met de beroemde actrice Estelle Desvaux; dat hij afstand van zijne heerlijke rechten zoû doen ten gunste van zijn jongeren broeder, en daarna trouwen zoû met zijne maitresse. De brief verzocht aan de koningin of aan de kroonprinses dit te willen meêdeelen aan Valérie, in de hoop, dat zij er niet te zeer door geschokt zoû worden. Verder eindigde de brief met hevige aanvallen tegen prins Leopold, die zich zoo te schande maakte, maar tevens met onverholen blijdschap, dat Valérie er nu misschien nooit weêr over denken zoû vrouwe te willen worden van een gebied, dat zes meter in het vierkant mat! De aartshertog Albrecht schreef er onder, dat dit nieuws geen vaag gerucht was maar zekerheid; en dat prins Leopold het zelve aan hunne eigen verwanten te Nice verteld had, die het geschreven hadden naar Sigismundingen.
—Heeft Valérie wel eens met je over prins Lohe gesproken? vroeg de koningin.
—Een enkelen keer, mama, antwoordde de hertogin van Wendeholm, terwijl zij het epistel terug gaf; maar wij weten allen genoeg, dat dit bericht haar zeer zal schokken. Zoû zij er in het minst op zijn voorbereid?
—Waarschijnlijk niet; we hadden er toch geen van allen nog iets van gehoord of gelezen. Zal ik het haar zeggen? Arm kind...
—Wil ik het doen, mama? Zooals ik u zeg, een enkelen keer heeft Valérie met me gesproken...
—Goed, doe jij het dan...
De hertogin bedacht zich, zag naar de pendule.
—Het is al zoo laat, ik zal het doen na het diner; we waren nog geen van allen gekleed... Wat vindt u?
—Goed dan, na het diner...
De kroonprinses ging, ze moest zich haasten met haar toilet. Toen het zeven uur was, luidde een klinkende bel, lang door. Men kwam in den hall te zamen; de eetzaal zag met groote bogen op het dennenbosch uit. Het was een lange tafel: koning Siegfried, een krasse oude vorst met vollen, grijzenden baard; koningin Olga; kroonprins Gunther, lang, blond, twee-en-dertig jaren; prinses Sofie en hunne kinderen; Othomar tusschen zijne tante en Valérie, Herman en Wanda, Olaf en Christofel, de twee douairières met gravin Von Altenburg, adjudanten, hofdames, kamerheeren, de gouvernante van prinses Elizabeth, de gouverneurs der kleine prinsen...
De ongedwongenheid van vroolijke gesprekken ging om. Men droeg eenvoudig toilette-de-ville; de koning gekleede jas, de jongere prinsen en adjudanten smokings. De jonge prinsessen droegen lichte zomer-toiletten van wit serge of roze mousseline de-laine; ze hadden een paar bloemen uit de serres zich gestoken in de ceintuurs.
Valérie praatte vroolijk, Herman plaagde haar nog eens met hare wolkstudies, maar Othomar zei, dat hij ze zeer bewonderde. Koningin Olga en prinses Sofie wisselden een blik en waren stiller dan anders. De koning zag ook zeer aandachtig naar de jonge lieden. Na het diner verspreidde zich de familie; de kroonprins en Herman gingen met de jongere prinsen en de kinderen roeien op zee, in twee booten. Wanda en Valérie liepen, de armen om elkaârs middel, op en neêr, op het lange voorterras, het zeil was voor den avond reeds omhoog getrokken. De zee was nog blauw; de lucht parelkleurig en niet zoo hel meer: boven den horizont brandde de zon nog blakende scheuren in de wijd uitstralende wolken.
De jonge meisjes liepen, lachten, zagen naar de twee bootjes op zee en wuifden ze toe. Heel ver weg ging een steamer fijn gepenteekend, met een vuil streepje rook. De jonge prinsen riepen: hoera! hoera! en heeschen hunne kleine vlag op.
—Zie toch die couranten van Herman, zei Valérie. Tante Olga houdt niet van dien rommel...
Ze wees naar al de tijdschriften en nieuwsbladen, die de lakeien zeker vergeten hadden op te ruimen. Ze lagen over den langen, rieten reisstoel, op het tafeltje, over den grond.
—Wil ik bellen, dat zij ze opruimen? vroeg Wanda.
—Och, laat maar, zei Valérie.
Ze raapte zelve een paar couranten op, vouwde ze, schikte ze te zamen, Wanda wuifde weêr naar de bootjes, met een zakdoek.
—Mijn God! hoorde zij in eens Valérie dof mompelen.
Ze zag om; de jonge aartshertogin bleek, was op een stoel neêrgezonken. Zij had de couranten weêr laten vallen; een ervan hield ze krampachtig, kreukelend, vast, ze zag er op neêr, met oogen, wezenloos van schrik.
—Het is niet waar... stamelde zij. Ze liegen altijd... ze liegen!
—Wat is er, Valérie? riep Wanda verschrikt.
Op dit oogenblik kwam de hertogin van Wendeholm door den hall aan.
—Valérie! riep ze.
Het jonge meisje hoorde niet. De hertogin kwam nader.
—Valérie! herhaalde ze. Zoû ik je even kunnen spreken, alleen?
De aartshertogin hief haar bleek gezichtje op. Ze scheen niet te hooren, niet te begrijpen.
—Mijn God! fluisterde de hertogin tot Wanda; weet ze het al?
—Wat toch? vroeg Wanda.
Maar een lakei kwam door den hall ook; hij droeg een zilveren blad met brieven. Er waren een paar brieven voor de hertogin; hij bood ze haar eerst; toen éen, aan Valérie. De aartshertogin scheen met hare verblinde oogen dien brief toch wel te zien; gulzig greep zij er naar. De lakei ging.
—O... God...! stamelde zij eindelijk.
Zij rukte den brief open uit de enveloppe, verscheurde hem half in hare drift en las met krankzinnige oogen. Sofie en Wanda zagen haar ontzet aan.
—O... God...! kreet de aartshertogin smartelijk. Het is waar... het is waar... het is waar!!! Oh...
Zij stond trillende op, zag met dolle oogen om zich heen, stortte zich als gek in de armen der hertogin. Een luide snik stiet uit hare keel, als schoot een pistoolschot door haar hart heen.