Majesteit

Part 12

Chapter 124,136 wordsPublic domain

—Hij schrijft het me zelf! kreet zij uit. Zelf! Het is waar, wat in de courant staat... Oh!!!...

En zij knakte met haar hoofd op Sofie’s schouder neer. Sofie voerde haar mee den hall in; Valérie liet zich meeslepen als een kind. Wanda volgde, weenende, wringende haar handen zonder te weten waarom.

Uit de bootjes, die al heel ver waren, wuifden de jonge prinsen nog eens; prinsesje Elizabeth poogde zelfs iets te roepen; zij begreep niet waarom Wanda en Valérie zoo flauw waren niet meer terug te wuiven.

Aan den horizont ging de zon onder; de gloeiende wolken waren allen verdommeld in schuimend goud-roze neveltjes met blinkende randen; maar het werd avond; de lucht donkerde; een voor een smolten de roze wolkjes weg; éen laatste wolk nog, als met twee stralenvleugels van laatste zonneschichten, flikkerde nog even op, of ze wilde vliegen, en verzonk toen, in eens, de vleugels geknakt, weg in de violette donkerte. De eerste sterren twinkelden op, hel zichtbaar.

IV.

Het was den volgenden morgen nog heel vroeg, half zes, toen de aartshertogin Valérie de terrassen van Altseeborgen afging. Zij had de kamenier alleen gezegd, dat zij vóor het eerste ontbijt, dat gezamenlijk gebruikt werd, terug zoû zijn. Beslist als met eene impulzie, ging zij het eene terras na het andere af. Zij ontmoette niemand dan een paar bedienden en schildwachten. Het onderste terras liep zij naar zee om; daar was een kleine vierkante haven in het graniet uitgehouwen, waar, in een bootenhuis, de roei- en zeilbooten gemeerd lagen. Zij koos zich een lange, smalle giek, en haakte die van de ijzeren ketting los. Met handigheid zette zij zich en greep zij de riemen: enkele korte slagen brachten haar het haventje uit, en in zee.

Over de zee woei een Zuidwestenwind. De zee was vreemd grijs, als spiegelde ze in haar ovaal de onzekere lucht boven zich af: een dofblanke lucht, waarin vuile rafels hingen van, uit elkaâr gewaaide, wolken. De horizont was niet zichtbaar; er dreven lichte nevels, die er de afscheiding tusschen zee en lucht uitdoezelden met smoezelige tint. Sterk woei de wind aan.

Valérie had den kleinen matrozenhoed afgezet en heure haren warrelden om haar gezicht. Zij had naar het visschersdorp heen willen roeien, maar ze voelde aanstonds, dat het boven hare krachten ging op te werken tegen den wind. Zij liet zich dus gaan met den wind meê. Een oogenblik dacht zij aan het weêr, de lucht, den wind; toen wierp zij die gedachte van zich. Stevig bewoog zij de riemen.

Hoewel de zee betrekkelijk kalm was, wipte het bootje telkens over den gladden rug van een golf heen en daalde dan weêr. Schuimspatten vlogen op. Toen Valérie na korten tijd omzag, verschrikte zij een weinig, omdat Altseeborgen zich zoo ver van haar terugtrok. Zij aarzelde nog eens, maar liet zich weêr gaan...

Toen zij het kasteel verlaten had, was geene gedachte in haar geweest; alleen eene impulzie om te handelen. Nu, onder de handeling zelve, rees de gedachte bij haar op, als werd die door den wind uit eene lethargie gewekt. Valérie’s oogen staarden brandend groot, zonder tranen, voor zich uit.

Het was waar, reëel. Dit was het wiel, dat telkens terugdraaide in hare gedachte. Het was waar, reëel. In de couranten—de zelfde, die Herman urenlang doorbladerd had—stond het: Sofie had het haar gezegd; zijn eigen brief meldde het haar.

Zij had dien brief niet meer, hij was verscheurd. Maar ieder woord brandmerkte nog haar verbeelden.

Het was zijn brief geweest; zijn eigene woorden waren het geweest, zijn stijl. Hoe had ze met woorden van hem gedweept, eens. Maar deze, waren het wel de zijne? Schreef hij zoo? Kon zij zich voorstellen, dat hij ooit zóó tot haar spreken zoû:

Hij zoû haar niet ongelukkig willen maken door haar lief te hebben tegen den wil harer ouders, harer keizerlijke familie. Het was immers waar, dat hij niet haar evenboortige was. Zijn huis was van ouden adel, maar meer niet. Zij was van keizerlijken en koninklijken bloede. Hij was haar dankbaar, dat zij tot hem neêr had gebogen en hem tot haar had willen heffen. Maar het was niet goed dit te doen. De tradities der menschen moesten onschendbaar zijn: het was, vooral voor hen, grooten der aarde, niet goed tegen traditie te doen. Zij moesten dankbaar zijn voor de liefde, die hunne zielen had gelukkig gemaakt, maar meer mochten zij niet verlangen. Te Weenen wilde men niet, dat zij elkander lief hadden. Zoû hij haar ooit geheel gelukkig kunnen maken—zoû zij, zoo ze huwden en zich met hunne liefde terugtrokken in het buitenland, nooit terug verlangen en heimwee voelen naar den splendeur, waaruit hij haar tot zich had neêrgehaald? Want, zóo zij huwden, zoû hij nog minder hare gelijke zijn, dan hij nu reeds was, door de ongenade van zijn keizer. Neen, neen, het mocht niet. Zij moesten scheiden. Zij waren niet voor elkaâr geboren. Een kort oogenblik hadden zij de heerlijke illuzie gebeeld, dat zij wél voor elkaâr geboren waren; dat was alles. Voor die herinnering zoû hij dankbaar blijven, zijn leven lang.

Met een brekend hart nam hij afscheid van haar, vaarwel, vaarwel. Het was gedaan, zijn hooge carrière, zijn leven, zijn alles. Hij vroeg haar om vergeving. Hij wist, dat hij te zwak was, om haar lief te hebben tegen den wil van zijn vorst in. En hij vroeg haar vergeving daarvoor. Zij zoû den naam van eene vrouw hooren, samen met de zijnen; ook hier vroeg hij vergeving voor. Hij had die vrouw niet lief, maar zij wilde hem troosten in zijne smart...

De wind, strafweg, was feller opgestoken, met een zwaren gelijken blaasadem. De lucht stond donker. Woester rolden de golven op het bootje aan en wipten het op hunne ruggen als van gladde waterbeesten. Het schuim had Valérie nat gemaakt. Zij zag om. Altseeborgen lag zeer ver, nauwelijks zichtbaar; de vlag zag zij nog teekenen in de lucht, als een lintje.

—Ik ben gek, dacht ze. Waar ga ik naar toe...? Ik moet terug...

Maar het was moeilijk de boot te keeren! Telkens sloeg de wind haar weêr af en dreef haar verder. Een wanhoop kwam over Valérie’s lichaam en ziel, moreele en fyzieke wanhoop.

—Nu, laat dan maar, dacht ze.

Ze liet de riemen los, dreef verder, weg, weg. Waarom ook niet? Waarom zoû ze zich niet laten wegdrijven? Zonder hem, zonder hem... kon ze niet leven! Haar geluk was gebroken; wat was het leven, zonder geluk? Want zij wilde geluk, het was haar broodnoodig...

Ze was half ingezonken in de boot. De riemen klapperden tegen de wanden aan. Een golf kletste over haar heen. Hare oogen staarden brandend voor zich uit, in het verre.

Een tweede golf kletste, hare voeten waren doornat. Zij richtte zich langzaam op, zag naar de booze zee, naar de donkere lucht. Toen greep zij de riemen weêr, met een zucht van smart.

—Kom aan! dacht ze.

Hooger rees en lager daalde ze. Maar met een dolle poging deed zij de boot wenden...

—Het moet! knarste zij tusschen de tanden.

Zij hield de smalle boot tegen den wind in en begon te roeien. Het moest. Haar voorhoofd fronste zich, hare kakebeenen knarsten, hare tanden schrijnden over elkaâr. Zij voelde hare spieren rekken. En ze roeide door, tegen den wind op. Met haar heele lichaam schokte zij op tegen den straffen adem. Het moest. Het zoû. En zij wende zich aan hare krachtsinspanning; werktuigelijk roeide zij door. Zóó wende zij aan ze, dat ze begon te snikken, terwijl ze roeide...

O God, hoe lief had ze hem gehad, met heel hare ziel! Waaròm, wist ze het? O, zoo hij maar wat sterker ware geweest, zij zoû het wel geweest zijn! Wat deed hun de ongenade van haar oom, den keizer, zoo ze elkaâr liefhadden? Wat de woede van hare ouders, zoo ze elkaâr liefhadden? Wat kon hun Europa schelen, zoo ze elkaâr liefhadden! Niets, alles niets... Zoo hij hun geluk maar had durven grijpen, toen het voor hen fladderde, zooals het maar ééns voor eene ziel uitfladdert! Maar hij had niet gedurfd, hij voelde zich te zwak dien greep te wagen, hij bekende het haar zelve... En nu... was het gedaan, gedaan, gedaan...

Al snikkende roeide zij door. Hare armen schenen te zwellen, te springen uit elkaâr. Enkele dikke druppels van regen vielen neer. Waarom eigenlijk roeide zij door? De zee was de dood, verlossing van het leven, vergetelheid, blussching van schroeiende pijn. Waarom roeide ze dan door?

—O God! ik weet het niet! antwoordde zij zichzelve hardop; maar het moet! Het moet!...

En met de schokken van haar sterk vorstinnelijf werkte zij zich terug, naar het leven...

Maar op Altseeborgen was men in groote onrust. Het was drie uur geleden, dat Valérie gegaan was. De kamenier wist niet anders te zeggen, dan dat Hare Hoogheid verzekerd had voor het ontbijt terug te zullen zijn. De schildwachten hadden haar de terrassen zien afgaan, maar verder geen acht geslagen welken kant Hare Hoogheid was uitgegaan. Zij meenden naar het bosch, maar wisten niet zeker...

Iedere minuut steeg de angst; geen vermoeden werd uitgesproken, maar men las het elkander in de oogen. Koning Siegfried beval zelve stil te gaan zoeken, om geen opzien te baren bij de hofhouding en het volk van het dorp. Van verdwalen kon geen sprake zijn: het dennenbosch was niet groot en Valérie kende Altseeborgen goed. Trouwens, er was niets dan het bosch en het strand en het dorp.

De koning en de kroonprins gingen zelve het bosch in met een adjudant. Herman en zijn jongere broêr Olaf gingen het dorp in links; Othomar en Christofel langs de zee, rechts. De koningin bleef met de prinsessen in hartkloppende onzekerheid achter. Hoe men ook had pogen zich goed te houden en te ontbijten, iets van een gerucht waarde reeds door het kasteel heen.

Othomar was met Christofel langs het klippige strand gegaan; de regen begon te druppelen, dik hard.

—Wat zoeken we hier eigenlijk! zei Othomar radeloos.

—Ze zal zich misschien in zee hebben gegooid! antwoordde de jonge prins en, voor het eerst van zijn leven, was hij bang voor de diepte, die de dood was. Zonder te weten gingen zij door, door...

—Laat ons terugkeeren, sprak Othomar.

Zij gingen echter nog eenigen tijd voort; ze konden niet opgeven...

Daar klonk een kreet over het water; zij schrikten op, maar zagen eerst niets.

—Hoorde je? vroeg Christofel bleek, die aan spooklegenden van de zee dacht.

—Een zeemeeuw zeker! zei Othomar, maar luisterde toch. De kreet klonk weêr.

—Daar, zie je niets! wees Christofel.

Hij wees een lange vlak, die deinde over het water aan.

Othomar schudde van neen.

—Neen, dat kan niet! zei hij; dat is een visschersjongen.

—Wel neen, het is een giek! riep Christofel.

Zij zeiden niets meer, liepen op een draf door. De vlak werd duidelijker: een giek, de kreet klonk, doordringend.

—Mijn God, Valérie! schreeuwde Othomar.

Zij schreeuwde eenige woorden terug; hij verstond maar ten deele. Zij roeide niet ver van het strand af, naar het kasteel toe. Othomar deed zijn jas, zijne schoenen uit, stroopte zijn broek op, de mouwen van zijn hemd.

—Neem dat meê, riep hij tot Christofel; en ga terug naar het kasteel, zeg het hun...

Hij liep met bloote voeten over de klippen heen, de zee in, wierp zich in het water, zwom naar de boot. Het was zeer moeilijk voor hem in het bootje te komen, zonder het te doen omslaan. Het kantelde dol links en rechts; met éene beweging van lichte vlugheid slaagde Othomar echter er in te springen.

—Ik kan niet meer... sprak Valérie mat.

Ze liet de riemen los; hij greep ze en roeierde op. Ze viel even tegen hem aan, maar hield zich toen recht om hem niet te belemmeren.

V.

De jonge aartshertogin verscheen niet aan het lunch; zij sliep. Even voor het diner,—het regende en de koningin dronk in den hall thee, met de prinsessen, de tantes, de kinderen,—verscheen zij. Zij zag wat bleek; haar gezicht was een weinig uitgetrokken; hare oogen vreemd groot, brandend. Zij droeg een eenvoudig zomertoilet van zacht lila soupele stof, met een paar witte linten om den leest gestrikt; de kleur stond haar goed bij het vreemde haar, dat nu eens bruin was en dan weêr rossiger scheen. De koningin strekte de hand naar Valérie uit; ze schudde het hoofd en zei:

—Ondeugend kind! Wat heb je ons bang gemaakt.

Valérie kuste het voorhoofd der koningin.

—Vergeef me, tante. De wind was zoo sterk, ik kon er bijna niet tegen op. Ik had niet moeten gaan. Maar ik had, ik had behoefte... aan beweging.

De koningin zag haar angstig aan.

—Hoe voel je je?

—O, goed tante. Wat stijf; een beetje hoofdpijn ook. Het is niets. Mijn handen alleen hebben een paar groote blâren, ziet u eens...

En ze lachte.

De oude dames vroegen uitvoerig naar het gebeurde: het was heel moeielijk ze het aan haar verstand te brengen. Wanda zette zich tusschen haarbeiden, deed haar het verhaal; de fijne kakatoe-profielen bogen telkens ontzet op en neêr naar Wanda toe. De tantes legden de hand op het hart en zagen Valérie in verschrikking aan; vriendelijk glimlachte zij ze toe. Toen de gravin Von Altenburg verscheen, namen de tantes de oude grootmeesteres tusschen haar in en deden, op hare beurt, het verhaal, krijschende aan de arme ooren der gravin. Koning Siegfried kwam binnen; hij ging naar Valérie toe, die opstond, nam haar het hoofd tusschen de handen, zag haar aan en schudde zijn grijzen kop; toch glimlachte hij. Toen zag hij naar zijne zusters; hij amuzeerde zich altijd om ze; ze waren nog midden in haar verhaal tegen de gravin, namen elkaâr telkens het woord uit den mond:

—Nu, zoo verschrikkelijk was het niet! viel de koning ze in de rede; zoo te roeien is wel eens prettig en een goed middel tegen migraine. Je moest het ook eens doen, Elsa, als je migraine hebt.

De oude prinses zag hem zoetsappig glimlachend aan: ze wist nooit of haar broêr zoo iets meende of niet. Ze schudde haar deftig hoofd langzaam heen en weêr:

—Neen, lieber Siegfried, dat kunnen wij niet meer doen. Unsere liebe Erzherzogin is nog een jong ding...!

Othomar, Gunther en Herman kwamen binnen; ze hadden gebiljart; de jongere prinsen volgden hen. Valérie sidderde even, stond op en ging naar Othomar.

—Ik dank je, Xara, sprak ze. Duizend-, duizendmaal!

—Maar waarom, Valérie! antwoordde Othomar eenvoudig. Ik heb niets gedaan dan je een eind teruggeroeid. Er was geen gevaar. Want, als je zoo moê was geweest, dat je niet meer hadt gekund, hadt je immers in zee kunnen springen en kunnen zwemmen naar land. Je bent een goede zwemster. Je hadt alleen de boot er aan geofferd.

Zij zag hem aan.

—Het is zoo, zei ze. Maar ik dacht daar niet aan. Ik was misschien... verbijsterd. Ik zoû het niet gedaan hebben; ik had een idee-fixe om terug te roeien. Als ik niet meer had kunnen roeien, was ik zeker... Weiger mijn dank niet, ik verzoek het je: neem hem aan.

Zij stak hare hand uit, hij drukte ze. Met verwondering zag hij stil tot haar op, en begreep haar niet. Hij dacht niet anders dan dat zij dien morgen het kasteel verlaten had met een plan van zelfmoord. Had zij op het water berouw gevoeld of niet gedurfd; had zij willen doorleven en was zij teruggekeerd? Was zij zoo oppervlakkig, dat zij het groote leed, dat haar gisteren avond verpletterd had, nu reeds te boven was? Voelde zij, dat het leven over alles wat van ons is, geluk of smart, heenradert met zijn onverschillige jubelkarren en dat het maar het beste is om niets te geven en te voelen, ook niets? Wat van dit alles was er in haar? Hij kon het niet doorgronden. En opnieuw zag hij zich weer vreemd staan voor de vraag van de liefde. Wat was dit gevoel waard, zoo het zóó weinig maar woog in een vrouweziel? Wat woog het bij hemzelven voor Alexa? Wat was het dan... of was het dan nog iets... anders?

Aan het diner praatte Valérie als gewoonlijk en hij bleef haar niet begrijpen. Het ergerde hem, zijn gebrek aan doorzicht in menschehart: hoe kon hij het ontwikkelen? Een aanstaande vorst moest toch met éen enkelen blik kunnen zien... En in eens, misschien alleen òm zijn wensch naar menschekennis, kwam het in hem op, dat ze zich verborg, dat ze misschien nog zeer leed, maar zich voordeed, zich ophield; ze was immers een vorstenkind: zij leerden dat allen, vorstenkinderen, zich ophouden, zich voordoen! Het zat hun in het bloed. Schuin zag hij haar aan, waar hij naast haar zat; kalm praatte zij over hem heen met de koningin. Hij wist niet of hij goed geraden had en hij weifelde nog tusschen die twee: houdt ze zich op, of is ze oppervlakkig? Maar toch was hij gelukkig omtrent haar te kunnen weifelen en dat eerste vermoeden van oppervlakkigheid te ontzenuwen door zijne tweede gedachte. Hij was hier gelukkig om, niet geheel en al om Valérie alleen, dat zij beter zoû zijn, dan hij eerst meende; hij was er vooral gelukkig om, om den algemeenen regel, waartoe hij er om besloot: dat een mensch meestal beter is, dieper denkt, edeler voelt dan hij schijnen laat in de iederen-daagsche banaliteit van het leven, die hem dwingt zich te bemoeien met nietsjes en woorden, ieder oogenblik. Een teêr gevoel van vreugde kwam over hem, dat hij dit zoo had bedacht. Een rust, dat hij iets mooi in het leven geraden had: een mooi geheim. Iedereen wist het misschien, maar niemand liet het blijken. O ja, de menschen waren goed; de wereld was goed, in hare essence. Een vreemd mysterie alleen dwong anders te schijnen, een vreemde dwang der wereldorde. Hij zag om zich heen over de lange tafel. Alle gezichten hadden vriendelijkheid en sympathie over zich. Hij hield van zijn oom, den koning; zoo kalm, zacht, flink, met het schijnbaar stug stilzwijgende van zijn Noordsch karakter, met zijn rustigen glimlach en nu en dan een kleine vonk van scherts, tegen de oude tantes vooral, maar ook tegen de kinderen en zelfs tegen de adjudanten, de hofdames. Hij wist, dat zijn oom een denker was, een wijsgeer; hij zoû gaarne eens lang met hem hebben willen spreken over punten van filozofie. Ook van zijne tante hield hij: een flinke vorstin; hoeveel deed zij niet voor haar land, hoeveel liefdadige instellingen riep ze niet op; een flinke moeder, hoe verstandig kwijtte zij zich niet van hare moeilijke taak; vorstenkinderen op te voeden. Zij was in haar land meer bemind dan zijne moeder, die hij toch aanbad, in het hare; zij had meer tact, minder angst, minder hoogheid ook tegen de menigte. Het had misschien omgekeerd moeten zijn: zij koningin hier, hare zuster keizerin daarginds...

En de kroonprins met zijne eenvoudige mannelijkheid; Herman met zijne joligheid; de jongere broêrs met hunne stevige jongensblague; hoeveel hield hij niet van ze! Sofie, Wanda, de kinderen, hoeveel hield hij niet van ze! De tantes, de oude, zich wijdende grootmeesteres, hij vond ze zelfs sympathiek. O de wereld was goed, de menschen waren goed! En Valérie was niet onverschillig, maar leed in stille stilte, zooals een vorstenkind lijden moet, met kalme oogen en een glimlach!

Toen het diner gedaan was, nam koningin Olga Othomars arm.

—Kom even meê, sprak ze.

De regen had opgehouden, een lakei opende de boogdeuren. Er was daar het lange achterterras, achter de eetzaal; het zag uit op het bosch. De koningin had haren arm onder dien van Othomar gestoken, en begon met hem op en neêr te wandelen.

—En je gaat ons dus verlaten? vroeg ze.

Hij zag haar glimlachend aan.

—U weet het, tante: met veel spijt. Ik zal nog dikwijls heimwee naar Altseeborgen hebben, naar u allen. Ik voel mij zoo geheel thuis in uw kring. Maar ik verlang toch ook Mama terug te zien; het is nu bijna vier maanden geleden, dat ik haar zag.

—En voel je je beter?

—Hoe zoû het anders kunnen, tante. De reis met Herman had me al opgesterkt, en het leven hier bij u is een heerlijke nakuur geweest. Een heerlijke vacantie.

—Maar nu zal het uit zijn met die vacantie: zal je nu weêr kunnen handelen?

Hij glimlachte met een kalme berusting in zijne melancholieke oogen.

—Zeker tante, het mag niet altijd vacantie blijven. Me dunkt, ik heb het er van genomen; zes weken niets gedaan dan liggen in het zand, of in het bosch, of op die heel gemakkelijke rieten bank van Herman.

—Heb je niets meer gedaan? vroeg zij schalk.

—Wat meent u?

—Niet het leven gered... van Valérie?

Hij maakte een kleine beweging van zacht ongeduld.

—Maar tante, heusch niet. De couranten zullen dat nu wel gaan vertellen, maar het is heusch geen redding geweest. Valérie kan immers zwemmen en ze was vlak bij het land.

—Ik heb een brief van papa, Othomar.

—Van papa?

—Ja... Heb je nooit gedacht aan... Valérie?

Hij bedacht zich even.

—Misschien, lachte hij.

—Voel je geen genegenheid voor haar?

—Zeker tante... Ik dacht, dat papa liever de grootvorstin Xenia wilde?

De koningin haalde hare schouders op.

—De godsdienstkwestie, niet waar? Papa heeft toch ook gaarne een Oostenrijksche verbintenis. Hoe denk je de reis te nemen? En wanneer ga je?

—Ducardi en de anderen komen nog deze week hier. Aan het einde van de week. Eerst Kopenhagen, Londen, Brussel, Berlijn en dan naar Weenen.

—En naar Sigismundingen.

—Ja, naar Sigismundingen, als papa wil.

—Maar wat wil jij, Othomar?

Hij zag haar zacht aan, glimlachend, haalde de schouders op.

—Maar tante, wat heb ik te willen?

—Zoû je van Valérie kunnen houden?

—Ik geloof het wel, tante: ik geloof, dat ze heel lief is en heel flink.

—Ja, dat is ze zeker, Othomar. Zoû je niet, voor je wegging, dan met haar praten?

—Tante...

—Waarom niet?

—Tante, dàt kan ik niet doen. Ik blijf nog maar enkele dagen hier, en...

—En?

—Valérie heeft een groot verdriet gehad. Het kan niet anders of zij moet er nu nog zeer onder lijden. Bedenk, tante, het was gisteren. Mijn God, gisteren...! En vandaag was ze zoo kalm, zoo eenvoudig... Maar het kan niet anders, niet waar, of ze lijdt nog heel erg. Zij is van morgen met dat weêr op zee gegaan... we weten niets, niet waar, tante, maar we denken allen het zelfde! Misschien vergissen we ons, eenvoudig weg. De dingen, die schijnen, zijn dikwijls anders. Maar hoe het ook zij, verdriet heeft ze zeker. Ik kan haar dat dus niet vragen, nu...

—Het is jammer; jullie zijn nu samen. Dikwijls wordt zoo iets beslist uit de verte. Je zoû, als het hier in orde kwam, de reis misschien niet hoeven te maken.

—Tante, papa stond toch op die reis...

—Dat is zoo; omdat nog niets beslist was.

—Neen, tante, laat mij die reis doen. Want in orde komen, hier, dat kan het toch niet. Als papa het me zelve vroeg zoû ik zeggen... dat het niet kan.

—Papa vraagt het je, Othomar, in dien brief aan mij.

Hij greep hare handen.

—Tante, schrijf u het dan terug, aan papa, dat het niet kan, nu. O, onmogelijk, onmogelijk. Laat ons haar sparen, tante. Als ze mijn vrouw wordt, wordt ze het toch, terwijl ze een ander liefheeft. Is dat al niet vreeslijk genoeg voor haar, als het later beslist wordt, na maanden? Laat ons haar daarom nu dus sparen. U voelt dat toch ook als vrouw, niet waar? Er zijn geen staatszaken, waarom mijn huwelijk zoo dringend zoû moeten worden gesloten.

—Toch wil papa, dat je zoo gauw mogelijk trouwt, Othomar. Hij wenscht een kleinzoon...

Hij antwoordde niet: een lijden trok over zijn gelaat. De koningin zag het.

—Maar je hebt gelijk, antwoordde zij, hem toegevend. Het zoû te wreed zijn. Valérie houdt zich anders goed. Zoo moet een aanstaande keizerin van Liparië zijn...

Hij antwoordde nog niet, liep stil naast haar; nog steeds lag hare hand op zijn arm; zij voelde dien trillen.

—Kom, zij ze zacht; laat ons naar binnen gaan; zoo een wandeling op en neêr maakt nog moê ook...

VI.

Ducardi, Dutri, Leonie en Thesbia waren te Altseeborgen aangekomen; zij zouden Othomar vergezellen op zijn officieele reis door Europa. Het was een der laatste dagen, dat Othomar met Herman samen wandelde, des morgens, naar het bosch.

De zon scheen, het bosch was geurig, de voet gleed uit over de gladde naalden. De prinsen lieten zich op den grond neêr, bij een groote plas water; om hen heen verrezen de rechte dennestammen met hunne knoestige pieken van zijtakken; de lucht week, met blauwe plekken, tusschen het uitstekende naaldenloover, weg naar de ruimte.

Herman leunde tegen een stam aan; Othomar strekte zich uit op den rug, de handen onder het hoofd.

—Het is nu gauw uit, zeide hij zacht.