Majesteit

Part 13

Chapter 134,094 wordsPublic domain

Herman antwoordde niet, maar streek met zijne hand de naalden werktuigelijk bij elkaâr. En ook Othomar sprak niet meer; hij dronk zijn laatste oogenblik van ontspannen rust als met voorzichtige teugen in: iedere teug was een wellust, die nooit terug zoû komen.

In het bosch was het doodstil, als was de aarde onbewoond; de weemoed van wat eindigt hing tusschen de boomen.

In eens nam Othomar Hermans hand en drukte die.

—Ik dank je, zei hij.

—Waarvoor? vroeg Herman.

—Voor het genot, dat wij samen hebben gehad. Mama had gelijk: ik kende je niet, Herman...

—Maar ik jou ook niet, beste jongen.

—Het zijn mooie dagen geweest. Hoe heerlijk hebben we samen gereisd, als twee touristen. Hoe heerlijk grootsch was Voor-Indië, niet waar, en Japan, hoe curieus. Ik hoû anders niet van jagen, maar met jou begreep ik het en voelde ik de emotie er van: ik zal onze tijgerjacht nooit vergeten! Die oogen van dat beest, het gevaar in het gezicht: dat sterkt. In zoo een oogenblik voel je je primitief worden als de eerste mensch. Zoo een tijger kijkt een boel geweifel uit je weg. Dat is een ander gevaar, dan waar mama altijd bang voor is; o dat enerveert zoo, dat eet al je energie op... En de nachten op den Indischen Oceaan, op onzen Viking. Die kolossale ruime cirkel om je heen, al die sterren boven je! Wat hebben we dikwijls zitten kijken, met onze beenen op de verschansing... Het is misschien niet goed lang zoo te droomen, maar het rust zoo uit, het rust zoo uit. Ik zal het nooit vergeten, nooit...

—Nu maar, kerel, we zullen het nog wel eens over doen.

—Neen, je doet iets nooit over. Wat gedaan is, is gedaan. Niets komt terug, geen oogenblik. Het is later altijd wat anders...

Hij zag even om zich heen, alsof er iets beluisteren kon, fluisterde toen:

—Herman, ik moet je iets zeggen.

—Wat dan?

—Iets toevertrouwen. Maar zeg eerst: toen met dien tijger, toen vond je me niet laf, niet waar?

—Neen, zeker niet!

—Nu, ik ben het toch, laf. Ik ben bang, altijd bang. Ze weten het niet, de dokters, omdat ik het hun nooit zeg. Maar ik ben het altijd...

—Maar waarvoor dan toch, kerel?

—Voor iets in mezelven. Zie je, Herman, ik ben zoo bang... dat ik het niet vol zal kunnen houden. Dat ik op een oogenblik te zwak zal zijn. Dat ik het in éens niet meer zal kunnen doen, en dan, dan...

Hij huiverde; zij zagen elkaâr aan.

—Het is niet goed, vervolgde hij werktuigelijk, als gesterkt door Hermans blik. Ik zal er tegen strijden, tegen dien angst... Geloof je aan voorgevoelens?

—Ja, aan het omgekeerde van ze: de mijne komen altijd omgekeerd uit!

—Ik hoop dan, dat het mijne ook niet zal uitkomen.

—Maar wat is het?

—Dat er binnen het jaar... iemand van ons... dood zal zijn... te Lipara.

Herman bleef hem star aanzien. Trotsch zijne flinkheid en zijne fyzieke kracht van spieren, school er in hem eene lichte overerving van het bijgeloof, dat in de zee aanruischt als met stemmen van verre profetie; bijgeloof, gewiegeld door de mooie legenden van hunne Gothlandsche zee, die als eene sirene vreemde sprookjes zingt van mystiek. Hij wist het misschien zelve niet, dat er hem iets van vloeide door zijn rijk bloed, vóor hij het voelde op dit oogenblik, en hij wilde het weg uit zich schudden, als nonsens.

—Maar Othomar, wees toch verstandig!

—Ik kan er niets tegen doen, Herman; ik denk er niet over, maar het zijn heele kleine prikjes, als gedachten, die plotseling opkomen. En verleden... o verleden, toen was het meer; toen werd het een droom, een nachtmerrie. Ik liep door de winkelstraten van Lipara en uit alle winkels kwamen zwarte menschen, en die maten hoopen zwart krip uit, met meters, en zóoveel, dat de straten zich er mee vulden en dat het krip als met wolken in de stad lag, en als een hoop van floers boven de stad steeg. Het werd er donker om; de zon scheen er niet meer door heen, en over alles lag de schaduw. De menschen schenen mij niet te herkennen, en toen ik vroeg, waarvoor al dat krip was, fluisterden ze aan mijn ooren: stil, stil, het is... voor het Imperiaal!... O, Herman, toen werd ik wakker, en ik was nat van zweet en het was of ik het nog altijd hoorde naklinken: voor het Imperiaal, het is voor het Imperiaal!

Herman was opgestaan, hij werd een beetje zenuwachtig.

—Kom, zei hij, willen we gaan?... Droomen, hecht toch niet aan droomen, Othomar!

Othomar stond ook op.

—Neen, ik moest ook niet aan ze hechten, herhaalde hij vreemd; ik heb het vroeger ook nooit gedaan.

—Othomar... begon Herman, beslist, als wilde hij spreken.

—Zeg even niets tegen me; laat me een oogenblik stil! viel hij in de rede, snel, angstig.

Zij liepen door het bosch, zwijgend. Othomar zag vreemd om zich heen, over den grond. Herman sloot de lippen dicht op elkaâr, en fronste zijn voorhoofd: hij was boos. Maar hij sprak niet. Na enkele minuten werden Othomars vreemde blikken kalmer; ze stilden zich tot hunne gewone, zachte melancholie.

Toen zuchtte hij licht, als weêr komende op adem.

—Wees niet boos, sprak hij, zijn arm stekend onder dien van Herman.

Zijne stem had weêr den gewonen klank.

—Het zal misschien goed zijn, dat ik je dat gezegd heb: nu zal het misschien uit me weggaan. Wees dus niet boos, Herman... Ik beloof het je, voortaan zal ik niet meer zoo spreken en ook mijn best doen niet meer zoo te denken. Maar wat me hindert, moet ik zeggen. En dat is toch ook veel beter, dan het eeuwig te verzwijgen! Zie je, ik zal gauw ook geen tijd meer hebben aan zulke dingen te denken—morgenavond zijn wij te Kopenhagen, en dan neemt het leven weêr zijn gewonen loop. Hoe heb ik toch zoo vreemd gesproken, hoe ben ik er op gekomen? Ik weet het zelf niet meer... Het lijkt me nu zelf heel dwaas.

Hij lachte even en toen, ernstig:

—Ik ben toch blij, dat we alleen gesproken hebben, dat ik je heb kunnen danken. Niet waar, we zijn nu vrienden?

—Ja, we zijn vrienden, antwoordde Herman lachend, úit zijne boosheid; maar ik zal jou toch nooit heelemaal kennen!

—Zeg dat nu niet alleen om een enkel voorgevoelen, dat ik zelf dwaas vind. Wat is er anders voor raadselachtigs in me...!

Herman zag hem aan.

—Neen, anders ook niet! gaf hij toe. Je bent een goede jongen. Ik weet niet, hoe het gekomen is, maar ik hoû veel van je...

Zij gingen het bosch uit; de zee lag voor hen. Als het leven zelve, lag ze voor hen, met het mysterie harer diepte, waarin eene veelvuldige ziel scheen te bewegen en golf te ronden na golf. Onnoembaar en ontelbaar waren hare wisselingen van kleur: hare stemmingen van onophoudelijke beweging, en hoog spuwde zij op de kammen harer woestheid een schuim van passie uit. Maar die passie was hare oppervlakkigste openbaring: al het overvloedige van hare eindelooze vitaliteit: uit hare diepte ruischte, in de onnazingbare melodieën harer millioenen stemmen, de mystiek op van hare ziel, als het geheim, dat de hemel alleen wist, bóven haar.

VII.

Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid Othomar, Hertog van Xara,

te

Osborne House Wight. Lipara, Imperiaal. Sept. 18..

Dierbare Zoon.

Wij ontvingen met veel genoegen Uw brief, die ons meldde de hartelijke ontvangst, die U eerst te Kopenhagen ten deel viel en nu in Engeland. Wij moeten U echter onze bevreemding doen opmerken omtrent hetgeen Tante Olga ons schreef, en ons leed betuigen, dat Gij U niet naar ons verlangen gedragen hebt; dit zelfde leed betuigen, door middel van brieven aan ons, de Keizer van Oostenrijk en de Aartshertog Albrecht. Wij hebben ons zeker in ons schrijven aan Tante Olga niet dringend genoeg uitgelaten: in het andere geval zouden wij ons niet kunnen voorstellen, dat zij er niet meer bij U op zoû hebben aangedrongen, aan de Aartshertogin Valérie een onderhoud te verzoeken en haar te spreken over de gewichtige zaak, die ons allen op dit oogenblik zoo zeer ter harte gaat. Gij hadt dan reeds aan de hoven, die Gij nu bezoekt, Uwe verloving sous-cachet kunnen mededeelen, en zij zoû aan het einde van Uwe reis te Sigismundingen gevierd hebben kunnen worden. Terwijl Gij U nu zeker bij onze Vrienden, Hunne Majesteiten van Denemarken en van Engeland, in een scheeve positie plaatst, daar er immers in alle nieuwsbladen over eene mogelijke verloving met de Aartshertogin Valérie gesproken wordt en de pers zoo goedgunstig is het voor en tegen van deze verbintenis reeds met luider stemme te bespreken. Uwe reis had echter toch in alle geval plaats moeten hebben, daar ze al zoo lang geleden was aangekondigd—Uwe ziekte kwam daar tusschen beiden,—en daar ze dus niet meer is dan eene beleefdheid jegens onze Vrienden.

Nog eens, dat Gij U hierin niet naar ons verlangen gedragen hebt, doet ons veel verdriet. Wij zien er in zekere neiging tot een burgerlijke overgevoeligheid, Othomar, die wij hopen, dat Gij zult leeren beheerschen met al de kracht, die in U is. Een verdriet, als prins Von Lohe-Obkowitz Uwe aanstaande bruid heeft aangedaan, heeft ons allen wel eens in ons leven getroffen, en kan zeker een korten tijd groote smart veroorzaken, maar het blijft geheel en al een personeel en ondergeschikt gevoelen, en het mag zich in het minst niet dringen vóor zaken van zulk groot staatsbelang als het huwelijk van een aanstaanden Keizer van Liparië. De Aartshertogin Valérie zal dit zeker ook zoo leeren beschouwen, als zij ouder is, en wij hopen, dat zij reeds spoedig zal inzien, dat hare genegenheid voor de prins Lohe nooit haar geluk had kunnen zijn, daar ze haar in disharmonie had gebracht met Zijne Majesteit, haar Oom, en met alle hare verwanten.

Beheersch U, Othomar; wij vragen U dit dringend. Gij hebt somtijds ideeën en maakt U voorstellingen, die niet van een vorst zijn. Wij hebben dit reeds meermalen opgemerkt onder anderen, toen Gij, in Vaza, Zanti bezocht hebt. Wij hebben U dit niet willen verwijten, omdat wij overigens zeer tevreden over U geweest zijn. Uw liefste wensch zal zeker zijn, dat wij dit altijd zullen blijven.

Wij hopen U dus over drie weken terug te zien te Sigismundingen, waar de Aartshertogin Valérie dan van Altseeborgen teruggekeerd zal zijn, om met U samen te treffen, en waar wij ook den Keizer van Oostenrijk ontmoeten zullen.

Wij hopen van harte, dat de lange reis met Herman U veel goed zal gedaan hebben, en dat Uw huwelijk zoo spoedig mogelijk te Altara zal kunnen plaats grijpen. Dit blijde vooruitzicht is ons eene aangename afleiding voor de beslommeringen omtrent de Legerwet, die in het Huis der Standen zoo halsstarrige tegenkanting vindt, maar die wij toch hopen te zullen doordrijven, daar ons Leger noodzakelijke vermeerdering vereischt.

Wij omhelzen U van harte.

Oscar.

TWEEDE HOOFDSTUK.

I.

Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.

Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein geel licht.

De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van Oostenrijk, Othomar met Valérie... Even drukte Valérie Othomars arm en trok zich met hem uit den stoet terug.

—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.

Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.

—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.

Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van het regiment dat hij in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den sleep.

—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.

Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.

—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê...

Zij stak hem in eens hare hand toe:

—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in eens, met een grooten snik.

En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met een paar oogen, als van een verwonde ree. Een onbedwingbaar gevoel van medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.

Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in elkanders hart, naakt.

Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat spook kwam voor hen uit het leven zelve: het leven zelve werd hun een spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer, maar in hunne sfeer bestonden zij niet...

Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.

—Kijk, zeide hij.

Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park van Sigismundingen.

Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed, in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd. Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon... En het artikel eindigde, dat het huwelijk in October in het oude paleis te Altara zoû voltrokken worden.

Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel. Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde hij het tijdschrift weêr neêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte, waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:

—Othomar, heb jij niemand... lief?

Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?

—Ik heb wel gedacht, dat ik... iemand lief heb gehad, bekende hij; maar ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest, die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets wijs te maken... Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel, een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van me...

Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.

—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor ons volk...

—Voel je dàt? vroeg ze, in bevreemding.

—Ja...

Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het verschiet was zoo ver, zoó ver...

—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te voelen!

Hij haalde de schouders op.

—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is... onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom is er dan iets moois aan?

Zij lachte even.

—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en... en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.

Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden hen, en zij huiverde.

—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat hier koû.

Zij voelde even aan haren blooten hals.

—Dadelijk, sprak ze.

Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen mousseline.

—Kom, drong hij.

—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?

Hij zag naar beneden.

—Ja, antwoordde hij.

—Voel je geen duizeling? vroeg ze.

Hij keek haar angstig aan.

—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk...

—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten. Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden. Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als... als mijn groot verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig... Eindelijk dacht ik, dat ik het besluit genomen had: om me te gooien naar beneden... Ik zag me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen... Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om... hèm, Othomar. Ik had hem nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû hem zijn leven lang vervolgd hebben...! Toen... toen, Othomar, ben ik weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!

Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik. Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend bruiste...

—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan. Het is hier te koud, en, en...

Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.

—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze aderen...

Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even staande:

—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken...

—Waarvoor? vroeg hij.

—Voor... iets, dat tante Olga me zei. Voor..., dat je me gespaard hebt... te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar...

Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste haar.

En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.

II.

Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten plaats.

De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle platenwinkels; de couranten schreven lange artikelen, vol jubel.

Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.

Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder Othomars hand. Een onweêrstaanbare moêheid kroop Othomars ledematen op, als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.