Part 4
Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als met een profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den divan wat hooger, en leunt op hare hand.
—Laat hem binnen...
Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven.
De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret; hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen:
—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar zijn voorschoot, zijne witte mouwen...
En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich nemen, Excellentie.
Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid.
—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten waarschuwen...
—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.
Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne Excellentie, den hertog!
De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.
—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid van leeuwerikken.
—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.
Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en zalmkleur en oude kant, rekt de armen lang uit met een in-moê gebaar, en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich kleeden moet... Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en daarna weêr het zelfde, kleeden... en eten... en slapen...
II.
Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza. Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer; er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet gezien; ze was lijdende... Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den oorlog van vijftien jaar geleden.
En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de officieele plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena, het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi, bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij, door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.
In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met goudblauwigen ravengloed.
Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen van meesters der Renaissance aan den wand.
Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den kroonprins; de heeren volgen.
Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen, die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een onuitstaanbaren jongen!
Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks ook van den staat van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner, onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer, maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende niets dan een banaliteit, en...
Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza, die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen, vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand, luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En, ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende arme menschen, zonder dak, zonder iets... Het is echter het tweede oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe zij het wilde besteed hebben... Zij herinnert zich, dat tijdens dit gesprek met den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat ze aan hem heeft, en is geboeid.
III.
Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij, al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en likeur.
Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:
—O, laat mij U niet storen, Hoogheid...
Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals. Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr, telkens voorbij de open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant; hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze Dutri:
—Hoe bevalt je de tournée?
—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van den Primaat!... Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je, ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt zich bepaald populair...
—Een aardige jongen... valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen verleden, bij Myxila...
Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes, dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene “emotie” zoû kunnen voelen.
—Ma chère Alexa, pas op...! spreekt hij en dreigt met den vinger.
—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.
—Alsof ik het niet zie...
Ze lacht luid.
—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle vrouwen zijn die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo gauw oud...
Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het lachen...
—Waarom lach je zoo? vraagt ze.
Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.
—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa. Ik weet zoo goed als jij... dat jijzelf een van die malle vrouwen bent...!
Hij schatert weêr en zij nu ook.
—Ik?
—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde tusschenpoozen, chronisch, je “geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden, je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!
—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag...
—Zoo als je alles draagt.
—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà tout!
—Een goed idee...
—Dutri...
Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde, wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras; boven stond de lucht vol sterren.
—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.
Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren en weêr in het donker liepen.
—Hoor je nog wel eens wat van hem?
—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws. Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt zijn geld op. Het domste wat je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken: het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten: Adam was prezident...
—Wees niet idioot. Wat schreef hij?
—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er tusschen jullie gebeurd?
Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van melancholie.
—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan...
—Ik weet het niet. We hadden veel met elkaâr gesproken, en zoo langzamerhand begonnen we te voelen, dat we elkaâr niet meer gelukkig konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.
—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals ik doe op jou, Alexa.
—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?
—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je psychologie.
Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische oogen werden vochtig.
—O... zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:
—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb gehouden! Ik... ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe gaan, naar hem toe gaan... O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice leven, waarin alle dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als... heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem nog, en één woord van hem, één woord...
—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa, wat een vulkaan!
Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog niet hervallen in hun toon van blague:
—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb soms hònger naar nieuws van hem...
Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger, dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:
—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je. Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee...
Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan met de overstroomde dorpen, de arme boeren... het in alles geheel en al eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van keizerlijkheid...
Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.
IV.
Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza: een antieke, sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van Yemena waren geweest, steeds geslapen hadden op een oud verguld paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste, keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij zich uitstrekte.
Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds, uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap volgde.
Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had. De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.
En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch, tot St. Ladislas zelven... Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede ketting, die zich voort zoû slingeren in de toekomst? Of... En waartoe telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven? Wat zoû het einde zijn, het groote Einde...?