Part 5
In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee was. Suiste het maar in zijne ooren, of... of ruischte het waarlijk weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas; zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten, dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende, aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens, woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder, hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees...
Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe, legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû. Ze schenen hem spoken, vijanden... Ronder opende hij zijne brandende oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd, waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.
Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de flitsen van vizioenen, die tafereelen der overstrooming weêr voor hem deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op hem neêr als met atmosfeeren stikstof.
—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in doodsangst:
—Andro!! Andro...
De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot portretten.
—Hoogheid...!!
—Andro, kom hier...
—Hoogheid, wat is er...? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat heeft U... Ik dacht...
—Wat, Andro?
—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U toch...
—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen...
De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.
—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water...?
—Neen, dank je, dank je... Andro, kun je hier komen slapen?
—Als U het wil, Hoogheid...
—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben, Andro... Haal je kussen hier.
De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden, verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij nooit klaagde...
Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn kussen te halen.
—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene woede, die hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in zoo een robbenhuid steekt als hij!
In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr op de trede van het praalbed.
—Heeft U koorts? vroeg hij.
—Neen... ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik... ik ben...
Hij dorst het niet zeggen.
—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.
—Wil U een dokter uit Vaza hebben?
—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder...
—Zal U dan ook probeeren te slapen... mijn “prinsje”? vroeg hij, met dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing klonk.
Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een voedster, de kussens voor hem opschudde.
—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument...
Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen Othomar na eene pooze vroeg:
—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:
—Ja, Uw Hoogheid, bijna.
—Suist er iets in de verte, is dat water of... of verbeeld ik het me?
De man luisterde.
—Ik hoor niets, Hoogheid... U zal wat koortsig zijn.
—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind...
De man deed zoo.
—En laat je me voelen, je hand, zoo...
Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door, steeds door... Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht over het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn vreemden, nationalen klank van liefkoozing.
—Mijn arm prinsje...
Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even van elkaâr te schuiven.
V.
Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren; zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam, het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform, blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin diep neeg.
—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.
Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild. Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve over tafel zacht tot hem zei:
—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?...
Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling logenstraffen.
—Ik heb niets, antwoordde hij.
—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.
—Niet zoo heel goed... moest Othomar bekennen, met een glimlach.
Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt, op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den binnenhof—zei Ducardi kortaf:
—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!
Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.
—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter, verontschuldigend:
—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden vandaag rust te nemen.
Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den prins heen; hij voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo duidelijk zichtbaar scheen.
En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad...
De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een beetje angst zich te verraden, schaamte...
In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten, vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar, viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens wordt stil gerukt, tot staan.
Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op, bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter zelve even te zoeken. Op de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een potlood.
En hij schreef:
Aan Hare Allergenadigste Majesteit, Elizabeth, Keizerin van Liparië.
Castel Vaza, April 18..
Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar Lycilië.
Othomar.
Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:
—Mijn kamerdienaar, Andro.
Deze verscheen na eenige oogenblikken.
—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin...
Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op, als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er òp drukte, zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.
Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen waren, op ze schieten, als op honden.
Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest, hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon, handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar... Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon, en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?
Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborg zij haren angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring, tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen...!
Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed, later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu toe... Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?
Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige verplichtingen weg...
VI.
Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête, gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk, prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen, en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.
Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse, in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder palfrenier, vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend, luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes, waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.
De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair. Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.
De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie, streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm hielden.
Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar tusschen heel oude kastanjeboomen.
—“Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?
—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn dochter.
—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op, keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes. Maar hoe komt het dan, mevrouw, dat ik verleden jaar, toen ik met den keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord heb, en dat hij hier woonde?
De hertogin lachte.
—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti niet hooren wil.
—Maar door niemand van de adjudanten...!
De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook, aan en sprak:
—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar... ik bedenk me nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier nog geen locale klank...
De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger, bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid, klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man, vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.
—Dat was Zanti... fluisterde de hertogin.
—Zanti...! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?
—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond achtten voor zijn dochter.
—Dat meisje, was dat zijn dochter?
—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te zijn.
—Prins Zanti, niet waar?
—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court... Titels zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.
Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken aan dien akeligen man:
—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U goed gedaan...
Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar, terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—, zijne oogen vergrooten, vreemd...
—Wat heeft U, Hoogheid... riep ze verschrikt en trad nader.
Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.
—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk... zoo te zijn, maar... maar die man daar heeft me verrast...—hij lachte—, ik wist niet, dat hij hier was, en dan de lucht... die ijle lucht...
Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde...
—Hoogheid...!! riep ze.
Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze; zijn mond was open, zonder adem.
De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan het Imperiaal... Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld voorhoofd af met haren zakdoek... En het vreemde gevoel werd vreemder nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots, intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen. Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd... Zij dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen, zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.