Majesteit

Part 3

Chapter 34,007 wordsPublic domain

De dijk ligt als de zwarte rug van een groot, lang dier even buiten de stad, aan den linkeroever van den Zanthos, en beschermt er, meestal in het voorjaar, voor opwellingen der rivier de geheele wijk van St. Therezia, het Oostelijk gedeelte der stad, dat nog al hoog ligt. Over de waterstraten glijden de bootjes voort; op het Therezia-plein is het mogelijk te landen: er branden lantarens, fakkels walmen, rosse vlamspelingen krinkelen over het water. Het plein is groot, breed; zwart staan de huizen er om heen en begrenzen het in den nacht met hunne onregelmatige lijnen van dakspitsen en schoorsteenen, met de massieve massa van de kerk van St. Therezia, waarvan de torens zich in de donkere lucht verliezen; in het midden van het plein rijst een groot ruiterstandbeeld van een Liparisch keizer, reusachtig in bronzen onbeweeglijkheid over het kleine dwarrelen der menigte den arm uitzwaaiend, een zwaard in de vuist.

Othomar en Herman hebben hunne drie adjudanten, Dutri, Leoni en Von Fest, wien men paarden gezocht en gezadeld heeft, weggezonden, naar den dijk toe; eene geheele buitenstad van villa’s, fabrieken en het station van St. Therezia beschermt die daar tegen het water van den Zanthos, die zijn rechteroever reeds over het land heeft uitgestort en dat verdrinkt. De prinsen staan in het midden van het plein op de trappen van het voetstuk des standbeelds; zij hebben verder voort willen gaan maar de burgemeester zelve heeft hen verzocht daar te blijven; verderop dreigt er ieder oogenblik levensgevaar... Wat men kon, heeft men reeds gedaan; er is niets meer te doen dan te wachten.

Er verloopen kwartieren, halve uren. Het wachten op het verschrikkelijke maakt kalm; men hoopt weêr. De officieren rijden af en aan; de villa’s en fabrieken daar ginds zijn verlaten; een geheele stad ligt er leêg, ontvlucht. Prins Dutri verzekerd, draaiend met zijn paard, dat hij buiten adem heeft gereden, dat de dijk houden zal; nadat hij met de prinsen gesproken heeft, omringt men hem, het zijn de bewoners der villa’s, de fabrikanten, die hem met vragen overstelpen, gesterkt door de zelfbewustheid van den keizerlijken adjudant. Nog eens galoppeert Dutri weg.

Daar gaan de deuren van de kerk geheel, wijd open: in het einde van perspectief, tusschen de zuilen, schitteren de lichtjes op het altaar; eene processie vloeit langzaam naar buiten; een gemyterde bisschop, priesters, choorkinderen, die zingen en vanen dragen en hooge kaarsen en wolken zwaaien uit hunne wierookvaten; achter het omhoog geheven crucifix, de reliquie van St. Therezia in haren antieken schrijn van middeneeuwsch goud en kristal en kostbare steenen, ruw geslepen of rond; ze wordt gedragen onder een baldakijn en in den dwarrelenden kaarsenschemer schittert en straalt ze als een heilig juweel, als een star, over dat sombere plein, door dien zwarten nacht van onheil heen; flikkeren de reuzensmaragden, flonkert het kostelijk gedreven goud, en voor het Zeer Heilige wijkt de opeengedrongen menigte terzijde en valt ze neêr, geknield. De vijfde maal is het, dat dien dag de processie ommegaat, de reliquie gedragen wordt, ter bezwering van de ramp. Ze gaat voorbij het standbeeld; de prinsen knielen neêr; het Latijn van den zang, de glans van de reliquie in haar schrijn, de walm van den wierook gaat over hen heen met den zegen van den bisschop...

Om de processie is het stil geworden op het plein, maar men hoort nu een geruisen als van verre... Als met éen golfslag schijnt de menigte te deinen, men knielt niet meer; de processie zelfs wordt verbroken en verwart zich. Door het gedrang gaat de mare: de dijk is gezwicht...

Men kán nog niet gelooven, maar eensklaps dondert van boven het fort van St. Ladislas, dat zijne wallen om den burcht breid, een schot en dreunt over de zwarte stad, en davert door de zwarte lucht alsof zijn weerslag breekt tegen de lage wolken aan. Een tweede schot dondert na, als met reuzen-cymbalen van catastrofe, een derde... de geheele stad weet, dat de Zanthos den dijk heeft verbroken.

Het geheele plein is in warrelende beweging: éen mierenhoop; hoopen laatste vluchtelingen komen nog aan in drommen, armen, haveloozen nu, die niet eerder hadden kunnen vluchten, die nog altijd hoopten; door het gedrang poogt, hijgende, vloekende, te paard, den angst in zijne oogen, prins Dutri het standbeeld te bereiken; het verre geruisch als van zee komt nader en nader. Men vlucht in alle straten, te voet of in bootjes; de processie in wanorde, met het geschitter van haren reliquie-schrijn, die als schijnt te wankelen op de golven eener menschenzee, verspreidt zich naar de kerk...

—Is het plein zelfs niet veilig? vraagt Othomar: hij kan bijna niet spreken; zijne borst is geklemd als in ijzer, zijne oogen vullen zich met tranen, een onmetelijke wanhoop van machteloosheid en medelijden verdrinkt zijne ziel.

De burgemeester schudt van neen.

—Het plein ligt lager dan de buitenwijken, Hoogheid; U kan hier niet meer blijven. Gaat U in Godsnaam terug, met een boot, naar het Episcopaal...

Maar de prinsen willen blijven, ook al ruischt het meer en meer.

—Gaat U dan in de kerk, Hoogheden; daar is dan nog de eenige veilige plaats, smeekt de burgemeester. In Gods naam, ik bid U!!

Het plein is reeds als schoon geveegd, de flambouwen geleiden de prinsen naar de trappen der kerk; als een zachte donder, die over den grond strijkt, golft de Zanthos aan.

In de kerk galmt het orgel, zingt men, bidt men... den geheelen nacht. En den geheelen nacht blijft het daar buiten chaotisch zwart, zacht ruischend...

Als de eerste schemeringen bleeken over de lucht, die in de verte roze en grijs, flauw opaal en parelmoêr begint op te tinten, treedt Othomar met Herman en de adjudanten naar buiten, op de treden der kerk.

Het plein staat onder water; de huizen rijzen uit het water op; het standbeeld van Othomar III zwaait zijn bronzen arm en zwaard over een meer uit, dat rimpelt in de morgenbries.

Van het Therezia-plein tot de Domplaats staat alles onder.

VI.

Aan Hare Allergenadigste Keizerlijke Majesteit Elizabeth, Keizerin van Liparië. Altara, Episcopaal, Maart 18...

Mijn aangebeden moeder!

Uw brief verwijt me, dat ik U niet dadelijk eergisteren geschreven heb; vergeef me, want zoo dikwijls zijn mijne gedachten toch vol van U geweest. Maar ik voelde mij gisteren zoo moê na een drukken dag, en miste ’s avonds kracht tot schrijven. Laat mij U nu het een en ander van mij melden.

U beschrijft mij den vreeselijken indruk, die het te Lipara maakte, toen men des nachts van hier de doorbraak van den Thereziadijk seinde, en hoe U allen waakten in het Imperiaal. Ook wij sliepen dien nacht niet, maar waakten in de Therezia-kerk. Men herinnert zich, sedert vijftig jaren, niet eene zoo verschrikkelijke overstrooming; tijdens die, welke mijn Vader zich herinnert uit zijne kinderjaren, was het Thereziaplein niet overstroomd en stond het water slechts tot de groote ijzerfabriek, naar men zegt.

Hoe U te beschrijven, wat ik voelde in dien nacht, terwijl wij hoopten en wachtten, beurtelings hoopten, dat God en Zijne Heilige Moeder dit onheil van ons zouden afwenden, en wachtten tot de catastrofe zoû losbarsten. Wij stonden op het voetstuk van het ruiterbeeld en er was niets meer te doen. O, die onmacht om mij heen, die onmacht in mij-zelven. Telkens vroeg ik mij af, wat ik daar deed, zoo ik niets kon doen om mijn volk te helpen. Nooit nog, liefste moeder, heb ik dit gevoel van onmacht, van niets kunnen tegen wat moet gebeuren, zoo wijd zich in mijne ziel voelen uitbreiden, tot ze haar geheel en al met wanhoop vulde, maar ook nooit voelde ik zóo waarachtig, dat alle dingen van het leven twee zijden hebben, dat de grootste ramp zoowel zijne zwarte schaduw als zijn helderen lichtkant heeft, want nooit, o nooit, voelde ik zóo sterk en innig door mijne wanhoop heen, liefde voor ons volk; iets, wat ik nog niet wist, dat zoo als waarheid in ons hart kon bestaan, als ik het toen voelde huiveren door mij heen; en die liefde gaf mij een onmetelijken weemoed bij de gedachte, dat zij niet allen, de millioenen zielen van ons rijk, ooit zullen weten, of zoo ze wisten, gelooven, dat ik ze zoo liefhad, liefhad alsof er bloed van mij in hen was. Nu wil ik mijzelven niet bedriegen en weet ik heel goed, dat ik dit gevoel nooit zoû gevoelen te Lipara, maar hier voel ik het, in onze oude stad, die ons hare geheele sympathie geeft. Hier voel ik het, dat ikzelve ben, als onze Altariërs, meer Slavisch dan Romaansch, zooals onze zuidelingen in Lipara en Thracyna, hier voel ik mij van hun bloed, wat ik mij ginds niet voel! Er zal natuurlijk veel gesproken en geschreven zijn in de couranten over de onhandigheid van den markies van Dazzara met zijn dwaze eerewacht aan het station, bij ons vertrek; hoe het ook zij, ik voelde in den trein groote treurigheid, dat, terwijl ze daar toch waren om mij te zien weggaan, ze mij niet schenen lief te hebben; ik weet wel, dat U dit als een verkeerd sensitivisme weêr in mij zal afkeuren, maar ik kan het niet helpen; mijn lieve moeder; ik ben zoo, en zoo overgevoelig voor sympathie in het algemeen en voor de uitingen van ons volk in het bizonder. En daarom ook heb ik ze hier lief: misschien heel eenvoudig en kinderachtig wel, omdat ze mij toonen lief te hebben: overal enthouziasme, en dat oprecht gemeend, waar wij ook komen; en toch wat kunnen wij doen, dan wat geld geven? Die sympathie zie ik bij het laagste volk; arbeiders en werklieden, die ik toch nooit gezien had met weten, en nauwelijks drie, vier woorden van troost kon zeggen—en, ik weet dan nooit veel anders te zeggen, het is altijd het zelfde; bij de soldaten, die toch wel instinctmatig voelen, al zien ze mij ook nooit anders, dan in uniform, dat ik geen militair in mijn hart ben; bij de studenten, bij de geestelijkheid, bij het gemeentebestuur en de hoogere autoriteiten. Gisteren zijn wij overal rond geweest op de plaatsen, die ter herberging zijn aangewezen: behalve in de barakken, in magazijnen en fabrieken, zelfs in enkele zalen van departementen en het Paleis van Justitie, in twee theaters, en in de gevangenis, arme menschen! Ook op St. Ladislas. Wij hadden van den Ronden Toren een uitzicht over het omliggende land: in het Oosten niets dan water en water, als een zee. Het hart werd mij dichtgeschroefd in de borst.

Wij gingen ook naar de Hoogeschool: de meeste professoren kende ik nog van twee jaren geleden, toen ik er studeerde.

Een verschrikkelijk schouwspel was buiten de stad; o, mama, waren het honderden, waren het duizenden lijken, als in een Morgue naast elkander neêrgespreid op een weiland; een kort oogenblik vóor de ter aarde-bestelling, om de identiteit vast te stellen! Navrante tooneelen heb ik gezien; mijn hart werd er onder verscheurd; troepen van bloedverwanten, die zochten, of snikkend, hadden gevonden. Een verschrikkelijk weeë lucht vervulde de geheele atmosfeer. Ik voelde mij onwel worden, en zag ook zeer wit, ik had al mijn energie noodig om niet te willen flauw vallen, maar Herman stak zijn arm onder den mijne en steunde mij zooveel mogelijk zonder ostensatie, terwijl een paar doktoren uit de groep der geneesheeren, met wie ik sprak, me iets gaven om aan te ruiken. O, mama, het was een verschrikkelijk schouwspel, al die vale, misvormde, opgezwollen lijken op het groene gras en daarboven de hemel, die weêr diep blauw was geworden!

In den gemeenteraad heb ik volgens Uw verlangen en dat van mijn Vader doen weten, dat U beiden ieder een personeele gift van een millioen florijnen aanbiedt en heb ik tevens de mijne aangeboden. De geheele wereld schijnt met ons meê te voelen; van alle oorden stroomt het geld toe, maar de schade schijnt een put, die niet te dempen is. Zooals u mij meldt, is de gift van onze Syrische vrienden waarlijk Oostersch vorstelijk.

Wat heb ik U meer te vertellen? Ik weet het waarlijk niet; in mijn hersenen draait een cauchemar van akelige vizioenen rond en ik kan ternauwernood recht logisch doordenken. Maar ik beloof U, mijn lieve moeder, te doen wat ik kan, en dat naar mijn beste krachten, en wat ik U vraag is alleen éen enkel woord, dat mij zegt, dat U niet al te ontevreden is over Uw jongen.

Zooals mijn Vader verlangt, blijf ik hier nog een week: het schijnt de bevolking, die ons zoo lief heeft, toch goed te doen ons te zien. Men was zeer opgetogen, dat er was aangezegd, dat U en Thera na mijn vertrek te Altara zouden komen. U zal met Uwe zachte hand nog zooveel kunnen doen, wat wij over het hoofd zagen. Wat hebben ze ons hier toch lief en waarom zijn wij maar niet altijd op St. Ladislas; al is de burcht somber, het is er helder van hunne sympathie.

Maar laat mij U niet zoo poëtisch schrijven in deze dagen van nood, waarin wij practisch moeten zijn. Hermans gezelschap doet mij veel goed en ik kan meer doen als hij naast mij staat. Generaal Ducardi is als altijd een flinke, onvermoeide kerel. De anderen zijn allemaal zeer bereidvaardig en practisch geweest, en zoo ik het mag zeggen in eerbiedige tegenspraak van mijn Vader, ik geloof toch wel, dat het gemeentebestuur doet wat het kan. Een Engelsch ingenieur zeide wel, dat met betere voorzorgsmaatregelen en meerdere nauwkeurigheid van nakijken, de Therezia-dijk het misschien had uitgehouden: enfin, dat weet ik niet.

Herman zal met mij meêgaan op mijn reis door de gouvernementen. Wij zullen naar Lycilië en Vaza gaan en zooveel mogelijk naar het platteland. Dat is er natuurlijk het ergste aan toe.—Ik krijg juist de telegrammen; de markies van Dazzara ontslagen, de hertog van Mena-Doni—ik hoû niet van dien man—gouverneur der rezidentie!

Lipara in staat van beleg! Mijn Vader zal ons Huis van Adel dus weten te behouden, door die ontbinding van het Huis der Standen?

Liefste moeder, Zijne Eminentie laat juist verzoeken mij zijne opwachting te komen maken. Ik wil hem niet laten wachten en eindig dus in der haast mijn epistel; met mijn beide armen om U heen, noem ik mij vol innigheid en eerbied,

U, met héel zijn ziel, liefhebbende Zoon,

Uw jongen,

Othomar.

TWEEDE HOOFDSTUK.

I.

Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal van den luchtdom aan.

Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig, middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder, in den cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die, breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.

Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door, laconiek, filozofisch.

De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog, opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog, in een klooster.

De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.

Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los, met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond verlengd hebben en trekken naar omlaag.

De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg. Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw, wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele portretten.

De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man, een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek. Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere, vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond, weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt ze uit de, zorgvuldig bewaarde, enveloppen, vouwt ze open, en leest hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht...

Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die brieven, portretten...

Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk, toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen... De herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de zelfde. Maar zij...

Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde. In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest, omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en voelde vitaliteit in zich. Toen... omdat ze zich begon te vervelen. Om dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte, vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde zich.

Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des keizers, abdis was.

Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich, die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is, wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid, gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.

Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij Elizabeth.

Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze, dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen, klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is...

De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd verliest.

Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:

—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.

—De kok...?