Majesteit

Part 2

Chapter 23,852 wordsPublic domain

Nu, in de schemering van die éene lamp, met de woede van het weêr daar buiten, zag hij haar weêr en ze werd als transparant in de stralen van den regen; vreemd scheen ze door den regen heen, als door een gordijn van natte mousseline. Eene groote vrouw, met hare rijke vormen, half naakt onder het witte gevlam der rivière, zoo kwam ze naar hem toe, het haar blauwzwart met glans er over, het gelaat wat bleek onder een licht waas van roze poeier; zoo kwam ze nader, langzaam, weifelend, in haar goudgeel broché satijn met zwaar sabelbont omzoomd; zoo boog ze voor hem, in nederig diepe neiging voor keizerlijkheid; het hoofd knakte haar op de borst, de tiara in het zwarte haar schoot stralen, haar geheele gestalte golfde met ééne slangelijn van gratie naar beneden, in de stof van goudglans, die haar boezem omglinsterd hield en op de dikke plooien van den sleep scheen te breken met kantlijnen van licht. Hij had tot haar gesproken. Ze was gerezen uit de golving harer gratie van nederigheid; ze had hem geantwoord, hij wist niet meer wat; hare oogen hadden als zwarte sterren geschitterd op de zijne. Zij had indruk op hem gemaakt. Hij meende, omdat hij veel van haar had hooren spreken, als van eene vrouw met een leven vol passie: iets, dat hem raadsel was. Zijne opvoeding was militair en streng zuiver geweest, zijne jongelingsjaren waren kuisch gebleven te midden der gemakkelijke zeden van het hof, misschien omdat zijne ouders, na eene lange scheiding, voor henzelven, in stil geheim, weêr tot elkaâr gekomen waren, in eene behoefte aan familieleven en steun op elkaâr; keizerin Elizabeth had keizer Oscar vergeven en zich geschikt in zijn ontrouw als in een noodlot. Om zich heen had Othomar niet gezien het leven der zinnen. Aan de universiteit te Altara, waar hij gestudeerd had, had hij zich niet dan officieel gemengd in de genoegens der studenten; hij was altijd de kroonprins gebleven, niet uit hoogheid, maar uit niet anders kunnen, uit gebrek aan gemakkelijkheid en tact.

En, als het onbekende, had iets in de hertogin indruk op hem gemaakt. Hij voelde in deze vrouw, die met haar sfinxe-lach zoo diep voor hem neeg, een wereld van gevoel en wetenschap, die niet in hem was; hij had zich tegenover haar arm gevoeld, klein en onbeduidend. Wat was dat, dat in haar was en niet in hem? Was het een raadsel der ziel? Waren er zulke dingen, zieleraadsels, en was het de moeite waard zich er in te verdiepen? Zoo eene vrouw als zij, was die niet geheel anders dan zijne moeder en zijne zusters? Of spraken zijne adjudanten, onder hen, ook over zijne zusters, zooals ze over de hertogin spraken? En dat leven van passie, dat leven van liefde voor zoo velen, was dat eene waarheid? Lasterden zij niet, de adjudanten, of minstens, lieten zij de waarheid niet anders schijnen dan ze was, zooals ze altijd deden, in alles? alsof om een vorst de waarheid altijd anders schijnen moest dan om een onderdaan?

Hij voelde zich moê. En hij bleef zitten, de dwarreling der vreemde beelden van dat feest door eene transparantheid van regen uit zich pogende voort te drijven en tevergeefs. Voor hem, als in zijne kamer, liepen daar allen door elkaâr, de ministers, de adjudanten, graaf Myxila en de hertogin.

Een klop, een kamerheer.

—Prins Herman vraagt of hij Uwe Hoogheid even storen mag.

Hij knikte van ja. Prins Herman kwam na een oogenblik binnen.

—Je bent altijd welkom, Herman! sprak Othomar, en zijne stem klonk, ondanks hemzelven, koud.

—Ik kom je even iets vragen, sprak Herman van Gothland. Ik zoû gaarne met je meêgaan naar Altara, morgen. Maar ik wil verzekerd zijn, dat je het goed vindt. Ik zoû het ook uit mezelven niet gevraagd hebben, als tante er niet over gesproken had. Wat vindt je?

Othomar zag Herman aan; zijne koele stem mishaagde Othomar.

—Als je het doet uit belangstelling, omdat je nu toch te Lipara bent, zeker... begon hij.

—Laat me je nog eens zeggen: ik doe het voornamelijk om... tante.

Zijne stem klonk zeer nadrukkelijk.

—Doe het dan om haar, antwoordde Othomar zacht. Het zal mij heel aangenaam zijn, als je meêgaat terwille van mijn moeder.

Herman was zich bewust onnoodig koel en nadrukkelijk te zijn geweest. Hij had er spijt van. De keizerin had hem verzocht Othomar te vergezellen. Hij had eerst geaarzeld, wetende, dat er sympathie ontbrak tusschen Othomar en hem. Toen had hij toegegeven, maar niet geweten hoe het Othomar te vragen. Zijne gewone gemakkelijkheid had hem in den steek gelaten, zooals altijd, tegenover Othomar.

—Goed dan... stamelde Herman onhandig.

Othomar stak zijne hand uit:

—Ik begrijp je bedoeling heel goed. Mama heeft gaarne, dat je met me meê gaat, omdat ze dan weet, dat er iemand bij me is, dien ik álles zoû kunnen vertrouwen. Niet waar?

Herman drukte zijne hand.

—Ja! sprak hij, blij, prettig; zonder afgunst, dat Othomar in dit gesprek meester bleef, zeer verheugd, dat zijn neef het zoo opnam. Ja, juist. Zoo is het. Laat me je nu niet meer ophouden, het is al laat. Adieu...

—Adieu...

Herman ging. Het stortregende steeds. Othomar was weêr gaan zitten; de kilte van den regennacht drong koud naar binnen en viel op zijne schouders. Roerloos bleef hij staren op de punten zijner laarzen.

Andro kwam zacht binnen.

—Verlangt Uwe Hoogheid...?

Othomar knikte. De kamerdienaar sloot eerst het raam toe, liet den gordijn vallen en knielde toen voor den prins, die hem met een gebaar van afmatting, den voet toestak, en de hak van zijn laars rusten deed op zijne knie.

IV.

Des nachts hield de stortvloed op; des morgens regende het weêr. Het was zeven uur; een zwoele vochtdamp sloeg tegen den kolossalen glasboog van het station aan, als werd die geheel beädemd. De express stond gereed; de locomotief snoof met kort krachtige hijgingen, als een ontevreden, moê beest. Eene groote menigte, gonzende opeenpakking van vage menschen in den onduidelijken nevelmorgen, vulde den glazen hall; een detachement der infanterie,—twee gelederen, links en rechts; de uniformen, donkerrood, lichtgrijs; daarboven zwak geschitter van bajonetten,—veegde twee lange striemen van kleur dwars door het grauwe station heen, sneed de menigte in tweeën en hield voor de deur der keizerlijke wachtkamer een breede plek leêg.

Door de menigte huiverde ontevredenheid; er flitsten booze blikken; ruwe woorden knetterden kort door de lucht, vloeken; een minachtend lachen deed zich even in een hoek hooren.

Men wachtte lang; toen klonk buiten gejuich; de prins was aangekomen, vóór het station. De wachtkamer vulde zich met uniformen, flauw schitterend in den morgen; korte zachte gesprekken gingen om.

Othomar trad binnen, met Herman, en den markies van Dazzara, den gouverneur der rezidentie,—hoogste militaire autoriteit,—wiens rijke uniform afstak tegen de eenvoudigere der anderen, zelfs die der prinsen; adjudanten-generaal, Liparische en Gothlandsche adjudanten, ordonnans-officieren volgden hem. De burgemeester der stad, de directeur van het spoorwezen traden Othomar tegemoet, begroetteden hem; de burgemeester verloor zich in lange frazen voor de beide prinsen.

—Waarom is de toegang tot het perron niet verboden aan het publiek? vroeg generaal Ducardi aan den directeur; de adjudant-generaal toch had door de kanten gordijnen even op het perron gezien, nieuwsgierig om het gegons daarbuiten.

De directeur haalde zijn schouders op.

—Dat was ook het eerste plan; het is ook zoo geweest toen de keizer wegging, antwoordde hij. Maar een speciale boodschap uit het Imperiaal liet ons dringend verzoeken, het perron niet af te sluiten; het was het verlangen van den hertog van Xara.

—En al die soldaten dan?

—Op bevel van den gouverneur van de rezidentie; een ordonnans-officier kwam ons zeggen, dat er een detachement infanterie zoû aanrukken, als eerewacht.

—Kwam die ordonnans-officier ook uit het Imperiaal?

—Neen, van het Gouvernementspaleis...

Ducardi haalde de schouders op; een nijdig gebrom deed zijn groote grijze snor trillen. Hij ging recht op den kroonprins af.

—Weet Uwe Hoogheid, dat er een detachement infanterie buiten staat? brak hij de lange zinnen van den burgemeester af. De gouverneur hoorde hem en trad nader.

—Een detachement...? Neen... sprak Othomar verbaasd.

—Had Uwe Hoogheid dan niet bevolen? ging Ducardi voort.

—Ik? Neen... herhaalde Othomar weêr.

De gouverneur boog diep; hij werd zenuwachtig door de forsche stem van den generaal, die luid sprak.

—Ik meende! sprak hij netjes, maar mompelend, stotterend,—en hij poogde te zijn nederig voor den prins en tegelijk hoog voor den generaal—ik meende, dat het goed zoû zijn Uwe Hoogheid te vrijwaren tegen mogelijke... mogelijke onaangenaamheden, vooral omdat Uwe Hoogheid wenschte... wenschte, dat het perron voor het publiek toegankelijk zoû zijn...

Othomar had, als Ducardi, naar buiten gezien: de infanterie en haïe, de menigte daarachter, boos, gonzend, grijs, dreigend.

—Maar Excellentie! sprak hij hoog tegen den gouverneur! dan was het nog maar beter geweest het perron te laten afsluiten! Dit is geheel verkeerd! De stadspolitie zoû voldoende zijn geweest om wat te dicht bij dringen tegen te houden.

—Ik was bang voor... voor onaangenaamheden, Hoogheid! Onrustige tijden, het volk zoo ontevreden, fluisterde de gouverneur, bang gehoord te worden door de adjudanten.

—Geheel verkeerd! herhaalde Othomar driftig, zenuwachtig opgewonden. Laat de infanterie oprukken!

—Onmogelijk nu, Hoogheid! haastte Ducardi zich te zeggen, met een ongelukkige glimlach. U begrijpt, dat dàt niet kan.

Het gesprek was terzijde gevoerd, in een half fluisterenden toon; toch scheen men te luisteren; alle oogen tuurden naar de groep om de prinsen; alle anderen zwegen.

—Laat ons dan dien treurigen toestand zoo min mogelijk rekken; we kunnen zeker gaan! sprak Othomar en zijne stem trilde hoog, jong, zenuwachtig in zijne heldere keel.

De deuren openden zich; Othomar in zijn haast, trad het eerst naar buiten; de adjudanten en ordonnans-officieren volgden hem niet dadelijk, daar zij moesten uitwijken voor prins Herman, die zich toevallig wat achteraf bevond. Herman haastte zich bij Othomar; de anderen volgden.

De prinsen maakten links en rechts eene hoofdbeweging, als wilden zij groeten; maar hunne oogen ontmoeten de strakke ronde oogen der soldaten, die in één flits het geweer prezenteerden; ze salueerden en liepen door naar den coupé, een beetje vlug, met een onaangenaam gevoel over den rug.

Onder den reusachtigen glazen boog van het station achter de gelederen der soldaten, zweeg de menigte doodstil, want het gonsen verstomde bijna; vloek, noch minachtend lachen werd meer gehoord, maar ook geen gejuich, geen leve, dat zoet is aan het oor der vorsten.

En de gezichten van dat vage volk, door uniformen en bajonetten afgesloten van hun toekomstigen beheerscher, bleven strak, met doffe, haatdragende oogen, met opeengesloten monden, vol ingehoudenheid, turen, hem als wegkijkende in den keizerlijken coupé.

Uit de vensters wuifden de prinsen met de hand de autoriteiten toe, die op het perron stonden, buigend, salueerend. De locomotief floot, krijschte, verscheurde de nauwe vocht-atmosfeer onder den koepel; de trein verliet het station, reed den vroegen morgen in, die lichter was buiten den glasboog; gleed als over de regenstad heen op viaducten; kanalen, straten, pleinen onder zich; verder op de tinnen en spitsen der paleizen en kerken; de twee marmeren torens van den Dom—met de duiven die nestelen in de Renaissance-arabesken van het kantwerk zijner spitsen,—reeds vaal wit op wat blauw wordende lucht; dan, midden in de stad,—groen, wijd, éene oaze—de Elizabethperken, de blanke massa van het Imperiaal, en daarachter de reuzenbocht der kaden, de haven met haar mastenwoud, de ovale bocht van den horizont der zee, alles nat, glinsterend, verregend.

Somber zag Othomar voor zich, Herman glimlachte hem toe.

—Kom, denk er niet meer aan, ried hij aan; en, lachend:

—Onze arme gouverneur zal er slecht van dineeren vanmiddag!

Generaal Ducardi bromde een vloek binnen-in:

—Allerstomst... hoorde Herman hem mompelen.

—Ik wilde ze toonen, sprak Othomar in eens...; hij had willen zeggen: dat ik niet bang voor ze ben; hij sloeg een blik om zich heen, zag de oogen van prins Dutri, zijn adjudant, als bazilisken op hem gevestigd, en liet zijne stem van trotsch, weekhartig worden; treurig weg besloot hij:

—... dat ik ze liefheb en zoo geheel en al vertrouw: waarom moest het nu zoo uitvallen...

De weekheid zijner stem had geklonken om prins Dutri te behagen; maar ze mishaagde den generaal; hij zag eerst zijn kroonprins van terzijde aan en toen naar den prins van Gothland; hij vergeleek: zijn oog bleef, waardeerend, goedkeurend, met soldatesk pleizier hangen aan den flinken luitenant-ter-zee, breed en sterk, de handen op de dijen, een beetje voorover gebogen, de witte rezidentie nakijkend, die voor zijne oogen achterweg werd getrokken door de schuine stralen van regen heen...

Na vier uur sporen, Novi, in het gouvernement van Xara. De trein staat stil; de prinsen, hun gevolg stappen uit, raadplegen klokken, horloges. Men verwondert zich, men wandelt op en neêr over het perron, een half uur, een uur lang; prins Herman gaat in druk gesprek met den stationschef. Het regent steeds.

Eindelijk wordt de express van Altara geseind. Zij glijdt binnen, staat stil; uit den keizerlijken coupé treedt keizer Oscar; generaals, adjudanten volgen hem; hunne uniformen, ook die van den keizer, hebben iets van hare strakheid verloren en plooien wat moê om hunne schouders heen, als kleederen lang gedragen. De keizer, nog jong, breed en stevig, en maar even grijzend, gaat met een flinken stap, hij omhelst zijn zoon, zijn neef, kortaf gauw. De vorstelijke personen verdwijnen in de wachtkamer; Ducardi en een der Gothlandsche officieren volgen hen. Het onderhoud duurt echter kort; na tien minuten komen zij weder op het perron; haastige woorden, handdrukken worden gewisseld; de keizer stapt opnieuw in zijn coupé; de kroonprins in den zijne. De trein van den prins wacht, tot die zijns vaders—met éene laatste wuifhand,—kruist; daarna spoort ook die weg...

Zorg ligt als een wolk op Othomars voorhoofd. Hij herinnert zich zijn vaders woorden: wanhopig onze mooie, oude stad; de Therezia-dijk misschien aan het zwichten; zoo weinig energie bij het gemeentebestuur; duizenden menschen zonder dak, vluchtende, overnachtende in kerken, publieke gebouwen. En zijn laatste woord:

—Laat er naar St. Ladislas gaan...

Othomar denkt na; een ieder zwijgt om hem heen, gedrukt door den naklank der keizerlijke woorden, die de ramp weêr opnieuw schilderen, weêr frisch hen voor de oogen brachten; de oogen van Ducardi, die zich beter vechtmajoor weet dan trooster in watersnood, de oogen van Dutri, nog vol van den mondainen glans der onvergelijkbare rezidentie. Iets van hun eigenbelang begint te zwijgen; gedachte aan wat zij zien zullen, trekt door hen heen.

En Othomar denkt na. Wat zal hij doen, wat kàn hij doen? Is het niet te veel wat men van hem vergt? Kàn hij den drang der wateren tegengaan?

—Oh, die regen, die regen! mompelt hij, en balt zijne vuist, stil.

Nog vijf uur sporens, de torens der stad, de gekartelde lijnen en titanische vlakken van het sterke St. Ladislas schieten aan den horizont op, schuiven op zij naderbij. De trein staat stil, in het land, bij een kleine halte, de prinsen weten, dat het Centraal Station overstroomd is; aan de halte is de geheele spoordirectie overgebracht. En eensklaps staan zij voor de gladde, groene vlakte van water; voor den Zanthos, die zich uitgestort heeft; éene zee van water, breed en effen, nauwelijks gerimpeld, als eene, al gestilde gramschap. Een pont wacht, die hen overbrengt tusschen ruïnes van huizen, drijvend huisraad. Een dood paard haakt aan die pont vast, een muffe lucht van vochtig bederf waart om. Bij een ingestort huis zijn ponteniers bezig een lijk op te visschen, het hangt aan hunne haken, met slappe armen en lange natte haren, het vale lijkhoofd achterover; het is een vrouw. Herman ziet Othomars lippen trillen.

Nu varen zij door een straat, verlaten hooge huizen eener arme voorstad. Dit gedeelte is reeds dagen overstroomd. Zij landen aan een plein; het volk is daar; het juicht. Luider en luider juichen zij; geroerd om hun prins, die over het water komt, naar hen toe, om hen te redden. Een troep studenten schreeuwen, roepen zijn naam en leve, en zwaaien hunne kleurige petten.

Othomar drukt den burgemeester, den minister van waterstaat, den gouverneur van Altara, andere autoriteiten de hand. Zijn hart is vol; hij voelt eene snik onder zijne borst wellen.

Uit den troep studenten treedt een te voorschijn, een groote, lange jongen.

—Hoogheid! roept hij; mogen wij Uw lijfwacht zijn?

De etiquette bestaat hier nauwelijks, al kijken ook de autoriteiten boos. Othomar herinnert zich zijne studentenjaren, nog zoo lang niet geleden, drukt den student de hand; prins Herman ook, en de studenten zijn opgewonden en roepen weêr leve, leve, en leve Othomar en leve Gothland!

Achter het plein raadt men de stad in nood, stillen nood van nog grooter dreigend gevaar; de oude kroningsstad, de tweede van het rijk, stad van geleerdheid en traditie, somber monument der middeneeuwen; grauw steekt ze af tegen het blanke Lipara, dat daar ginds lacht en mooi is van nieuw marmer aan hare blauwe zee, maar dat zijne vorsten niet heeft zoo lief als zij, de onttroonde hoofdstad met haren Romaanschen reuzendom, waar de heilige keizerskroon met het kruis van St. Ladislas gedrukt wordt om de slapen van iederen keizer van Liparië. Zijn hare gebieders haar ook ontrouw en wonen zij sedert eeuwen in hun wit Imperiaal daarginds, en niet meer op den ouden gekartelden burcht van den schutsheilige van het rijk, zij, de oude stad, de moeder van het land, blijft ze trouw in hare moederliefde, en niet om den eed: om het bloed, om het hart, om geheel haar leven, dat hare oude traditie is...

Maar, als zijn vader, zoû Othomar dezen keer niet naar den slotburcht van St. Ladislas gaan; het kasteel lag te hoog, en te ver van de stad, te ver van de ramp. Open hofrijtuigen wachtten; zij stegen in, de studenten slingerden zich te paard; de prinsen zouden hun intrek nemen in het paleis van den Aartsbisschop-kardinaal, den Primaat van Liparië, in het Episcopaal, dat met den Dom en het Oude Paleis éene kolossale, oude grauwe massa vormde, een stad op zichzelve, het hart zelve der stad.

Zij reden vlug voort. Het volk juichte; zij zagen hen als een stoet van verlossers, van wie ze meenden, dat eindelijk het heil zoû komen. Tusschen het vertrek van den keizer en de aankomst van den prins was eene neêrslachtigheid geweest die zich bij het zien van Othomar tot ziekelijk enthouziasme omhoog wond.

Het werd in eens donker, maar nog niet om het zinken der zon—vijf uur in Maart in het Zuiden;—het werd donker om de wolken, de gevaarten aan de lucht, die in bol gespannen reuzenzeilen water meevoerden, dat ze reeds weêr in druppels neêr lieten sijpelen. Onder die grauwe lucht klonk het volksgejuich op als in mineur, toen, op eens als barsteden de gezwollen wolken in éen scheur open, een zondvloed neêrstortte, als met éen enkel loodrecht vlak van water.

Othomar was met Herman en Ducardi in het eerste rijtuig gezeten.

Zoû Uwe Hoogheid het rijtuig niet dicht willen hebben? vroeg de oude generaal, die den prins hielp zijn burnous omslaan.

Othomar weifelde; hij had geen tijd den generaal te antwoorden; de menigte groeide aan, werd dichter, juichte, en hij boog terug, salueerde, knikte. Zwaarrecht kletste de regen neêr. De straffe stralen liepen de prinsen en de generaal over den rug, in den hals, doorweekten hunne knieën. De menigte school onder een brokkelend dak van parapluies, als onder natte zwarte sterren te zamen, vulde de nauwe straten der oude stad, drong zich tusschen de voorrijders en het rijtuig; de koetsier moest langzamer rijden.

—Wil je het rijtuig niet dicht laten maken? vroeg Herman Ducardi na. Othomar weifelde nog. Toen, en zelve vond hij zijne woorden wat theatraal, en wist hij niet hoe ze zouden klinken, luid op:

—Neen, laat ons niet bang zijn voor water; zij hebben immers allen door het water geleden, hier.

Maar Ducardi zag hem aan: hij voelde iets in zich voor zijn prins trillen...

Het rijtuig bleef open. In een der volgende landauers zag prins Dutri woedend naar voren om, of de hertog van Xara zich, en achter zich zijne adjudanten, nog langer zoû laten nat regenen. In de nauwe hooge straten bij den Dom werd bijna stapvoets gereden, dwars door het gejubel van het dringende volk door. Tot op de huid nat, kwam de kroonprins van Liparië met de zijnen bij den Aartsbisschop-Kardinaal aan; een spoor van water lieten zij achter op de trappen en corridors van het Episcopaal.

V.

In andere uniformen een kort diner bij den hoogen prelaat; eenige domheeren en abten zitten meê aan. De zaal is groot, somber, met zwakken schijn van kaarsen nauwelijks verlicht; het zilver glimt dof op de oude, zwart eikenhouten dressoiren; de fresco’s aan den muur, heilige tafereelen, zijn naulijks te onderscheiden. Een stille haast doet de monden reppen; men spreekt gedempt; de lakeien, in sombere liverei, gaan als op de teenen rond. De kardinaal, aan wiens zijden de prinsen gezeten zijn, is lang, mager, met een fijn, ascetisch gezicht en de staalblauwe oogen van een dweper; zijne stem komt diep uit zijn keel als een orakel; hij zegt iets van den wil des Heeren en maakt een berustend gebaar met beide handen, de vingers even uitgespreid, zooals Jezus doet op oude schilderijen. Een der abten, secretaris van den kardinaal, een jonge man met een rond, roze gezicht en mollige witte handen, lacht even nog al luid op om een grap van prins Dutri, die, naast hem gezeten, iets vertelt van een gravin uit Lipara, die zij beiden kennen. De kardinaal kijkt den dartelen secretaris streng aan.

Na een haastig diner, gaan de prinsen en hun gevolg te paard de stad in, toegejuicht waar zij komen. Tot dicht bij den Dom en het Aartsbisschoppelijk paleis staat het water al. Groepen mannen, vrouwen, kinderen snikkend, vloeien te zamen, den prins te gemoet, die over de donkere pleinen rijdt; men draagt flambouwen om hem heen, daar de gaslantaarns niet overal branden; de rosse vlammen doen vreemd, romantisch over de oude donkere murenmassa’s, spiegelen zich als met lange bloedrimpels in het water, dat in de nauwe stegen staat. Een groot huis met vele verdiepingen en rissen kleine ramen, schijnt eensklaps ondergeloopen te zijn; geheimzinnig plotselinge druk der wateren, door het metselwerk der kelders, uit de fondamenten opsijpelend, zich verraderlijk weg banend door de minste voege of barst. De bewoners redden zich in kleine booten, die met roode lichtjes door de zwarte waterstad heen varen; een kind huilt luidkeels. Het zijn arme menschen, honderden, die daar te zamen wonen, als opgestapeld in doozen. De prinsen zijn afgestegen, gaan in een bootje, varen er heen en men weet wie ze zijn; zelve helpen ze een oude vrouw en drie kinderen, nat tot aan het middel, klimmen op een vlot; zelve geven ze geld, roepen ze bevelen. En den ouden burcht van St. Ladislas wijzen ze aan als toevlucht...

Maar is er een roep opgegaan, verder, eerst in den donkeren avond onduidelijk vernomen, dan eindelijk duidelijker hoorbaar:

—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...

De prinsen willen er heen; te paard is het niet mogelijk; in bootjes is de eenige manier. Prins Herman zelve grijpt de roeispanen; in het volgende bootje beweert Dutri tegen Von Fest, een der Gothlandsche adjudanten, dat Venetië toch nog comfortabeler is...

—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...