Part 19
Onder de kastanjes aan den Burchtweg waren de villa’s ook dwarrelig vol van toeschouwers, die in de tuinen en op de terrassen liepen en zaten, en bont spikkelden in de strepen zon, die filtreerden door het loover heen, en de lichte zomertoiletten der dames, hare kleurige parasols, schenen het villa aan villa garden-parties te zijn, terwijl men wachtte op den stoet van den bruidegom, die, als de Liparische etiquette het eischte, van St. Ladislas vertrok om zijne bruid te vinden in het Oude Paleis.
Elf uur. Van het fort van St. Ladislas davert het eerste schot, daveren telkens schoten na. Eene gonzende emotie huivert langs den geheelen Burchtweg. Op den nauw merkbaar dalenden weg verschijnen paukisten en trompetters, wapenherauten te paard. Achter hen schittert de Garde van den Troon aan, om de verguld- en kristallen gala-koetsen. De opper-ceremoniemeester, graaf de Threma, in de eerste; in de tweede, met de keizerkroon en het gepluimkopte achtspan: scharlaken omhoeste schimmels,—en het gejuich uit de villa’s stijgt luider op en luider—de keizer en de hertog van Xara zelve aan zijne zijde; in de volgende koetsen de te-zaam-gekomen majesteiten en vorstelijkheden uit geheel Europa; de keizerin van Liparië, de keizer en de keizerin van Duitschland, de koning en de koningin van Gothland, Russische grootvorsten, de hertog van Sparta en de prins van Napels... De Rijkskanselier, de ministers, de gemantelde leden van het Huis van Adel... En de eindelooze stoet gaat langzaam onder het kanongedaver langs den Burchtweg door de hoofdstraten tot in de kern der stad. Daar wacht, in het Oude Paleis, de bruid haren bruidegom met geheel hare Oostenrijksche familie: de keizer en de keizerin; hare ouders: de aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie...
Het is daar, dat de protokollen geteekend worden op de, met goud brokaat bedekte, vergulden tafel, waarop de keizers en keizerinnen van Liparië hunne handteekeningen sedert eeuwen geschreven hebben, waarop, na het kroonprinselijke paar, de vorstelijke getuigen de akten onderschrijven...
Nu gaat de geheele stoet door galerij na galerij naar de Nieuwe Sacristie. Het is eene minutenlange wandeling van statie: de trompetters, de herauten, de ceremoniemeesters; de blauwgemantelde ridders van St. Ladislas; de wit-en-gouden Garde van den Troon; keizer Oscar met den hertog van Xara, de keizerin van Oostenrijk met de bruid... Langzaam gaat zij aan de zijde van haren oom, het hoofd iets gebogen, als onder het gewicht van hare prinsessekroon, waaruit de kanten sluier afwemelt, zacht blond doende om haren blooten hals, die van brillanten druppel-flonkert. Haar toilet is van een, van voren met zilver doorweven en met parelen arabesken en emblemaat bestikt, stijfzwaar satijnbrokaat; groote witte fluweelen pofmouwen doffen aan hare schouders op; de sleep van zilverbrokaat en wit fluweel is zoo lang, dat zes hofdames ze in golvingen aan zilveren handtrensen achterna dragen. Achter die hofdames volgden hare eere-jonkvrouwen, gelijk gekleed met gelijke bouquetten; het zijn de prinses Thera, de prinses Wanda, Duitsche, Engelsche en Oostenrijksche prinsessen. En de majesteiten en de vorstelijkheden volgen; de stoet vloeit binnen in de Nieuwe Sacristie; hier ontvangt de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van Liparië, met geheel zijne gemijterde geestelijkheid den bruidegom en de bruid...
In de kathedraal wacht de foule der genoodigden. Trots den zomerzonneglans drijft een mystieke schaduwschemer tusschen de ontzaglijke hooge bogen van den Dom en bloesemt het daglicht alleen op de bonte glazen der zijkapellen; in de welvingen hangt zelfs donker. Maar één glans van niet te tellen zoovele kaarsen is er het hoogaltaar...
De Rijkskanselier, de ministers, de gezanten, het geheele corps-diplomatique, de leden van het Huis van Adel en van het Huis der Standen, leden van hooge rechtscolleges zijn binnengekomen; ze vullen de tribunes, die links en rechts zijn opgericht. En de geheele kathedraal vult zich; ééne volle wemeling van ritselende, zware zijden stoffen—de gala-toiletten der gedecolleteerde dames, wier juweelen twinkelen—wemeling van goud opschitterende uniformen en galarokken, die als groote vonken de schemering van den Dom verlichten.
Daar schetteren de trompetten, galmt het orgel zijne juichtonen van plechtigen feestmarsch uit; door de Sacristie is de eerste cortège binnengekomen: de keizer van Duitschland met keizerin Elizabeth van Liparië, de aartshertogin Eudoxie, en een lange sleep van gevolg... Telkens schetteren nu de trompetten, galmt het orgel, en de genoodigde majesteiten met hunne gevolgen, de vertegenwoordigers der mogendheden, komen binnen in stoet na stoet. De baldakijnen links en rechts van het choor beginnen zich te vullen. Spoedig volgt de tweede cortège: de dignitarissen voorop, met de insignieën van het keizerschap, keizer Oscar, die den hertog van Xara voert: beiden dragen over hunne gouden uniformen de lange, drapeerende blauwe riddermantels van St. Ladislas, waar, op den linkerarm, het groote witte kruis straalt; vier kroonprinsen volgen als de vier getuigen van den bruidegom: de hertog van Wendeholm, de Russische Grootvorst-Troonopvolger, de hertog van Sparta, en de prins van Napels; de Ridders van St. Ladislas, de officieren van de Garde van den Troon, schildknapen en pages volgen daarna...
En plotseling, glasschel, vibreert een koor van hooge stemmen en roept er den zegen uit over de bruid, die komt in naam des Heeren... De derde cortège is binnengekomen: de keizer van Oostenrijk en de aartshertog Albrecht, voerende de bruid, met hare hofdames, hare eere-jonkvrouwen en ze schijnt ééne witte weelde van hooge jonkvrouwelijkheid te midden van haar wit en bloemengeurend gevolg. En de zang strooit er zijne klanken als met handenvol zilveren leliën over haar uit; hare gewijde verschijning wekt eene emotie, die siddert door de volle prachtwemeling, de geheele katedraal door. Nu, ten laatste verschijnt de vierde cortège: de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van Liparië, met zijne bisschoppen en domheeren en kapelanen; de kerkvorsten zetten zich in de hooge gebeeldhouwde zetels van het choor; de dienst begint...
De zon schijnt op dit oogenblik gewacht te hebben om door de hooge, bonte boogramen, waarop het leven van St. Ladislas als in kleuren van juweel zijne kleine vierkante tafereelen sparkelt, schuin met een hellend vlak van stralen neêr te schieten op het choor, op de priesters, op de baldakijnen, waar de majesteiten zitten, op bruidegom en bruid... En al de kleuren: het oude goud van het altaar, het nieuwe der uniformen, de brokaten en de kroonjuweelen, ze vlammen op, alsof de zon er den brand in steekt: éen brand van wisselvonkelingen, die, met de tallooze kaarsen van het altaar, de kerk eensklaps hél verlicht. De diademen der vorstinnen zijn als vlammekronen, de ridderorden der vorsten starrelen er als een firmament. Luchtig, doorzichtig in den zonneschijn, blauw nevelen de wierookwolkjes op, die choorkinderen toezwaaien; de zonneschijn poeiert door den blonden sluier der knielende bruid, steekt een gloeibrand over haar wit-en-zilveren sleep, omstraalt haar als met eene apotheoze van licht, dat maagdelijk blank op haar terugkaatst. Haar bruidegom knielt naast haar: geheel omplooit zijn blauwe mantel hem; rein, op zijn arm, straalt het witte kruis. Beiden houden zij nu lange kaarsen in de hand. En de Primaat met zijn juweelen mijter en zijn, met juweelen arabesken bezetten stijfgouden dalmatiek, heft de oogen op, breidt de handen omhoog en strekt ze zegenend uit over de gebogen keizerlijke hoofden...
Hoog zwelt de zang weêr; het Te Deum Laudamus, alsof de golven der stemmen op de golven van het orgel hooger stijgen en hooger, door de kathedraal heen naar den hemel in éene extaze van heilige muziek. Het oude steenen reuzengebouw schijnt te sidderen van emotie, als wordt de muziek zijne ziel en het luidt uit al zijne klokken eene zwellende zee van klanken over Altara heen, brons in de laagte, en uit alle metalen ze smedend tot kristalrein goud, in de hoogste hoogte van hoorbaren klank...
Een uur later. Op het afgezette Domplein komt beweging, tusschen de wachtende galakoetsen. Nu gaat de stoet weêr terug naar St. Ladislas, maar achter de koets van Keizer Oscar zit nu Othomar met Valérie te zamen. En de stad juicht, en galmt er hare leve’s uit; de huizen, tusschen al de vlaggen en trofeeën dreunen er van. De wachten prezenteeren het geweer, en in den feestroes merkt men niet, hoe ginds in de kleinere straten gevochten wordt, arrestatiën gedaan worden; een bekend anarchist bijna vermoord is door het imperialistische volk...
In zijne kostbare statie, nu verhoogd door de blanke aanwezigheid van de jonge hertogin van Xara en haar eigen gevolg, gaat de eindelooze en eindelooze stoet terug, de stad door, den Burchtweg op en de villa’s aldaar zien nu ook Valérie en juichen haar toe, zonder eind...
Het is in de Witte Troonzaal, dat Othomar en Valérie hun cour houden: allen defileeren voor hen heen, de ministers en gezanten, de leden der beide Huizen, der rechtscolleges, corporatiën en deputaties. Na den cour het déjeuner, waarvan de tafel met het ceremonieele gouden en juweelen vaatwerk schittert, dat slechts bij de keizerlijke huwelijken gebruikt wordt. Na het déjeuner de laatste plechtigheid: in de Gouden Zaal—een immense zaal, laag, Byzantijnsch van bouw en ornamentiek, eeuwenoud en onveranderd—de fakkeldans; de ommegang der ministers, die op vergulde handvatten lange, brandende kaarsen dragen, terwijl Othomar en Valérie telkens naar rang uitnoodigen onder de foule der vorstelijkheden, alle vorstelijkheden beurtelings uitnoodigen en achter de ministers ommegaan... Het is er eene eentonige ceremonie, telkens weêr herhaald; de ministers met de fakkels, Othomar met eene vorstin en omstuwd door de ridders van St. Ladislas, Valérie met een vorst en geheel haar witte gevolg; en het is eene herademing als de plechtigheid is afgeloopen en de jonggehuwden zich teruggetrokken hebben om zich te verkleeden. Dan verschijnen zij: Othomar als chef der kurassiers van Xara, Valérie in haar wit lakensch reistoilet en hoed met witte veeren en zij nemen afscheid; een open landauer wacht hen, en zij rijden met een dichte escorte van kurassiers van Xara opnieuw naar de stad, rijden ze in alle richtingen door, vertoonen zich overal, groeten allen en rijden ze ten laatste uit naar het kasteel, waar zij de eerste dagen zullen zijn: Castel Zanthos, dicht bij de stad, aan den breeden stroom...
En de oude verweerde hoofdstad, die vol van majesteiten blijft, die nog fladdert van wimpels, die des avonds éene gele vlam is en roode gloed van vuurwerk en illuminatie, schijnt, zonder de jonggehuwden, toch verloren te hebben de aantrekkelijkheid, die haar maakte tot brandpunt van feest en pracht en keizerlijke ceremonie; en des avonds, trots illuminatie en vuurwerk en gala-voorstellingen, is het Centraal-Station bestormd door duizenden, die heengaan...
III.
Het was maanden na het huwelijk van den hertog van Xara, toen keizer Oscar, des morgens zeer vroeg in zijn kabinet binnenkomend, en zich begevend naar zijne schrijftafel, getroffen werd door een stuk bordpapier met groote, zwarte, opgeplakte letters, dat op den grond lag bij het raam. Hij raapte het niet op; hoewel hij alleen was, verbleekte hij niet, maar zwollen wel op zijn laag voorhoofd de dikke aderen van woede over het feit, dat hij zelfs niet in zijn eigen kabinet vrij was, voor hunne majesteitschennis. Hij belde en ontbood zijn kamerdienaar, een vertrouwd man.
—Raap dat ding op! beval hij, en brieschend in stilte:
—Hoe komt het hier?
De kamerdienaar verbleekte. Hij las de dreigende scheldwoorden met groote, vette letters reeds van den grond af, bukte zich en hield sidderend het plakkaat in de hand.
—Hoe komt het hier? herhaalde de keizer, stampvoetend.
De kamerdienaar zwoer, dat hij niets wist. In den morgen had niemand toegang tot het kabinet, dan hijzelve; een half uur geleden was hij er binnengekomen om er de ramen te openen en toen had hij nog niets gezien.
—Het kan niet anders, Sire, of er is iemand in het park geslopen: het moet door het raam heen geslingerd zijn...
Het was zeker de eenigste verklaring, maar het was eene verklaring, die den keizer zeer irriteerde. Het was niet de eerste maal, dat de keizer in de intimiteit van zijn kabinet zulke plakkaten vond. Het gevolg was geweest, dat er in het Imperiaal plotselinge arrestatiën plaats grepen van bedienden, van soldaten der verschillende wachten, maar deze arrestatiën en zoekingen hadden niets aan het licht gebracht, en maakten daarom een des te pijnlijkeren indruk. De wachten van het paleis, de wachten aan de vergulde grilles van het park, waar dit samen groeide met de Elizabeth-parken—de publieke tuinen der rezidentie—waren reeds vermeerderd: geheime politie, de eigen politie van den keizer, hield zelfs een scherp oog op die wachten zelve.
Keizer Oscar was den kamerdienaar strak blijven aanzien; een oogenblik rees de gedachte in hem dezen man zelven te laten onderzoeken, maar hij begreep dadelijk daarna: het dwaze van dien achterdocht; de man was jaren en jaren in zijn persoonlijken dienst, geheel aan hem verknocht en bleef dan ook Oscars langen blik beantwoorden met den kalmen eerbied zijner oogen, zichtbaar nadenkend over de onoplosbaarheid van het vreemde raadsel.
—Verbrand dat ding, beval de keizer: en praat er niet over.
Oscar had daarna een lang onderhoud met den chef zijner geheime politie, over wien hij in den laatsten tijd niet anders dan tevreden kon zijn: geheime drukkerijen van anarchistische bladen, die telkens verspreid werden, waren opgespoord; een komplot om den keizerlijken trein van het zomerpaleis in Xara, Castel Xaveria, naar Liparia, in de lucht te laten springen, was verijdeld; verdenking van in verband te staan met anarchistische comité’s was gevallen op een ambtenaar aan een der ministeries en zelfs op een jong officier en het was gebleken, dat deze verdenkingen juist waren. Nog onlangs was een werkplaats ontdekt, waar men leerde hoe dynamietbommen en helsche machines te maken. Maar wie de brutale onverlaten waren, die hunne dreigbrieven tot in het keizerlijke kabinet wisten binnen te slingeren, was maar niet kunnen worden ontdekt. Eene week lang waren van uit het park de vensters van het kabinet bespied en al dien tijd had men niets gezien; het was nu een paar dagen geleden, dat deze geheime wacht was opgeheven. De chef der geheime politie meende zeker te zijn, dat de schuldigen scholen in het Imperiaal zelve en bekend waren met de intime gewoonten van den keizer. In stilte werden plotselinge huiszoekingen gedaan bij alle bedienden van het Imperiaal, waarvan men niet geheel zeker was, en toen men bij een palfrenier een anarchistisch blaadje, waarin voor den keizer beleedigende woorden stonden, gevonden had, werd deze man verbannen naar eene der dwangafdeelingen der kwikzilvermijnen van het Oosten. Deze verbanning was als het begin van tallooze andere verbanningen; ze volgden elkander slag op slag op; het waren soldaten, matrozen, vele kleinere ambtenaren der departementen: de couranten noemden niet eens alle verbanningen meer op. Strenger werd de censuur; telkens werden dagbladen opgeheven; redacteurs beboet en gestraft; de imperialistische bladen, organen van graaf Myxila, gaven, bijna tyranniek, den toon aan, dien men wilde. Een meeting van socialisten werd met sabelslagen der huzaren uit elkaâr gedreven; hevige ongeregeldheden volgden daarop in de rezidentie en ze wonnen de andere groote steden, Thracyna, Xara, zelfs Altara. Eene grève der dokwerkers vervulde Lipara weken lang met een stijgende onrust; politie-agenten werden op klaarlichten dag aan de haven wreedaardig vermoord.
De hertog van Mena-Doni was in deze dagen de rechtervuist van keizer Oscar en zijne ruwe krachtsuitoefeningen hielden de rezidentie zooverre in bedwang, dat geen oproer uitbrak, dat het iederen-daagsche leven van zonnelachende weelde voortging, dat iederen middag om vijf uur de elegante equipages naar de Elizabethparken bleven voortstroomen, waar de keizerin of de hertogin van Xara zich zelfs iederen dag een oogenblik vertoonden. Maar op dit schijnsel van zorgeloosheid waren in stilte duizenden oogen van bescherming geslagen; de troepen in de kazernen waren geconsigneerd: glansende escortes van kurassiers begeleidden de keizerlijke landauers.
De keizerin had Othomar ook verzocht zijne eenzame morgenritten te staken en zich nooit te vertoonen dan met gevolg. De hertog en de hertogin van Xara bewoonden het kroonpaleis, een betrekkelijk nieuw gebouw aan de kade, waar zij een uitgebreide hofhouding hielden en ook in dit paleis van zijn zoon liet de keizer huiszoekingen doen, kwam het aan het licht, dat er anarchisten scholen onder het personeel.
Dit verraad, tot in hunne paleizen toe, bracht de keizerin in eene voortdurende siddering van angst: zij leefde deze dagen een voortdurend leven van angst, zoo ze zonder den keizer was. Want zij was het minst angstig, als ze zich naast Oscar vertoonde, op tentoonstellingen, bij plechtigheden, in de opera, en, het was vreemd: dan dacht zij niet aan hemzelven, maar, zoo ze niet bij haar waren, aan hare kinderen, alsof de catastrofe niet anders gebeuren zoû, dan op eene plaats, waar zijzelve zich niet zoû bevinden.
De keizerin zag in Othomar zoo zeer haar eigen zoon, dat, in hunne intime ochtendgesprekken—want de kroonprins kwam nog altijd iederen morgen een oogenblik bij zijne moeder—het haar bevreemdde in hem niet haar eigen angst terug te vinden, maar wel geheel haar eigen berusting, die er de weêrzijde van was. Maar geheel na zijn huwelijk, vond zij hem veranderd; in deze korte oogenblikken van alleen-samen-zijn niet meer klagend, weifelend, zoekend, maar kalm sprekende over wat hij doen moest, vol van eene blijkbare harmonie, die rustige zekerheid gaf aan zijne woorden, zijne gebaren en zelfs aan zijne handelingen. Bij deze zekerheid behield hij eene stil waardige bescheidenheid: drong hij niet hoog op, wat van hem was; bleef hij bezitten dat ontvankelijke voor wat van andere menschen komt, en dat hem steeds in zoo hooge mate sympathiek gekenmerkt had. Hij was zeker oud voor zijn jonge jaren; wie niet wist, zoû hem meer dan zijne drie-en-twintig gegeven hebben, nu hij om zijne wangen ook zijne kroesbaard nog staan liet... En toch, toch welden vooral in deze dagen van troebel zijne vroegere angsten dikwijls bij hem op, kon hij minuten lang alleen zitten, starende op een vaag punt in zijne kamer, luisterende naar het ruischen van de toekomst, als hij geluisterd had in dien nacht van spooksel zijner voorvaderen op Castel Vaza, voelende dat, ineens, geheel zijne nieuwe levensberusting van hem afgleed als een kleed, dat viel van zijne schouders. Maar hij had zich zoo weten te beheerschen, dat niemand, zijn vader niet, zijne moeder niet, de kroonprinses zelfs niet, iets merkte van deze zielezwijming, die hem ijskoud in zijne korte eenzaamheden achterliet, twijfelend aan zijn recht, vol vreemd, week erbarmen voor zijn volk...
Het was geheel de oude ziekte, die zoo, periodiek, in hem terugborrelde, als een slecht sap, zijne aderen doorvloeide, zijne zenuwen verslapte, hem in elkaâr knakte, als zoû hij er nooit meer van genezen. Maar hij wende aan ze, gevoelde er geene wanhoop meer om, wist zelfs, gedurende de oogenblikken, dàt de ziekte duurde, dat ze niet duren zoû en vond in zichzelven er na terug zijne harmonie, die vooral zijne berusting was.
Het was in deze dagen van stille gisting, dat er sprake kwam van een huwelijk der prinses Thera met den prins van Napels; er was echter nog niets beslist tusschen de beide familiën, maar wel was de jonge prins te Lipara genoodigd om de groote najaarsmanoeuvres bij te wonen. Er hadden jachten plaats; verschillende feestelijkheden volgden elkander op. Othomar had vooral in deze dagen meer dan anders met die plotselinge zwakten te kampen; een vreemd gevoel, eene huivering, een geheimzinnige angst, bleef hem bij en verliet hem niet meer: angst, dien hij niet dorst analyzeeren, uit vrees motieven te vinden, welke hem gehéel zijne kalmte zouden doen verliezen. In hem verlevendigde zich de herinnering aan het feit, dat hij kort na zijn huwelijk een droom had gedroomd, ongeveer gelijk aan zijn vorige droom: de sinistere rezidentie zich zwart vullende met krip... Het was nog geweest, terwijl hij met zijne jonge vrouw te Castel Zanthos verbleef en hij had er niet aan gehecht, omdat hij meende, dat deze tweede droom alleen de afschaduwing geweest was van den vorige, alleen de herinnering aan wat reeds gebeurd was en niet meer. Maar nu, in deze dagen van feestdrukte om den prins, die hun hof bezocht, met het gisten van volks-ontevredenheid, als een troebel, donker element onder de opperste brille van al hun keizerlijk vertoon, verlevendigde zich de herinnering er aan, en trokken de angsten en huiveringen er om steeds duidelijker en duidelijker ommelijnen in zijne verbeelding, en gevoelde hij, op éen oogenblik, zoo geheel zijne vroegere nerveuze zwakte over hem heen komen, dat hij, onder een voorwendsel, professor Barzia uit Altara ontbood en met den geleerde een lang onderhoud had, waarover hij zelfs met de hertogin van Xara niet sprak. Toen de professor vertrokken was, voelde Othomar zich verlucht, gesterkt, maar weifelde in hem alleen de gedachte na, dat het niet goed was, voor een aanstaand souverein, zoo onder den invloed te zijn van eene sterkere ziel, als hij was onder die van Barzia; nam hij zich voor een volgenden keer Barzia’s suggestie niet meer in te roepen, maar zichzelven te genezen, geheel in het geheim van zijne eigen ziel. Dit plan om steeds te willen steunen op eigen kracht, deed hem zich geheel terugvinden...
Hij was den dag volgende op het onderhoud met den professor den geheelen morgen en namiddag met den prins van Napels samen, dien hij vroolijk, opgewekt, zooals men den hertog van Xara zelden zag, op verschillende plaatsen begeleidde. Hun gevolg was verwonderd om die glinsterende blijmoedigheid van den kroonprins, wien zij toch altijd eenige melancholie waren blijven aanzien. Dien middag had er een groot galadiner in het Imperiaal plaats. Des avonds zoû de keizerlijke familie hun gast begeleiden naar de opera, waar een galavoorstelling zoû worden gegeven en een beroemde tenor zingen zoû.
Er werden in deze dagen bij al de uitgangen der keizerlijke familie, steeds onder den schijn van glanzend vertoon, strenge maatregelen van voorzorg genomen. De rijtuigen, die dien avond naar het gebouw der Groote Opera reden, omtrappelde een dicht en sterk escorte van kurassiers. De straat op zij van het gebouw, waar de eigen entrée van den keizer was, was afgezet; een eerewacht stond aan de trappen; geheime politie had zich gemengd tusschen het wachtende publiek: de geheele groote-wereld der rezidentie...
De keizerlijke loge was met hare draperieën van donker violet en gouden kwasten, vlak over het tooneel van het kolosale theater; de eerste acte was geëindigd—het was Aïda, dat men gaf—toen de fanfares uit het orkest opschetterden en de vorstelijkheden verschenen: de keizer, de keizerin, de prins van Napels, de hertog en de hertogin van Xara, de prinses Thera... En hunne verschijning scheen de eerste dof-wachtende, zenuwachtig-onverschillige stemming der volle zaal te electrizeeren alsof, mèt hunne verschijning, het licht in de kronen heller scheen, de zaal opglinsterde met al hare flikkerwisselingen van juweel, al haar getintel van verguldsel, al de nieuwsgierigheid der schitterende oogen, die tuurden naar het vorstelijke middelpunt; alsof de toiletten der dames zich met ééne ritseling van zware zijden stof ineens opbolden, waaiers zich uitplooiden, zich bewogen op en neêr, of een wind woei door vele bloemen, in veel glans...