Majesteit

Part 20

Chapter 203,873 wordsPublic domain

Toen het rijzen van de gordijn; de tweede acte met geheel haar melodrama van Egyptische vorstenpracht: de overwinning na den oorlog en de dansen daarom: de liefde van den held voor de Ethiopische slavin, en de ijverzuchtige dochter des Farao, en de optocht der goden met de bazuinen: alles gezongen, geïnstrumenteerd, opzwellende van muziek in een vierkant kader van geschilderd tooneelgordijn; bewegelijk schilderij van gezongen Egyptische vorstenoudheid, voor de oogen van moderne vorstelijkheid, modern turende quasi-onverschilligheid van samenzijn, waar de groote wereld wilde, dat men op dit oogenblik samen was: onder de oogen van den keizer en zijne familie, en zijn hoogen, jongen gast... De hartstochten op het tooneel zich ontbreidelend in zwellende en zwellende kreten van muziek, liefde en wanhoop, en oorlog en triomf en priesterstaatzucht van muziek, àlles muziek, alsof het leven muziek was, muziek de ziel en essence der wereld... En onder den glans dier muziek en van dat factice leven, de zichtbare mime der akteurs, de glorie van den beroemden tenor met zijn te modernen kop, zijn voor oorlog onware prachtkleedij, zijne buigingen en geglimlach voor de ware wereld daar buiten zijn klein tooneelwereldkader: voor het publiek, dat applaudiseerde, nadat de keizer in de handen had willen klappen...

Het was op dit oogenblik, dit oogenblik van ovatie, dit oogenblik van schitterenden roem van den tenor: zijn applaus afklinkende van vorstelijke handen. Het was op dit oogenblik: keizer Oscar zich ombuigende naar zijn adjudant, den markies van Xardi, achter hem; de adjudant eerbiedig luisterend naar den wensch van Zijne Majesteit om den zanger in den salon der keizerlijke loge te ontbieden... Keizerin Elizabeth en de hertogin van Xara, schitterend in haar gala, hare juweelen, in glimlachend gesprek met den jongen vreemden kroonprins, die hun gast was. Othomar nog vroolijk vanaf dien middag, schertsende met Thera en de hofdames... De geheele zaal turende, nu de gordijn gevallen was, ten laatste male, naar hen allen in ééne schittering van luxe en licht...

Op dit oogenblik: op de bovenste galerij een plotseling tumult, eene worsteling van soldaten en politie-agenten met éen man... Eén plotselinge ruwe warrelklomp daarboven te midden der meest mondaine uitspreiïngen van aristocratisch gala-vertoon. En alle oogen niet meer naar de keizerlijke loge, maar naar boven... Toen, de man, onmenschelijk sterk zich worstelende uit den greep van zijne aanvallers, doemende vooruit, uit hun klomp, als een zwarte bliksemstraal: donkere kroeskop, haatschietende oogen vol dwepersstrakheid, één arm ineens uitgestrekt naar de keizerlijke grootheid daar beneden, als op een zeker onafwendbaar gemikt doel. De geheele zaal één tumult, geschreeuw, gegil: wijde gebaren van hulpelooze armen, dat alles heel kort, nauwelijks ééne seconde... Een schot, en nog een schot na...

Keizer Oscar is getroffen in de borst, hij is half getuimeld tegen de keizerin aan, wier bloote juweelenboezem hij in eens bezoedelt met bloed, dat zijn gouden uniform dadelijk doorweekt. Geen gouden bloed: rijk rood bloed... Maar de keizerin slaat hare armen in wanhoopsradeloosheid naar boven; haar snerpende gil striemt door de zaal. Ze valt neêr in de armen der hertogin van Xara. De keizer is gezonken in de armen van Xardi en van Othomar: een woedende vloek boort tusschen zijne vast geknarste tanden door, terwijl hij zijn bloeduniform zoo hard openrukt, dat de knoopen rondom hem afvliegen...

IV.

Daarbuiten was het Groote Opera plein, hel verlicht van veelarmige monumentale lantarens, dadelijk donker-wriemelig geworden, vol van menschenmassa; de geheele stad vloeide er te zamen langs alle straten; de ontzetting trok er alles samen, als met magneet. Detachementen huzaren gingen reeds door de stad, hielden het opgewonden volk in bedwang; de hertog van Mena-Doni zag men als op alle punten tegelijk, met zijne soldatenmacht neêrtrappende de revolutie, waar die uit alle hoeken koppen omhoog scheen te willen steken. Boven was de lucht donker als een frons. Het begon te regenen...

De mare ging, dat de keizer gestorven was. Het was niet waar. Togende naar adem lag de vorst in den foyer van het opera-gebouw, te midden van die ontzetting der zijnen, van zijn gevolg, van de toeschietende doktoren... Hij mocht niet vervoerd worden, zeiden zij. Hij wilde het. Hij wilde hier niet sterven. Hij wilde terug naar zijn Imperiaal. En spannende de veeren van zijn energie, beval hij, richtte hij zich op, het bloed gulpende uit zijne keel: Othomar en de adjudanten steunden hem...

Buiten, op het plein, groeide de menschenmassa, steeg de ontzetting, borrelde de opstand uit het zwart van die menschentrossen omhoog. Telkens barstten gevechten uit tusschen troepen volk, dokwerkers, met de wachten voor het gebouw, met de politie. De hofrijtuigen gingen, leêg, geëscorteerd terug naar het paleis.

Andere rijtuigen, huurrijtuigen, poogden hier en daar door het volk heen te komen: kurrassiers omringden ze, beschermden ze met geheven sabel. Stroomen van vloekend gescheld spatterden tegen ze aan, tegen de vaag doorschijnende glazen, waarachter lichte kleuren opvlakten, vonkjes juweelen uitschoten. Angstige oogen van vrouwen keken er strak schuin door, zonder bewegen.

In de couloirs, op de groote monumentale trap van het opera-gebouw verdrong men zich, vocht men om er door te komen; toen zagen in eens alle oogen groot-starend naar boven: de keizer ging er! bloedende, hijgende naar adem, te midden der zijnen... Eene ontzetting staakte een oogenblik het gedrang; toen drong men weêr door... Dames vluchtten er tot achter de coulissen, vermengden er hare aristocratie met de bohême der akteurs, der actrices, door elkaâr heen, verward, te midden van den ontsteld gonzenden zwerm danseusen, priesteressen van Isis. Fooien werden gegeven, gesmeekt werd om rijtuigen, om huurrijtuigen...

De hertogin van Yemena stond daar, met hare dochters; zij zagen uit naar het rijtuig, dat zij reeds tienmalen besteld hadden... Een tooneelknecht haalde onverschillig de schouders op: hij wist geen rijtuig te halen.

—Ik wacht niet langer meer, zei de hertogin sidderend: de meisjes klampten zich snikkend, dol zenuwachtig aan haar...

Zij verkreeg van eene actrice een lederen taschje; haastig deed zij hare juweelen af, beval de meisjes het zelfde te doen. Ze deden ze in het taschje. Een kamenier verzocht ze, voor een goudstuk, hare slepen op te spelden, hoog op, verzocht ze haar zwarte schoenen te vinden. Andere dames, half flauw van angst, wachtende, zagen naar haar, zagen haar zoo, vreemd, praktisch. Ze wist van een paar choristen drie lange zwarte mantels te koopen, met drie zwarte hoeden, sloeg zich een mantel om, sloeg ze de snikkende markiezinnetjes om.

—Ik durf niet, mama! snikte Eleonore uit.

De hertogin was beslist.

—Kom, ga meê... drong ze aan, en ze dreef de meisjes voort; de andere dames zagen haar ontsteld na, door een achterdeur verdwijnen, in een achterstraat...

De hertogin drukte het taschje met juweelen tegen zich.

——In Gods naam, huil niet; wees kalm, gebood ze hare dochters. Loop kalm door en niet te gauw. Hoû die mantels goed dicht.

Zij ging, richtte zich hoog op tusschen de twee bevende markiezinnetjes, in de kleêren van die choristen; de regen viel neêr. Volkshoopen liepen tegen ze aan; ze vermengden zich met ze; een oogenblik was ze Hélène kwijt...

—Wacht even! sprak ze tot Eleonore.

En ze bleven staan, tusschen het dringende volk; troepen hotsten aan, socialistische juichzangen joedelden ruw op...

Toen ging zij met Eleonore terug, dringende, duwende, gevende Hélène gelegenheid haar weêr te bereiken...

—Geef me nu allebei een arm: hier...

Zij deden het; zoo, schijnbaar kalm, langzaam, langzaam aan, alsof zij nieuwsgierigen waren, die ook wilden kijken, naderden zij het opera-plein, waarop het wriemelde tegen de wachten aan. Rijtuigen passeerden, stapvoets, geëscorteerd. Een oude, slechte huurkast, met een mageren knol, wentelde een modderig wiel vlak tegen haar aan, schuurde tegen hare knieën; een kurassier van het escorte hief de sabel dreigend tegen haar op...

—Mijn God! riep ze, gedempt en klemde de kinderen. Het eerst had zij herkend den koetsier, in een vuilen jas: een palfrenier van het Imperiaal, wiens gezicht ze zich herinnerde. Toen, met een snellen blik in het rijtuig, herkende zij—juist vlak bij eene groote lantaren met vele ornamentieke armen—den keizer tegen Othomar aan, en haar eigen stiefzoon, Xardi. Maar de markies herkende haar niet, want, verschrikt om het vele licht, wendde hij zijn gezicht snel af, boog hij zich, donker, beschermend, over den keizer en den kroonprins...

De meisjes hadden niets gezien; de hertogin zeide niets, bang te verraden... Ze voelde geheel hare moedige kalmte haar ontzinken; ze sidderde van het hoofd tot de voeten. Tranen kon zij niet weêrhouden, om haren armen keizer, die stierf, die zoo terug ging naar zijn paleis. Eene groote, zwarte angst viel over haar heen. De regen sijpelde over hare borst...

—Hoû je mantels dicht! vermaande ze nog even hare dochters; toen ging ze voort, sleepte zich voort en de meisjes ook, knikkende op hare beenen naast haar...

Maar eene woede van menschen dwarrelde over het opera-plein; een strijd scheen daar te heerschen... Een klomp volk, die omsingelde een hoop politie-agenten en soldaten, tusschen wie een krankzinnige zich wrong met sterke gebaren; een ruw geschreeuw galmde op. Aan de verlichte, open ramen der opera, boven de nog feestelijk hel verlichte peristyle verschenen gezichten bij gezichten, akteurs in kostuum nog, zagen ze toe...

—Mama, we zullen nooit kunnen doorgaan! snikte Eleonore zacht.

De hertogin dacht in wanhoop aan de groote Keizerinnen avenue, waar haar hôtel was. Zoo ver... hoe zoû ze bereiken...

—Ze vermoorden hem, ze vermoorden hem, ze mógen hem niet vermoorden! blèrde het volk rondom haar op.

Toen begreep de hertogin, toen zag ze, en de meisjes zagen ook... het volk, woedend, schuimbekkend—wraaknemers al, maar eerst ontevredenen, zelfs misschien anarchisten: zoo waren de Lipariërs!—het volk, dringende tegen de soldaten en agenten, in wier midden de moordenaar van den keizer zijne groote, krankzinnige gebaren nog poogde uit te slaan. En de wraaknemers bestormden dien kring van gevangenbewaarders—ze sleepten den man voort... Het was tot vlak onder de oogen van de hertogin, van hare dochters...

—Oah, oah, oah! brulden ze rauw, mannen en wijven; ze trokken hem de kleeren van het lijf, sloegen hem, en hij schreeuwde tegen. Op den grond sloegen zij hem neêr met knuppels en zij vertrapten hem met grove schoenen; zijn bloed vloeide; zijne hersens stroomden uit zijn verpletterden schedel...

Als beesten werden zij toen, omdat ze zijn bloed zagen: grinnikten en slikten van pleizier...

Eleonore knakte flauw tegen de hertogin, maar Alexa schudde haar bij den arm...

—Hoû je op, hoû je op, in Gods naam, hoû je op!! riep zij luid. Ik kan niets met je doen, als je flauw valt!

Hare sterke handen stompelden het markiezinnetje tot het leven terug, en woest voort sleepte zij ze, knikkende...

V.

De keizer, die niet sterven wilde, leefde met zijne doorboorde longen, hijgende naar adem, nog twee dagen van louter energie.

En zóo waren de Lipariërs: de man, de moordenaar, gepakt in de opera, was trots politie en wacht, tot een vormeloozen klomp vermoord door ontevredenen zelve...

En zoo is het leven: de keizer van een groot rijk was te midden der zijnen doorschoten door een dweper, en het leven ging voort... Het rijk was even uitgebreid als vroeger: een rijk, natuurmooi, zuidelijk rijk; hooge sneeuwbergen in het Noorden; middeneeuwsche en moderne steden, die lagen in wijde gouvernementen; de rezidentie zelve, blank in hare gouden najaarszon met zijn Imperiaal onder blauwe lucht, dicht aan blauwe zee, waarom de kaden zich bogen....

En zoo is het leven der heerschers: de keizer was vermoord, eenvoudig doodgeschoten, en de opperceremoniemeester had het druk, de ceremoniemeesters waren het niet met elkaâr eens; de statie van eene keizerlijke begrafenis bereidde zich in alle ingewikkeldheid voor; door heel Europa ging de nahuivering der ontzetting; door alle couranten gingen de telegrammen en lange artikelen...

Dat was alles om éen enkel schot van een dweper, een martelaar voor volksrecht.

Keizerin Elizabeth staarde met open, wijde oogen op het noodlot, dat gekomen was. Zóo had zij het zich nooit voorgesteld, dat het komen zoû, zoo, zoo ruw, te midden van dat gala en naast hun vorstelijken gast. Zoo langs háar heen, treffende alleen haren man en niet verpletterende hen allen, in eens, geheel hunne keizerlijkheid! Gekomen was het, en... nog vreesde zij, vreesde zij steeds door en nog meer dan vroeger: voor haren zoon...! Het was haar of zij vroeger nóoit gevreesd had...

Het was de dag vóór de begrafenis van keizer Oscar, toen de hertogin van Xara, de jonge keizerin nu, ongesteld werd, en de geneesheeren verklaarden, dat zij zwanger was...

Het keizerslijk was reeds in hooge statie vervoerd naar Altara. Op St. Ladislas zouden de Altariërs het op de katafalk tusschen duizenden brandende kaarsen zien liggen met, aan de doode voeten, de schitterinsigniën van het hoogste souvereinschap; daarna zoû het vervoerd worden naar den keizerlijken grafkelder in den Dom...

Op dien dag gingen ook over Lipara, waarvan de blankheid zwart schemerde onder rouw-decoratiën en zwarte vlaggen, de schoten van Wenceslas-fort, dof bulderend zijn gelijkmatig, zwaar, eentonig bombardement van uitvaart. Eenzaam, hoog, in de stad, die van schoten daverde, stond, leêg, het Imperiaal met zijne somber strak neêrkijkende karyatiden. De jonge keizer, Othomar XII, leidde te Altara den plechtigen stoet. De keizerin-moeder was in het Kroonpaleis, bij de jeugdige keizerin Valérie... Over hun glans, die schitterde, schitterden nieuwe glansen op, in het leven, dat door was gegaan, dat doorging...

De keizerinnen zaten bij elkaâr. Valérie hield Elizabeth zacht in hare armen: met gelijke getelde tusschenpoozen bonsden de schoten van het fort af, over het paleis...

Toen hief Elizabeth zich smartelijk op uit de armen harer schoondochter en zacht orakelde hare stem:

—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn... Hij had zoo gaarne een Graaf van Lycilië gezien...!

De schoten bonsden; de beide keizerinnen, in rouw, weenden, snikten. En, na langen tijd voor het eerst,—zooals het na langen tijd geweest ook was, bij Berengars dood—kwam nù geheel haar gemis, haar verdriet, hare rampzaligheid, hare wanhoop over Elizabeth heen, en voelde zij, dat zij dien keizer, aan wien zij als heel jonge prinses, nu vier-en-twintig jaren geleden, was uitgehuwelijkt, zonder liefde, had lief gekregen in die kwart-eeuw van meêleven op zijn hoog punt van souverein...

Dien avond kwam Othomar terug, en alleen bij zijne vrouw, bij zijne moeder, snikte hij met ze meê, de jonge keizer, dien niemand te Altara in den Dom had zien weenen. Want keizerin Elizabeth had het nog éens herhaald:

—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn...!

En toen had de keizer van Liparië zich niet meer kunnen betoomen! In éen bliksemstraal, éen zigzag van ontzetting zag hij zijn kroonprinsleven terug, dacht hij aan zijn aanstaanden zoon. Hoe zoû dit noodlottige kind zijn? Eene herhaling van hem, van zijn geweifel, zijn weemoed en zijne wanhoop?

En, met zijne niet te bedwingen snikken, snikte hij toen, in eens overstelpt door de dreigende toekomst, zijne smart uit over zijn vader, die geweest was en over zijn zoon, die komen zoû! snikte hij, het hoofd in de armen zijner jonge keizerin, die, eensklaps bewust te moeten troosten, was kalm geworden en kalm op hem neêrzag, nemende hun majesteitsleven op hare schouders, als ware het maar een drukkend zware mantel van purper en hermelijn, en niet meer, nemende het zoo krachtiglijk op, omdat er in hare aderen vloeide als in de zijne: één enkele druppel heilig gouden bloed, die eenig is in alle hunne gelijken en die zijn zoû hun kracht op de aarde en hun recht voor God...

VI.

Aan Hare Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid Eudoxie, Aartshertogin van Oostenrijk, te Sigismundingen.

Altara, St. Ladislas. Mei 18...

Mijn lieve moeder!

Ik kan U niet zeggen welk een verdriet Uw brief mij deed: in Gods naam, wind U zoo niet op en zeg niet zulke verschrikkelijke dingen. Het deed ons ook innig veel leed, dat U niet bij onze kroning kon tegenwoordig zijn en door Uwe rheumatische koortsen te Sigismundingen moest achterblijven, maar waarom moet U, lieve moeder, die koortsen als een straf van God beschouwen en waarom moet U het beschouwen als een straf van God, dat U Uwe lievelingsilluzie niet zaagt gebeuren en niet tegenwoordig kondt zijn in onzen ouden Dom, toen Othomar, gekroond door den Primaat, zelve mij kroonde tot Keizerin van Liparië. U waart er niet bij tegenwoordig, maar het is toch gebeurd: Uwe illuzie is toch waarheid. En ik zeg U dit, zonder de minste bitterheid, o, geloof mij, zonder de minste! Een straf, dat U mij dwong, tegen mijn zin...! U moet wel ziek zijn, ziek naar lichaam en geest, arme moeder, om zoo te kunnen schrijven: ik glimlach er een beetje om, ik herken U zoo niet meer. En laat mijn glimlach getuigen, dat ik niet ongelukkig ben; o, verre daarvan! Ons geluk is bijna nooit, wat wij ons voorstellen, dat het zijn zal en wat wij betreuren, dat het niet wordt...

Als U mij zag, zoû U zien, dat ik niet ongelukkig was. Het is Mei, de zon schijnt, de boogramen zijn open. Mijn blik ziet in de verte den Zanthos als een breed en glinsterend vlak van water zich wegslingeren. Dicht bij mijne schrijftafel staat Uw groote, mooie zilveren wieg en tusschen de dichte kanten gordijnen heen zie ik mijn klein hertogje van Xara sluimeren... Ik weet niet hoe ik het U schrijven moet; ik heb mijne woorden zoo niet om U dat goed uit te drukken, maar wat ik voel, met dat wijde perspektief van rivierland voor mij en dat kleine kostbare kind naast mij, o, mama, dat is geen ongeluk! Het is een gevoel, waarin zeker heel veel weemoed schuilt, maar meer sombers schuilt er ook niet in. En waarom zoû het, trots dien weemoed, eigenlijk zelfs geen geluk zijn. Ik ben jong, ik ben keizerin en ik zie een leven voor mij! Om mij heen zie ik mijn land, zie ik mijn volk: ik wil, dat het het volk van mijn hart, van mijne ziel worde, geheel en al! Ik weet nog niet hoe, maar voor dat volk wil ik leven, wil ik samen leven met Othomar. O, ik beken het U, hoe ik dat doen zal, weet ik nog niet, maar ik zal het vinden, samen met hem! En als, ik heb een man en een kind en een volk! een Keizer, een Kroonprins en een Rijk, heb ik dan geen doel om te leven en als ik een levensdoel heb—en welk een ontzaglijk levensdoel!—heb ik dan ook geen geluk? Is het geluk iets anders dan een hoog, een edel levensdoel gevonden te hebben?

Ik zoû U zoo gaarne overtuigen. En als U mij hier zag, op ons stil St. Ladislas, nu al de drukte der kroningsplechtigheden voorbij is, dan zoû U mij gelooven. Othomar houdt van St. Ladislas en neemt zich voor hier ieder jaar een maand in het voorjaar te komen. Dat mijn kind hier geboren is, noemt men een goed voorteeken, want U kent het geloof der Lipariërs, dat de kroonprins van hun land geboren wil zien worden te St. Ladislas, onder de onmiddellijke hoede van den Schutsheilige.

Othomar echter is op dit oogenblik niet hier; hij is voor enkele dagen te Lipara—U weet dit natuurlijk uit de couranten ...; tweemaal per dag schrijft hij mij. Ik heb hem dit gevraagd, opdat ik geheel op de hoogte blijve van zijn gemoedstoestand; die rampzaligheid van den moord op zijn Vader, die twee dagen sterven van keizer Oscar! ze hebben Othomar zoo hevig, hevig aangegrepen; mijn God, hoe U te schrijven in woorden over die ontzetting! Hoe kan ik nog met hoop leven na al wat ik reeds in mijn korte leven geleden heb en voor ontzetting om mij heen heb gezien! En toch, toch is het zoo, want jeugd is zoo krachtig en ik, ik ben sterk, ik mòet het zijn...

Ik heb hem bewonderd, mijn jonge keizer, in die ontzettende dagen, om zijne uiterlijke kalmte, waardoor de stormvloed van alle zijne emotie’s nooit heen brak, voor de oogen der wereld. Terug van de begrafenis, de plechtigheid der Handteekening onder de Vijf Heilige Akten; de drukte dadelijk der opeengestapelde staatszaken... Een maand daarna, de nieuwe verkiezingen, de constitutioneele meerderheid in het Huis der Standen, het ontslag der ministers... U zal dit alles gelezen hebben, in de bladen. Daarop de geboorte van onzen zoon; daarna onze kroning, op het oogenblik, dat Liparië in zijne fondamenten geschokt scheen! En nu, Othomar te Lipara, om het nieuwe constitutioneele ministerie... Dan graaf Myxila, die het niet eens is met Othomars moderne ideeën, die hem zelfs vrij heftig heeft durven verwijten, dat hij zoo kort na den gewelddadigen dood van zijn Vader reeds diens ideeën loslaat en die nu verzocht heeft om zijn ontslag... Othomar zal Myxila nog pogen te weêrhouden, maar begrijpt zelve, dat het onmogelijk zal wezen. En de Grondwetsherziening in het verschiet met zoo vele ingrijpende veranderingen; denkelijk met de instelling der Hoogere en Lagere Staten, terwijl het Huis van Adel uiterlijk zal blijven bestaan, maar niet meer zal zijn dan een raadgevend Eerelichaam. Concessies, als U wil, maar Othomar heeft nu eenmaal geheel andere ideeën dan zijn Vader; en zoo hij die concessies doet, doet hij ze zeker aan het verleden en niet aan de toekomst en niet aan zichzelven...

Wreed is het leven, wreed in zijne verwisselingen en wreed zelfs in zijne herbloeiïngen en voor ons vorsten is dit alles misschien het wreedst, maar de wereld behoort aan wat komen zal...

Keizerin Elizabeth vertoeft nog hier; zij is in eens zoo oud geworden, zoo grijs, en zeer dof en terneêrgeslagen en ze weet niet wat ze doen zal: met hare eigen hofhouding blijven in het Imperiaal, hier blijven op St. Ladislas, zich terugtrekken op Castel Xaveria... Al de keizerlijke paleizen en kasteelen dwarrelen haar nu door haar arm hoofd: hare eigen-bezittingen en de kroondomeinen; ze weet niet waarheen ze wil: wij blijven er natuurlijk op aandringen, dat zij het Imperiaal niet verlaat: het is er groot genoeg, dat zij er bijna haar geheel eigen Militair en Civiel Huis behouden kan...

Dierbare moeder, ik schrijf U spoedig weêr: het dwarrelt mij nu te veel; ik heb te veel aangeroerd; mijne vrouwehersenen kunnen dat alles zoo nog niet logisch en ordelijk overdenken, neêrschrijven... En ik ben nog maar zoo kort keizerin en ik ben niet ouder dan twee-en-twintig, ook al voel ik me niet zoo jong meer... Deze brief is alleen een haastig neêrgeschreven antwoord op Uw treurig zelfverwijt, dat ik U hier, in naam van den Hemel, smeek geheel van U af te werpen. Nu ik U dit schrijf, rijst de avond van mijn verlovingsdiner te Sigismundingen mij opnieuw voor den geest. Wij waren zulke vreemde verloofden, Othomar en ik. Ik vroeg hem—glimlach er om en ween er niet over, mama—of hij iemand liefhad. Hij zei me van neen. Hij zei me zijn volk lief te hebben en hij opende zijne armen, als wilde hij het omhelzen. Zijn volk! De dageraad van een nieuw idee—oud zeker voor duizenden en eeuwen oud, maar nieuw voor mij, als een nieuwe dag nieuw is—gloorde voor me op, wierp licht over mijn duister leed, deed een weg voor mij uit stralen...

Dien weg, mama, ik zie hem nu ieder en dag klaarder en klaarder stralen voor mij uit, en ik wil hem volgen, met mijn man en kind, met mijn Keizer en met mijn Kroonprins!

Mijn Kroonprins, die wakker wordt en om mij roept...

God geve mij kracht, mama.

Valérie.