Majesteit

Part 18

Chapter 183,981 wordsPublic domain

En dankbaar aan de keizerin, dankbaar, dat het licht voor hem werd, boog hij de knieën voor het crucifix aan den muur, en bad hij voor zijne beide zonen, bad hij lang voor den zoon, die zijne kroon zoû dragen, maar langer voor de ziel van het kind van zijn éigen bloed, en welks gemis de smart zijn zoû, die altijd alsem zoû blijven op den grond van zijne, nu uitgestorte, ziel...

IX.

Uit het Dagboek van Alexa, Hertogin van Yemena. Gravin van Vaza.

Nov. 18...

De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.

Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft, voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor mij zie lichten...

En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij niet kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche liefde koesteren wil.

Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven! Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O, ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige. Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders, dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw Leven...

Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel, tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf: me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.

Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O, de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods, zal het ooit mogen!

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw. Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op...

Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt, omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik heb U getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet! Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb. Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins, mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn vorst, en mijn vorst alleen!

Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid Othomar, Hertog van Xara te Lipara.

Castel Vaza, Nov. 18... Mijn dierbare Prins!

Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U alleen voor mijzelve, nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk, na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het mysterie, dat onze liefde was...

Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,

Alexa.

DERDE HOOFDSTUK.

I.

Keizerin Elizabeth reed met Hélène van Thesbia in eene victoria—een voorrijder voorop—van St. Ladislas naar het Oude Paleis, dat met den Dom en het Episcopaal éen reuzenbouw vormde; daar, in Altara, hadden de aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie den vorigen dag met de keizerlijke bruid hun intrek genomen. Van den hoogen slotburcht, die als een breede steenblokkenmassa, met gekanteelde vlakken en plompe torens, over Altara heen zag, daalde onder oude kastanjes, onmerkbaar, de weg, licht zigzagkronkelend naar beneden. Het stof stuivelde onder de wielen op; aan beide zijden lagen villa’s, met terrassen, vroolijk van vazen en bloemen en beelden, en lager en lager afglooiende, naar de stad toe. De villa’s vlagden; de blauw-en-witte vlaggen met de witte kruisen joelden als een jeugd van kleuren onder het bestofte loof der oude boomen en acacia’s.

Het was Juni; zes maanden na den dood van den kleinen prins, maar de rouw was verlicht om het aanstaande huwelijk van den hertog van Xara, dat de keizer zoo spoedig mogelijk voltrekken zag. De keizerin echter droeg nog zwaren rouw, dien zij eerst op den dag van het huwelijk af zoû leggen; Hélène droeg grijs; de liverei was grijs.

Vele wandelaars, ruiters, equipages gingen langs den weg, hielden eerbiedig stil; de keizerin groette links en rechts; van af de balcons der villa’s groette men haar. In het warme zomerweder heerschte er eene gemoedelijkheid, eene zachte vroolijkheid langs den weg, ademde de weg, met zijne villa’s, waar de menschen in groepen zaten, eene vriendelijkheid uit, die der keizerin aangenaam aandeed en haar hart met een lichten weemoed op deed zwellen in hare borst. Kinderen liepen rond en speelden, in witte zomerpakjes; ze stonden in eens stil, en als welopgevoede kinderen, die de leden der keizerlijke familie iederen dag zagen voorbijgaan, groetten zij diep, de jongens onhandig, de meisjes met pas geleerde révérences. Dan speelden zij weêr door... En de keizerin glimlachte om een groote familie, oude en jonge menschen samen, die op een terras zeker een verjaardag vierden en lachten en dronken, vele glazen en karaffen voor zich: de kinderen hunne monden vol koek. Zoodra zij den voorrijder zagen, stonden zij op en zij groetten allen, sommige de glazen nog in de hand, en de keizerin, zonder hare gewone strakheid, groette ze innemend met een glimlach terug.

En het was als ging zij door een groot dorp van luxe; een oogenblik vergat zij de lichte obsessie, die haar neêrdrukte, vergat zij waarom zij heden ging naar Valérie toe en liet zij zich wiegelen door haar welbehagen in de liefde, die zij om zich ried. Het was die liefde der oude Liparische patricische familiën—adellijk of niet-adellijk—voor hare vorsten. Het was eene liefkoozing, die zij nooit te Lipara voelde. En zij herinnerde zich Othomars brief, tijdens de overstroomingen van het vorige jaar: waarom zijn we toch niet meer te Altara...

Geen oogenblik kon zij ophouden te groeten. Maar zij naderde nu de stad; als coulissen schoven de oude huizen op; de geheele stad schoof nader, vroolijk van vlaggen, die jong deden over haar oude steen. De straten waren vol; duizende vreemdelingen, van binnen- of buitenslands, waren te Altara; in de hôtels was geene kamer meer te krijgen. En de keizerin kon nauwelijks een woord tot Hélène spreken; zij kon niets doen dan knikken, altijd door...

Op het voorplein van het Oude Paleis was de paradewacht der infanterie ter eere der Oostenrijksche bruid opgesteld en prezenteerde, nu het rijtuig der keizerin voorreed, het geweer. De aartshertogin Eudoxie verwachtte de vorstin.

—Hoe is Valérie? vroeg Elizabeth dadelijk.

—Goed, kalm, antwoordde de aartshertogin; ik had het zoo niet durven hopen. Maar ze wil niemand ontvangen...

—Laat toch vragen of ik haar zien kan...

De hofdame der aartshertogin verwijderde zich: ze kwam terug met het bericht, dat Valérie de keizerin wachtte.

Elizabeth vond het jonge meisje in een negligé van witte kant, bleek, met groote donkere doffe oogen, liggen op een bank, ze richtte zich echter op:

—Mevrouw, vergeef me, verontschuldigde zij zich.

Elizabeth omhelsde haar met eene groote zachtheid; de aartshertogin zeide:

—Ik was niet wel, ik voelde me moê...

Toen echter ontmoetten hare oogen die van de keizerin, en zag zij, hoe deze niet eischte, dat ze zich met onmenschelijke kracht ophield. Zij drukte zich tegen de keizerin aan en weende zacht, als eene weent, die reeds lang en hartstochtelijk geweend heeft en nu moê is van haar weenen en het niet anders meer kan dan zacht. De keizerin deed haar zitten, zette zich naast haar en liefkoosde haar met een streelend gebaar van de hand. Geene van beide sprak; zij vonden geene van beide woorden in de moeilijke verhouding, waarin zij, op dit oogenblik, over en weêr waren.

Twee dagen geleden, den dag vóor dien, waarop de reis van de bruid van Altara bepaald was, was het bekend geworden, dat prins Von Lohe-Obkowitz zich te Parijs had doodgeschoten. Welke de reden van dien zelfmoord geweest was, wist men niet. Sommigen meenden, dat de prins zwaar gebukt ging onder de ongenade van den keizer van Oostenrijk en de brouille met zijne familie; anderen, dat hij met baccara een fortuin verloren had en verder geruïneerd was door de artistieke lubies zijner vrouw, de beroemde Estelle Desvaux, die enkele malen in haar leven zichzelve geruïneerd had, maar door een kunstreis en wat diamanten te verkoopen er ook weêr telkens boven-op gekomen was. Weer anderen hielden vol, dat prins Lohe nooit zijne liefde voor de aanstaande hertogin van Xara had kunnen vergeten. Maar hoeveel men ook vertelde in de hofkringen van Weenen, men wist niets zekers. Valérie had, bij toeval, het bericht, dat men haar verzwijgen wilde, in de zelfde courant gelezen, waarin zij, nu bijna een jaar geleden, bij toeval ook, op het terras te Altseeborgen het bericht had gelezen, van prins Lohe’s voorgenomen huwelijk en afstand van zijne rechten. Hare ziel, die geene neiging tot mystiek had, werd echter bijna in den schok van wanhoop, die ze doorvoer, bijgeloovig om deze herhaling van wreedheid. Maar toen zij haar leed, maanden geleden, had doorgestreden en uitgeleden, was eene onverschilligheid in haar nagevolgd door al het verdere leed, dat zij nog óoit zoû kunnen ondervinden in het leven. De dood van hare illuzies was eene geheele dood geweest; na hare verloving had zij zich weêr gevonden, als met eene andere ziel, verhard en gepantserd met onverschilligheid. Het was vreemd, dat in deze onverschilligheid het eenige, waar zij gevoelig voor bleef, het exquize van Othomars karakter was: zijne fijngevoeligheid, dat hij haar, tegen Oscars zin, gespaard had te Altseeborgen; zijn wijd gevoel van algemeene liefde voor zijn volk; geheel zijn karakter van zachtheid en eenvoudig plichtsbesef... Maar hoe onverschillig zij verder zich ook dacht, wreed was dit tweede toeval geweest, alsof een verfijnd noodlot het oogenblik er voor had uitgekozen. Een martyre was de officieele reis geweest van Sigismundingen naar Altara. Als een automaat was Valérie gegaan door de recepties aan de grenzen, door de ontvangst aan het Centraal Station te Altara met de begroeting van haar keizerlijken bruidegom, die er haar gekust had, en de toespraak der autoriteiten, het aanbieden van brood en zout door de domheeren van het kapittel van St. Ladislas. Zij had het geslikt, hun brood en hun zout. En de rit door de stad, die vlagde en eerepoorten oprichtte van straat naar straat, naar het oude Paleis, in den open landauer met den keizer en haar bruidegom, door het gejuich van het volk heen, dat in hare arme ooren en door hare overprikkelde zenuwen sneed als met zagende messen! Toen, in het Paleis, was het Othomar opgevallen, hoe zij er uitzag, als een voortgejaagd dier met schichtige oogen. De dood van Prins Lohe was ook te Altara bekend en al had het volk gejuicht, gejuicht uit ware sympathie voor de aanstaande kroonprinses, het had er haar op aangezien, nieuwsgierig, begeerig eene vorstelijke smart te zien trillen door hunne feestvreugde heen, voortgejaagd tusschen bogen van groen en vlaggetrofee. Zij hadden niets gezien. Valérie had gebogen, geglimlacht, van het balkon van het oude Paleis naast Othomar met de hand gegroet! Niets, niets hadden zij gezien, hoezeer ze ook gespannen waren, hoeveel ze zich ook hadden verbeeld. Maar toen was Valérie’s kracht ten einde. De rol was gespeeld, het gordijn mocht vallen. Othomar liet haar alleen met een handdruk. Uren had zij wezenloos gezeten; toen was de nacht gekomen; geslapen had zij niet, maar zij had kunnen snikken.

Nu was het de volgende dag; moê lag ze neêr, maar eigenlijk was ze uitgeweend, uitgestreden, vond ze hare onverschilligheid terug: het verdere leed van haar leven zoû haar immers niet meer kunnen deren!

Maar de teedere omhelzing van Othomars moeder verzachtte Valérie, en zij vond hare tranen terug.

Nauwlijks wisselden zij eenige woorden en toch voelden zij hare wederzijdsche sympathiën tot elkaâr gaan. En Valérie ried door haar verdriet heen haren plicht, die tegelijkertijd hare kracht zoû zijn; geen bittere onverschilligheid, maar eene berusting in wat haar leven zijn zoû. O ze had het zich anders voorgesteld in hare jongemeisjes-droomen: zij had het zich lieflijker en lachender gebeeld en natuurlijker van uiting, spontaner en zonder zulke filozofie. Maar uit hare droomen was ze wakker geworden en waar zoû zij anders hare kracht zoeken dan in plicht...! En ze won zichzelve, wat er ook in hare ziel vernield was, terug door eene onbewuste vitaliteit,—hare eigenlijke natuur—meer nog dan door hare gedachte. Zij droogde hare tranen, sprak er over, dat het uur naderde waarop eene deputatie van Liparische jonkvrouwen haar een huwelijksgeschenk zoû komen aanbieden en de keizerin liet haar alleen, opdat zij zich kleeden zoû.

Zij verscheen niet lang daarna, in wit toilet, met dof goud opgewerkt, in den salon, waar hare ouders met de keizerin samen waren en met Hélène van Thesbia en de Oostenrijksche hofdames. Kort daarop kwamen ook Othomar met zijne zusters, en de aartshertog van Karinthië. En toen de deputatie der adellijke jonge meisjes aangekondigd werd en verscheen, Eleonore van Yemena in het midden, luisterde Valérie met haar gewonen glimlach naar de toespraak van het markiezinnetje, nam zij met een innemend gebaar uit de handen van twee andere meisjes het groote étui aan, dat deze open liet springen en waar, op licht fluweel, een driedubbel halssnoer van groote parelen lag. En zij wist een paar aardige zinnen te vinden om te bedanken; ze uitte ze met een heldere stem, en wie haar gehoord had, zoû nooit vermoed hebben, dat zij een slapeloozen nacht had doorgebracht, badende in tranen en voor zich ziende het lijk van een jongen man met verpletterde slapen.

Het werd aan de jonge dames der deputatie vergund de huwelijkscadeaux te zien, die in een groote zaal waren tentoongesteld; de prinses Thera en de hofdames gingen met haar meê. Het was daar in die zaal een plotselinge schitterglans, in het daglicht stralend van de lange tafels, waar, tusschen bloemen, de cadeaux stonden: de zware vergulde candelabres, vergulde tafel- en theeserviesen en kristal, vergulde en zilveren cassetten van verschillende steden, de Dom van Altara in zilver, zilveren schepen met fijne bollende zeilen van inrichtingen van marine en juweelen geschenken van alle vorstelijke vrienden en verwanten van Europa. Op een satijnen kussen lag, als een feeënkleinood, een sparkelende hertoginnediadeem van groote saffieren en brillanten, een der geschenken van de aanstaande schoonouders der bruid. En zeer trof het geschenk van de prinses Thera: het portret van den hertog van Xara; een kunstwerk, dat reeds op tentoonstellingen in beide hoofdsteden bekend was geworden. Maar het leek niet veel meer en het was daarom de wanhoop van de prinses. Het was jonger, vager, weeker, dan de prins zich nu vertoonde: iets magerder dan vroeger, maar met een dikkere streep van snor en een lichtgekroesden baard om de wangen. De melancholieke oogen hadden meer den kouden blik van keizerin Elizabeth gekregen; ook overigens geleek Othomar op zijne moeder en meer dan vroeger. Maar wat steeds in den prins trof, was, in zijne nerveuze fijnheid, zijn ras, zijne spitse distinctie, zijne rechtmatige hoogheid. Hij had veel verloren van zijne strakheid, zijne stijve tacteloosheid en iets zekerders en beslisters gekregen en het gaf, trots zijn kouderen blik, meer vertrouwen in een kroonprins, dan zijn altijd symphathiek, maar ietwat week optreden van vroeger. De gedachten schenen zich scherper in hem af te teekenen, de woorden spitser tusschen zijne lippen te komen; hij scheen meer op zichzelven te steunen, minder te geven om wat anderen van hem dachten. Het was, nog niet geheel bewust, dat uniek vorstelijke gevoel, dat in hem wakker werd: dat naïve, hooge ingeboren vertrouwen op den enkelen druppel gouden bloed, die in zijne aderen was, en die hem zijne rechten gaf...

Het was vooral professor Barzia geweest, die, verbonden aan Othomar en hem iederen dag zelve behandelend, dit zelfvertrouwen gewekt had, door zijne woorden, komende uit menschenkennis en monarchale liefde beiden, en uit eene bizondere liefde voor den kroonprins daarenboven. De koudwaterdouches hadden den prins opgestijfd, maar de suggesties van den professor, die Othomars onbewust werkende eigenschappen als uit hare onbewustheid gewekt hadden, waren wellicht een nog ingrijpender geneesmiddel gebleken. De prins had zich leeren beheerschen en hij was den professor liever geworden en liever...

Deze toewijding, geboren uit eene ontdekking van wat anderen niet wisten—hooge kwaliteiten van gemoed—was gesterkt door Barzia’s opvoeding van die zelfde kwaliteiten en, toen het huwelijk van den prins kon bepaald worden, zag de professor met evenveel trots als liefde neêr op zijn patiënt, dien hij fysiek genezen verklaarde en moreel genezen voor zichzelven dacht...

II.

Het was twee dagen daarna de dag van het keizerlijke huwelijk. De stad wemelde reeds den vroegen morgen van het, uit de omstreken toegestroomde, volk, dat zich gonzend drong door de nauwere straten. Want reeds vroeg waren de hoofdstraten afgezet door de infanterie, van den Slotburcht tot aan het Oude Paleis en den Dom toe. En Altara, anders grauw, oud, verweerd, was niet herkenbaar, bont van vlaggen, jong van groenfestoen, versierd met draperieën en tapijtwerk van zijne balkons af. Eene warme zuidelijke Meizon goot vakken van glans over de stad heen en het rood en het blauw en het wit en groen der wachtende uniformen, met de regelmatige bliksems der bajonetten daarboven, trok breede lijnen van kleur bijna bloemenvroolijk door haar heen, tot op naar het slot van St. Ladislas.

Door de afgezette straten reden hofrijtuigen heen en weêr; ze schitterden vol uniformen: vorstelijke genoodigden, die naar St. Ladislas of het Oude Paleis gebracht werden. Men zag er Russische, Duitsche, Engelsche, Oostenrijksche, Gothlandsche uniformen; vlug, als zich voorbereidend tot het oogenbllk van ceremonie, flikkerden zij door Altara heen, door hare, met soldaten beperkte, lange leêgten van straten.