Part 17
Othomar had lang geslapen en werd laat wakker, als in eene vreemde kalmte. Toen professor Barzia hem het einde van den kleinen prins vertelde,—de apathie der laatste oogenblikken na eene woede van koorts—scheen het hem toe, dat hij dit reeds wist. De groote smart, die hij voelde, was zonderling rustig, zonder oproer in zijn hart en verbaasde hemzelven. Kalm bleef hij liggen, toen de professor hem verbood op te staan. Als zonder emotie stelde hij zich voor: den kleinen jongen, roerloos, de oogen gesloten, op zijn veldbed. Werktuigelijk vouwde hij zijne handen en bad hij voor het zieltje van zijn broêr.
Hij mocht dien dag zijne kamer niet verlaten en zag alleen even de keizerin, die bij hem kwam. Het verbaasde hem niets, dat ook zij kalm was, met droge oogen: zij had nog geen traan gestort. Zelfs toen hij zich oprichtte uit zijne kussens en haar omhelsde, weende zij niet. Hij ook weende niet, maar alleen zijne eigene kalmte verwonderde hem: niet de hare. Zij bleef maar een oogenblik; toen ging zij terug als met werktuigelijke passen en hij bleef alleen. Hij zag dien dag anders niemand dan Barzia: zelfs Andro kwam niet in zijne kamer binnen.
Buiten die kamer ried de prins, aan zekere passen door de gangen, zekere klanken van stem—het weinige, dat tot hem doordrong—de smart van het paleis; stelde hij zich voor de treurmare gaande door het land, Europa, en de menschen ontzet doende staan voor den dood, die verrast had. Het leven was niet zeker: wie wist of hij morgen leefde! IJdel waren de plannen der menschen, wie wist het uur, dat volgen zoû! En kalm steeds bleef hij hierover denken, in de zonderlinge rust van zijne ziel, waarin hij als eene nutteloosheid zag om te strijden tegen het leven en tegen den dood.
Den volgenden dag eerst vergunde Barzia hem op te staan, laat in den middag. Na zijne douche kleedde hij zich kalm aan, in zijne lanciersuniform, een krip om de mouw. Toen hij zich in een spiegel zag, verwonderde het hem hoe hij leek op zijne moeder, hoe hij nu ging met hare zelfde machinale pas. Barzia vergunde hem naar den salon der keizerin te gaan. Hij vond er haar, den keizer, Thera, en den aartshertog en de aartshertogin van Karinthië, die den vorigen avond te Lipara waren aangekomen. Men zat stil bij elkaâr; nu en dan ging een zacht woord om.
Othomar ging naar den keizer en wilde hem omhelzen: Oscar echter drukte hem slechts de hand. Daarna omhelsde Othomar zijne zusters, zijn schoonbroêr. Toen zette hij zich neêr bij de keizerin en nam hare hand en zat stil. Zij was vermagerd en krijtwit in hare zwarte japon. Zij weende niet: alleen de twee prinsessen begonnen telkens te snikken en telkens weêr.
De familie gebruikte het diner alleen in de kleine eetzaal, zonder gevolg. Eene verplettering was als neêrgezonken op het paleis, dat geheel scheen te zwijgen op dit uur, met alleen nu en dan het zachte geloop door galerijen van een ordonnans-officier, die ging, een lijkkrans in de hand, van een lakei, die bracht een blad vol telegrammen. Na het korte diner trok de familie zich weêr terug in den salon der keizerin. De uren sleepten zich voort. De avond was geheel gevallen. Toen werd de aartsbisschop van Lipara aangekondigd.
De keizerlijke familie stond op; door de galerijen ging zij, zonder gevolg, naar de groote Ridderzaal. Hellebaardiers stonden bij de deur. Zij traden binnen. De keizer reikte de keizerin de hand en geleidde haar naar den troon, waarvan de kroon en de draperiën omfloersd waren. Aan beide zijden waren zetels voor Othomar, de prinsessen, den aartshertog.
In het midden der zaal, voor den troon, rees de katafalk op onder een hemel van zwart en hermelijn. In uniform lag er de kleine prins neêr. Over zijne voeten hing een kleine blauwe riddermantel met een groot wit kruis; een kinderdegen lag hem op de borst, en zijne handjes waren om het juweelen gevest heengevouwen. Aan zijn hoofdje, en wat hooger, blonk, op een kussen, een kleine markiezenkroon. Zes vergulde luchters glansden met vele hooge kaarsen stil op het kind neêr en ze lieten de groote zaal verder in schaduw: alleen rees, buiten, de maan in verre nachtblauwe lucht; hier en daar tintte ze met een witte glansplek de wapenrustingen, de trofeeën, die hingen en, als ijzeren geesten, stonden in nissen en aan den muur. Aan het voeteneind der katafalk breidde, op een tafel, met wit fluweelen kleed, als altaar, een groot, verguld crucifix, tusschen luchters, ontfermend, twee kruisarmen uit.
Den degen in den arm, roerloos als de wapenrustingen aan den muur, stonden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, twee aan twee, aan iedere zijde van de katafalk.
Een zachte geur van bloemen woei om. Om de katafalk heen stapelden zich de kransen op in cirkels van alles wat wit bloesemt; de aroom van violen geurde het hoogst.
Zij waren gezeten: de keizer, de keizerin en hunne vier kinderen. Langzaam kwam de aartsbisschop binnen met zijne priesters en koorknapen. Toen knielden de vorsten op kussens voor hunne zetels neêr. De prelaat las de lijkmis en het Latijn van het Kyrie-Eleison en het Agnus Dei smeekte voor Berengars kleine ziel te midden der zielen van het vagevuur, trilde zacht door de immense zaal, wolkte met den geur der bloemen mede over het roerlooze, ooggeslotene gezicht van het keizerlijke kind...
De dienst was geëindigd; de prelaat sprenkelde het wijwater, ging sprenkelend om de katafalk heen. De vorsten verlieten de zaal, maar Othomar bleef.
—Ik wil mijn krans neêrleggen... sprak hij zacht tot de keizerin.
Ook de priesters, langzaam, vertrokken; den vier ridders, die door anderen vervangen zouden worden, zeide de kroonprins zijn verlangen een oogenblik alleen te willen blijven. Ook zij gingen. Toen zag hij aan de deur Thesbia verschijnen, een grooten witten krans in de hand. Hij ging den ordonnans-officier tegemoet en nam den krans aan.
Othomar bleef alleen. Lang, breed, met duistere einden, strekte zich de zaal uit. De maan was hooger gestegen, scheen blanker, spookte op de wapenrustingen. In het midden, als met heiligheid, tusschen den vromen glans der lange kaarsen—rees de katafalk, lag de prins.
De kroonprins ging twee treden de katafalk op en legde den krans neêr. Toen zag hij naar Berengars gelaat; geene koorts verwrong het meer; rustig lag het, blank, als sliep het. Alle geluiden in de zaal waren weggestorven; eene doodstilte hing neêr. Hier scheen de wereld van smart, die het paleis en het land vervuld hadden, zich geheiligd te hebben in verhevene kalmte. En Othomar zag zich alleen met zijne ziel. Het onzekere van het leven, het ijdele van menschenvoornemen kwam tot hem weêr, maar in klaarheid; het was geen zwart mysterie en werd harmonie. Het was of hij geheel de harmonie zag van het verleden; in geheel Liparië’s verleden van historie, in geheel het verleden der wereld klonk geen enkele valsche toon. Alle smart was heilig en harmonisch, bracht nader tot het hooge Einde, dat weêr Begin zoû zijn, en nooit iets anders dan harmonie. Eene berusting daalde als een heilige geest in zijn gemoed; zijne vreemde kalmte werd berusting. Het was of zijne zenuwen zich ontspanden in éene groote leniging.
En in zijne berusting was alleen de weemoed, dat hij nooit meer zoû hooren het hoog-bevelende stemmetje van het kind, dat hij lief had gehad. Dat dit kleine leven uitgeleefd had, zoo gauw, en voor altijd. In zijne berusting was alleen éven de verwondering, dat het zoo moest zijn en niet als hij het zich gedacht had. Hij zoû zelve moeten dragen zijne kroon, die hij aan Berengar had willen afstaan. En het was hem nu, of hij die terug ontving van den kleinen doode zelven. Hierom zeker voelde hij zoo niets geen opstand in zijne ziel, voelde hij die rust, dat besef van harmonie. Als eene erfenis kwam zijn geschenk tot hemzelven weêr terug.
Lang stond hij zoo, denkende, starende op zijn roerloos broêrtje en eenvoudig werd zijne gedachte in hem; recht voor zich uit zag hij een weg, dien hij volgen zoû...
Toen hoorde hij zijn naam:
—Othomar...
Hij keek op en zag de keizerin aan de deur. Zij kwam nader.
—Barzia vroeg naar je, fluisterde ze; hij maakte zich ongerust over je...
Hij glimlachte haar toe en schudde het hoofd van neen: dat hij kalm was.
Zij was nu geheel genaderd, trad op de treden van de katafalk en vlijde zich aan zijn arm.
—Hoe stil is zijn gezichtje... murmelde ze. O, Othomar, ik heb hem nog niet eens mijn laatsten zoen gegeven. En morgen behoort hij me niet meer toe: dan defileert hier al dat volk!
—Maar hij is nú nog van ons, mama, van u...
—Othomar...
—Mama...
—Zal ik jou ook niet hoeven... te verliezen?
—Neen mama, mij niet... Ik zal blijven leven... voor u...
Hij omhelsde haar; zij zag tot hem op, verwonderd om zijne stem. Toen keek ze weêr naar het kind. Ze maakte zich los uit de armen van haar zoon, hief zich nog hooger, boog zich over het witte gezichtje en kuste het voorhoofd. Maar zoodra de steenkoude van het doode vleesch in hare lippen trok, trok zij zich terug, staarde wezenloos op het lijkje, of zij nu eerst begreep. Een kramp verstijfde hare armen, verwrong hare vingers; recht viel zij achterover tegen Othomar aan.
En hare oogen werden vochtig met de eerste tranen, die zij om Berengars dood vergoot, en zij verborg haar hoofd in Othomars armen en snikte, snikte...
Toen voerde hij haar voorzichtig, langzaam de treden van de katafalk af, geleidde haar uit de zaal. In de galerij kwam hij Barzia tegen; het stil kalme gelaat van den prins, die zijne moeder ondersteunde, stelde den professor gerust...
Zoodra de keizerin en de kroonprins de Ridderzaal verlaten hadden, traden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, binnen. Zij namen hunne plaats in aan beide zijden van de katafalk en zij bleven er roerloos staan in den kaarsenglans, starende voor zich uit, wakende in den rouwnacht over het keizerlijke lijkje, waarover nu de blauwte van de maan viel... Ook de priesters waren binnengekomen, en baden...
Het paleis was stil. Toen Othomar aan de deur van haar appartement zijne moeder had overgegeven aan Hélène van Thesbia, ging hij de galerijen door naar zijne eigen kamers. Maar bij eene wending der gangen schrikte hij. De groote ceremonietrap gaapte, flauw verlicht aan zijne voeten, met de holte der kolossale vestibule onder aan. Behangers waren daar bezig de balustrades der trap te drapeeren met floers van krip, voor het oogenblik, dat de kist naar beneden gedragen zoû worden. Zij maten met wijde armen de nevels van zwart uit, wierpen zwarte wolk op wolk; de wolken krip stapelden zich met eene droeve luchtigheid op, en op en op, schenen de geheele trap te vullen en treê na treê hooger te stijgen of ze het geheele paleis zouden veroveren met hun zwart...
De behangers zagen den kroonprins niet, en werkten door, zwijgend, in het flauwe licht. Maar eene koude rilling ging over Othomar heen. Doodsbleek staarde hij naar de mannen, die daar aan zijne voeten het krip uitmaten en het wolken deden naar hem toe. Hij herinnerde zich zijn droom: de straten van Lipara, zich vullende met krip tot de zon zwijmde... Zijn bloed scheen hem te bevriezen in zijne aderen...
Toen sloeg hij een kruis.
—O God, geef me kracht! bad hij in ontzetting...
VIII.
Den volgenden morgen ging tusschen de paradewachten door der grenadiers het volk voorbij het lijk van den kleinen prins. Den daarop volgenden werd het vervoerd naar Altara en bijgezet in den keizerlijken grafkelder in den Dom van St. Ladislas. De prinsen Gunther en Herman van Gothland waren voor de plechtigheid overgekomen, maar den hertog van Xara was door professor Barzia verboden aan de ceremonie deel te nemen: hij bleef te Lipara.
De Gothlandsche prinsen en hun gevolg kwamen met keizer Oscar terug naar de rezidentie, waar, op het dringend verlangen van hare zuster, ook koningin Olga met prinses Wanda gekomen was. En in de rouwstilte van het Imperiaal trok de familie zich bij elkaâr in een nauwen cirkel van intimiteit. Keizerin Elizabeth had, na hare eerste tranen, die onnatuurlijke kalmte verloren; telkens onderging zij hevige aanvallen van verdriet, die de koningin Olga of Othomar nauwlijks wisten te bedaren. De keizer was ontroostbaar, gaf zich met eene kinderlijke hevigheid over aan zijne smart. Men had hem nooit zoo gezien, men kende hem zoo niet. Dat hij zijn lieveling verloren had, bracht zijne ziel in opstand tegen de wereld en tegen God. Daarbij kwam, dat hij zich zeer had aangetrokken zijn laatste gesprek met Othomar, waarin deze hem van afstand-doen gesproken had. De keizer was er niet meer op terug gekomen, maar hij dacht er telkens aan. Hij vreesde er weêr met Othomar over te moeten spreken. Met woede voelde hij zijn onmacht, den kroonprins dit besluit van wanhoop te verbieden. En hij verbeeldde zich wat er volgens de wetten gebeuren zoû, zoo de prins volhardde: de aartshertogin van Karinthië keizerin, de aartshertog prins-gemaal en het geslacht van Czyrkiski niet meer heerschende op den troon van Liparië in de mannelijke lijn. Dat dit zoû kunnen gebeuren, deed, tegelijkertijd met zijn leed over Berengars dood, keizer Oscar lijden met dat zeer bijzondere leed van den vorst, in wiens bloed nog vloeit geheel de geërfde gehechtheid aan de grootheid zijner vaderen, en die ze voort wil laten duren tot den laatsten dag. En was hij ook ontroostbaar over het verlies van het kind, dat hij het meeste liefhad, zwaarder, maar stiller, in grooter geheim—daar hij er niet over sprak—en hierom wellicht smartelijker, voelde hij zijn leed over dit idee, over deze toekomst, die hij zich beeldde. Zelfs met de keizerin had hij er niet over gesproken, uit zekere vrees en bijgeloovigheid.
En bij dit denk-verdriet,—dat zijne ziel van kracht, waarin altijd een zweem van kinderlijkheid gebleven was, zich zwak deed gevoelen, of zij de ziel ware van ieder ander mensch in plaats van de zijne: die van een vorst—mengde zich de zakelijke ergernis over de legerwet. Er zouden driehonderd millioen noodig zijn; honderd millioen waren reeds toegestaan voor de versterking der infanterie; de twee andere honderd, voor de artillerie, had de Minister van Oorlog, graaf Marcella, nog niet weten te verwinnen. De meerderheid der legercommissie was tegen die kolossale wapening der grensforten; in het Huis der Standen ried de minister reeds heftige tegenkanting, vermoedde hij zijn val. Noch Oscar, Myxila noch Marcella, wilden het minste toegeven. En Oscar zoû zijn minister daarenboven willen handhaven tot in het onmogelijke toe.
Het was in deze dagen, dat Othomar zich door generaal Ducardi geheel op de hoogte der questie liet brengen, de stafkaarten en legerstaten en verslagen der commissie bestudeerde, de parlementaire discussies van uit zijne afzondering volgde. Hij hield lange overwegingen met den generaal. Hij had echter in maanden niet meer de ochtendberaadslagingen in het kabinet van zijn vader bijgewoond. Maar op een morgen kleedde hij zich—wat hij niet altijd deed—in uniform en liet door een kamerheer aan Oscar verzoeken of de keizer hem vergunde tegenwoordig te zijn bij de ontvangst van graaf Marcella. De keizer was verwonderd, haalde de schouders op, maar bestreed zijne antipathie, en liet zijn zoon zeggen, dat hij komen kon. Zoodra de Rijkskanselier en de minister bij den keizer waren, vervoegde Othomar zich bij hen. Hij was tengerder nog geworden en de zilveren brandebourgs van zijn lanciersuniform konden nauwlijks aan zijne slankte eenige breedte leenen; hij was bleek en wat hol van wangen, maar de blik in zijne oogen had die vroegere koortsachtige onrust verloren en zijne melancholieke kalmte teruggewonnen, tegelijk met iets straks van hoogheid. Hij mengde zich eerst niet in de discussie, liet den keizer vloeken, den Rijkskanselier zijne schouders ophalen en berusten in het onmogelijke, den minister verklaren, dat hij nooit toe zoû geven. Toen vroeg hij echter aan Oscar vergunning een woord in het midden te brengen. Hij had een potlood in de hand genomen; hij toonde met enkele kort besliste lijnen van aanwijzing over de kaarten, met enkele direct juiste aanduidingen op de staten, met enkele cijfers, die hij uit zijn hoofd, en nauwkeurig opnoemde, dat hij geheel op de hoogte was. Hij meende, dat, voor zoover hij kon nagaan uit de verslagen der commissie, uit de stemming in het Huis der Standen, het ongetwijfeld vast zoû staan, dat de tweehonderd millioen geweigerd zouden worden. Dat de minister vallen zoû. Hij herhaalde deze laatste woorden nadrukkelijk en zag toen vast zijn vader eerst aan en daarna graaf Marcella. Toen, met zijne zachte stem, die logisch in klank na klank zich verhief en daalde met rustige woorden van overtuiging, vroeg hij, waarom men zich niet voegen zoû naar de omstandigheden en van ze maken wat van ze te maken was. Waarom men niet de honderd millioen voor de infanterie zoû aanvaarden als het gewonnene en—hetgeen, zonder o ogenblikkelijk gevaar, toch zoû kunnen—de tweehonderd anderen zoû pogen te verdeden over eene tijdlengte van vier of vijf jaar. Hij meende zeker te zijn, dat een twintig millioen ’s jaars meer, niet zoo heftige tegenkanting zoû vinden. Met zulke eene schikking zoû graaf Marcella zichzelven kunnen handhaven en door den keizer gehandhaafd kunnen worden...
Toen hij zweeg, volgde eene stilte zijne woorden. Zijn raad was, zoo niet geniaal, practisch geweest, makende van dit oogenblik van crizis wat er van te maken zoû zijn. Graaf Myxila knikte zijn hoofd langzaam, goedkeurend. De keizer en graaf Marcella konden Othomars denkbeeld niet dadelijk aanhangen, halsstarrig, als ze doordrijven wilden de legerwet in hare eerste onveranderde conceptie. Maar de Rijkskanselier voegde zich bij den kroonprins, deed nog nadrukkelijker uitkomen, dat eene zoodanige schikking de eenige zijn zoû, waarmeê Zijne Majesteit graaf Marcella zoû kunnen behouden. En de beraadslaging eindigde, dat het voorstel van den hertog van Xara in overweging zoû genomen worden. Toen Myxila en Marcella gegaan waren, vroeg de keizer den prins nog een oogenblik te blijven.
—Othomar, sprak hij: het doet mij groot genoegen, dat je je weêr met de zaken van ons land bezig houdt...
Hij weifelde even, bijna angstig.
—Welke concluzie kan ik daaruit trekken... voor de toekomst? ging hij eindelijk langzaam voort.
De kroonprins begreep hem.
—Papa, sprak hij zacht. Ik heb mijne moedelooze oogenblikken gehad. Ik zal ze misschien nog wel hebben. Maar vergeet... wat er zoo kort voor Berengars dood tusschen ons besproken is geworden. Ik denk er niet meer over afstand te doen...
De keizer haalde diep adem.
—Ik ben vroom, papa, en geloovig, ging de prins voort. Misschien bijgeloovig. Ik zie duidelijk in wat er gebeurd is, de hand van God...
Hij streek met de hand over het voorhoofd, peinzende voor zich heen.
—De hand van God, herhaalde hij. Ik heb een voorgevoel gehad van den dood van éen onzer binnen dit jaar. Ik dacht dat ik het zelf zoû zijn, die sterven zoû. Daarom papa, zag ik misschien niet in, dat het monsterachtig van mij was, waartoe ik besloten had. Ik dacht niet aan mijzelven, die toch zoû dood gaan; ik dacht alleen aan Berengar. Ik zag, dat hij meer vorst was dan ik. Maar nu is hij dood en ik leef, en ik zal nu aan mijzelven denken. Want ik voel het, dat ik mijzelven niet behoor. En ik voel, dat het dit is, wat ons staande moet houden in het leven: dit gevoel, dat wij niet aan onszelven behooren, maar aan anderen. Ik heb altijd van ons volk gehouden en ik woû het helpen in het vage, in het abstracte; ik sloeg mijn handen uit, zonder te weten wat en als ik niet volbracht, was ik er wanhopig om...
Hij hield in eens op, zag schichtig naar zijn vader, als had hij zich te ver laten gaan in het uitspreken zijner gedachten. Maar Oscar zat hem kalm aan te hooren, en hij ging voort:
—En ik weet nu, dat zulke wanhoop niet goed is, omdat wij met zulke wanhoop ons aan onszelven behouden en ons niet kunnen geven aan anderen. U ziet—en hij stond op en glimlachte—ik kan maar niet genezen van mijn filozofie, maar ik hoop nu, dat ze mij zal leeren sterken in plaats van mij te ontzenuwen, omdat ze nu uit een geheel ander principe voortvloeit.—De keizer haalde licht de schouders op.
—Ieder moet zich zijn eigen levenswijsheid maken, Othomar; ik kan je alleen dezen raad geven: dweep niet en hoû je standpunt hoog. Cijfer jezelven niet te veel weg, want zulke abnegatie duurt niet en herneemt toch weêr later oude rechten. Ik denk zooveel niet na; ik ben meer spontaan en impulsief. Maar ik wil niet over je oordeelen, omdat jij anders bent; je kan er niets tegen. Je bent misschien meer van dezen tijd dan ik. Ik wil alleen naar het rezultaat zien van je overpeinzingen en dat rezultaat is: dat je jezelven teruggeeft aan het gewone leven en aan de belangen van je land. En hierom verheug ik me, Othomar. Ik wil ook niet te ver in de toekomst zien; ik vermoed, dat je ook later niet mijn ideeën zult hebben; ik vermoed, dat je later zult regeeren met een constitutie van A tot Z, met een gekozen Hooger-Huis. Ik vermoed, dat je van de autoritair adellijke partij veel tegenkanting zult hebben... Maar zooals ik zeg, ik wil daar niet te ver in doorgaan en mij alleen verheugen over je moreele beterschap. En ik ben je heel dankbaar voor den raad, dien je ons zoo even gegeven hebt. Ze was eenvoudig, maar uit onszelve waren wij er zeker niet toe gekomen. Wij zijn daartoe te vasthoudend. Ik geloof nu wel, dat wat je voorstelde, het beste zal zijn; dat het wel niet anders zal kunnen...
Hij stak zijne hand uit, Othomar greep die.
—En, vervolgde hij, met de groote loyaliteit, die ondanks zijne tirannieke hoogheid het fond van zijne ziel was; laat geene rancune bij je blijven over... woorden, die ik je gezegd heb, Othomar. Ik ben hevig en driftig, dat weet je. Ik hield meer van Berengar dan van jou. Maar jijzelf hield van dat kind. Hoû me geen rancune na, terwille van hem... Je bent toch mijn zoon ook en ik hoû van je, alleen al om het feit, dàt je mijn zoon bent, en de laatste van mijn geslacht... Vergeef me mijn eerlijkheid.
Toen drukte hij Othomar in zijne armen. Het trof hem pijnlijk de tengerheid van den prins te voelen in zijne stevige omhelzing, zoo dadelijk na zijne woorden: de laatste van mijn geslacht... Een vreemde, bittere wanhoop ging er om door zijne ziel, maar tevens vermoedde hij duidelijk het mysterie in die tengerheid: een onbekende, moreele drijfveer, die hij zelve in zijn weinig complexen eenvoud zeker miste, maar, vol verwondering, voelde in zijn zoon. Toen de prins gegaan was en Oscar, alleen, hierover dacht, en die drijfveer zocht in hetgeen hem in zijn kind bekend was, vond hij niet, maar voelde toch, dat wat ze ook ware, ze iets benijdenswaardigs was: een kracht, die taaier was dan spierkracht. Hij zag om zich heen: zijn oog viel op het portret van de keizerin op zijne schrijftafel. Hoe dikwijls had hij er niet op getuurd met ergernis, om hun troonopvolger, die zoo geheel haar eigen zoon was. Maar alsof eene schemering van glans voor zijne oogen opging, zag hij nu naar het delicate gelaat, zonder dien ouden wrevel en eene dankbare warmte begon in hem op te stralen. Wat ze ook ware, Othomar had die geheimzinnige kracht van zijne moeder. Ze redde hem en behield hem voor zijn land, voor zijn geslacht. En— wie wist het—misschien was dit mysterie, wat dan ook, het element, dat hun geslacht behoefde, eene noodige essence voor zijne nieuwe levensvatbaarheid... Hij drong daar verder niet in door; de toekomst—ook al klaarde ze nu op uit hare eerste duisternis—was hem niet lief. Hij had het verleden lief, die ijzeren eeuwen met hare helden van keizers. Maar hij voelde, dat niet alles verloren was. In zijn vroom geloof aan het Hoogste, dacht hij als zijn zoon, aan de hand van God. Zoo het zoo moest, zoû het zoo goed zijn. De wil van God was ondoorgrondelijk...