Lucifer: Treurspel

Chapter 5

Chapter 53,814 wordsPublic domain

[36] _Men vangt haast aan_: het aanvangen gaat vlug genoeg.

[37] _braveeren_: als _bravade_: pronken, uittartend glansen, als teeken van overwinning.

[38] _Gods wonderlijken naam_: Wonderbaarlijken.

[39] _tittelen_: titels, gezag, vertoon.

[40] _treken_: listen.

[41] _in te luien_: in slaap te wiegen.

[42] _troonen_: meetronen.

[43] Hier heeft de figuurlijke beteekenis van _voorbij vliegen_: overtreffen, wel geheel de letterlijke verduisterd. Aan "voorbijvliegende tronies" heeft V. natuurlijk niet gedacht.

[44] _leg het over_: overleg.

[45] _dit stuk_: aanslag.

[46] _ietwat glimpelijks_: iets dat er een goeden glimp aan geeft.

[47] _te schennen tegens een_: tegen elkaar op te zetten.

[48] _waren_: verdedigen. Verweren. Zie _Gysbrecht_: "ik kom dit slot bewaren."

[49] _beware_: blijve dan in.

[50] _palen_: grenzen.

[51] De mensch wende zich naar de vier windstreken; doch ga niet van de aarde.

[52] "De leus zij: de Hemel voor de Engelen." 't Hyper-nationalisme.

[53] _door toeval van ontelbre vanen_: ontelbre regimenten (_vanen_) zullen ons toevallen; zich bij ons aansluiten.

[54] _Zijn wapen hangen_. Het kenteeken van den Edelman was geborduurd op zijn wapenrok (d.i. de rok die over zijn harnas hing). Vandaar dat wapen de dubbele beteekenis kreeg van verdedigingswerktuig en adellijk insigne, dat ook in het zegel was afgedrukt (Vgl. ook Engelsen: _arms_). _Zijn wapen hangen_ = zijn zegel hechten.

[55] _trotsch beleid_: trotseerend beleid.

[56] _Hoffelijke gevels_: hemelsche. Fraaie uitbeelding van een bloedrooden zonsondergang, die als een teeken van naderenden jammer gold.

[57] _De Nijd_ treedt later nogeens zinnebeeldig op, in den Draak, die Lucifers wagen trekt; met den Leeuw, de Hovaardigheid.

[58] _Onnoozel_: van kwaad onbewust.

[59] _die vlam_ (van toorn) waardoor "de hoffelijke gevels zoo rood zien".

* * * * *

HET DERDE BEDRIJF

LUCIFERISTEN. REI.

LUCIFERISTEN[1].

Hoe kan men in zijn waan zoo vroeg bedrogen worden! Hoe is 't alreê verkeerd! wij schatten niemands Orden Gelukkiger dan d'onze, in dit opgaande Rijk, Ja, achtten onzen Staat den Oppersten gelijk, En onveranderlijk, en boven 't aardsch gezegend; Wanneer[2] ons Gabriël met Gods bazuin bejegent, En uit de gouden poort verbaast[3] met dit gebod, Hetwelk al 't Engelsdom versteekt van 't hoogste lot, Hem uit den vollen schoot der Godheid eerst geschonken. Daar leggen wij te laag, en zien de schoone vonken En stralen van onze eere en heerlijkheid gebluscht, De gansche Hierarchy des hemels ongerust, Den mensch, in top van staat en macht, zoo trots verheven, Dat wij, als slaven, voor zijn heerschappije beven. O onverwachte slag en staatverwisseling! Och! treurgenooten, zet u hier in eenen ring In 't ronde! zet u hier te zamen; helpt ons treuren En zuchten: het is tijd ons feestgewaad te scheuren, Te klagen; niemand kan ten minste ons dit verbiên. De blijschap smilt, en zal nu d'eerste droefheid zien. Helaas, helaas, helaas! gebroeders, hemelreien, Legt af uw hoofdsieraad; verandert uw livreien[4], En vroolijkheid in rouw; slaat neer uw aangezicht, Zoekt schaduwen als wij. De droefheid schuwt het licht. Een ieder volge ons' stem en bange jammerklachten. Verdrinkt in jammer: zinkt in droevige gedachten! Het klagen helpt, en zet de droefheid ook van 't hart. Nu schept in kermen lust: het kermen heelt de smart. Nu roept uit eenen mond, en vollegt ons misbaren: Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!

REI[5].

Wat weeklacht hoort men hier? onaangename toon! De hemel ijst hier af. Dees' lucht is niet gewoon Te hooren een muziek van druk[6] op noten galmen Door 't juichende gewelf. Triomfen, kransen, palmen, En harpen passen ons en snaren. Wat wil dit? Wie of hier hangends hoofds ineengekrompen zit, Verlaten en bedrukt, en zonder nood beladen? Wie geeft hun treurens stof? wie kan dees' oorzaak raden? Mijn Reigenooten, volgt: 't is noodig dat men vraag' Naar d'oorzaak van hun leed en deze donkre vlaag Van droefheid, die den glans van onze pracht ontluistert, Het licht van 't eeuwig feest benevelt en verduistert. De Hemel is een hof van weelde en vreugd en vreê. Hier nestelt aan dit dak noch rouw, noch hartewee. Mijn Reigenooten, volgt, en troost ze in hun bezwaren!

LUCIFERISTEN (_koor_):

Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!

REI:

Genooten van ons heil en blijschap, broeders, hoe? O zoons van 't vroolijk licht! hoe dus bedroefd te moê? Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren? Gij hadt begonnen 't hoofd ten hemel op te beuren, Te bloeien in den dag, die neerstraalt van Gods glans. De Hemel brocht u voort, om vlug, van trans in trans, Van 't een in 't ander hof, te steigeren, te zweven, In 't onbeschaduwd licht, vernoegd, verzaad te leven, Op een gedurig feest, te smaken 't hemelsch mann' Van Gods onsterflijkheid, in een gerust gespan Van feestgenooten. Hoe? dit voegt geen burgerijen Van Englestad, o neen; dit voegt geen Heerschappijen[7], Geen Machten, Tronen, nog geen heerschend Hemelsdom. Gij kropt uw droefheid in, en zit versuft en stom. Laat hooren wat u deert; ontdekt het uw gespelen. Ontdekt uw hartkwetsuur, dat wij die mogen heelen.

LUCIFERISTEN:

Och, broeders, vraagt ge nog met errenst wat ons let? Gij hoort, zoowel al wij, wat Gabriël trompet: Hoe wij, door 't nieuw bevel, van onzen staat vervielen In eene slavernij der aarde, en zooveel zielen, Als uit een luttel bloeds en zaads te spruiten staan. Wat is bij ons[8] alreê mishandeld of misdaan, Dat God een waterbel, vol wind en lucht geblazen, Verheft om d'Engelen, zijn zonen, te verbazen? Een basterdij verheft, gevormd uit klei en stof? Wij waren pas gewijd tot pijlers van zijn hof, Bekleedden onzen plicht[9] als trouwe rijksgenooten, En worden op een sprong gebannen, en gestooten Uit deze waardigheid, verdrukt te streng en straf; De handvest en het Recht, dat ons de Godheid gaf, Wordt ingetrokken, en, in stede van regeeren Met God en onder God, zal Adam triomfeeren[10], En heerschen, in zijn bloed en afkomst, onbepaald. De zon der Geesten is te plotseling gedaald. Och, lotgenooten, volgt ons' droefheid en misbaren. Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!

REI:

Ontstelt ge u om den last van God en Gabriël? Dit schijnt een razernij. Wie durf het hoog bevel Berispen? Wie verwaand de Godheid wederstreven? Wij zijn gehouden, God zijn Recht en eer te geven, Te rusten[11] in zijn wet. Wie treedt hier in geschil Met Gods Almogendheid? Zijn wenk en woord en wil Verstrekke ons eene wet en maat en vaste regel. Wie tegenspreekt, die breekt des Allerhoogsten zegel. Gehoorzaamheid behaagt den Heerscher in dit Rijk Veel meer dan wierookgeur en goddelijk muzijk. Gij zijt (och, weest zoo trotsch en hoog niet in uw wapen!) Tot onderdanigheid, tot heerschen min[12], geschapen. Och, medebroeders, staakt dit kermen en geklag, En buigt u onder 't juk van 't eenig hoofdgezag.

LUCIFERISTEN:

Zegt liever: onder 't juk van grimmelende mieren.

REI:

Wanneer het Hem behaag', moet gij u laten stieren.

LUCIFERISTEN:

Wat hebben wij verbeurd? Geeft reden en bescheid.

REI:

Verbeurd? Gij kwetst Gods kroon door ongeduldigheid.

LUCIFERISTEN:

Wij klagen van verdriet en enkel ongenoegen.

REI:

In steê van uwen wil gerust naar God te voegen.

LUCIFERISTEN:

Wij steunen op het recht, ons wettig toegestaan.

REI:

Uw recht en handvest blijv' de Godheid onderdaan.

LUCIFERISTEN:

Hoe kan de meerder voor een minder zich verneêren?

REI:

Die zich gelaten stelt[13]. God dienen is regeeren.

LUCIFERISTEN:

Gewillig, zoo de mensch regeere daar beneên.

REI:

De mensch leeft met zijn lot vernoegd, al is het kleen.

LUCIFERISTEN:

Den mensch is boven dat een hooger lot beschoren.

REI:

Na menige eeuwen wordt zijn opgang eerst geboren.

LUCIFERISTEN:

Een eeuw beneden is omhoog een oogenblik.

REI:

Het ga, zoo 't wil, zoo 't moet, zoo d'Oppermacht dit schikk'.

LUCIFERISTEN:

Men had ons nutter dees' geheimenis gezwegen.

REI:

De Godheid openbaart haar hart, tot u genegen.

LUCIFERISTEN:

Nog milder tot den mensch: Zij zet hem boven aan.

REI:

Verknocht met Gods natuur; een wonderlijk bestaan!

LUCIFERISTEN:

Och, Engelsdom! woû God zich paren met uw wezen!

REI:

Wat God behaagt en schikt, dat wordt met recht geprezen.

LUCIFERISTEN:

Hoe heeft Hij 's menschen peil alreê zoo hoog gemerkt!

REI:

Het is al wel, al goed, wat God bepaalt en werkt.

LUCIFERISTEN:

Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven[14]!

REI:

Alle Englen zullen God in 't lichaam zien en loven.

LUCIFERISTEN:

Zij zullen slijk en stof aanbidden in het stof?

REI:

Bewierooken Gods naam, met geur, en prijs, en lof.

LUCIFERISTEN:

Den mensch bewierooken, van hooger hand gedwongen?

APOLLION. BELIAL. REI.

APOLLION:

Zij mompelen alreê; gij hoort een strijd van tongen[15].

BELIAL:

Wat scharen treuren hier, gedompeld in den rouw, De sluiers om de borst en lenden; niemand zou Begrijpen, dat men dus, in 't midden van de Geesten, Op 't eeuwige banket en d'endelooze feesten, Kon treuren, zaag' men niet dit jammerlijk getal Verslensen van verdriet. Wat ramp, wat ongeval Ontstelt ze? Broeders, hoe? wat 's d'oorzaak van dit kermen? Beleedigt iemand u? men zal uw Recht beschermen. Wat deert de Broeders? spreekt: laat hooren, wat u deert.

REI:

Zij klagen, dat de staat der menschen triomfeert Door Gabriëls bazuin, en opstijgt boven d'Engelen; Dat God zijn wezen wil met Adams wezen strengelen: De Geesten onderworpt het menschelijk gebied. Daar hoort gij, kort en klaar den grond van hun verdriet.

APOLLION:

Zoo groot een ongelijk valt lastig te gedoogen.

BELIAL:

Het overtreft bijkans ons' krachten en vermogen.

REI:

Wij bidden dat gij toch dien twist met ons beslecht.

APOLLION:

Wat raad? Hoe paait men hen? Zij steunen op hun Recht.

REI:

Wat Recht? die wetten geeft, vermag de wet te breken.

APOLLION:

Hoe kan Rechtvaardigheid een onrecht oordeel spreken?

REI:

Bestraft Gods oordeel eens, en schrijft Hem wetten voor.

BELIAL:

De vader leer' het kind hem volgen op zijn spoor.

REI:

Zijn spoor te volgen, is het zelve als Hij te willen.

APOLLION:

Verandring van Gods wil veroorzaakt dees' geschillen.

REI:

Hij zet den eenen van, den andren op den troon. De minder waardste wijk' voor eenen waarder zoon.

BELIAL:

Gelijkheid van genâ de Godheid best zou passen. Nu durft de duisternis het Hemelsch licht ontwassen[16]. De kinders van den nacht braveeren zelfs den dag.

REI:

Wat ademhaalt, met recht den Schepper danken mag, Die elk zijn wezen gaf, en mindre en meerder waarde. Wanneer het Hem belieft, zal 't element der aarde Veranderen in lucht of water of in vier; De Hemel zelf in aarde, een Engel in een dier, Een mensch in Engleschijn of onbegrepen wonder. Eén macht regeert het al en keert het bovenste onder. Wat d'allerminste ontvangt is loutere genâ. Hier geldt geen willekeur; hier komt vernuft te spâ[17]. In d'ongelijkheid is Gods heerlijkheid gelegen. Zoo zien we tegens 't lichtste 't zwaarste zwaarder wegen. Dus steekt het schooner af op 't schoon; de kleur op kleur; De diamantsteen op turkoosblauw; geur op geur; Het sterke op flauwer licht; gestarrent tegens starren. Ons schikken is den Staat van dit Heelal verwarren[18], Misschikken al wat God geschikt heeft en beleid; En wat het schepsel schikt, dat is wanschapenheid, In 't allerminste lid. Men staak' dit murmureeren. De Godheid kan den Staat van 't Engelsdom ontberen. Zij is met niemands dienst beholpen. Eeuwig rijk En heerelijk, behoeft zij wierook noch muzijk, Noch geur, haar toegezwaaid, noch lof, haar toegezongen. Ondankbre Geesten, zwijgt; betoomt uw snoode tongen. Gij weet Gods reden niet; genoegt u met uw lot, En onderwerpt u Gods en Gabriëls gebod!

APOLLION:

Is dan de staat en 't lot der Geesten onbestendig? Zoo staan ze glibberig, zoo zijn ze alreede ellendig.

REI:

Omdat een minder zal regeeren in dit Rijk? Wij blijven die we zijn: geschiedt ons ongelijk?

BELIAL:

Zij zijn de naaste aan God, hun toeverlaat en vader. En lagen Hem aan 't hart: nu leît een minder nader.

REI:

Zich over 's anders heil bedroeven, is gebrek Van liefde, en riekt naar nijd en hoogmoed. Laat dees' vlek Op Englezuiverheid en louterheid niet kleven. Elkandre in eendracht, liefde en trouw voorbij te streven, Behaagt den Vader, die het al in orden schiep.

BELIAL:

Zij houden d' orden, daar de Hemel hen toe riep; Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden[19].

REI:

Dat 's ongehoorzaamheid; zoo spatten ze uit hun Orden. Gij ziet hoe 't Hemelsch heir, geharrenast in 't goud, En in 't gelid gesteld, zijn beurt en schildwacht houdt; Hoe deze star gedaald, en gene, in top daar boven, De klaarste een minder klare in luister kan verdooven; Hoe d'eene een kleiner ronde, en d'andre een grooter schrijft; De laagste Hemel snelst, de hoogste langzaam drijft; En evenwel verneemt ge, in deze oneffenheden[20] Van ambten, licht en kreits en stand en trant en treden, Geen tweedracht, nijd, noch strijd; des Albestierders stem Geleidt dit maatgezang, dat luistert scherp naar Hem.

BELIAL:

't Gestarrent blijft in staat[21], daar God het in woû scheppen. Behaagde 't Hem, den Staat der Englen niet te reppen[22] Zij weken geen gestarnte in eendracht, noch in peis, Noch steurden met geklag de rust van dit paleis.

REI:

Zie toe, en wacht u wel, deze ongenoegt te stijven.

APOLLION:

Wij wenschen, dat dees' lucht en wolk mag overdrijven Eer ze uitberste, en 't gewest des Hemels zette in vier. Zij groeien in getal. Wie stilt ze? Wie komt hier?

LUCIFERISTEN. BELZEBUB. REI.

LUCIFERISTEN (_koor_):

Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!

BELZEBUB:

't Gaat wel, wij groeien aan; onze Engelen vergâren! En steken, vol misbaar, de hoofden vast bijeen.--[23] Wat port u, Engleburg met kermen en gesteen T'ontrusten? Kan de bloem der zaligheid verslensen? Gerust bezitten al wat eenig Geest kan wenschen Van God, den zegenaâr, vernoegt u dat nog niet? Zoo staat ge u zelfs in 't licht, en koestert een verdriet, Waarvan ik d'oorzaak noch beseffen kan, noch raden. Houdt op van kermen: scheurt veldteekens, en gewaden Niet langer, zonder reên, maar heldert uw gezicht En voorhoofd met een straal, o kinders van het licht! De schelle kelen[24], die met zang de Godheid danken, Zien om, en belgen 't zich, omdat gij valsche klanken En basterdtonen mengt in 't goddelijk muzijk. Uw bittre weeklacht steurt de maat[25] van 't Hemelrijk. 't Gewellef huilt u na. De rouwgalm, in den hoogen Gestegen, rolt al voort, van d'eene in d'andre bogen; En zonder misdaad wordt, door zulk een ongeluid, De wasdom van Gods naam en glorie niet gestuit[26].

LUCIFERISTEN:

Heer Overste, op wiens wenk ontelbre keurebenden Zich wapenen, gij komt van pas, om onze ellenden Te zalven, en den smaad en onverdienden hoon Te schutten[27] door uw macht. Zal Gabriël de kroon Der heilige Engelen op 't hoofd van Adam zetten, Door Adams erfgenaam Gods eerstelingen pletten? Wij waren nutter niet geschapen, eer de zon Te wagen steeg en licht den Hemel geven kon. De Godheid koos vergeefs de Geesten tot trouwanten[28] Van 't onbeweegbre Hof, indien ze zich woû kanten En spitsen tegens 't recht der Geesten, zonder schuld Tot wederstand getergd, uit nood en ongeduld[29]. Wij juichten, in den lof der Godheid opgetogen, Aanbaden, wierookten met schalen, neigden, bogen Onze aangezichten neêr. De Hemel gaf gehoor, Verslingerd op den dans des galms, van koor in koor Ja smolt van volle vreugd op tongmuziek en harpen; Toen Gabriëls bazuin zich plotseling kwam werpen Met dezen donderslag in 't midden van Gods eer; Daar lagen wij verbaasd, verstrooid, verdrukt ter neêr. De blijschap gaf den geest. De zwangre kelen zwegen. De jongstgeboren streek de kroon, den staf, den zegen; En d'oudste zoon, onterfd bij d'Oppermajesteit, Gemerkt bleef voor een slaaf. Dat valt gehoorzaamheid, Godvruchtigheid en liefde, en trouwe uit Gods trezoren Ten deele; dompelt haar in rouwe, ontvonkt den tooren En wraakzucht, om den mensch, uit een gerechten haat, Te smoren in zijn bloed eer hij der Englen Staat Verplette, en zij, geboeid als snoode en arme slaven, Gedwongen worden naar zijn zweep en wil te draven Gelijk hij daar beneên de dieren houdt in dwang. Heer Overste, gij kunt der geesten ondergang Verhinderen, en bij hun handvest hen bewaren: Beschut ze door uw macht; wij staan gereed, uw scharen, Uw standerd en uw heir te volgen: trek maar aan, 't Is eerlijk voor zijn eere, en kroone en Recht te staan.

BELZEBUB:

Mij deert uw ongelijk. O koning aller Heeren, Verhoê dit liever. Geef geen stof tot muitineeren, Noch tweedracht. Geef geen stof tot wederspannigheid. Wat raad? Hoe stil ik u en d'Oppermajesteit?

LUCIFERISTEN:

Zij kwetst het heilig recht, aan d'Engelen geschonken.

BELZEBUB:

Het recht te kwetsen kan den onderzaat ontvonken, Een vier ontsteken, daar de lucht af branden zou. O averechtschen loon van onbevlekte trouw! Hoe zullen wij ons best in dees' vertwijfling dragen?

LUCIFERISTEN:

Men trooste zich een kans, een stouten sprong, te wagen.

BELZEBUB:

Waartoe zich zelfs gewaagd? men ga een zachter gangk.

LUCIFERISTEN:

Hier geldt alleen geweld, en kracht, en wraak, en dwangk.

BELZEBUB:

Men kon, waar 't mogelijk, een veilig middel kiezen.

LUCIFERISTEN:

Met uitstel zal men hier niet winnen, maar verliezen.

BELZEBUB:

Men geef zijn ongelijk met reden te verstaan.

LUCIFERISTEN:

De reden heeft hier uit: men zet ons onderaan.

BELZEBUB:

Met smeeken mocht gij best en eerst uw wensch verwerven.

LUCIFERISTEN:

Het stuk ontdekken, is den handel glad bederven[30].

BELZEBUB:

Men kan dien aanslag nauw ontveinzen voor het Licht[31].

LUCIFERISTEN:

Wij groeien machtig aan, en staan in evenwicht.

BELZEBUB:

De kans begunstigt hun, die met Gods Veldheer vechten.

LUCIFERISTEN:

Hier is met sufferije en schrik niet uit te rechten.

BELZEBUB:

Wat zeit Apollion hiertoe, en Belial?

LUCIFERISTEN:

Zij trouwen onze zijde[32] en sterken het getal.

BELZEBUB:

Hoe heeft men dit verhaast? het is nu ver gekomen.

LUCIFERISTEN:

De Hemel vloeit ons toe vanzelf met volle stroomen.

BELZEBUB:

Betrouwt u op geen heir, vol lichte weifelaars.

LUCIFERISTEN:

Wij zien alreê meer kans en voordeel, min gevaars.

BELZEBUB:

Wie reukeloos begint, beroem' zich van geen voordeel.

LUCIFERISTEN:

Aan d'uitkomst hangt het al, vóór d'uitkomst dwaalt het oordeel. Dit gansche leger eischt u tot een opperhoofd En leidsman op dien tocht.

BELZEBUB:

Maar wie is zoo beroofd Van zinnen, dat hij uw gerechtigheid verdadig', En 's Hemels heirkracht terge? Ay, weest u zelfs genadig. Verschoon me van dien last; ik kieze geene zij. Men legge met verdrag deze ongelijkheid bij[33].

REI:

Gebroeders, geeft gehoor. Houdt boven aan met smeeken Bij God, door middelaars[34]; men wint met tusschenspreken Gemakkelijker veld dan door dien steilen weg Van oproer. Handelt koel, met raad en overleg. Wij willen tegelijk uw Recht omhoog verweren. Bedaart: gij kwetst de kroon van God, den Heer der heeren!

LUCIFERISTEN:

En gij ons' wettigheid: verstout u hooger niet[35]. Heer Belzebub, aanvaard dit wettige gebied, En zet de heiren schrap: wij volgen u te gader.

BELZEBUB:

O ijveraars, bedenkt, bedenkt u liever nader. Ik wil u voortreên naar den troon van 't groot paleis. En ons gerechtigheid bemiddelen door peis En onderling verdrag; gewillig, onbedwongen.

REI:

Houdt stil, houdt stil! gij wordt van Michaël besprongen.

MICHAEL. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.

MICHAEL:

Waar zijn we? wat gedruisch verneemt men hier alree? Dit schijnt een hof van twist en oproer, niet van vreê, Gehoorzaamheid en trouw. Prins Belzebub, wat reden Beweegt u, als een hoofd van wederspannigheden, Dien oploop, zwanger van een goddeloos verraad, Te stijven tegens God, ons aller toeverlaat?

BELZEBUB:

Genade, o Michaël, gewaardig ons te hooren, Eer gij een vonnis velt, uit ijverigen tooren, Ter eere van Gods Naam. Belast ons met geen schuld.

MICHAEL:

Ik zal uw onschuld dan aanhooren met geduld.

BELZEBUB:

De t'zamenrotting van zoo menig duizend troepen, Gesteurd om 't hoog gebod, ten rijkstroon uitgeroepen, Op Gabriëls bazuin, vereischte een tusschenspraak, Tot slissing van dien brand; waarom ik van hun zaak En klachten kennis koom te nemen, om het muiten, Bij alle middelen en mooglijkheên, te stuiten; Zij varen echter voort, al razende en ontzind Aan 't hollen, buiten spoor, en dringen 't klachtbewind[36] Met kracht ons op den hals. Ik poog de macht te scheien[37] (Laat tuigen van mijn trouw dees' Godgetrouwe Reien!) Te raden, hunne klacht te storten voor Gods stoel; Maar ijvre vruchteloos, in 't midden van 't gewoel En oproer, als een zee ten hemel toe verbolgen. De Veldheer treê nu voor: wij staan gereed te volgen, Indien hij middel ziet tot slechting van 't geschil.

MICHAEL:

Wie durft zich tegens God en Zijnen heilgen wil Verzetten? wie dus stout den oorlogsstanderd planten, In 't Koninkrijk van peis? Indien ge door gezanten Wilt handelen omhoog, tot voorstand van uw lot, Wij willen uwen zoen bemiddelen[38] bij God; Of anders wacht uw hoofd: dit zal u niet gelukken.

LUCIFERISTEN:

Zoudt gij met wapenen ons heilig Recht verdrukken? Zij zijn den Veldheer niet tot zulk een eind betrouwd. Wij steunen op ons Recht; Rechtvaardigheid is stout.

MICHAEL:

D'inspanner[39] tegens God is allerminst rechtvaardig.

LUCIFERISTEN:

Wij dienen God: Hij kenne ons tot zijn diensten waardig. De Hemel blijve maar in zijnen eersten stand. Men stel geen ambtenaars van 't Hemelsch Vaderland Beneden 't aardsch geslacht: dat staat de Hierarchijen De Tronen, Machten, hooge en lage Heerschappijen Der Geesten, Englen, en Aartsenglen nimmermeer Te lijden: neen, geenszins; al zoude uw bliksemspeer Doorstooten borst aan borst, en d'allertrouwste harten: Wij laten ons geenszins van Adams afkomst tarten.

MICHAEL:

Ik wil, dat elk vertrekke, op 't wenken van mijn hand. Hij kant zich tegens God en Godheid, wie zich kant Meineedig tegens ons. Vertrekt naar uwe vanen. Dat past soldaten, en gehoorzame onderdanen Des Hemels. Wat geweld, wat moedwil drijft men hier! Wie anders ooreloogt dan onder mijn banier, Beoorloogt God, en is een vijand van zijn Rijken.

LUCIFERISTEN:

Wie op zijn Recht staat, hoeft voor geen geweld te wijken. Naturelijk[40] is elk beschermer van zijn Recht.

MICHAEL:

'k Gebiede u, dat ge fluks de wapens nederlegt. Door t'zamenrotten wordt uw eer en eed geschonden.

LUCIFERISTEN:

Natuur heeft d'Engelen door eenen band verbonden, Elkandre bij te staan: ook wordt niet één alleen Geraakt in dit geschil, maar 't raakt ons in 't gemeen[41].

MICHAEL:

Zoudt gij met wapenen den Hemel dan beroeren? Die zijn u niet betrouwd om tegens God te voeren. Misbruikt ge uw macht, zoo vreest des Allerhoogsten macht.

LUCIFERISTEN:

De Stedehouder wordt alle oogenblik verwacht. Hij is in allerijl gedagvaard en ontboden. Wij willen al op een, en Goden tegens Goden Opzetten, liever dan van ons' gerechtigheid Aftreden door geweld.

MICHAEL:

Zoo groot een onbescheid[42] Verwacht ik nimmermeer van 's Hemels Stedehouder.

LUCIFERISTEN:

Het zweemt naar onbescheid een eersteling, een ouder Te stellen onder 't juk des jongsten, als een knecht. Dat d'Engel de natuur der Engelen bevecht', En tegens zijns gelijk, in staat, en aard, en wezen, De wapens voere, wordt met onbescheid geprezen[43].

MICHAEL:

Hardnekkige aard[44], gij zijt geen zonen meer van 't licht, Maar eer een basterdslag, dat voor geen Godheid zwicht[45]. Gij tergt den bliksemstraal en onverzoenbren tooren; Volhardt ge, wat een ramp en val is u beschoren! Gij luistert naar geen raad, noch onderwijs: laat zien Wat d'Allerhoogste stem ons boven zal gebiên. Welaan, ik wil dat zich d'oprechte en vrome Reien En scharen daadlijk van rebelle rotten scheien.

LUCIFERISTEN:

Laat scheiden al wat wil; wij houden ons bijeen.

MICHAEL:

Getrouwe Reien, volgt Gods Veldheer.

LUCIFERISTEN:

Trekt vrij heen.

BELZEBUB. LUCIFER. LUCIFERISTEN.

BELZEBUB: