Lucifer: Treurspel

Chapter 6

Chapter 63,776 wordsPublic domain

De Veldheer vaart naar God, om over u te klagen. Schept moed: Vorst Lucifer, gestegen op zijn wagen, Wordt herwaart aangevoerd. Gij moet u kort beraân. Een heirkracht, zonder hoofd, kan nimmermeer bestaan. Wat mij belangt, die last[46] valt mij te zwaar te tillen.

LUCIFER:

De gansche Hemel waagt en dreunt van uw geschillen. De keurebenden staan gereten en gedeeld. Het oproer slaat al voort. De hooge nood beveelt Hierinne te voorzien, en onheil voor te komen.

LUCIFERISTEN:

Heer Stedehouder, wijk en toevlucht aller vromen, Wij hopen nimmermeer, dat gij, als Michaël, Den hals van 't Engelsdom, tot eene voetschabel Van Adams afkomst, zult verwerpen en verdoemen[47], En zulk een smaad en hoon vergulden en verbloemen Met schijn van billijkheid, en stijven door uw macht Den opgang van den mensch, een grof, een aardsch geslacht. Wat wierook schenkt hij toch den schaars van hem gezienen[48]? Waarom belast men ons een snooden worm[49] te dienen, Te dragen op de hand, te luisteren naar zijn stem? Schiep God de Heemlen en Eng'len slechts om hem, Wij waren nutter nooit geschapen noch geworden. Ontfarm u, Lucifer! Gedoog niet dat onze Orden Zoo laag vernederd werde[50], en zonder schuld verzink'; De mensch, gelijk een hoofd der Englen, strale en blink' In 't ongenaakbre licht, waarvoor de Serafijnen, Al bevende van angst, als schaduwen verdwijnen. Indien gij u verneêrt zoo groot een ongelijk, Tot voorstand van ons Recht, te slechten[51] in dit Rijk, Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten. Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten.

LUCIFERISTEN (_koor_):

Wij zweren u met kracht en volle majesteit, Te zetten op den troon, aan Adam toegeleîd. Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten, Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten[52].

LUCIFER:

Mijn zonen, op wier trouw geen vlek van ontrouw hecht, Al wat de Godheid wil en van ons eischt, is recht. Ik ken geen ander Recht; en stutte, als Stedehouder Der Godheid, zijn besluit en raadslot met mijn schouder. Den schepter, dien ik voer, ontving mijn rechte hand Van zijne Almogendheid, als een genadepand En teeken van Gods gunst en liefde tot ons allen. Is nu zijn hart en zin op Adam juist gevallen, En lust het hem den mensch, in volle heerschappij, Te zetten bovenaan, en boven u en mij Te kronen, schoon we nooit in onzen plicht bezweken[53]; Wat raad hiertoe? Wie zal dat raadslot tegenspreken? Indien hij Adam nog een zelve heerlijkheid, En d'Engelsche natuur gelijk, had toegeleîd, Dat waar verdragelijk voor alle hemeltelgen, Gesproten uit Gods stam: nu mochten zij 't zich belgen[54], Zoo belgzucht geene vlek omhoog gerekend waar'. Maar hoe men 't vat, dit loopt van wederzij gevaar, Hetzij men zwichte uit schroomte, of moedig wederstreve: Ik wensche dat hij u dees' bellegzucht vergeve.

LUCIFERISTEN:

Heer Stedehouder, ay, aanvaard dien heirstaf toch, En handhaaf 't heilig Recht; wij volgen in uw zog. Wij volgen, streef vooruit op uw gezwinde veeren. Wij willen sneuvlen, of zeeghaftig triomfeeren.

LUCIFER:

Dit strijdt met onzen eed, en Gabriëls gebod.

LUCIFERISTEN:

Dat strijdt met God, en zet het menschdom boven God.

LUCIFER:

Laat God zijn eer en stoel en majesteit bewaren[55].

LUCIFERISTEN:

Bewaar uw eigen stoel: wij willen, als pilaren, U stutten, en den staat der Engelen[56] meteen. Geen mensch zal onze kroon, Gods kroon, met voeten treên.

LUCIFER:

De Veldheer Michaël, gewapend onder 't zegenen Van boven[57], wil ons fluks met al zijn heir bejegenen. Zijn heirkracht bij uw macht, wat is 't een groot verscheel!

LUCIFERISTEN:

Is 't geene helft, gij sleipt een staart van 't derde deel Der Geesten mede, indien ge u geeft op onze zijde.

LUCIFER:

Dan is de kans gewaagd, ons' gunst verloren bij de Verdrukkers van uw Recht.

LUCIFERISTEN:

De moed, de dapperheid, De hoon, de smaad, de spijt, de wanhoop, het beleid, De wraak, het ongelijk, niet anders te beslechten, En wat hier aanhangt, zal ons stijven onder 't vechten.

BELZEBUB:

Wij hebben 't heilig Rijk alleen in onze macht. Wat raadslot men besluit', de wapens geven 't kracht En nadruk, zoo wij slechts ons in slagorden stellen; Wat nu nog weifelt, straks op onze zij zal hellen.

LUCIFER:

Ik troost me dan geweld te keeren met geweld.

BELZEBUB:

Zoo stijg de trappen op, o allerbraafste Held[58]. Heer Stedehouder, stijg dien troon op, dat we u zweren.

LUCIFER:

Vorst Belzebub, getuig, en gij, doorluchtste Heeren! Apollion, getuig, getuig, Vorst Belial! Dat ik, uit nood en dwang, dien last aanvaarden zal, Tot voorstand van Gods Rijk, om ons bederf te keeren.

BELZEBUB:

Nu brengt den standerd voort, dat wij den stander zweren: Getrouwigheid aan God en onze Morgenstar.

LUCIFERISTEN:

Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer[59].

BELZEBUB:

Nu brengt het wierookvat, gij Godgetrouwe scharen, Bewierookt Lucifer met wierookkandelaren, En schalen, rijk van geur. Verheerlijkt hem met licht, En glans van fakkelen. Verheft hem met gedicht, Gezangen en muzijk, bazuinen en schalmeien. Het voegt ons hem aldus met staatsie te geleien. Heft op[60] een heldren toon, Ter eere van zijn kroon.

LUCIFERISTEN:

Op! trekt op, o gij Luciferisten, Volgt dees' vaan. Rukt te hoop al uw krachten en listen. Trekt vrij aan. Volgt dezen God[61], op zijn trommel en trant; Beschermt uw Recht en Vaderland, Helpt hem Michaëls heirkrachten stuiten, Houdt nu moed. Helpt den Hemel voor Adam nu sluiten En zijn bloed. Volgt dezen Held op zijn bazuin en trom. Beschut de kroon van 't Engelsdom.-- Ziet, ay ziet nu de Morgenstar[62] blinken. Voor die pracht Zal des vijands banier haast verzinken, In der nacht[63]; Wij met triomf kronen God Lucifer, Bewierookt hem: aanbidt zijn Star.

REI VAN ENGELEN:

ZANG.

Waar zijn we toe gekomen, Dat 's Hemels burgertwist De regementen splitst, En 't zwaard is opgenomen, Te zinneloos en blind? Wie is er van ons benden, Hij sneuvelt of verwint, Gelukkig? die d'ellenden Van hunne broedren zien En Rijks- en Reigenooten? Of die verwonnen vliên, In ballingschap gestooten? O, zoons van éénen God, Waartoe verdwaalt uw lot!

TEGENZANG.

Helaas! waartoe verdwalen De Geesten? wat verleidt Hen, uit de zekerheid Van hunnen staat en palen Te spatten, zonder nood? Zich op het spits te wagen? Ons' weelde was te groot, Te dertel om te dragen; De Hemel niet genoeg Om Englen te paaien[64]; De nijdigheid most vroeg Dit zaad van oorlog zaaien, In 't vreedzaam Vaderland. Wie leît dien twist aan band?

TOEZANG.

Is dit krijgsvier niet te smoren, Door een macht van hooger hand, Wat wil blijven in zijn stand? Staatzucht[65] zal alle Orden storen: Hemel, aarde, zee en strand Zullen staan in lichten brand. Staatzucht, eens door triomfeeren Als gewettigd, zal verwoed God en alle macht braveeren. Staatzucht kent noch God, noch bloed.

Noten:

[1] LUCIFERISTEN. Eigenlijk is deze benaming hier nog voorbarig. Eerst aan het eind van dit bedrijf toch treedt Lucifer op als hoofd der beweging.

[2] _Wanneer_: tot dat.

[3] _verbaast_: ontstelt.

[4] _livreien_: kleeding.

[5] REI. De Rei van Engelen, die aan het slot van het vorig bedrijf te verstaan gaf, dat zij wilde pogen de gemoederen te doen bedaren.

[6] _muziek van druk_ (treurmuziek) _op noten galmen_. Het woord "noten" lijkt overbodig.

[7] _Heerschappijen, machten, tronen_. Vlgg. over de verdeeling der Engelen. En _Voorwoord_. Uit dezen regel volgt, dat de derde orde der eerste rij, benevens twee van de tweede rij, tot de ontevredenen behoorden.

[8] _bij ons_: door ons; _mishandeld_: mis gehandeld.

[9] _onzen plicht bekleeden_. Bekleeden heeft bij V. een zeer ruime beteekenis. Hier: vervullen.

[10] _in stede van regeeren zal Adam triumfeeren_: Instede dat wij regeeren, zal Adam triumf vieren.

[11] _te rusten_: berusten.

[12] _tot heerschen min_. Minder tot heerschen.

[13] _Die zich gelaten stelt_: door in Gods wil te berusten.

[14] _de kroon verdooven_: in haar glans verdooven.

[15] APOLLION zegt dezen regel zacht tot BELIAL. DE LUCIFERISTEN zijn in dit volgende tooneel niet als aanwezig aangeduid. Maar zij _spreken_ alleen niet; blijven wel op den achtergrond, zwijgend. Belials optreden als van een gansch onkundige is voortreffelijk begrepen. En heel gelukkig dit aanbod om ze bij te staan tegen rechtsverkrachting; nog vóór hij, Belial, _schijnt_ te weten wat ze bedreigt. Zoo komt hij ongezocht waar hij wezen wil.

[16] _Nu durft de duisternis_ (de aardwormen) _het hemelsch licht ontwassen_ (boven het hoofd groeien).

[17] _Hier komt vernuft te spâ_. Vernuft, 't verstand kan dit niet begrijpen.

[18] _Ons schikken is ... verwarren_. Gaan wij er ons in mengen, we brengen verwarring; misschikken alles.

[19] _Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden_; Het valt hun moeilijk te begrijpen, waarom de Mensch boven hen gesteld moet worden.

[20] _in deze oneffenheden_: ongelijkheden.

[21] _blijft_ in (den) staat.

[22] _den staat niet te reppen_: ongerept, ongestoord te laten.

[23] Ook BELZEBUB vangt met een terzijde aan.

[24] _De schelle kelen_: de klare, heldere kelen der zingende Engelenrei.

[25] _steurt de maat_: verstoort het evenwicht, de harmonie.

[26] Door zulk een wangeluid den groei van Gods glorie stuiten, kan u niet anders dan als misdaad worden aangerekend.

[27] _te schutten_: te stuiten.

[28] _trouwanten_: trawant, lijfwacht, satelliet. Hier denkelijk frouwant geschreven om verband te krijgen met _trouw_.

[29] _ongeduld_: wat niet te dulden is.

[30] _Het stuk ontdekken is den handel glad bederven_: door den toeleg te doen blijken, zou men de actie schade doen.

[31] _Het Licht_: God.

[32] _zij trouwen onze zijde_: hangen onze zijde aan.

[33] men trachte het geschil door een overeenkomst bij te leggen.

[34] _smeeken door middelaars_. Denk aan V.'s roomsche opvatting van de kracht der bemiddeling, die de kern van zijn _Jepfta_-treurspel geworden is.

[35] _verstout u hooger niet_: waag niet verder te gaan.

[36] _'t klachtbewind_: bewind over de klagers: 't aanvoerderschap.

[37] _Ik poog de macht te scheien_: beproef als scheidsman, kalmeerder, op te treden.

[38] _Wij willen uwen zoen bemiddelen_: optreden als bemiddelaar ter verzoening.

[39] _d'Inspanner_: Opstandeling.

[40] _Naturelijk_: volgens de Natuur. Vgl. Jeptha: "_Naturelijk_ staat elk in 's doods gewoud": "het is een natuurwet dat ieder aan de macht des doods onderworpen is".

[41] _'t raakt ons in 't gemeen_: gemeenschappelijk; het treft ons allen.

[42] _onbescheid_: drieste overmoed, vermetelheid (Wdbk.).

[43] "dat één Engel de positie der Engelen bestrijdt, (dit tegen Michaël, wijl hij aldus gezegd wordt te doen) dit wordt onbescheid genoemd".

[44] _Hardnekkige aard_, voor: "hardnekkigen van aard".

[45] _dat voor geen Godheid zwicht_: "dat zich niet buigt voor God."

[46] _die last_ (van 't hoofdschap). Kiest dus een ander: Lucifer.

[47] _dat gij den hals van 't Engelschdom tot eene voetschabel zult verwerpen_: zult verlagen. "Dat gij de Engelen den nek zult doen buigen onder Adams voet, ten teeken van slavernij."

[48] _den schaars van hem gezienen_: God.

[49] _snooden worm. Snood_ is in 't M. Nedl.: gering, onaanzienlijk.

[50] _werde_: worde.

[51] _Zoo groot een ongelijk te slechten_: zulk een groot onrecht te beletten.

[52] Dr. Cramer meent dat deze vier regels hier bij ongeluk tusschen den tekst zouden zijn gekomen, vooral omdat ze de zuivere herhaling zijn. Maar kan het niet zijn, dat V. zich deze laatste vier regels gedacht heeft als in _koor_ gesproken, dat dan wat zijn woordvoerder eerst uiteenzette, bevestigt en herhaalt? Ook het: "Helaas, helaas, helaas, waar is ons heil gevaren!" van is blijkbaar als "Koor" bedoeld. Ik heb me veroorloofd dit in den tekst aan te geven.

[53] _schoon we nooit in onzen plicht bezweken_ (te kort schoten). Een héél gelukkig trekje om Lucifer, terwijl hij schijnbaar tot onderwerping aanspoort, toch even te laten erkennen dat de grief wegens onbillijke behandeling eenig recht heeft. Verder neemt hij dan voorzichtig den draai naar hun zij.

[54] _'t zich belgen; belgzucht: belgen_ is "opblazen"; dus "zich daarover vertoornen," "er in verzet over komen." _Belgzucht_: oproerigheid.

[55] Laat God zelf de zorg voor zijn eer, macht en majesteit.

[56] _den staat der Engelen_: de orde der Engelen.

[57] _gewapend onder 't zegenen van boven_: wiens wapens door God gezegend zijn.

[58] _allerbraafste Held_: aller moedigste.

[59] De eed wordt tegelijk gedaan aan God èn Lucifer, om te doen uitschijnen dat men zich niet jegens God verzet; gelijk Oranje in het Wilhelmus in den mond gelegd wordt, dat hij den koning van Hispanje trouw blijft, al verzet hij zich tegen de krenking der Volksrechten.

[60] _Heft op_: heft aan.

[61] _volgt dezen God_. De Engelen worden zelf ook Goden genoemd. _Trant_ maat, stap. Vgl. "trant en treden" en "trantelen."

[62] _de Morgenstar_: Lucifer.

[63] _In der nacht_. Nacht was vroeger vrouwelijk.

[64] _paaien_, als nog oorspronkelijk, in samenhang met peis: tevreden stellen.

[65] _Staatzucht_. Zie Inleiding, pag. 22.

* * * * *

HET VIERDE BEDRIJF

GABRIEL. MICHAEL.

GABRIEL:

De gansche hemel gloeit, in eenen lichten brand Van oproer en verraad. 'k Verdaag u[1], als Gezant Van God en zijnen stoel, nu daadlijk op te trekken Met eenen gloed van vier en ijver deze vlekken Te branden uit Gods naam, en 't zuiver Hemelsdom. Vorst Lucifer braveert: hij roert trompet en trom.

MICHAEL:

Is Lucifer, helaas! in zijne trouw veranderd?

GABRIEL:

Des Hemels derde deel heeft reede zijnen standerd, Die valsche morgenstar, gezworen; zijnen troon Bewierookt als een God, en met een lastertoon Van goddeloos muzijk hem eere toegezongen. Zij komen herwaart aan in volle kracht gedrongen, En dreigen schrikkelijk de poort van 't wapenhuis Te rammen met geweld. Een woest, een wild gedruisch Van onweêr buldert vast, van boven en van onder. Het weêrlicht, stormt, en raast. De bliksem en de donder In arbeid[2], schudden vast de pijlers van ons Hof. Men hoort geen Serafijns, noch wedergalm van lof. Een ieder zit in druk gedompeld over d'ooren. Dan zwijgen plotseling, dan huilen al de koren Der Engelen, van druk en medelijden, om Den blinden afval van 't gezaligd Engelsdom. En d'Engelsche natuur. 't Is meer dan tijd om heden Te kwijten uwen plicht, en op uw heilige eeden, (Die gij, als Veldheer, op het punt des bliksems zwoert Bij God en Zijnen naam) te passen[3].

MICHAEL:

Wat vervoert Gods Stedehouder, dus zich tegens God te kanten, Als een verwaten hoofd van dolle vloekverwanten?

GABRIEL:

De Hemel weet hoe noode ik Gods gerechte zaak Verdadige, op dees' wijs. Hoe bitter wil[4] de wraak Hem treffen! want men weet geen middelen te vinden, Om dit verdoold geslacht rampzaligen en blinden Te leiden op de baan, de heirbaan van hun trouw. Ik zag Gods blijschap zelf zich met een wolk van rouw Beschaduwen; in 't end de wraak een vlam ontsteken In d'oogen van het licht[5]; eer, om dien slag te breken, Het last gaf tot dien tocht. Ik hoorde een wijl het pleit. Hoe de opperste Genade en Gods Gerechtigheid[6] Elkandre in wederwicht, met pit van reden, hielen. Ik zag de Cherubijns, hoe ze op hun aanzicht vielen, En riepen vast: "Genâ, genâ, o Heer, geen Recht!" Men had dit zwaar geschil gezoend, en schier geslecht; Zoo scheen de Godheid tot genade en zoen genegen: Maar als de wierookstank[7] in top komt opgestegen, De smook, die Lucifer omlaag wordt toegezwaaid, Met wierookvat, bazuin, en lofgezangen, draait De Hemel zijn gezicht van zulke afgoderijen, Gevloekt van God, en Geest, en alle Hierarchijen. Genâ had uitgediend. Waak op, in 't harrenas. De Godheid dagvaardt u, eer 't oproer ons verrass'. Betem met uwen arm de woeste Behemotten En Leviathans, die dus godloos t'zamenrotten.

MICHAEL:

Uriël! schildknaap, fluks! men breng den bliksem hier, Mijn harnas, helm en schild. Breng herwaart Gods banier. Men blaze de bazuin. Te wapen! fluks te wapen. Gij Machten, Tronen! wat getrouw is en rechtschapen, Dat wapen' zich met ons. Gij regementen, voort, Een ieder in 't gelid: de Hemel geeft het woord. Men blaze de bazuin: men sla de holle trommels, Verdagvaarde in der ijl ontelbre dikke drommels[8] Gewapenden. Blaast op: ik schiet de wapens aan. Het geldt Gods eer alleen. Het moet er nu op staan.

GABRIEL:

Dit harnas past zoo braaf, als waar' 't u aangeschapen[9]. Hier komt de veldbanier, waarin Gods naam en wapen U toestraalt, en de zon in top u heil belooft. Hier komen de Kornels u groeten, als het hoofd Van 't heir der Hemelen, die Gods baniere zwoeren. Schep moed, Vorst Michaël: gij zult Gods oorlog voeren.

MICHAEL:

Zoo zal ik. Hoû mijn woord omhoog[10]: wij trekken heen.

GABRIEL:

Wij volgen uwen tocht met wenschen en gebeên[11].

LUCIFER. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.

LUCIFER:

Hoe staat het met ons' heir? hoe is 't er mee gelegen[12]?

BELZEBUB:

Het heir verlangt, gereed, om onder uwen zegen, Te vliegen regelrecht op 't spits van Michaël.

LUCIFERISTEN:

Zoo doet het: ieder wacht op Lucifers bevel, Om teffens d'armen en hun vleugels eens te reppen, Dien grooten vijand lucht en winden t'onderscheppen, En, als hij legt in zwijm, te ketenen met kracht.

LUCIFER:

Hoe talrijk is het heir? waarin bestaat ons' macht?

BELZEBUB:

Die groeit alle oogenblik, en bruist uit alle transen Ons toe, gelijk een zee van vier en heldre glansen. 'k Vertrouw het derde deel des Hemels houdt ons' zij, Is 't niet de halve streek; want Michaëls getij Verloopt alle oogenblik, en ebt aan alle kanten. De helleft van de wacht en eerste hoftrouwanten, Uit ieder Orden, van een ieder Hierarchij, Verzweren hunnen Heer, Vorst Michaël, als wij. Men ziet er Cherubijns, Aartsengelen, Serafijnen De vanen voeren. Zelf het Paradijs, aan 't kwijnen Geslagen van verdriet, verschiet zijn groente[13] en verf; En waar men d'oogen keert, daar schijnt een wis bederf En boven 't hoofd een bui en donkre wolk te hangen. Dat voorspook spelt ons heil; men heeft slechts aan te vangen. Gij draagt alreê de kroon des Hemels op uw kruin.

LUCIFER:

Die klank behaagt me meer dan Gabriëls bazuin. Hoort toe, en geeft gehoor beneden deze trappen[14]. Hoort toe, gij Oversten! hoort toe, gij Ridderschappen! En luistert wat wij u vermelden, klaar en kort. Gij weet, hoe verre wij alreê zijn uitgestort In wraakzucht tegens 't Hoofd der opperste paleizen, Dat het een dolheid ware, op hoop van zoen, te deizen; En niemand denken durf deze onuitwischbre smet Te zuivren door genâ; dies moet de nood een wet, Een wisse toevlucht van te wanken noch te wijken Verstrekken; gij, met kracht en zonder om te kijken, Dien standerd en mijn star verdadigen, meteen Den vrijgeschapen Staat der Englen in 't gemeen. Het ga zoo 't wil; volhardt groothartig, onverdrietig; Geen almacht heeft de macht, dat zij geheel vernietig' Het wezen, dat gij eens voor eeuwiglijk ontvingt. Indien ge fel en forsch met uwe heirspits dringt In 't Hart van 's vijands heir, en komt te triomfeeren, Zoo zal de tirannij der Hemelen verkeeren In eenen vrijen Staat, en Adams zoon en bloed, Gekroond in top van eere, en met een aardschen stoet Omsingeld[15], uwen hals niet boeien aan de keten Van slaafsche dienstbaarheid, om hem ten dienst te zweeten En onder 't koopren juk te hijgen, zonder end. Indien ge mij voor 't hoofd van uwen vrijdom kent[16], Gelijk ge uit eenen mond dien standerd hebt gezworen; Zoo staaft den eed nog eens eenstemmig, dat wij 't hooren, En zweert getrouwigheid aan onze Morgenstar:

LUCIFERISTEN:

Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer!

BELZEBUB:

Maar zie hoe Rafaël, verbaasd[17] en vol meêdoogen, Met zijnen vredetak van boven komt gevlogen, Om uwen hals, op hoop van stilstand en verdrag.

RAFAEL. LUCIFER.

RAFAEL:

Och, Stedehouder, mond van 't goddelijk gezag[18], Wat heeft u buiten 't spoor van uwen plicht gedreven? Zoudt gij den Schepper van uw glorie wederstreven? Lichtvaardig weifelen en wanklen in uw trouw? Dat hoop ik nimmermeer. Helaas! ik zwijm van rouw En blijve om uwen hals beklemd, bestorven hangen.

LUCIFER:

Oprechte Rafaël!

RAFAEL:

Mijn blijschap, mijn verlangen Ik bidde u, hoor me.

LUCIFER:

Spreek, zoo lang het u behaag'.

RAFAEL:

Genade, o Lucifer[19]! Verschoon u zelven; draag Geen harnas tegens mij, die treurig smilte en kwijne Van druk, om uwentwil. Ik koom, met medicijne En balsem van genâ, gestegen uit den schoot Der Godheid, die, gelijk ze in haren Raad besloot, U, boven duizenden gekroonde Heerschappijen, Gezalfd heeft op den stoel van haar stadhouderijen. Wat dolheid is het, die uw zinnen dus verrukt? Zij had haar zegel en gelijkenis gedrukt[20] Op uw geheiligd hoofd en voorhoofd, overgoten Met schoonheid, wijsheid, gunst, en wat er komt gevloten En stroomen, zonder maat, uit aller schatten bron. Gij blonkt in 't Paradijs, voor 't aanschijn van de zon Der Godheid, uit een wolk van dauw en versche rozen. Uw feestgewaad stond stijf van perlen en turkozen, Smaragden, diamant, robijn, en louter goud. De zwaarste schepter werd uw rechte hand betrouwd, Zoodra gij steegt in 't licht, en op bazuin en bommen[21] Door 't blakende gesternte en steenen kwaamt te brommen[22]: En zoudt gij reukeloos u storten uit dien troon[23]? Verreukeloozen al dat heerelijk en schoon? Zoudt gij uw glansen, die de Hemelen versieren, Ons licht verduisteren, in eenen knoop van dieren[24], En mengsel van gedierte en ondier ondereen, Griffoensklauw, drakenhoofd en andre gruwzaamheên Misscheppen[25] onbedacht? En zouden 's Hemels oogen, De starren, u zoo laag[26] beroofd zien van vermogen, En eere, en majesteit, door 't schenden van uw trouw? Dat keer' de goede God, wiens aanschijn ik aanschouw In 't zalig licht, daar wij, geheiligd alle zeven[27], Hem dienen voor zijn troon, en sidderen, en beven Voor zulk een Majesteit, die op ons voorhoofd straalt Verkwikt en leven geeft wat leeft en ademhaalt. Heer Stedehouder, mag mijn bede uw hart bewegen: Gij kent mijn zuiver wit en hart, met u verlegen[28]. Ruk af dien trotschen kam, schud uit dit harrenas, Smijt neder uit dees' hand de heirbijl, de rondas Uit d'andre! Hooger niet[29]; leg neder, och, leg neder, Leg neder, strijk vanzelf den standerd, en de veder Van uwe vleugelen, voor God en zijnen glans; Eer hij u uit den troon, den allerhoogsten trans Van eere, nederklinke aan gruis en stof te mortel, Ja zulks dat van den stam der Geesten tak noch wortel, Noch geen gedachtenis, noch leven overschiet; 't En ware een leven van ellende, van verdriet, De Dood, de Wanhoop, en een worm, een eeuwig knagen En knersetanden mocht den naam van leven dragen[30]. Verneêr u, staak dien tocht[31]; ik offere u genâ Met dien olijftak; grijp, of echter[32] 't is te spâ.

LUCIFER:

Heer Rafaël, ik verdien noch dreigement noch tooren. Mijn helden hebben God en Lucifer gezworen, En, onder 's Hemels eed[33], dien standerd opgerecht. Men strooie wat men wil den Hemel door: ik vecht En oorloge onder God, tot voorstand van zijn koren, De handvest, en het Recht, hun wettig aangeboren, Eer Adam zijne zon zag opgaan, eer de dag Zijn Paradijs bescheen. Geen menschelijk gezag, Geen juk van menschen zal den nek der Geesten plagen; Geen Engelsdom den troon van Adam onderschragen, Met zijnen vrijen hals, gelijk een dienstbaar slaaf, 't En zij de Hemel ons in eenen poel begraaf', Met zooveel scepteren en kronen, glans en vonken, Als ons de Godheid uit haar boezem heeft geschonken, Voor eeuwig en altijd. Laat bersten al wat berst; Ik handhaaf 't heilig Recht, door hoogen nood geperst, En, na veel wederstands, mij endlijk overdrongen[34], Op 't klagen en gekerm van duizenden van tongen. Ga hene, boodschap dit den Vader, onder wien Ik dus, voor 't Vaderland, den standerd voere en dien'.

RAFAEL: