Chapter 4
O Stedehouder van Gods Opperheerschappijen, Wij hooren 't al te wel, en, midden in 't verblijen Der Reien, eenen klank, die 't eeuwig feest[8] bedroeft. De last van Gabriël leît klaar: dat woord behoeft Geen Cherubijnetong, om ons den zin t' ontvouwen. Men hoefde Apollion naar d'onderste landouwen Niet af te vaardigen, om nader ga te slaan, Wat Adam al bezit, zoo laag beneên de maan: Het blijkt hoe heerlijk hem de Godheid begenadigt, Ja door een lijfwacht van veel duizenden verdadigt, En handhaaft in zijn staat en aanzien, min noch meer Of hij gehuldigd waar tot aller Geesten Heer. De poort des Hemels staat voor Adams afkomst open. Een aardworm, uit een klomp van aarde en klei gekropen Braveert uw mogendheid. Gij zult het menschdom zien Zoo verre boven u, en, vallende op uw kniên, Met nederslachtigheid[9] en neergeslagene oogen, Aanbidden zijne macht en hoogheid en vermogen. Het zal verheerelijkt van d'allerhoogste macht, Zich zetten aan de zij der Godheid, in zijn kracht, En heerschen, langer en nog wijder dan de ronden[10] Der endlooze eeuwigheid, aan tijd noch plaats gebonden, Om God, haar middelpunt en omloop te gelijk, Zich draaien, zonder rust. Wat hoeft men klaarder blijk, Dat God de menschen wil verheffen, ons verneêren? Wij zijn ter dienstbaarheid, de menschen tot regeeren Geboren. Leg voortaan den schepter uit der hand: Een lager is er, die de kroon daar boven spant, Of spannen zal eerlang. Leg af uw morgenstralen En hulsel voor deez' zon, of pas haar in te halen Met zangen, en triomf, en Goddelijk sieraad. Wij zien den Hemel haast veranderen van staat. De starren zien vast uit, en wijken met verlangen, Om vol eerbiedigheid dit nieuwe licht t' ontvangen.
LUCIFER:
Dat zal ik keeren, is het anders[11] in mijn macht.
BELZEBUB:
Daar hoor ik Lucifer, en zie hem, die den nacht Van 's Hemels aangezicht verdrijven kan en jagen. Waar hij verschijnt, begint het heerlijk op te dagen. Zijn wassend licht, het eerste en allernaaste aan God, Vermindert nimmermeer. Zijn woord is 't hoog gebod; Zijn wil en wenk een wet, van niemand t' overtreden. De Godheid wordt in hem gediend en aangebeden, Bewierookt en gevierd; en zou een lager stem Nu dondren uit Gods troon? gebieden boven hem? Zou God een jonger zoon, geteeld uit Adams lenden, Verheffen boven hem? Dat waar het erfrecht schenden Van 't alleroudste kind, en zijn stadhouderij Ontluisteren. Naast God is niemand groot als gij. De Godheid zette u eens in glorie aan haar voeten: Geen mensch verstoute zich onze orden om te wroeten. En dit bezworen recht t' ontwijden, zonder reên; Of al de Hemel raakt in 't harnas tegens een.
LUCIFER:
Gij vat het recht: het past rechtschapen Heerschappijen Geenszins, hun wettigheid zoo los te laten glijen; Want d'oppermacht is d'eerste aan hare wet verplicht; Verandren voegt haar minst. Ben ik een zoon van 't licht, Een heerscher over 't licht, ik zal mijn recht bewaren: Ik zwicht voor geen geweld noch aartsgeweldenaren. Laat zwichten al wat wil: ik wijk niet éénen voet. Hier is mijn Vaderland. Noch ramp, noch tegenspoed, Noch vloeken zullen ons vervaren, noch betoomen: Wij zullen sneven, of dien hoek te boven komen[12]. Is 't noodlot dat ik vall', van eere en staat beroofd, Laat vallen, als ik vall', met deze krone op 't hoofd, Dien schepter in de vuist, dien eersleep van vertrouwden En zooveel duizenden als onze zijde houden. Dat vallen strekt tot eer en onverwelkbren lof; En liever d'eerste Vorst in eenig lager hof, Dan in 't gezaligd licht de tweede, of nog een minder; Zoo troost ik mij de kans, en vrees nu leed noch hinder. Maar hier komt 's Hemels tolk en wakkere Heraut, Met Gods geheimnisboek, zijn zorge toebetrouwd. Het waar' niet ongeraân hem nader t' ondervragen. Ik wil hem tegentreên, en aftreên van den wagen.
GABRIEL. LUCIFER.
GABRIEL:
Heer Stedehouder! hoe? waarhene leidt de reis?
LUCIFER:
Naar u, Heraut en tolk van 't hemelsche paleis!
GABRIEL:
Mij dunkt, ik zoude uw wit aan 't voorhoofd kunnen gissen.
LUCIFER:
Gij, die den duistren grond van Gods geheimenissen, Door 't licht van uw vernuft ontdekt en openbaart, Verlicht me met uw komst.
GABRIEL:
Wat is 't, dat u bezwaart?
LUCIFER:
Het raadslot en besluit der Godheid, die de waarde Des hemels lager schat dan 't element der aarde, den hemel onderdrukt; het aardrijk uit een poel Door alle starren voert; het menschdom op den stoel Der englen zet; berooft hun 't recht der eerste gaven; Gebiedt ze, om 's menschen nut, te zweeten en te slaven. Het Geestendom, gewijd tot ambtenaars van 't hof Des Hemels, zal voortaan een aardworm, uit het stof Gekropen en gegroeid, ten dienst staan, op hem passen, En, in getal en staat, ons over 't hoofd zien wassen? Waartoe vernedert ons d'oneindige Genâ Zoo vroeg? wat Engel paste op zijnen dienst te spâ? En hoe waar' 't mooglijk, dat de Godheid zich zou mengelen Met menschen? de natuur der uitgekorene Engelen Voorbij slaan, en zijn aard en wezen storten in Een lichaam? d'eeuwigheid verknoopen aan 't begin? Het hoogste aan 't allerlaagst? den Schepper aan 't geschapen?-- Wie kan uit dit besluit den zin te zamen rapen? Zal 't eeuwigschijnend licht nu schuilgaan in den nacht Der wereld? Zullen wij, Stadhouders van Gods macht, Voor dit geleend gezag, een wulpsch[13] vermogen, knielen? Ontelbre lichaamlooze en godgelijke zielen Zien buigen voor een grof en zakkende element[14], Daar God zijn majesteit en wezen inneprent? Wij Geesten zijn te grof om dit geheim te vatten. Gij, die het slot bewaart van Gods geheimnisschatten, Ontvouw ons, mag het zijn, dit donkere geschil Uit uw gezegeld boek; ontvouw ons 's Hemels wil.
GABRIEL:
Zooveel 't geoorloofd zij te melden uit Gods bladen. Veel weten kan altijd niet vordren, somtijds schaden. De Hoogste ontdekt ons slechts wat hij geraden vindt. Het al te sterke licht schijnt Serafijnen blind. De zuivre Wijsheid woû ten deel' haar wil bezegelen[15], Ten deele ontsluiten. Zich te schikken en te regelen Naar heur gestelde wet, dat voegt den onderzaat, Die aan zijn meesters last en wil gebonden staat. De reden en het wit, waarom wij namaals wachten, Na 't overleven van een tafel erfgeslachten[16], Den Heer, die, God en mensch geworden in der tijd, Den schepter voeren zal, en breed en overwijd De starren, aarde, en zee, en al wat leeft regeeren, Verbergt de Hemel u; de tijd wil d' oorzaak leeren. Gehoorzaamt Gods bazuin; gij hebt zijn wil gehoord.
LUCIFER:
Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hoogste woord Hier boven voeren, en een ingeboren zwichten[17] Voor vreemde heerschappij? de mensch een zetel stichten Zoo verre boven God?
GABRIEL:
Genoeg u met uw lot En staat en waardigheid, u toegeleîd van God. Hij hief u in den top van alle Hierarchijen: Doch niet om iemands glans en opgang te benijen. De wederspannigheid verplet haar hoofd en kroon, Indien ze wederstreef des Oppersten geboôn. Uw aanzien schept zijn licht alleen uit Gods vermogen.
LUCIFER:
Ik heb tot nog mijn kroon voor God alleen gebogen.
GABRIEL:
Zoo buig ze ook voor 't besluit der Godheid, die het al Wat wezen heeft uit niet, of namaals wezen zal, Bestiert tot zeker eind, hoewel wij 't niet beseffen.
LUCIFER:
Den mensch in 't heilig licht der Godheid te verheffen, Den mensch, zoo hoog met God vergodlijkt in zijn troon Te zien het wierookvat toezwaaien, op den toon Van duizend duizenden eenstemmige koralen, Verdooft de majesteit en diamanten stralen Van onze morgenstar, die straalt nu langer niet; En 's Hemels blijschap slaat aan 't kwijnen van verdriet.
GABRIEL:
De zaligheid bestaat in een gerust genoegen, In 't stemmen met Gods wil, en zich naar Hem te voegen.
LUCIFER:
De majesteit van God en Godheid wordt verkleend, Indien ze haar natuur met 's menschen bloed vereent, Vereenigt[18], en verbindt. Wij Geesten grenzen nader Aan God en Zijn natuur, als zoons van éénen Vader Geteeld, en Hem gelijk. Indien 't geoorloofd is Te stellen tegens een deze ongelijkenis Van een oneindigheid en 't eindig', de bepaalde Bij d' onbepaalde macht. Indien de zon verdwaalde Uit hare streke, en zich bekleedde met een smook[19], Om al den aardkloot toe te lichten, uit een rook En zwarten damp, hoe zou de vreugd der wereld sterven! Wat zou het aardsch geslacht al glans en leven derven! De zon al majesteits ontberen, in haar loop! Ik zaag den hemel blind, de starren overhoop, Wanorden orden en geschiktheid overrompelen[20], Indien de bron van 't licht haar klaarheid kwam te dompelen In 't graf van een moeras. Verschoon me, o Gabriël! Indien ik uw bazuin, de wet van 't hoog bevel, Een luttel wederstreve, of schijn te wederstreven. Wij ijvren voor Gods eere: om God Zijn Recht te geven, Verstout ik mij, en dwaal dus verre buiten 't spoor Van mijn gehoorzaamheid.
GABRIEL:
Gij ijvert krachtig voor De glorie van Gods naam, doch zonder t' overwegen Dat God het punt, waarin Zijn hoogheid is gelegen, Veel beter kent dan wij; dies staak uw onderzoek. De menschgeworden God zal dit geheimnisboek, Met zeven zegelen gesloten, zelf ontsluiten. Nu smaakt ge niet het pit, maar ziet de schors van buiten Dan zal men d' oorzaak zien, de reden, den waarom Van zijn verholendheên, en diep in 't Heiligdom Der Heiligdommen gaan. Nu voegt het ons te duiken, En dezen dageraad t' aanbidden, te gebruiken Met dankbaarheid, totdat de kennis in haar kracht De twijfeling verdrijv', gelijk de zon den nacht. Nu leeren wij allengs Gods wijsheid tegenstappen[21]. Eerbiedig en beschroomd. Zij openbaart bij trappen Het licht der wetenschappe en kennisse, en begeert, Dat ieder, op zijn wacht, zich onder haar verneêrt. Heer Stedehouder! rust, en handhaaf d' eerste ons wetten. Ik ga, daar God mij zendt.
LUCIFER:
Men zal er scherp op letten.
BELZEBUB. LUCIFER.
BELZEBUB:
De stedehouder hoort, waar dit plakkaat[22] op draait, Dat Gabriëls bazuin zoo trotsch heeft uitgekraaid. Hij gaf Gods oogmerk u, ook scherp genoeg, te ruiken: Men zal uw mogendheid aldus de vleugels fnuiken[23].
LUCIFER:
Zoo licht niet; neen, gewis, men kan er in voorzien. Geen minder droome hier zijn meerder te gebiên.
BELZEBUB:
Hij dreigt weêrspannigheid haar hoofd en kroon te pletten.
LUCIFER:
Nu zweer ik bij mijn kroon, het al op een te zetten[24], Te heffen mijnen stoel in aller Heemlen trans, Door alle kreitsen hene en starrelichten glans. Der Heemlen Hemel zal mij een paleis verstrekken[25], De regenboog een troon; 't gestarrente bedekken Mijn zalen; d' aardkloot blijft mijn steun en voetschabel. Ik wil op een karros van wolken, hoog en snel Gevoerd door lucht en licht, met bliksemstraal en donder Verbrijzelen tot stof, wat boven of van onder Zich tegens ons verzet, al waar' 't de Veldheer zelf; Ja, eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelf, Zoo trotsch, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogen[26] Te bersten springen, en verstuiven voor onze oogen; 't Gerabraakt aardrijk zien, als een wanschapen romp Dit wonderlijk Heelal in zijnen mengelklomp[27], En wilde woestheid, weer verwarren en verkeeren. Laat zien, wie Lucifer durf trotsen en braveeren. Men dage Apollion.
BELZEBUB:
Hier treedt hij voor den dag.
APOLLION. LUCIFER. BELZEBUB.
APOLLION:
O, Stedehouder van Gods onbepaald gezag, Orakel, in den Raad der onderdane Goden, Ik offer u mijn dienst en wacht op uw geboden. Wat eischt de majesteit van haren onderdaan?
LUCIFER:
Het lust ons, uwen zin en inzien te verstaan, Op een gewichtig stuk, dat zal me niet mislukken. Het wit is[28] Michaël de slagveêr uit te rukken, Opdat ons' toeleg niet op zijn vermogen stuit'. Hij voert met zijnen arm zoovele Orakels uit, Als ooit de Godheid heeft met hare hand gedreven In eeuwig diamant; daar wordt de mensch geheven In top der Hemelen, door alle kreitsen heen, En ziet het Engelsdom, zoo diep, zoo laag beneên Zijn voettapijt, in stof vast grimmelen, als wormen. Het lust me met geweld dien zetel te bestormen, En op te zetten bij dat opzet, in één slag, Al teffens wat mijn staat, en star, en kroon vermag.
APOLLION:
Een loffelijk bestaan: dat uwe kroon vermeere En aanwasse op dien voet! Ik reken mij tot eere Te raden, onder u, tot zulk een brave daad. Hetzij die recht en wel of averechts beslaat[29], De wil is prijselijk, al woû het niet gedijen. Maar om niet reukeloos noch radeloos te strijen, Hoe treedt men allerbest tot zulk een stout bestaan? Hoe veiligst tegens 't punt van 't raadslot aangegaan?
LUCIFER:
Men kante hier met list onze eigen raadslot tegen.
APOLLION:
Dat zeggen heeft wat in: geleende macht[30] te wegen In eene zelve schaal met d'Almacht;--haar gewicht Weegt over[31]. Wacht uw kroon: wij vallen veel te licht.
BELZEBUB:
Zoo licht niet, of de kans zal eerst in twijfel hangen.
APOLLION:
Van wien, of hoe, of waar dien aanslag aangevangen? Het overpeinzen kwetst alreê Gods majesteit.
LUCIFER:
Men hoû haar ongekwetst, en stappe met beleid Die steile steilten op, en nooit gebaande rotsen. Beleid en moed verwint en durf gevaren trotsen.
APOLLION:
Geene Almacht, noch haar kroon: men koom' ze niet te na, Tenzij men leeren wil met naberouw te spâ. De minder moet gedwee voor zijnen meerder wijken.
LUCIFER:
Laat d'Almacht rusten[32]; zet gelijkheid en gelijken Te zamen. Laat eens zien, wiens wapen zwaarder weeg'. Ik zie ons' vijanden gevlucht, den Hemel leeg Met eenen slingerslag; ons heiren overladen Van heerelijken roof: dan wijder zich beraden.
APOLLION:
Gij weet wat Michaël, Gods Veldheer, al vermag: Gods regimenten staan verplicht aan zijn gezag. Hij draagt den sleutel van het wapenhuis[33], hier boven. De wacht is hem betrouwd. Hij houdt op alle Hoven[34] Getrouw een wakende oog, zoodat er niet een star Van al het hemelsch heir, in 't minst, zich reppen dar[35], Noch op dien hemeltocht uit zijn gelid verroeren. Men vangt haast aan[36], maar zulk een oorlog uit te voeren, Dat draaft ons macht voorbij, en sleipt een langen staart Van zwarigheden na. Wat tuig, wat stormgevaart' Kan tegens hem bestaan, en d'opperbenden sloopen? Al zette 's Hemels slot zijn diamantpoort open, Het vreesde list, noch laag, noch overrompeling.
BELZEBUB:
Indien men ons besluit bekrachtig' met de kling, Ik zie de morgenstar op onzen hoogen standerd Braveeren[37]; 's Hemels staat en heerschappij veranderd.
APOLLION:
De Veldheer Michaël voert, ruim zoo trotsch en fier, Gods wonderlijken Naam[38] in 't veld van zijn banier, De zon in top.
LUCIFER:
Wat baat een naam met licht geschreven? Een heldenstuk als dit wordt geenszins doorgedreven Met tittelen[39] en pracht, maar dapperheid en moed En treken[40], van vernuft en loosheid uitgebroed. Gij zijt een meester, tuk om Geesten in te luien[41], Te rijgen aan uw snoer, te leiden, op te ruien. Gij kunt bederven zelfs de vroomsten van de wacht; En leeren weifelen wat nooit op weiflen dacht. Begin, wij zien Gods heir gereten aan twee deelen; De hoofden en de leên aan 't woeden en krakeelen; De meeste macht alreê geblinddoekt en verdoofd, En oversten en elk vast roepen om een hoofd. Indien ge een vierde deel op onze zij kunt troonen[42], Men zal uw kloek beleid met eere en ambten kronen Ga hene, en overleg dit stuk met Belial: Het moet er duister zijn, daar hij verdolen zal. Zijn tronie, glad vernist van veinzen en bedriegen, In 't mommen niemand kent, die haar voorbij kan vliegen[43], Ik stijg te wagen: leg het over[44] met u twee. De Hofraad is vergaârd en wacht ons' komst alreê. Men zal, zoodra gij komt, u beiden binnen roepen. Heer Overste, bewaak de hofpoort met uw troepen.
BELIAL. APOLLION.
BELIAL:
Gods Stedehouder dient zich van ons beide omhoog.
APOLLION:
Wij vliegen te gelijk, als pijlen van zijn boog.
BELIAL:
En doelen op een wit, doch hachelijk te raken.
APOLLION:
Sta vast, de Hemel wil van dezen aanslag kraken.
BELIAL:
Laat kraken al wat wil; het moet er nu op staan.
APOLLION:
Hoe grijpen wij dit stuk[45] met kans en voordeel aan?
BELIAL:
De wapens dienen ons; men moet van 't heir beginnen.
APOLLION:
De hoofden eerst, meteen de stoutsten zien te winnen.
BELIAL:
Door ietwat glimpelijks[46], en met een schijn verbloemd.
APOLLION:
Zoo geef het dan een naam; laat hooren, hoe gij 't noemt.
BELIAL:
Men handhaaf' 't Engelsdom, zijn handvest, eer, en staten, En kieze een hoofd, waarop zich ieder mag verlaten.
APOLLION:
Dat heb ge recht gevat; ik wensch geen schooner stof, Noch zaad tot muiterij, om burgerij en hof Te schennen tegens een[47], en scharen tegens scharen; Want ieder is gezind zijn staat en eer te waren[48], En wettigheid, waartoe d'Almogendheid hem riep, Eer zij de menschen vormde, en zooveel spader schiep. Het Hemelsche paleis is ons tot erf gegeven. Den Geesten, die dus hoog op hunne vleugels zweven, En, vrij van lichamen, niet zakken naar omlaag, Past beter dit gewest dan 't aardsch geslacht, te traag Om tegens zijn natuur te kiezen deze bogen. Hier valt de dag te sterk, te krachtig, en hun oogen Verdragen geenszins 't licht, ons vroeger aangewend. De mensch beware[49] dan zijn eigen element, Als andre dieren; hij genoeg' zich met de palen[50] Van zijnen rijken hof. Het rijzen en het dalen Van zon en maan verdeel' de maanden en het jaar. Hij neem' den ronden loop der heldre starren waar. Hij nuttige zijn ooft, en al den geur der kruiden, En keer' zich Oost en West, ten Noorden en ten Zuiden[51]. Dat zij zijn tijdverdrijf, en wat behoeft hij meer? Wij kennen nimmer hier een aardschen opperheer. Zoo sluit ik. Kunt ge, help dien zin beknopter uiten.
BELIAL:
Den mensch in eeuwigheid ten Hemel uit te sluiten[52].
APOLLION:
Dat klinkt alle Engelen te wonder wel in 't oor. Dat vliegt, gelijk een vier, van 't een in 't ander koor, Door negen Ordens hene, en alle Hierarchijen.
BELIAL:
Zoo zal men allerbest versufte traagheid mijen. Ons heil en uitkomst hangt aan snelheid en aan spoed.
APOLLION:
Niet min aan kloek beleid, en dapperheid, en moed.
BELIAL:
Die zal, door toeval van ontelbre vanen[53], groeien.
APOLLION:
Zij morren vast; men moet hier heimlijk onder roeien, Zich mengen in dien hoop, en voeden hun beklag.
BELIAL:
Dan diende Belzebub, een Vorst van groot gezag, Zijn wapen aan hun klacht en wettigheid te hangen[54].
APOLLION:
Niet plotsling, maar allengs, en als door zijdegangen.
BELIAL:
De Stedehouder met zijn tegenwoordigheid, Biê zelf de sterke hand aan zulk een trotsch beleid[55].
APOLLION:
Wij zullen in den Raad zijn zin en voorstel hooren: Hij veinze voor een poos, en geve in 't end de sporen Aan 't opgeruide heir, verlegen om een hoofd.
BELIAL:
Aan 't hoofd hangt al de zaak. Hoe veel gij hun belooft, Zij zullen zonder hoofd dien optocht niet beginnen.
APOLLION:
Wat reê gewonnen is, behoeft men niet te winnen. Wie meest gekwetst wordt in zijn heerlijkheid en staat, Dien geldt het eerst; die stapp' vooraan, en sla de maat In zooveel duizenden!
BELIAL:
De billijkheid en reden Vereeren hem dees' kroon; doch eer we dieper treden, Zoo laat ons al 't gevaar eerst wegen, niets bestaan, Of al de Hofraad steek' hier zelf zijn zegel aan.
REI VAN ENGELEN:
ZANG.
Hoe zien de hoffelijke gevels[56] Zoo rood? hoe straalt het heilig licht Zoo rood op ons gezicht, Door wolken en bedroefde nevels? Wat damp, wat mist betrekt Dat zuiver, nooit bevlekt, En loutere saffier? Die vlam, dien glans, dat vier Van 't heldere Alvermogen? Hoe schijnt ons nu de diepe gloed Der Godheid toe, zoo zwart als bloed? Die flus zoo klaar alle oogen Verheugde? Wie begrijpt, wie kent Deze oorzaak, onder d' Engelsdommen, Die, boven Adams element, Nog flus op galm van kelen zwommen; Op lucht van Geesten, in den glans, Die galerij, en tin, en trans, Gewelf van koor en hof verguldde, En met een ziel van vreugd vervulde Al wat hier boven leeft, en zweeft? Wie is er, die ons reden geeft?
TEGENZANG.
Toen wij, op Gabriëls bazuinen, Ontvonkten, en een nieuwe wijs Aanhieven, God ten prijs; De rozengaarden, en de tuinen Van 't Hemelsch Paradijs, Door zulk een dauw en spijs Van lof en zang verblijd, Ontloken;--scheen de Nijd[57] Van onder in te sluipen. Een groot getal der Geesten, stom En bleek en doodsch, ging, drom bij drom Misnoegend henendruipen. De winkbrauw hing verslenst op 't oog. Het gladde voorhoofd zette een rimpel. De Hemelduiven, hier omhoog, Onnoozel[58] eerst, oprecht, en simpel, Aan 't zuchten sloegen, zoo het scheen; Alsof de Hemel viel te kleen Voor haar, toen Adam wierd verkoren, En zulk een kroon den mensch beschoren, Dees' smet ontstelt het oog van 't Licht. Z' ontsteekt die vlam[59] in Gods gezicht.
Wij willen ons uit liefde in 't midden van hun mengen, En deze oploopendheid weer tot bedaren brengen.
Noten:
[1] _Gij snelle geesten--trek onzen wagen_: Lucifer is de eenige engel, van wien we hooren dat hij in een wagen gevoerd wordt; als de geest van het Licht, (denk aan den "Zonnewagen"!) en hoogste der Engelenscharen?
[2] _deze dubbele star_: Adam en Eva.
[3] _'t Is nacht met Engelen_: 't Wordt duister voor d'Engelen.
[4] _op d'allerhoogste tronen_: tot d'allerhoogste tronen; immers naast God.
[5] _onze erfenis_: ons erfdeel.
[6] _strijkt de kroon_: gaat met de kroon strijken.
[7] _de groote staf waarvoor alle eerstgeboornen beven_: de staf Gods zelf: de Engelen zijn voor den mensch geschapen.
[8] _die 't eeuwig feest:_ de blijschap eeuwigdurendlijk.
[9] _met nederslachtigheid_: ootmoedig.
[10] vlgg De ronden der eindelooze eeuwigheid, die in God hun middelpunt hebben en om wien zij rusteloos draaien, zullen in hun duur en ruimtegrenzen nog overtroffen worden door den naast God gezeten mensch.
[11] _anders_: althans (Wdbk).
[12] _dien hoek te boven komen_: bij Vondel geliefkoosde zeemansterm; ook in _Adam in Ballingschap_ aan te treffen.
[13] _een wulpsch vermogen_. Een wulp is een jong dier, in het algemeen, en V. gebruikt het woord "wulpsch" voor: jong, dartel, ongestadig.
[14] _zakkende element_. Zie vs. 690: "de Engelen" zakken niet; zij zweven, in tegenstelling tot den mensch.
[15] _Wou haar wil bezegelen_: met zegelen sluiten, bedekt houden. Zie hiervoor, _op bondig_.
[16] _een tafel erfgeslachten_: een ganschen stamboom.
[17] _Een ingeboren zwichten_. Hier kàn V. gedacht hebben aan de oude grief der Nederlanders tegen de ingevoerde Spaansche ambtenaren. Maar is het niet trouwens nog een algemeen gevoeld nationalisme dat de ingeborene boven den vreemdeling gaat?
[18] _vereent, vereeniqt_: één maakt en innig één doet worden.
[19] _God_: de zon; de smook: de menschheid.
[20] _Wanorden orden en geschiktheid overrompelen_. "Geschiktheid" staat hier voor: "'t geen wèl geschikt is," dus in denzelfden zin als orde.
[21] _tegenstappen_: tegemoetgaan, bejegenen.
[22] _plakkaat_: ordonnantie; voorschrift.
[23] Belzebub spoort Lucifer's verzet aan door hem vóór te leggen hoe de menschverheffing geen ander doel heeft dan zijn achteruitzetting.
[24] vlgg. Hier openbaart Lucifer dus feitelijk een bedoeling om zich zelf naast, indien al niet boven, God te stellen. Zie ook V.'s _Berecht_.
[25] _verstrekken_: zijn tot.
[26] _bogen, ronden; kreitsen_. Zie _Voorwoord_.
[27] Zal het geschonden Aardrijk hier dit heelal zien terugvallen tot den ouden staat van woestheid. _Mengelklomp_ is Chaos.
[28] _Het wit is_: het doel is.
[29] _bestaan_: uitkomen. Vgl: "zijn beslag krijgen".
[30] _geleende macht_: als van een leenman, die zijn macht ontleent aan den Leenheer, God.
[31] _haar gewicht weegt over_: voor "overweegt" "is zwaarder".
[32] d.w.z.: Wij strijden tegen Michaël, niet tegen God.
[33] _den sleutel van het Wapenhuis_: een wat te nuchter-realistisch trekje, in deze hemelsfeer.
[34] _Hij houdt op alle Hoven_: _Hof_ werd in de 16e en 17e E. gebruikt voor Paradijs (immers de opperste tuin!) en Hemel. Hier dus blijkbaar: de verschillende Hemelen, de Hemelkringen (Zie Wdbk).
[35] _dar_: durft. Zie in het _Voorwoord_: de Engelen geleiden de Hemellichamen op hun baan. Zie ook: _een ander draaigestarnte_.