Chapter 3
'k Verzwijg mijn henevaart, om niet te reppen hoe Gezwind ik nedersteeg, en zonk door negen bogen[10], Die, sneller dan een pijl, rondom hun midpunt vlogen. Het rad der zinnen kan zoo snel niet ommeslaan, In ons' gedachten, als ik, lager dan de maan[11] En wolken, afgegleên, bleef hangen op mijn pennen[12]. Om 't Oostersche gewest en landschap t' onderkennen[13], Op 't aanzicht van den kloot, daar d'Oceaan om spoelt, Waarin zoo menig slag van zeegedrochten woelt. Van verre zag men hier een hoogen berg verschieten[14], Waaruit een waterval, de wortel van vier vlieten, Ten dale nederbruist. Wij streken steil en schuin Voorover met ons hoofd, en rustten op de kruin Des bergs, van waar men vlak de zalige landouwen Der onderwereld[15] en haar weelde kon aanschouwen.
BELZEBUB:
Nu schilder ons den hof en zijn gestaltenis.
APOLLION:
De hof valt rond[16], gelijk de kloot der wereld is. In 't midden rijst de berg, waaruit de hoofdbron klatert, Die zich in vieren deelt en al het land bewatert, Geboomte en beemden laaft, en levert beken uit, Zoo klaar gelijk kristal, daar geen gezicht op stuit[17]. De stroomen geven slib, en koesteren de gronden. Hier worden Onixsteen en Bdellion[18] gevonden. Hoe klaar de hemel ook van sterren blinkt en barnt, Hier zaaide Vrouw Natuur in steenen een gestarnt, Dat onze starren dooft. Hier blinkt het goud in d'aderen. Hier woû Natuur haar schat in éénen schoot vergaderen.
BELZEBUB:
Wat zweeft er voor een lucht, waarbij dat schepsel leeft?
APOLLION:
Geen Engel, onder ons, zoo zoet een adem heeft, Gelijk de frissche geest, die hier den mensch bejegent, Het aangezicht verkwikt en alles streelt en zegent: Dan[19] zwelt de boezem der landouw van kruid en kleur, En knop en telg[20] en bloem, en allerhanden geur. De dauw ververscht ze 's nachts. Het rijzen en het dalen Der zonne weet zijn maat, en matigt zoo haar stralen Naar eisch van elke plant, dat allerhande groen En vrucht gevonden wordt in eenerlei seizoen.
BELZEBUB:
Nu maal me de gedaante en 't wezen van de menschen.
APOLLION:
Wie zou ons Engelsdom voor 't menschdom willen wenschen[21], Wanneer men schepsels ziet, die 't al te boven gaan, En onder wiens[22] gezag alle andre dieren staan. Ik zag den ommegang[23] van honderdduizend dieren, Die op het aardrijk treên, of in de wolken zwieren, Of zwemmen in den stroom, zoo ieder is gewend, En leven schept in zijn bijzonder element. Wie zou een ieders aard en eigenschappen ramen Als Adam? want hij gaf ze op eene rij haar namen. De bergleeuw kwispelde hem aan met zijnen staart, En loech den meester toe. De tiger lei zijn aard Voor 's Konings voeten af. De landstier[24] boog zijn horen, En d'olifant zijn snuit. De beer vergat zijn tooren; Griffoen en adelaar kwam luistren naar dien man, Ook draak, en Behemoth, en zelfs Leviatan[25]. Nog zwijg ik welk een lof den mensch wordt toegezongen En toegekwinkeleerd van 't lustpriëel, vol tongen; Terwijl de wind in 't loof, de beek langs d'oevers speelt, En ruischt op een muziek, dat nimmer 't hart verveelt. Had zich Apollion in zijnen last gekweten, Hij had ons Hemelrijk in Adams Rijk vergeten[26].
BELZEBUB:
Wat dunkt u van het paar, dat gij beneden zaagt?
APOLLION:
Geen schepsel heeft omhoog mijn oogen zoo behaagd Als deze twee omlaag. Wie kon zoo geestig[27] strengelen Het lichaam en de ziel, en scheppen dubbele Engelen[28] Uit kleiaarde en uit been! Het lichaam, schoon van leest, Getuigt des Scheppers kunst, die blinkt in 't aanschijn meest, Den spiegel van 't gemoed. Wat lid mij kon verbazen, Ik zag het beeld der ziele in 't aangezicht geblazen. Bezit het lijf iet schoons, dat vindt men hier bijeen. Een Godheid geeft haar glans door 's menschen oogen heen. De redelijke ziel komt uit zijn tronie zwieren. Hij heft, terwijl de stomme en redelooze dieren Naar hunne voeten zien, alleen en trotsch het hoofd Ten hemel op naar God, zijn Schepper, hoog geloofd.
BELZEBUB:
Hij looft hem niet vergeefs voor zooveel rijke gaven.
APOLLION:
Hij heerscht, gelijk een God, om wien het al moet slaven. D'onzichtbre ziel bestaat uit geest, en niet uit stof. Z' is heel in ieder lid. Het brein verstrekt haar Hof. Zij leeft in eeuwigheid, en vreest noch roest noch schennis. Z' is onbegrijpelijk. Voorzichtigheid, en kennis, En deugd, en vrijen wil bezit ze in eigendom. Voor hare majesteit staan alle Geesten stom. De wijde wereld zal eerlang van menschen krielen; Zij wacht, uit luttel zaads, een rijken oogst van zielen. En hierom huwde God den man aan zijn mannin.
BELZEBUB:
Wat dunkt u van zijn ribbe[29], en lieve gemalin?
APOLLION:
Ik dekte mijn gezicht en oogen met mijn vleugelen, Om mijn gedachten en genegendheên te teugelen, Zoodra zij mij gemoette, als Adam met der hand Haar leidde door het groen. Bijwijlen hield hij stand, Beschouwde ze overzij, en, onder dat belonken, Begon een heilig vier zijn zuivre borst t'ontvonken: Dan kuste hij zijn bruid, en zij den bruidegom, Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom En brand van liefde, niet te melden, maar te gissen; Een hooger zaligheid, die d'Engelen nog missen. Hoe arm is eenigheid! Wij kennen geen gespan[30] Van tweederhande kunne, een jonkvrouw en een man. Helaas! wij zijn misdeeld; wij weten van geen trouwen, Van gade of gading, in een Hemel zonder vrouwen!
BELZEBUB:
Zoo wordt er met der tijd een wereld aangeteeld?
APOLLION:
Door een genot van 't schoon, in 's menschen brein gebeeld, En ingedrukt met kracht van d'opgespannen zinnen. Dat houdt dit paar verknocht. Hun leven is beminnen En wederminnen met een onderlingen lust, Onendelijk gelescht, en nimmer uitgebluscht.
BELZEBUB:
Nu pas me deze bruid naar 't leven af te malen.
APOLLION:
Dit eischt Natuurs penseel[31]: geen verf, maar zonnestralen. De man en vrouw zijn beî volschapen, even schoon, Van top tot teen. Met recht spant Adam wel de kroon, Door kloekheid van gedaante en majesteit van 't wezen, Als een ter heerschappij des aardrijks uitgelezen; Maar al wat Eva heeft vernoegt haar bruigoms eisch: Der leden teederheid, een zachter vel en vleisch, Een vriendelijker verf, aanminnigheid der oogen, Een minnelijke mond, een uitspraak, wiens[32] vermogen Bestaat in eedler klank; twee bronnen van ivoor, En wat men best verzwijge, eer dit een Geest bekoor';-- Bejegent Engelen, hoe schoon ze uw oog behaagden, Het zijn wanschapenheên bij 't morgenlicht der maagden.
BELZEBUB:
Het schijnt, gij blaakt van minne om 't vrouwelijke dier[33].
APOLLION:
Ik heb mijn slagveêr in dat aangename vier Gezengd. Het viel me zwaar van onder op te stijgen, Te roeien, om den top van Engleburg te krijgen. Ik scheidde, doch met pijn, en zag wel driewerf om. Nu blinkt geen Serafijn, in 't Hemelsch Heiligdom, Als deze, in 't hangend haar, een gouden nis van stralen[34], Die, schoon gewaterd, van den hoofde nederdalen, En vloeien om den rug. Zoo komt ze, als uit een licht, Te voorschijn, en verheugt den dag met haar gezicht. Laat perle en perlemoer u zuiverheid beloven; Haar blankheid gaat de perle en perlemoer te boven.
BELZEBUB:
Wat baat al 's menschen roem, indien zijn schoonheid smelt En endelijk verwelkt, gelijk een bloem op 't veld?
APOLLION:
Zoo lang die hof beneên niet ophoude ooft te geven, Zal dit gezaligd paar bij zulk een appel leven, Die daar in 't midden groeit, bevochtigd van den stroom, Waarbij de wortel leeft. Dees' wonderbare boom Wordt 's levens boom genoemd. Zijn aard is onbederflijk. Hierdoor geniet de mensch het eeuwig en onsterflijk, En wordt den Engelen, zijn broederen, gelijk, Ja, overtreft ze in 't eind, en zal zijn macht en rijk Verbreiden overal. Wie kan zijn vleugels korten? Geen Engel heeft de macht zijn wezen uit te storten In duizendduizenden, in een oneindig tal. Nu overreken eens, wat hieruit worden zal.
BELZEBUB:
De mensch is machtig dus ons over 't hoofd te wassen?
APOLLION[35]:
Zijn wasdom zal ons haast verschrikken en verrassen, Al duikt zijn heerschappij nu lager dan de maan; Al is die macht bepaald, hij zal al hooger gaan, Om zijnen stoel in top der Hemelen te zetten. Zoo God dit niet belet, hoe konnen wij 't beletten? Want God bezint den mensch, en schiep het al om hem.
BELZEBUB:
Wat hoor ik? een bazuin? gewis, hier wil een stem Op volgen; zie eens uit, terwijl we hier verbeien.
APOLLION:
d'Aartsengel Gabriël, gevolgd van 's Hemels reien, Genaakt in 's Hoogsten naam, om uit den hoogen troon T'ontvouwen, als Heraut, hetgeen hem wierd geboôn.
BELZEBUB:
Ons lust te hooren, wat d'Aartsengel zal gebieden.
GABRIËL. REI VAN ENGELEN.
GABRIËL:
Hoort toe, gij Engelen! hoort toe, gij Hemellieden! De hoogste Goedheid, uit wiens boezem alles vloeit, Wat goed, wat heilig is; die nimmer wordt vermoeid Door weldoen, noch verarmd van haar genadeschatten, Tot nog met geen begrijp der schepselen te vatten; Dees' Goedheid schiep den mensch haar eigen beeld gelijk, Ook d'Eng'len, opdat zij te zamen 't eeuwig Rijk, En nooit begrepen goed, na 't vierig onderhouden Der opgeleide wet, met God bezitten zouden. Zij bouwde 't wonderlijk en zienelijk Heelal Der wereld, Gode en ook den mensche te geval, Opdat hij in dit hof zou heerschen en vermeeren, Met al zijne afkomst hem bekennen, dienen, eeren, En stijgen, langs de trap der wereld, in den trans Van 't ongeschapen licht, den zaligenden glans. Al schijnt het Geestendom alle andre t'overtreffen; God sloot van eeuwigheid het Menschdom te verheffen, Ook boven 't Engelsdom, en op[36] te voeren tot Een klaarheid en een licht, dat niet verschilt van God. Gij zult het eeuwig Woord, bekleed met been en âren, Gezalfd tot Heer en hoofd en rechter, al de scharen Der Geesten, Engelen, en menschen te gelijk, Zien rechten, uit zijn troon en onbeschaduwd Rijk. Daar staat de stoel alreê geheiligd in het midden. Dat alle d'Engelen Hem passen aan te bidden. Zoo ras hij innerij, wien 't menschelijk gestalt, Ook boven ons' natuur verheerelijkt, gevalt. Dan schijnt de heldre vlam der Serafijnen duister, Bij 's menschen licht en glans en goddelijken luister. Genade dooft natuur en al haar glansen uit[37]. Dit 's noodlot, en een onherroepelijk besluit[38].
REI VAN ENGELEN:
Al wat de Hemel stemt[39], zal 't Hemelsch heir behagen.
GABRIEL:
Zoo past[40] u trouw in Gods en 's menschen dienst te dragen, Naardien de Godheid zelf de menschen zoo bemint. Wie Adam eert, het hart van Adams vader wint. De mensch en Engel, beide uit éénen stam gesproten, Zijn medebroeders, uitgekoren lotgenooten[41], Des Allerhoogsten zoons en erven, zonder smet. Een ongedeelde wil en liefde zij uw wet! Gij weet hoe 't Engelsdom moet onderscheiden worden[42] In driederhande rij, en negenvoudige orden: De hoogste in Serafijn en Cherubijn en Troon, Die zitten in Gods Raad, en sterken zijn geboôn. De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten En Machten, die op 't woord van Gods Geheimraad wachten Tot 's menschen nut en heil en hulp in 't algemeen. De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheên, En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken[43] Voor 't woord der middelrije, en laten zich gebruiken Beneden het gewelf van zuiver kristallijn, In hun bijzondren last, zoo wijd 't gestarrent schijn'. Wanneer de wereld koom' zich verder uit te spreiden, Wordt elk van deze rij in zijn gewest bescheiden, Of weet zijn eigen stad en huis, en wat persoon Zijn zorg bevolen blijft, ter eere van Gods kroon[44]. Getrouwen, gaat dan hene; onsterfelijke Goden, Gehoorzaamt Lucifer[45], verknocht aan Gods geboden. Bevordert 's Hemels eer in 't menschelijk geslacht, Een ieder in zijn wijk, een ieder op zijn wacht. Laat sommigen voor God de schaal vol wierook branden, En brengen voor Gods troon der menschen offeranden En wenschen en gebeên, en zingen 's Godheids lof, Dat zich de galm verspreie in 't eeuwigjuichend hof. Een ander draai gestarnte[46] en ronde hemelklooten, Of zett' den Hemel op, of hou de lucht gesloten Met wolken, om den berg te zegenen omlaag, Met eenen zonneschijn, of versche regenvlaag Van manne en honigdauw, daar God wordt aangebeden Door d'eerste onnoozelheid[47], de burgerij van Eden. Wie door de lucht, en 't vier, en aarde, en water rent, Die matige op zijn pas een ieder element, Naar Adams wensch, of legg' den bliksemstraal aan banden, Of breidele den storm, of breek' de zee op stranden. Een ander sla de treên des menschen gade op 't veld. De Godheid heeft zijn haar tot op één haar geteld. Men draag' hem op de hand, dat hij zijn voet niet stoote. Wordt iemand, als gezant, gezonden van een Groote[48] Aan Adam, 's aardrijks Vorst, dat hij zijn last verricht. Zoo luidt mijn last, waaraan de Godheid u verplicht.
REI VAN ENGELEN[49]:
ZANG.
Wie is het, die zoo hoog gezeten, Zoo diep in 't grondelooze licht, Van tijd noch eeuwigheid gemeten Noch ronden, zonder tegenwicht[50], Bij zich bestaat, geen steun van buiten Ontleent, maar op zichzelven rust, En in Zijn wezen kan besluiten Wat om en in Hem, onbewust Van wanken, draait, en wordt gedreven Om 't een en eenig middelpunt[51]; Der zonnen zon, de geest, het leven; De ziel van alles wat gij kunt Bevroên, of nimmermeer bevroeden; Het hart, de bronaâr, d'oceaan En oorsprong van zoovele goeden[52] Als uit Hem vloeien en bestaan Bij zijn genade, en alvermogen, En wijsheid, die hun 't wezen schonk Uit niet, eer dit in top voltogen Paleis, der Heemlen Hemel, blonk; Daar wij met vleuglen d'oogen dekken, Voor aller glansen Majesteit; Terwijl we 's Hemels lofgalm wekken, En vallen, uit eerbiedigheid, Uit vreeze, in zwijm op 't aanzicht neder.-- Wie is het? noemt, beschrijft ons Hem, Met eene Serafijne veder. Of schort het aan begrijp en stem?
TEGENZANG.
Dat 's _God_. Oneindig eeuwig Wezen Van alle ding, dat wezen heeft. Vergeef het ons, o nooit volprezen Van al wat leeft, of niet en leeft; Nooit uitgesproken, noch te spreken; Vergeef het ons, en scheld ons kwijt Dat geen verbeelding, tong, noch teeken U melden kan. Gij waart, Gij zijt, Gij blijft dezelve. Alle Englekennis En uitspraak, zwak, en onbekwaam, Is maar ontheiliging en schennis: Want ieder draagt zijn eigen naam. Behalve Gij. Wie kan U noemen Bij Uwen Naam? wie wordt gewijd Tot Uw Orakel? wie durf roemen? Gij zijt alleen dan die Gij zijt, U zelf bekend en niemand nader. U zulks te kennen, als Gij waart, Der eeuwigheden glans en ader, Wien is dat licht geopenbaard? Wien is der glansen glans verschenen? Dat zien is nog een hooger heil Dan wij van uw genade ontleenen; Dat overschrijdt het perk en peil Van ons vermogen. Wij verouden In onzen duur; Gij nimmermeer. Uw wezen moet ons onderhouden. Verheft de Godheid; zingt Haar eer!
TOEZANG.
Heilig, heilig, nog eens heilig, Driemaal heilig! eer zij God! Buiten God is 't nergens veilig. Heilig is het hoog gebod. Zijn geheimenis zij bondig[53]; Men aanbidde Zijn bevel. Dat men overal verkondig, Wat de trouwe Gabriël Ons met zijn bazuin kwam leeren: Laat ons God in Adam eeren. Al wat God behaagt, is wel.
Noten:
[1] BELZEBUB: vlieg van God; BELIAL: deugniet (beide Hebreeuwsche namen); APOLLION (Grieksch): verderver.--Deze Engelen zijn dus door Vondel alvast gekenschetst naar den hun toegeschreven, misdadigen, duivelschen aard.
BELZEBUB spreekt de eerste 9 regels als alleenspraak; vóór de komst van Belial. Dat deze uitgezonden werd om te zien waar de naar de aarde gezonden Apollion mag blijven, toont aanstonds de spanning, waarin de laatste scheppingsdaad: de vorming van den mensch, den hemel der Engelen gebracht heeft. De volgende schildering van Apollion's opvlucht brengt lezers en hoorders in de sfeer der handeling.
[2] _Kreits in kreits_: de negen bogen of sferen, die tusschen den Hemel der Hemelen en de aarde liggen (_Voorwoord_).
[3] De hemelklooten: bollen, planeten, die rond die bogen loopen (id.).
[4] "Uit de vruchten zult ge den boom kennen". Van: over.
[5] De voorstelling dat het Paradijs door God ten bate der menschheid geplant is, opent de reeks der de engelen beroerende verkondigingen van Gods bevoorrechting van dit nieuwe schepsel.
[6] _verf_: kleur.
[7] _vroolijk_: fleurig.
[8] hemelsch _mann_: 't manna dat ten voedsel der Joden in de woestijn uit den hemel viel.
[9] _mist me niet_: ontgaat me niet, nl.: de beteekenis ervan.
[10] _de negen bogen_: (zie _Voorwoord_).
[11] De maan gleed rond de laagste schaal; dus de laatste, bij de aarde.
[12] _pennen_: vleugels.
[13] de beschrijving van Apollion geeft meer het Paradijs, naar Vondel en zijn lezers 't zichzelf voorstelden, dan naar 't geen een afgezant des Hemels 't zou waargenomen en geteekend hebben. Maar objectiveeren in modernen zin lag niet in den geest van dien tijd.
[14] _verschieten_: in 't verschiet opdoemen.
[15] _onderwereld_: dit is dus uit 't oogpunt der Engelen; niet van de menschen.
[16] _valt rond_: is rond (uitgevallen).
[17] _daar geen gezicht op stuit_; die gezichten weerspiegelen.
[18] _Bdellion_: (zie Adam in Ballingschap 314), een harts.
[19] _Dan_: daardoor.
[20] _telg_: tak.
[21] : Wie zou den staat van Engel boven dien der menschen willen wenschen?
[22] _Wiens_: wier.
[23] _ommegang_ der dieren: hun leven en bedrijven.
[24] _bergleeuw, landstier_: voor "leeuw" en "stier". Maar wat zwieriger en voller, voor 't vers.
[25] _Behemoth, Leviatan_: voorwereldlijke reuzendieren.
[26] : De verklaring van deze door Van Lennep duister genoemde regels door dr. Cramer lijkt aannemelijk: had Apollion zijn last gekweten en was hij dus vrij geweest, hij zou op aarde zijn gebleven.
[27] _geestig_: (Wdbk.) "begaafd", "talentvol".
[28] Over de dubbele natuur der Menschen, den vrijen wil enz. zie "Adam in Ballingschap."
[29] _Zijn ribbe_, waaruit Eva immers geschapen was, klinkt hier vreemd in Belzebub's mond, die niet op de hoogte is van de Paradijshistorie.
[30] _gespan_: Wat _samen_ in een gareel gespannen is. Thans nog: "span".
[31] _Dit eischt Natuurs penseel_. Hier spreekt Vondel (en niet Apollion, zeker!), wien alle poëzie "levende schilderij" was.
[32] _wiens_: welker.
[33] _dier_: schepsel.
[34] : deze schildering van Eva, in de "gouden nis van stralen", van haar hoofd afhangend, doet denken aan de fraaie kleine schilderij van Rubbens, in 't Mauritshuis. Of Vondel die kende?
[35] Apollion's schildering van de toekomstige grootheid der menschen versterkt de onrust in Belzebub. En nu komt Gabriels mededeeling omtrent Gods bedoeling: om eenmaal den "Zoon des menschen" naast zich ten troon te verheffen, zoowel als het gebod aan d'Engelen om zich ten dienst der Menschheid te stellen--heel dramatisch--die onrust tot wrevel aansporen die evenwel in dit bedrijf nog onderdrukt blijft. Zie V.'s _Dramatiek_ pag. 112.
[36] : _van eeuwigheid_, d.w.z. de menschverheffing is een raadsbesluit van d'Almacht, reeds lang geleden, van den aanvang af, genomen.
[37] : De orde der Genade, die Gods menschwording en dus 's menschen verheffing meebrengt, verduistert de orde der natuur, waarin wij, Engelen, grooter en schooner zijn.
[38] Dit vers is merkwaardig om de verwaarloozing der caesuur, de in alexendrijnen gebruikelijke rust na den derden voet of zesde lettergreep; de eerste syllabe van "onherroepelijk" wordt daardoor op bijzondere wijze beklemtoond.
[39] _stemt_: bestemt, bepaalt, vaststelt.
[40] _passen_, (evenals te voren): zorgen.
[41] In dit vers weer verwaarloozing der caesuur echter met minder effect dan in noot 38.
[42] Over die verdeeling der Engelen zie _Voorwoord_.
[43] _moet duiken_: moet buigen.
[44] De rol van Wachtengelen, beschermengelen van elk persoon in 't bizonder, is een Hebreeuwsch-Christelijke voorstelling.
[45] _Gehoorzaamt Lucifer_. Een heel gelukkige gedachte van Vondel om ons den straks afvallige hier door Gabriël te doen noemen als den eersten uitvoerder van Gods wil, door de anderen te gehoorzamen.
[46] _Een ander draai gestarnte_. Het was, ook volgens Dante, de taak der Engelen, de hemellichamen langs hun banen te geleiden (Zie _Ploeg_ II, pag. 41).
[47] _Onnoozelheid_. Nog in de oorspronkelijke beteekenis van "onschuldig". Adam en Eva kenden nog geen kwaad en goed vóór den zondeval.
[48] _gezonden van een Groote_: Zie tevoren, dat een Engel der laagste rij moet buigen voor de bevelen der middelrije, en zich laten gebruiken voor een aardsche zending.
[49] _Rei van Engelen_. Deze rei is blijkbaar tweeledig gedacht: de _zang_ wordt aangeheven door de lagere rijen, de _Tegenzang_ door die der hoogste. Immers de laatste wordt uitgenoodigd te beschrijven met een _Serafijne_ veder. Maar zelfs de Serafijnen, hoewel gezeten in Gods Raad, aanschouwen Zijn aanzicht niet. Vandaar:
Dat zien is nòg een hooger heil, Dan wij van uw genade ontleenen.
[50] _noch ronden_. De hemellichamen zijn gebonden aan de _ronden_, sferen; God niet.--_Zonder tegenwicht bij zich bestaat_: op zich zelf staat, steunloos; zie ook verder 't zelfde: _Geen steun van buiten ontleent_.
[51] Al wat draait en wordt gedreven om 't een en eenig middelpunt, is begrepen, besloten, in Zijn wezen. D.w.z.: God is het _Al_.
[52] _Zoovele goeden_: Wdboek: Zegeningen; volgens dr. Cramer: Al wat aan de schepping der Engelen (4den Scheppingsdag) voorafging, dus het licht, het uitspansel, zee en land, die er waren voor den Hemel de Hemelen. Heel duidelijk is dit dan echter nog niet, uit den mond der Engelen, voor wie immers deze Scheppingsdaden niet zoo waardevol zijn. Waarom niet als in _Adam in Ballingschap_ vs. 465, "goede dingen"?
[53] _bondig_. Over dit woord is groot verschil van meening. 't Wdbk. meent: "verbindend"; Van Lennep geeft: "beknopt"; Cramer: "raadselachtig." M.i. beteekent het: "besloten, ondoordringbaar." D.w.z.: "al begrijpen we Gods geheimenis niet; men aanbidde toch zijn bevel." Dit is geheel in den geest van dezen slotzang die, tegenover het opdoemend verzet, de aanbiddende onderwerping ook aan 't onbegrepene uitdrukt.
* * * * *
HET TWEEDE BEDRIJF
LUCIFER, BELZEBUB
LUCIFER:
Gij snelle Geesten! houdt nu stand met onzen wagen[1]: Al hoog genoeg in top Gods Morgenstar gedragen, Al hoog genoeg gevoerd: 't Is tijd, dat Lucifer Nu duike, voor de komst van deze dubble star[2], Die van beneden rijst, en zoekt den weg naar boven, Om met een aardschen glans den Hemel te verdooven. Borduurt geen kronen meer in Lucifers gewaad, Verguldt zijn voorhoofd niet met eenen dageraad Van morgenstarre en straal, waarvoor d'Aartsenglen nijgen; Een andre klaarheid komt in 't licht der Godheid stijgen, En schijnt ons glansen dood; gelijk de zon, bij daag, De starren dooft, voor 't oog der schepselen omlaag. 't Is nacht met Engelen[3] en alle Hemelzonnen: De menschen hebben 't hart des Oppersten gewonnen, In 't nieuwe Paradijs; de mensch is 's Hemels vriend: Ons' slavernij gaat in. Gaat hene, viert en dient En eert dit nieuw geslacht, als onderdane knapen. De menschen zijn om God, en wij om hen geschapen. 't Is tijd, dat 's Engels nek hun voeten onderschraag', Dat ieder op hen passe, en op de handen draag', Of op de vleugels voere, op d'allerhoogste tronen[4]. Onze erfenis[5] komt hun als uitverkoren zonen. Onze eerstgeboorte leit nu achter, in dit Rijk. De zoon des zesden dags, den Vader zoo gelijk Geschapen, strijkt de kroon[6]. Met recht is hem gegeven De groote staf[7], waarvoor alle eerstgeboornen beven En sidderen. Hier geldt geen tegenspraak; gij hoort, Wat Gabriël bazuint voor 's Hemels gouden poort.
BELZEBUB: