Lucifer: Treurspel

Chapter 2

Chapter 23,461 wordsPublic domain

Hier wordt u, om uwen kunstijver weder t'ontsteken en uwen geest teffens te stichten en te verkwikken, het heilig treurtooneel[1], dat den Hemel afbeeldt, opgeschoven. De groote Aartsengelen, Lucifer en Michaël, elk met hunne aanhangelingen van wederzijde gesterkt, komen de stellagië stoffeeren[2] en hunne rollen spelen. Het tooneel en de personagiën zijn zeker zoodanig, en zoo heerlijk, dat ze eenen heerlijker stijl vereischen en hooger laarzen[3], dan ik haar weet aan te trekken. Niemand, die de spraak van d'onfeilbare orakelen des goddelijken Geests verstaat, zal oordeelen, dat wij een gedichtsel van Salmoneus[4] bijbrengen, die midden in Elis, op zijnen wagen en metalen brug, Jupijn braveerende, en met een brandende fakkel den bliksem en donder nabootsende, van den donder geslagen werd; nochte wij vernieuwen hier geen grijze fabel van den Reuzenstrijd[5], onder wiens schorse de Poëzy hare toehoorders reukelooze[6] verwaandheid en godlooze kerkschenderijen zocht te verleeren, en natuurkennis in te boezemen; namelijk, dat lucht en winden, in den hollen buik en het zwavelachtige ingewand der aarde besloten, bijwijlen ademtocht zoekende, met geweld van geborsten steenrotsen, smook en rook en vlammen, en aardbevingen, en schrikkelijk geluid, uitbersten, en, hemelhoog opgestegen, in het neerstorten den grond van land en zee met assche en steenen bestulpen, en ophoopen. Onder de Profeten verzekeren ons van den afval des Aartsengels en zijnen aanhang, Isaïas en Ezechiël[7]; bij den Evangelist, Christus, het allerwaarachtigste orakel, ons met eene stem uit den Hemel bevolen te hooren; en endelijk Judas Thaddeus, zijn getrouwe Apostel; welker spreuken waardig zijn in eeuwig diamant, en waardiger, in onze harten geprint te worden. Isaïas roept: "_O Lucifer, die vroeg opgingt, hoe zijt ge ter aarde geploft! die de volken kwetste, in uw harte spraakt: Ik wil in den Hemel stijgen, mijnen stoel boven Gods gestarnte verheffen, op den berg des verbonds aan de Noordzijde zitten. Ik wil boven de hooge wolken steigeren, den Allerhoogsten gelijk worden; maar gij zult ter Helle toe, in den poel des afgronds, vernederd worden_." God spreekt door Ezechiël aldus: "_Gij zijt een uitgedrukte gelijkenis, vol wijsheid en volkomen schoon. Gij waart, in de weelde van Gods Paradijs, bekleed met allerhande kostelijke steenen, sardis, en topazen, en jaspis, en chrizoliten, en onix, en beril, safier, en karbonkel, en smaragden; goud was uw sieraad. Op den dag uwer scheppinge waren uwe schalmeien vaardig. Gij breidde u uit, gelijk een beschaduwende Cherubijn, en ik zette u op Gods berg. Gij wandelde midden onder de blakende steenen. Gij waart volschapen in uwen tred, van den dage uwer scheppinge aan, totdat men u op boosheid betrapte." Beide deze spreuken zijn, naar den letterlijken zin, d'een van den Koning van Babylon, d'andere van den Koning van Tyrus te verstaan, die, bij Lucifer, in hunne heerlijkheid 55 en hoogmoed, geleken, bestraft, en gedreigd worden. Jezus Christus ziet mede op den val van den weerspannigen Lucifer, daar hij zegt: "Ik zag den Satan, gelijk een bliksem, uit den Hemel vallen"; en Thaddeus ontvouwt den afval der Engelen, en hun misdaad, en de straf daarop gevolgd, zonder eenige bewimpelinge, beknopt op deze wijze: "_Doch hij heeft de Engelen, die hunne hoogheid niet bewaarden, maar hun behuizinge verlieten, met eeuwige banden van duisternisse, tegens het oordeel des grooten Gods bewaard._" Wij stuiten dan met deze gouden spreuken, en inzonderheid met Judas Thaddeus, leerling en afgezant des hemelschen Leeraars, en Konings aller Koningen, gelijk op eenen diamanten schild, alle de pijlen der ongeloovigen, die de zekerheid van der Geesten afval zouden durven in twijfel trekken. Behalve dit onderstut ons ten overvloed doorgaans d'eendrachtige en eerwaardigste aloudheid der godvruchtige oud-vaderen, die in den grond dezer geschiedenisse overeenstemmen; doch om de kunstgenooten niet op te houden, zullen we ons met drie plaatsen genoegen; d'eerste getrokken uit den heiligen Cypriaan, Bisschop en Martelaar te Carthago, daar hij schrijft: "_Hij, die te voren door een Engelsche[8] Majesteit ondersteund, Gode aangenaam en waard was, borst, toen hij den mensch naar Gods beeld geschapen zag, door eenen boosaardigen naijver uit, hem door ingeven van dien naijver niet eer ten val brengende, voordat hij zelf door dien naijver ter neer gestort lag, gevangen eer hij ving, bedorven was eer hij hem bedorf; terwijl hij, van Nijdigheid aangeprikkeld, den mensche van de genade der onsterfelijkheid, hem geschonken, beroofde, en zelf ook verloor hetgene hij te voren hadde._" De groote Gregorius[9] bestelt ons de tweede spreuk: "_Dees afvallige Engel, geschapen om boven d'andere regementen der Engelen uit te blinken, is door zijn hoovaardij zulks ter neder gestort, dat hij nu de heerschappij der standvastige Engelen onderworpen blijft._" Het derde en leste bewijs scheppen wij uit de predikatiën van den honigvloeienden Bernardus[10]: "_Schuwt de hoovaardij; ik bidde u, schuwt ze toch! d'Oorsprong van alle overtredinge is hoovaardij, die Lucifer zelf, klaarder dan alle starren uitblinkende, met een eeuwige duisternisse heeft verdonkerd. Zij heeft niet alleen eenen Engel, maar den oppersten van alle Engelen in eenen Duivel veranderd._" De Hoovaardij en Nijdigheid, twee oorzaken of aanstokers van dezen afgrijselijken brand van tweedracht en oorloge, hebben wij uitgedrukt onder het gespan van twee bestarnde dieren[11], den Leeuw en den Draak die, voor Lucifers oorlogswagen gespannen, hem tegens God en Michaël aanvoeren; aangezien deze dieren twee zinnebeelden van deze hoofdgebreken verstrekken; want de Leeuw, der dieren Koning, gemoedigd door zijne krachten, acht uit verwaandheid niemand boven zichzelven; en de Nijdigheid kwetst met hare tong den benijden van verre, gelijk de Draak, met het schieten van zijn vergift zijnen vijand van verre kwetst. Sint-Augustijn[12], deze twee hoofdgebreken Lucifer toeëigenende, maalt ons den aard derzelve levendig af, en zeit, dat Hoovaardij is een liefde tot zijn eigen grootschheid, maar de Nijdigheid een haatster van eens anders geluk; waaruit klaar genoeg blijkt wat hieruit geboren wordt: want een iegelijk, zeit hij, die zijn eigen grootschheid[14] bemint, benijdt zijns gelijken, naardien ze met hem gelijk staan; of benijdt zijnen minder, opdat die hem niet gelijk werde; of die grooter zijn dan hij, omdat ze boven hem staan. Nu dewijl de dieren[14] zelf van verdoemde Geesten misbruikt en bezeten worden, gelijk in den aanvange de Paradijsslang, en in de heileeuwe de zwijnskudden, die met een groot gedruisch in zee stortten; en dewijl de gestarnten, aan den Hemel zelfs bij dieren afgeteekend[15], ook bij de Profeten gedacht worden; gelijk de Pleiades of Zevenster, en Arcturus, Orion, en Lucifer, zoo gelieve het u de weligheid en leerzaamheid der tooneelpoëzye te vergeven, dat de rampzalige geesten zich op ons tooneel hiermede wapenen en verweren; want den Helschen gedrochten niets eigener is dan slimme treken, en het misbruik der schepselen en elementen, tot afbreuk van d'eere en naam des Allerhoogsten, zooverre hij dit gehengt. Sint-Jan, in zijne Openbaringe, beeldt de Hemelsche geheimenissen, en den strijd in den Hemel, door een Draak uit, wiens staart nasleepte het derde deel der sterren, bij de Godgeleerden op d'afvallige Engelen geduid; waarom men in Poëzye de gebloemde wijze van spreken[16] niet al te neuswijs behoort te ziften, nochte naar de scherpzinnigheid der schoollessen te regelen. Ook moeten wij onderscheiden de tweederhande personagiën, die dit tooneel betreden, namelijk kwaadwillige en goede Engelen, die een ieder hun eigen rol spelen; gelijk Cicero en de voegelijkheid zelf ons elk personagië, naar heuren staat en aard, leeren uitbeelden. Ondertusschen ontkennen wij geenszins, dat heilige stof den tooneeldichter nauwer verbindt en intoomt, dan wereldsche historiën of Heidensche verziersels[17]; onaangezien d'oude en befaamde handvest der poëzy, bij Horatius Flaccus, in zijne Dichtkunste, met deze verzen uitgedrukt:

De Schilder en Poëeet ontvingen beide een macht Van alles te bestaan, wat elk zich dienstig acht.

Doch hier dient inzonderheid aangeteekend, hoe wij, om den naijver der hoogmoedige en nijdige Geesten te heftiger t'ontsteken, den Engelen de geheimenis van het toekomende menschworden des Woords, door den Aartsengel Gabriël, Gezant en Geheimenistolk der Godheid, eenigszins ontdekken; hierin (onder verbeteringe) volgende, niet het gevoelen der meesten, maar sommiger Godgeleerden, naardien dit ons treurtafereel rijker stof en luister bijzet[18]; zonder dat wij evenwel in dit punt, noch in andere omstandigheden van oorzaken, tijd, plaatse, en wijze (waarvan wij ons dienden, om dit treurspel krachtiger, heerlijker, gevoeglijker en leerzamer uit te voeren) de rechtzinnige waarheid opzettelijk willen in het licht staan, of iet, naar ons eigen vonden, en goeddunken, vaststellen. Sint-Pauwels, Gods geheimenisschrijver aan de Hebreën, verheft zelf, benijdenswaardig genoeg, tot afbreuk van het Rijk der logenen en verleidende Geesten, de heerlijkheid, macht, en Godheid van het menschgeworden Woord, door zijn uitstekendheid boven alle Engelen, in naam, in zoonschap en erfgenaamschap, in het aanbidden der Engelen, in zijn zalvinge, in zijne verheffinge aan Gods rechtehand, in de eeuwigheid zijner heerschappij, als een Koning over de toekomende wereld, en de oorzaak en het einde aller dingen, en een gekroond Hoofd der menschen en Engelen, zijne aanbidders, Gods boden en Geesten, gezonden ten dienst der menschen, erfgenamen der zaligheid, welker natuur Gods Zoon, de Engelen voorbijgaande, in het bloed van Abraham aanneemt. Bij gelegenheid van deze onschuld[19] achte ik niet ongerijmd hier ter loop iet aan te roeren tot onschuld van tooneel en tooneeldichteren, die Bijbelstof voorstellen, naardien ze bijwijlen opspraak onderworpen zijn[20]; gelijk trouwens 's menschen zinnelijkheid[21] verscheiden is, en d'ongelijke getemperdheid der hersenen veroorzaakt, dat d'een trek tot een zelve zaak heeft, die den anderen tegens het hart steekt. Alle eerlijke kunsten en oefeningen hebben hare beijveraars en tegenwrijters, ook haar recht gebruik en misbruik. De heilige treurspeldichters[22] hebben, onder de oude Hebreën, tot hun voorbeeld den Poëet Ezechiël[23], die den uittocht der twaalf Stammen uit Egypte in Grieksch nagelaten heeft; onder d'eerwaardige Oudvaders hebben zij het groote licht uit den Oosten, Gregorius Nazianzener[24], die zelf den gekruisten Verlosser in Grieksche tooneelverzen uitbeeldde; gelijk wij nog van wijlen den Koninklijken Gezant, Hugo de Groot[25], dat groote licht der geleerdheid en vromigheid onzer eeuwe, Sint-Gregorius' spoor nastrevende, voor zijn treurspel van den Gekruiste, in Latijn beschreven, en dien onverganklijken en stichtigen arbeid, eer en dankbaarheid schuldig blijven. Onder d'Engelsche Onroomschen heeft de geleerde pen van Richard Baker[26], Lucifer en al den handel der oproerige Geesten ook vrij breed in 't rijmeloos uitgestreken. Wel is waar, dat de Vaders der oude Kerke de gekristende tooneelspeelders buiten de gemeenschap der Kerke keerden, en het tooneelspel van dien tijd heftig bestreden; maar let men er wel op, de tijd en de reden van dien was heel anders gelegen. De wereld lag toen nog diep, op vele plaatsen, in Heidensche afgoderij verzonken. De grond des Christendoms was nog onbestorven, en de tooneelspelen werden Cybele, der gedroomde Goden moeder, een groote afgodinne, ter eere gespeeld, en gehouden voor een verdienstig middel om hierdoor landplagen van den hals des volks af te keeren. Sint-Augustijn getuigt, hoe de Heidensche Aartspriester, een bedienaar van Numa's instellingen en afgodendienst, te Rome, ter oorzake van een zware peste, de tooneelspelen eerst instelde, en door zijn gezag bekrachtigde. Scaliger zelf bekent, dat ze, om de gezondheid des volks te verwerven, door ingeven van de Sibille ingesteld waren; in voegen, dat dit spelen eigenlijk strekte tot een krachtig voedsel van de blinde afgoderij des Heidendoms, en verheffinge der afgoden; een ingekankerde gruwel, wiens uitroeien den eersten kruishelden, en de gedurig worstelende Kerke op zooveel zweet en bloed stond, maar nu lang uitgestorven, geene voetstappen in Europa laat. Dat de H. Oudvaders die tooneelen hierom, en tegelijk om het bederf der zeden, en andere openbare en schaamtelooze misbruiken van naakte jongelingen, vrouwen, en maagden, en andere vuiligheden, bestraften, was noodig en loflijk, gelijk het in dien gevalle nog zoude zijn. Dit nu overgeslagen, laat ons het nut en den oorbaar van stichtelijke en vermakelijke spelen niet te licht wegworpen. Heilige en eerlijke voorbeelden dienen ten spiegel, om deugd en Godvruchtigheid t'omhelzen; gebreken, en d'elenden, daaraan gehecht, te schuwen. Het wit en oogmerk der wettige Treurspelen[27] is de menschen te vermorwen door schrik en meêdoogen[28]. Scholieren, en opluikende jonkheid worden door spelen, in talen, welsprekendheid, wijsheid, tucht, en goede zeden en manieren, geoefend, en dit zet, in de teere gemoeden en zinnen, een plooi van voegelijkheid en geschiktheid, die hun, tot in den ouderdom toe, bijblijven en aanhangen[29]; ja, het gebeurt bijwijlen, dat overvliegende vernuften, bij geene gemeene middelen te buigen noch te verzetten, door spitsvondigheden[30] en hoogdravenden tooneelstijl geraakt, en, buiten hun eigen vermoeden, getrokken worden; gelijk een edele luitsnaar geluid geeft en antwoordt, zoodra heur weêrgade, van dezelve nature en aard, op eenen gelijken toon en andere luit gespannen, getokkeld wordt van een geestige hand, die, al spelende, den tuimelgeest[31] uit eenen bezeten en verstokten Saul drijven kan. De historiën der eerste Kerke bezegelen dit met de gedenkwaardige voorbeelden van Genesius en Ardaleo, beide tooneelspeelders, in den Schouwburg, door den H. Geest verlicht en bekeerd; terwijl ze, onder het spelen, den Christenschen Godsdienst willende beschimpen, overtuigd wierden van de waarheid, die ze geleerd hadden uit hun deftige speelrollen, doorgaands beter gestoffeerd met pit van wijsheid dan laffe redenen, uren lang in den wind gestrooid, en eer verdrietig dan leerzaam. Men worpt ons, ten opzichte van Bijbelstoffe, voor, dat men geen spel met heilige zaken behoorde te spelen; en zeker, dit zou wat schijns hebben in onze tale, die juist het woord van Spel mede brengt; maar wie slechts een woord of anderhalf Grieksch kan uitstamelen, weet wel, dat dit woord bij Grieken en Latijnen geen gebruik heeft in dien zin; want _Tragoedia_ is een koppelwoord, en beteekent eigenlijk Bokkezang, naar der herderen wedgezangen, ingesteld om met zingen eenen bok te winnen, uit welke gewoonte de treurzangen, en sedert de tooneelspelen, hunnen oorsprong namen; en wil men ons immers dus ongenadig knuffelen om het woord Spel[32], waar blijven we dan met orgelspel, Davids harp- en zangspel, en het spel van tien snaren, en ander fluit- en snarespel, bij verscheidenheid van Onroomschen in hunne vergaderingen ingevoerd? Wie dan dit onderscheid vat, zal wel, het misbruik der tooneelkunste bestraffende, het rechtmatig gebruik niet ongenadig vallen, en dezen heerlijken, ja, Goddelijken vond, een eerlijke uitspanninge en honigzoete verkwikkinge van 's levens moeielijkheden[33], de jeugd, en kunstbeminnende burgerije niet misgunnen; opdat wij, hierdoor gemoedigd, Lucifer met meer ijvers ten Treurtooneele voeren, daar hij endelijk, van Gods bliksem getroffen, ter Helle stort, ten klaren spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen, die zich stoutelijk tegens de geheiligde Machten en Majesteiten, en wettige Overheden durven verheffen.

Noten:

[1] _Het heilig treurtooneel_: tooneel waarop gewijd spel gespeeld wordt.

[2] _de stellagië stoffeeren_: Uitdrukking verwant aan een andere, bij V. zeer geliefd: "het tooneel bekleeden": bezetten, vullen. Men sprak ook van een schilderij stoffeeren, met figuren.

[3] _hooger laarzen_. De Grieksche en Romeinsche tooneelspelers, die op grooten afstand van de in halven cirkel gezeten toeschouwers optraden, moesten, om niet te klein te lijken, hun gestalte vergrooten. Zij liepen dus op _Kothurnen_, door V. vertaald als "tooneellaarzen", ook wel "brozen". Hoe verhevener het spel, des te hooger, meent hij, ook deze laarzen.

[4] _Salmoneus_. Zie achter het titelblad. Ook Voorwoord, en Inleiding van De K., blz. XVII.

[5] _Reuzenstrijd_. Zie ook hierover mijn Voorwoord en de Inleiding van De K.

[6] _reukeloos_: roekeloos.

[7] Isaias; Jesaja (Statenbijbel).

[8] Engelsche. Bij Vondel vaak gebruikt in verband met _Engel_, niet met _Engeland_. _Engelsche Majesteit_: Engelen majesteit.

[9] _De groote Gregorius_: Paus Gregorius Magnus, 6e Eeuw--_bestelt ons_: bezorgt ons.

[10] _Bernardus_ (van Clairvaux), 12e E. bijgenaamd _mellifluus_ = honingvloeiende, om zijn welsprekenskunst.

[11] _bestarnde dieren_: dieren die als sterrebeelden voorkomen.

[12] _Augustijn_, bisschop Augustinus van Hippo, 4e E.

[13] _grootschheid_: grandezza, heerlijkheid.

[14] _Nu dewijl de dieren_. Het verband tusschen de dieren en deze stof uitvoerig uitgewerkt in Bilderdijk's _De Dieren_. Zie ook Beets, _Verscheidenheden_, N.B. II.

[15] _Zelfs bij dieren afgeteekend_: door dieren.

[16] _Waarom men in poezy de gebloemde wijze van spreken_: Dichters, profeten, bijbelschrijvers gunne men de beeldspraak.

[17] _verzieren_ is: bedenken, verdichten; versieren: opschiken. Verziersel dus: verdichtsel, verzinsel.

[18] _rijker stof bijzet_. Meer afwisseling geeft.

[19] _onschuld_: verontschuldigingen.

[20] _Naardien ze bijwijlen opspraak onderworpen zijn_. V. had hier een profetisch oogenblik. Inderdaad heeft zijn ten tooneele brengen van deze stof de verontwaardiging der predikanten opgewekt, die na de tweede voorstelling den Amsterdamschen magistraat een verbod van verdere vertooning wisten te ontlokken.

[21] _zinnelijkheid_, dat waar de zinnen zich op zetten: smaak. "De smaken zijn verschillend."

[22] _heilige treurspeldichters_. "Heilig" behoort bij treurspel, niet bij dichters: dichters van gewijde stoffen.

[23] _Poëet Ezechiël_. Niet _profeet_ (2e E. na Chr.).

[24] _Gregorius Nazianzener_. Gregorius van Nazianze (4e Eeuw).

[25] Vondels eerbied voor Huig de Groot, ook als dichter, was onverwelkbaar. Hier huldigt hij zijn _Christus Pattens_; voor zijn _Adam in Ballingschap_ inspireerde hem De Groots _Adamus Exul_; diens derde Latijnsche treurspel: _Solompaneas_ vertaalde hij. Zie mijn Inleiding pag. 71.

[26] _Sir Richard Baker_ (1568-1643) een Engelsch landedelman, die in schulden kwam voor familieleden en in de gevangenis _Bespiegelingen_ en _Overwegingen_ schreef over Bijbelsche onderwerpen (_Chambers_).

[27] _wettige treurspelen_: staat tegenover de onheilige, w.o. V. zoo juist gesproken heeft. Dus die gewettigd zijn door hun hoog karakter. Of: die geschreven zijn overeenkomstig de Tooneelwetten?

[28] _de menschen te vermurwen door schrik en mededoogen_. Voor de beteekenis van deze woorden in de leer van het tragische zie mijn Inleiding over V.'s dramatiek, pag. 32-45.

[29] _Zooals Vondel ook uitvoerig in zijn Berecht tot zijn (5 jaar latere) _Jeptha_ den "matigenden" en "manierenden" invloed der treurspelen zou uiteenzetten; voornamelijk gegrond op den gewekten schrik.

[30] _spitsvondig_. Niet zoo scherp, en zeker niet ongunstig, op te vatten als tegenwoordig: Vernuftige vonden, spreuken.

[31] _tuimelgeest_: oproerigen geest; de geest, die de hersenen doet tuimelen, dazen.

[32] _gestoffeerd_: schoon gevuld met.

[33] Zie over V. en het Treurspel mijn Inleiding, "Vondel's Dramatiek", pag. 24/25 en 31.

* * * * *

INHOUD

Lucifer, d'Aartsengel, opperste en doorluchtigste boven alle Engelen, hoovaardig en staatzuchtig, uit blinde liefde tot zijn eigen, benijdde Gods onbepaalde grootheid, ook den mensch, naar Gods beeld geschapen, en in het welig Paradijs met de heerschappije des aardbodems begiftigd. Hij benijdde God en den mensch te meer, toen Gabriël, Gods Heraut, alle Engelen voor dienstbare geesten verklaarde, en de geheimenissen van Gods toekomende menschworden hun ontdekte; waardoor het Engelsdom voorbijgegaan, de waarachtige menschelijke natuur, met de Godheid vereenigd, een gelijke Macht en Majesteit te verwachten stond; waarom de hoovaardige en nijdige Geest, pogende zichzelven Gode gelijk te stellen, en den mensch buiten den Hemel te houden, door zijne medestanders[1], ontelbare Engelen oprokkende, wapende, en tegens Michaël, 's Hemels Veldheer, en zijne heirkrachten, onaangezien Rafaëls waarschuwinge, aanvoerde; en afgestreden, na de neêrlaag, uit wrake den eersten mensch, en in hem alle zijne nakomelingen, ten val brocht, en hij zelf met zijne weêrspannelingen ter Helle gestort, en eeuwig verdoemd werd.

_Het Tooneel is in den Hemel_.

Noot:

[1] _door zijne medestanders_: d.w.z. met behulp van zijn medestanders.

* * * * *

PERSONAGIEN

BELZEBUB..) BELIAL....) _Wederspannige Oversten_. APOLLION..) GABRIEL, _Gods Geheimenistolk_. REI VAN ENGELEN. LUCIFER, _Stedehouder_. LUCIFERISTEN, _Oproerige Geesten_. MICHAEL, _Veldheer_.RAFAEL, _Beschermengel_. URIEL, _Michaëls Schildknaap_.

(_Voor het eerst gespeeld te Amsterdam, op 2 Februari_ 1654.)

* * * * *

HET EERSTE BEDRIJF

BELZEBUB, BELIAL, APOLLION[1].

BELZEBUB:

Mijn Belial ging hene op lucht en vleugels drijven, Om uit te zien waar onze Apollion mag blijven. Vorst Lucifer zond hem, tot dezen tocht bekwaam, Naar 't aardrijk, opdat hij eens nader kennis naam' Van Adams heil en staat, waarin d'Almogendheden Hem stelden. Het wordt tijd, om weder van beneden Te keeren hier ter stede; ik gis, hij is niet veer. Een wakker dienaar vliegt op 't wenken van zijn heer En stut zijn meesters troon getrouw met hals en schouder.

BELIAL:

Heer Belzebub! gij Raad van 's Hemels Stedehouder, Hij steigert steil, van kreits in kreits[2], op ons gezicht. Hij streeft den wind voorbij, en laat een spoor van licht En glanzen achter zich, waar zijn gezwinde wieken De wolken breken. Hij begint ons' lucht te rieken, In eenen andren dag en schooner zonneschijn, Daar 't licht zich spiegelt in het blauwe kristallijn. De hemelklooten[3] zien met hun gezicht, van onder, Terwijl hij rijst, hem na, een ieder in 't bijzonder Verwonderd om dien vaart en goddelijken zwier, Die hun geen Engel schijnt, maar eer een vliegend vier. Geen star verschiet zoo snel. Hier komt hij aangestegen, Met eenen gouden tak, en heeft de steile wegen Voorspoedig afgeleid.

BELZEBUB:

Wat brengt Apollion?

APOLLION:

Heer Belzebub! ik heb, zoo vlijtig als ik kon, Het laag gewest bespied, en offere u de vruchten Zoo diep beneden ons, in andre zon en luchten, Gesproten; oordeel, uit de vruchten[4], van het land En van den hof, door God gezegend en beplant, Tot wellust van den mensch[5].

BELZEBUB:

Ik zie de gouden bladen, Met perlen van de lucht, den zilvren dauw, geladen. Hoe lieflijk riekt dit loof, dat zijne verf[6] behoudt! Hoe gloeit dit vroolijk[7] ooft van karmozijn en goud! 't Waar jammer zoo men dit ontwijdde met de handen. 't Gezicht bekoort den mond. Wie zou niet watertanden Naar aardsche lekkernij? Hij walgt van onzen dag, En hemelsch mann'[8], die 't ooft der aarde plukken mag. Men zou ons Paradijs om Adams hof verwenschen; 't Geluk der Engelen moet wijken voor de menschen.

APOLLION:

Nietwaar, heer Belzebub? Al schijnt de hemel hoog, Wij liggen veel te laag. Hetgeen ik met mijn oog Gezien heb, mist me niet[9]. 't Vermaak van 's werelds hoven, Een eenig Eden gaat ons Paradijs te boven.

BELZEBUB:

Laat hooren wat ge zaagt; wij luistren t'zamen toe.

APOLLION: