Lord Lister No. 0119: Het Genootschap der Droomers
Part 3
De scherven van het porseleinen afgodsbeeldje raapte hij bijeen en wierp ze in een uit Turksche kralen en haaientanden geregen prullemand. Daarna nam hij het boek van den vloer en begaf zich er opnieuw mee naar den divan.
Hij sloeg de zijden bladen open op de plek waar hij zooeven was opgehouden en las weer:
„Papaver somniferum, slaapwekkende maankop.... sterk verdoovende kracht.... voortdurend gebruik bij Chineezen en Javanen zeer in zwang... ondermijnt, nòg erger dan de jenever, de krachten des levens....”
Oswald rilde.
Toen haalde hij uit zijn borstzak een portefeuille van wit slangenleer te voorschijn. Hij opende het voorwerp en kreeg daaruit een zwaren brief, met violetkleurige inkt geschreven op kanariegeel papier.
De brief was, gestoken in een eenvoudigen witten envelop, geadresseerd aan: Oswald Harringa.
Niets bijzonders was op het adres te bespeuren. Alleen in den linkerbenedenhoek van deze envelop was een eigenaardige versiering aangebracht, een soort monogram.
En de aandachtige beschouwer, die meer dan oppervlakkig de dingen wenschte te bekijken, had in die vlakversiering een aantal letters kunnen zien aangebracht. Hij had dan de volgende letters kunnen ontcijferen:
d-i-l-d-w-o-i-s.
Maar in den huize Harringa had niemand er nog ooit aan gedacht om zoo’n kleine versiering, aangebracht op een eenvoudige witte enveloppe, nader te gaan bestudeeren.
En zóó al iemand het in zijn hoofd mocht hebben gekregen om die letters te ontwarren, hij zou immers niets wijzer zijn geworden.
Wat zeiden hem die acht letters? d-i-l-d-w-o-i-s.
De gele brief, beschreven met violetkleurige inkt, bevatte slechts enkele regels schrift.
Ze luidden:
„Broeder!
Hedenavond elf uur! Hindoe-vrouw heeft de sleutels!
OPIOPHAAG.”
De jonge Harringa vouwde den brief weer dicht en borg hem in de portefeuille.
Hij stond op en fluisterde: „Wàt moet ik doen!”
Hij keek naar het boek: „beneveld verstand.... vermagerd lichaam.... verminderd geheugen.... puisten... zweren... kliergezwellen... en dan—sterven aan hartlijden......”
Een uur later werd op de deur van Oswald Harringa’s zitkamer geklopt.
„Binnen.”
De huisknecht trad in.
„Of meneer komt dineeren.”
„Neen, Egbert. Ik zal niet komen. Ik heb zware hoofdpijn.”
De oude man keek op.
„Als meneer eens wat minder rookte,” waagde hij te zeggen.
Oswald keek op.
„Zei je wat, Egbert? Wat minder rookte? Neen, neen, die paar sigaretten hinderen niet!”
De huisknecht ging heen om zijn mevrouw te gaan vertellen, dat de jonge meneer geen eetlust had en op zijn kamer wenschte te blijven.
En onderwijl bedacht de huisknecht, dat het toch niet alles moest zijn voor een vlijtig, werkzaam man als meneer Albert Harringa was, die den heelen dag nog arbeidde op zijn kantoor en nu weer voor zaken heelemaal naar Egypte moest, om een zoon „d’r op na te houen”, die niks uitvoerde. Die hoogstens eens een uurtje naar het kantoor van zijn vader ging maar daar óók al niemendal werkte. Dat had Albert wel eens gehoord, als meneer en mevrouw samen spraken over hun oudsten zoon, die zoo’n doelloos leven leidde en wiens gezondheid zoo zwak scheen, dat zijn ouders hem maar ontzagen.
Wat er nog eens van meneer Oswald terecht moest komen, dáár was de oude benieuwd naar.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE LOODGIETERS OP HET DAK.
„Wat is dat voor een allerzonderlingst glazen kolfje?” vroeg Charly Brand, toen hij een dag later de ruime kamer binnentrad, door Raffles ingericht tot studeerkamer.
Een groot aantal boeken stonden er gerangschikt in vele kasten, langs de muren geplaatst. Een reusachtige globe troonde op een tafeltje en verscheiden landkaarten lagen opgerold op een groot rek.
De Groote Onbekende had in dit vertrek zoowat alles verzameld, wat hem een beetje kon helpen en wegwijs maken bij zijn nasporingen.
Maar totnogtoe had hij zich niet opgehouden met de bezigheid, waarmee Charly hem verraste.
„Wat dat is?” beantwoordde Raffles de vraag van zijn jongen secretaris, „dat is een kolfje.”
„Ja, maar wat voer je ermee uit?”
„O, wou je dat graag weten?”
„Precies!”
„Wel, Charly, ik heb een kleine, scheikundige proef genomen!”
„Drommels!”
„Een heel eenvoudige!”
„En met succes?”
„Met zéér veel!”
„Wat heb je gevonden?”
„Een beetje opium.”
„Waarin?”
„In een sigaret.”
„En van wien was die sigaret?”
„Beste jongen, nu vraag je te veel.”
„Dus je bent weer bezig, het een of ander geheim op te lossen?”
„Precies!”
Charly vroeg niet verder.
Hij wist uit ervaring, dat Lord Lister, als hij bezig was met de oplossing van een of ander belangrijk probleem en als dus zijn geest werd beziggehouden door allerlei combinaties, niet wilde worden lastig gevallen met vragen, die hij toch niet dacht te beantwoorden.
Dan was de Groote Onbekende steeds kort-af, als hem iets werd gevraagd.
„Mond houden,” dacht Charly, „en afwachten. Edward zal wel vanzelf uit den hoek komen, als hij al iets heeft mee te deelen.”
En inderdaad!
Nog geen half uur later, welken tijd Charly had doorgebracht met het bladeren in een paar Engelsche tijdschriften, om dan telkens, tersluiks, een blik te werpen op het gelaat van zijn vriend, die zat te teekenen en te denken, stond Raffles op uit zijn stoel.
Hij klapte zijn gouden sigarettenkoker open, nam daaruit een uiterst dun gerolden sigaret en nadat hij nog een tijd lang zwijgend de fijne rookwolkjes had nagekeken, begon hij:
„Charly, er is werk aan den winkel!”
„Zie je wel,” dacht Charly, met een gevoel van triomf, „ik dacht wel, dat Edward eindelijk weer spraakzaam zou worden.”
Maar de uiting van den Grooten Onbekende beviel diens blonden secretaris maar half.
Charly was er volstrekt niet op gebrand om te worden betrokken in de rustelooze avonturen van zijn heer en meester. Hij bleef het liefst buiten schot en keek van uit een wijden fauteuil heel graag toe, als Lord Lister de moeilijkste avonturen ondernam. Hij juichte mee, als een onderneming slaagde en hij beefde, erger dan het slachtoffer zelf, als gevaar dreigde.
En daarom was het dan ook met slechts matige vroolijkheid en belangstelling in zijn stem, toen hij zei:
„Werk aan den winkel? Voor wie?”
„Wel, boy, voor ons beiden!”
Charly werd opmerkzamer.
„Wat voor soort werk?”
„Dat zal ik je uitvoerig vertellen. Luister!”
Charly stond op trad naar zijn vriend toe, schoof een stoel aan en ging zitten.
„Vertel maar, Edward, ik ben geheel oor!”
„Het verhaal is kort, Charly, en minder belangwekkend, dan je denkt. Je moet je eenvoudig met mij, als loodgieter verkleed, naar een huis begeven en daar op het dak klauteren om er, natuurlijk „zoogenaamd,” eenige werkzaamheden te verrichten. Ik hoop nu maar, dat de bak met gereedschap je niet te zwaar zal vallen, mijn jongen.”
Charly’s gelaat klaarde op.
„O, als ’t anders niet is, Edward, ik ben volkomen tot je dienst.” En toen, na eenige aarzeling, voegde hij eraan toe:
„Zeg, Edward, er is toch geen gevaar aan verbonden?”
Raffles lachte hartelijk.
„Gevaar? Daaraan denk ik steeds het allerlaatst, m’n jongen! Och, kijk eens, boy, aan alles is ten slotte gevaar verbonden, niet waar? Gevaar is immers zoo iets betrekkelijks. Als je op straat loopt, kun je onder een auto raken, als je roeit, kan je giek of wherry omslaan; bij het voetballen kun je een trap tegen je maag krijgen; uit een vliegmachine val je meestal dood; bij het schaatsenrijden kom je in een wak terecht of je breekt je nek......”
Charly hield zijn ooren dicht.
„Hou op, Edward, het duizelt me; ik krijg sterretjes voor m’n oogen.”
„O, beste jongen! Ik was nog lang niet uitgepraat. Want ik had je nog niet verteld, dat er bij zoo’n expeditie op een dak steeds het gevaar dreigt naar beneden te kunnen slaan, zoo maar, pardoes op het plaveisel. Verdere opsomming zal ik je ditmaal sparen.
„We gaan er vanavond samen op uit om ons van een paar flinke werkmanspakken te voorzien; voor gereedschap is al gezorgd.”
Eenvoudig gekleed, een pet op het hoofd, de klep over de oogen getrokken, gingen dien avond Lord Lister en zijn jonge secretaris op pad.
„We moeten naar den Haarlemmerdijk,” sprak de Groote Onbekende, „in een der kleedingwinkels uit die drukke volksbuurt zullen we wel terecht komen.”
Het tweetal wandelde, al rookend en pratend, naar het Leidscheplein en vandaar door de vroolijke, helder verlichte winkelstraten naar het stadsgedeelte, waarachter de Jordaan zich uitstrekt en waar vooral in de avonduren zulk een groote drukte heerscht van vrouwen en mannen uit het volk die, na gedanen arbeid, nog een straatje om kuieren om te kijken, te praten, te koopen.
Inderdaad slaagden Raffles en zijn vriend al heel spoedig met hun koop en, ieder met een groot pak onder den arm, stevig met grof touw dicht gebonden, wandelden ze terug naar het Centraal-Station en daar stapten ze op het voorbalcon van een der motorwagens van lijn 2.
Niemand van de passagiers, zoo hij hen al gekend mocht hebben, zou in het tweetal de elegante heeren hebben herkend, die zulk een opzien baarden bij de dames en zulk een aangenamen indruk maakten, als ze een diner- of balzaal binnentraden; die in de schouwburgloge steeds aller oogen tot zich trokken.
Gansch onopgemerkt kwam het tweetal terug in de villa en toen een uurtje later zoowel Charly Brand als Edward Lister zich had gestoken in den werkmanskiel, pijpje in den mond, gereedschappenbak, waarin stukken pijp, zink, spijkers en hamers, onder den arm, toen zagen ze er uit als een paar loodgieters van het bovenste plankje.
Den volgenden middag kon men het tweetal, op dezelfde manier uitgedost, omstreeks vijf uur, over de Hoogesluis zien stappen.
„Maar Edward!”
Charly bleef plotseling staan, zette zijn gereedschappenbak op den grond en begon, om zich een houding te geven, opnieuw den brand te steken in zijn kalken neuswarmertje.
„Wat heb je nu weer; neem dien bak op, Charly, je belemmert het verkeer!”
„Ik denk er niet aan! Ik doe geen stap verder, ik verroer geen vin, als je me niet eerst op mijn vraag hebt geantwoord.”
„Vraag dan op!”
„Als er nu eens werkelijk loodgieters bezig zijn op het huis van meneer Harringa, dan snappen ze immers meteen, dat wij komen met héél andere bedoelingen.”
Raffles haalde de schouders op.
„Raap op je bak, Charly,” sommeerde hij nogmaals, „zóó snugger was ik ook wel! Daaraan heb ik óók gedacht! Stel je gerust! De mannen zouden vandaag niet werken, omdat er een laagje gewapend beton is aangebracht, dat eerst nog moet besterven. We zijn, wat dàt betreft, veilig, boy!”
Charly nam nu z’n bak weer op, waartegen een straatjongen al eens had geschopt, onder den uitroep:
„Schiet op baasie, anders kom je te laat!”
Charly keek den jongen nijdig aan.
„Maak dat je weg komt,” snauwde hij.
„Hij zeit wat,” glunderde de jongen terug, maar meteen maakte hij zich uit de voeten.
„Pf,” zuchtte Charly weer, „ik begin het ongemakkelijk warm te krijgen, Edward! Die bak is zóó zwaar!”
„Kom boy, nog een paar minuten, dan zijn we er!”
Charly torstte z’n last verder, af en toe stil staande om den bak van den eenen schouder op den anderen over te brengen.
Totdat ze eindelijk het groote huis hadden bereikt.
Op de koperen naamplaat las Charly: A. Harringa.
Raffles belde.
De huisknecht deed open.
„We hebben nog een karwei op ’t dak te verrichten,” zeide Lord Lister, „de baas heeft ons gezonden.”
Hij spuwde een geweldigen pruim op straat, voordat hij de gang binnenstapte en toen op gemoedelijken toon tot den bediende zei:
„Me collega’s, die hier gisteren werkten, hebben nou een karweitje aan de Stadhouderskade. Wil je ons even den weg naar het dak wijzen, meester?”
„Wel zeker,” zei Egbert, „loopt maar achter mij aan, vrienden.”
Charly volgde den huisknecht en achter Charly kwam Raffles.
Zoo kwam het, dat de oude man het niet zag, hoe Raffles uit zijn gereedschapsbak een pijpje wit krijt te voorschijn haalde en daarmede op enkele deurpaneelen en het hekwerk langs de trappen een klein kruisje teekend.
Op den zolder gekomen, zei Egbert:
„Nou maar langs deze ladder en dan door het luik, dan bennen jullie, waar je wezen moet.”
„Dank je, baas,” zei Raffles, tegen z’n pet tikkend.
Egbert ging de zoldertrap weer af.
Even nog stak hij z’n hoofd over de trapleuning.
„Jullie vindt den weg wel terug, nietwaar, als de duisternis valt?”
„In orde, meester,” antwoordde Raffles.
Egbert verdween en Lord Lister, gevolgd door zijn secretaris, begonnen de ladder te beklimmen naar het groote vierkante dakluik.
Met kracht zette Raffles den rechterschouder onder het zware ijzeren luik, waarvan hij eerst de ijzeren haken had losgemaakt en knarsend in de roestige scharnieren opende het zich.
„Oef!” steunde hij, „dat is een zwaar brok!”
Toen stak hij het donkere hoofd door de opening en met een vluggen zwaai stond hij op het platte, met zink beslagen dak van het groote heerenhuis.
Charly gaf zijn vriend de beide gereedschapskisten aan, welke Raffles naast elkaar neerzette, en toen begaf ook de secretaris van Lord Lister zich naar zijn nieuwste arbeidsveld.
Samen namen zij toen het zware luik op, om het op zijn plaats terug te brengen.
„Voorzichtig, Edward, niet heelemaal sluiten!” vermaande Charly. „Dan kunnen we het van buitenaf immers niet meer open krijgen en dan zouden we hier leelijk opgesloten zitten!”
„Hindert niet, boy! Laat maar gerust schieten, er is toch heel weinig kans op, dat we langs dezen weg weer naar beneden terug gaan,” antwoordde de Groote Onbekende.
„Niet langs dezen weg? Wou je je dan langs de regenpijp naar omlaag laten glijden?”
„Weet ik nog niet. Misschien wel!”
En toen Charly zijn vriend verschrikt aankeek, wel wetende, dat niets den overmoedigen Edward te gewaagd was, sprak deze met een glimlach:
„Nou dan, om jou gerust te stellen, verzeker ik je, dat we de regenpijp niet noodig zullen hebben.”
Het dak was omgeven door ijzer hekwerk. Charly begaf zich onmiddellijk daarheen, en liet zijn blikken in het rond gaan.
„Je hebt hier een nog veel mooier uitzicht dan we indertijd hadden in onze kamers van het Amstel-Hotel!” was Charly’s eerste opmerking. „Zeg, Edward, kijk eens, hoe ver je van hier den Amstel wel over kunt kijken! O, wat is dat interessant!”
„Ja, heel mooi,” klonk het terug. „Ik moet het interessante echter een beetje dichterbij zoeken, boy!”
En reeds was Raffles bezig, om met scherpen blik het dak te onderzoeken.
Doch aanvankelijk vond hij niets bijzonders.
Het geheele platte dak, waarop een zestal schoorsteenen uitkwamen, was gedeeltelijk met zink beslagen. Nadat Raffles de zinklaag, die over het dak was aangebracht, nauwkeurig had bekeken, begaf hij zich naar de plaatsen, waar zich de schoorsteenen bevonden en kwam eenige oogenblikken later bij zijn vriend terug, die het panorama, dat dit hooge uitzichtspunt bood, naar alle windrichtingen bewonderde.
„Kom mee, Charly, ik heb je hulp noodig!”
En toen de jongere kameraad aanstalten maakte om zijn gereedschapsbak op te nemen, beval hij verder:
„Neen, laat maar staan! Ik heb den mijne daar al neergezet en dat is voldoende.”
Als altijd, gehoorzaamde Charly onmiddellijk en volgde hij zijn vriend naar de plek tusschen twee der schoorsteenen, waar de ruwhouten bak met werktuigen inderdaad reeds stond.
„Help mij eens even, deze zinkplaat los te maken, boy! Hier, neem dezen beitel!” sprak de Groote Onbekende.
Charly ging naast zijn vriend op de knieën liggen en zag nu, nadat Raffles hem erop had attent gemaakt, hoe een der zinken platen, die juist tusschen de beide schoorsteenen pasten, eenige centimeters hooger was aangebracht dan de andere.
De beide mannen zetten hun werktuigen onder de zware plaat, maar reeds bij de geringste inspanning bewoog het geheele vierkante zinkdeksel en een oogenblik later hadden zij dit van zijn plaats genomen.
Een zacht fluitend geluid kwam van de lippen van den Grooten Onbekende, toen hij onder de opening, die nu was ontstaan, een houten trap zag, die slechts uit weinig treden bestond.
Ook Charly had zich nieuwsgierig over den rand heengebogen en fluisterend sprak hij:
„Bah, wat een vuile rommel!”
Raffles beduidde hem om niet te spreken en zwijgend keek het tweetal in hun geknielde houding in de ruimte, die daar onder hen lag.
Het was een klein, vierkant vertrek, een zolderkamertje, dat geen enkel venster bezat en waar dus volslagen duisternis meest heerschen, doch dat nu voldoende verlicht werd door het geopende luik. De ruwe houten trap die slechts een zestal treden bevatte, verbond het met het dak.
Op de trap, evenals op alles, wat zich in het kamertje bevond, lag een dikke laag stof en vuil. Het vertrek was gevuld met allerlei rommel, voornamelijk kisten en manden. Daartusschen lagen in groote wanorde leege wijnflesschen, een paar stukken verminkt kinderspeelgoed en eenige, met zwaar touw bijeen gebonden, stapels oude kranten.
Een deur, die toegang moest geven tot het andere gedeelte van den zolder, was van binnen gesloten door middel van een kram in den muur; de ketting en het slot waren zeer roestig.
De muren van de kamer waren van hout, dat niet eens geschilderd was.
„Mijn bak, Charly!” sprak Raffles op fluisterenden toon.
En Charly zette de gereedschapsbak van zijn vriend vlak bij dezen neer.
Van onder de gewone werktuigen, zooals loodgieters en zinkbewerkers die gebruiken, haalde de Groote Onbekende een vergrootglas te voorschijn. Toen onderzocht hij met dien sterken loupe de onzindelijke treden van het houten trapje en, met een vergenoegde uitdrukking op het gelaat, sprak hij, terwijl hij reeds weer met beide handen een der zijden van het luik omklemde:
„Pak aan, Charly!”
„Weer sluiten?” vroeg deze.
„Ja!”
Onhoorbaar sloten zij den toegangsweg naar het kleine rommelkamertje weer af.
Vragend keek Charly zijn vriend en meester aan.
„Al klaar, Edward?” informeerde hij.
„Voorloopig wel, mijn jongen,” klonk het korte antwoord.
„Gaan we alweer naar beneden?”
„Neen, dàt nog niet! We zullen zelfs nog urenlang hier moeten blijven, want eerst vanavond kunnen we verder met ons werk vorderen.”
„Dat wordt een gezellige boel! Wat zullen we zoolang hier boven uitvoeren?”
„Wachten en rooken en straks een stukje eten!”
„Rooken en eten......” herhaalde Charly meesmuilend, „Ja, jij hebt goed praten. Hoe wil je hier aan sigaren en proviand komen?”
„Daar is voor gezorgd, boy!
„Maar nòg niet, eerst moet er nog gewerkt worden. Luister eens, Charly,” vervolgde de Groote Onbekende, terwijl hij op het groote luik, waardoor zij naar boven waren gekomen, ging zitten.
En toen sprak hij met gedempte stem:
„Eerst vanavond, als de duisternis is ingevallen, kunnen we daar ginds verder werken. We moeten ons echter den schijn geven, alsof we intusschen hier bezig zijn. Begin daarom, een paar zinkreepen gedeeltelijk los te maken. Je hebt dan bezigheid. Hier, steek onderwijl eens op!” lachte hij en hij haalde uit zijn donkerblauwe werkkiel een handvol van Charly’s fijne Havanna’s te voorschijn.
„Bewaar ze zelf maar onder je boezeroen, dan kun je rooken zooveel je verkiest!”
Onder het genot van zijn geliefkoosden sigaar begon Charly nu uiterst langzaam een deel van het zink-bekleedsel op zoodanige wijze los te maken, dat het met geringe moeite weer in zijn oorspronkelijken toestand terug gebracht kon worden.
Raffles, die op het vierkante zolderluik was blijven zitten, liet de eene sigaret na de andere in rook opgaan en keek peinzend naar de zon, die al lager en lager aan den hemel daalde.
Zwijgend had Charly zich reeds geruimen tijd beziggehouden met het bewerken van het zink. Af en toe richtte hij zich halverwege op uit zijn knielende houding om een blik te werpen op het gelaat van zijn vriend, maar als hij dan zag, hoe Edward, steeds in gedachten verdiept, blijkbaar geen notitie van zijn tegenwoordigheid nam, vervolgde hij zuchtend zijn nutteloos werkje.
Een knagend gevoel in zijn maag herinnerde hem eraan, dat de tijd, waarop hij gewend was te dineeren, waarschijnlijk lang reeds was aangebroken.
Zijn horloge had hij bij de verkleedpartij thuis gelaten en ongelukkigerwijze kon hij van hier uit niet op de klok van het Paleis voor Volksvlijt zien.
Enfin, dat gaf toch niets, Edward had immers gezegd, dat ze nog urenlang op het dak moesten blijven?
Maar zijn maag jeukte!
Naar beneden gaan om in een winkel iets te halen?
Doch neen, hij mocht de opmerkzaamheid der bewoners van het huis, op welks dak zij werkten, niet trekken. Neen, Edward had gelijk! Rustig hier blijven, tot de arbeid afgeloopen was.
Had hij het maar geweten, dan had hij van te voren wel gezorgd, een kleine versnapering bij zich te hebben......
„Charly, heb je nog geen honger?” klonk hem plotseling de stem van zijn vriend in de ooren.
Met een zuurzoeten glimlach op het blozende gelaat richtte de jonge secretaris van Lord Lister zich op.
Hij keek zijn vriend in de donkere, guitig lachende oogen en antwoordde:
„Als een wolf, Edward! Ik zou op het oogenblik heel wat willen geven voor een eenvoudigen biefstuk met aardappelen.”
„Dat komt van het harde werken in de buitenlucht!” lachte Raffles weer. „Kom naast me zitten, Charly, dan zullen we eerlijk samen deelen.”
Bij deze woorden legde Raffles de gereedschappen uit zijn houten bak op een hoopje naast zich neer en tilde toen een plank op, die als een dubbele bodem was aangebracht onder in den bak.
Voor Charly’s verbaasde en begeerige blikken vertoonden zich nu een in vieren gevouwen servet, toen Raffles ook dit had verwijderd, uitte Charly een kreet van verrassing.
Op kleine bordpapieren schaaltjes lagen daar allerlei eetwaren, die er in de oogen van den hongerigen Charly, verlokkender uitzagen dan het fijnste diner, dat oude James voor hem kon opdisschen.
Sneden malsche rostbief, stukken koude kip en een stapeltje dunne boterhammetjes en daarnaast eenige halve flesschen wijn. En zelfs voor een paar vorken en messen had Edward gezorgd!
„Maar dat is verrukkelijk!” riep Charly uit. „Een pic-nic in de avondschemering op het dak!”
En schaterlachend begon hij zich aan de eetwaren te goed te doen.
„Je zult het zonder glas moeten stellen,” sprak Lord Lister, die naast Charly zat en het zich, evenals deze, goed liet smaken. „Maar we hebben weleens vaker de flesch aan den mond gezet, nietwaar, boy? Nu kun je straks nog een lekkere „after-dinner” van me krijgen, want ook die heb ik meegenomen. Hoe heb ik nu voor je gezorgd, Charly?”
„Als een vaderlijk vriend en weldoener. Neen, als een moeder bijna!” sprak de jonge secretaris op gemaakt ernstigen toon.
De laatste overblijfselen van den kouden maaltijd waren verdwenen, en Lord Lister zei, terwijl hij alweer een sigaret had opgestoken:
„Charly, ruim jij nu het eetservies en ons tafelzilver op!”
Charly borg alles weer op den bodem van de gereedschapsbak en legde de werktuigen en gereedschappen van zijn makker weer op het plankje, dat juist in de bak paste.
De zon was nu van den hemel verdwenen en de schemering begon te vallen.
In een grijsachtig licht lagen de huizen der groote stad daar vóór hem; de westelijke hemel was zachtrood getint, welke kleur naar het oosten langzaam overging in lila en grijsblauw.
Het water van den Amstel lag stil en onbewogen en als een reusachtige slang, die roerloos ligt, zoo strekte de rivier zich uit tot ver buiten de stad, tusschen de groene weiden, totdat zij aan den horizon scheen samen te smelten met den grijzen avondhemel, waaraan zich reeds de smalle zilveren maansikkel vertoonde.
Op het dak van het groote, oude huis, waarin de familie Harringa woonde, waren in den donkeren avond twee mannen aan den arbeid.
Zwijgend lichtten zij het luik, dat tusschen de beide schoorsteenen was aangebracht, uit de opening.
Toen gleden zij geruischloos langs de smalle, met stof bedekte trap naar beneden.
Het was in de kleine rommelkamer nu volslagen donker, doch de oudste der beide loodgieters haalde uit een zijner diepe broekzakken een electrische lantaarn te voorschijn en op hetzelfde oogenblik viel een heldere lichtbundel in het sombere vertrek.