Lord Lister No. 0119: Het Genootschap der Droomers

Part 2

Chapter 23,796 wordsPublic domain

Mevrouw Harringa hief lachend haar kleinen wijsvinger op tegen haar ondeugenden zoon.

„Je bent een echte plaaggeest,” sprak ze met haar zachte, eenigszins sleepende stem, die haar jarenlang verblijf in de tropen verried, „als ik jullie was, meisjes, zou ik niet meer met Willy uitgaan.”

„Neen, u hebt gelijk, mama! Hij mag nooit meer met ons mee!” klonk het van de overzijde der tafel.

Mevrouw boog zich tot haar gast over en vertelde:

„Zoo zeldzaam goed als die drie met elkaar kunnen opschieten, dat is alleraardigst. Als Willy kan, neemt hij zijn zusters altijd mee uit en de meisjes zijn dan ook dol op hem.”

„Dat is wel een uitzondering, mevrouw,” antwoordde Raffles. „Meestal nemen de broers liever de zusters van hun vrienden mee uit. Ik persoonlijk kan hier echter niet over oordeelen.”

„Hebt u geen zusters?” informeerde mevrouw.

„Helaas, neen. Broers noch zusters,” sprak dominee Bronsmand, alias John C. Raffles.

Het was, alsof een pijnlijke trek over het gelaat van den spreker gleed, en vreezende, een minder aangename snaar te hebben aangeroerd, bracht de vrouw des huizes als ongemerkt het gesprek op iets anders.

Mevrouw Harringa was eer klein dan groot van gestalte en aanmerkelijk jonger dan haar echtgenoot. Haar gelaatstint was veel donkerder dan die van haar dochters en zij was verre van mooi te noemen. Doch op haar gelaat lag zulk een uitdrukking van goedhartigheid, haar donkere oogen keken zoo eerlijk en trouw om zich heen, dat men vergat, hoe onregelmatig het gelaat was gevormd.

Het bijna zwarte haar vertoonde veel zilveren draden, maar had zijn jeugdigen glans nog behouden.

En hoe ondeugend de oogen van het kleine vrouwtje, ook konden schitteren, als Willy en de meisjes op schalksche wijze elkaar plaagden of geestige uitvallen deden, toch ontging het den Grooten Onbekende niet, dat af en toe een bezorgde uitdrukking op dat gelaat kwam, als haar blik gleed naar die andere zijde van de tafel, links van naar echtgenoot.

Dan bleven die donkere oogen even rusten op den jongen man, die daar had plaats genomen en die zwijgend getuige was van de gesprekken om hem heen, zonder dat hij zich met een woord daarin mengde.

Oswald Harringa, de oudste van het viertal kinderen, was een vreemd uitziend jongmensch. Hij scheen aan onoverkomelijke matheid te lijden, die hem een levenloos, flauw uiterlijk gaf.

Hij had zeer donkere, droomerige oogen en een gelaat zonder uitdrukking, van een bijzonder bleeke tint. Hij was lang en mager, met lange, witte, dunne vingers.

Op eigenaardige wijze hing hij meer in zijn stoel dan dat hij erin zat met zijn lange beenen recht voor zich uitgestrekt onder de tafel.

Slechts een enkelen keer gedurende den maaltijd richtte hij het bleeke gelaat op om met een onverschillige uitdrukking in de donkere oogen en op zachten, vermoeiden toon een kort antwoord te geven, wanneer een vraag rechtstreeks tot hem werd gericht.

Het scheen echter een zwijgende overeenkomst te zijn, dat men Oswald zoo weinig mogelijk lastig viel.

Als hij met een langzaam, kwijnend gebaar vork en mes even had neergelegd, om te wachten tot een van de beide kamermeisjes, die de familie aan tafel bedienden, hem van het noodige had voorzien, liet hij zijn puntige kin op de borst rusten en staarde hij voor zich uit, alsof hij niet wist, wat er om hem heen gebeurde.

Het menu was uitgebreid en daar, zooals de heer Harringa den gast vertelde, de familie ervan hield, om lang te tafelen, had Raffles voldoende gelegenheid om zich nauwkeurig rekenschap te geven van de indrukken, die de leden van dit huisgezin op hem maakten.

Willy met zijn beide vroolijke zusters, daar tegenover hem, zijn gastheer en diens innemende echtgenoote, het bedienend personeel, telkens gleed zijn blik vluchtig van den een naar den ander om dan even te blijven rusten op den bleeken jongen man, die aan den familiedisch zittende, te midden zijner huisgenooten, zich daar geheel geïsoleerd scheen te gevoelen en den indruk maakte, alsof zijn geest geheel afwezig was en hijzelf zich niet bewust van wat er om hem heen gebeurde.

„Ziezoo,” klonk de stem van papa Harringa, toen de gastvrouw opstond, ten teeken, dat de lunch was afgeloopen. „Nu geven de dames ons zeker wel toestemming om in de bibliotheek een sigaar te gaan rooken?”

Niet zonder eenige voldoening zag Raffles, dat behalve Willy, ook Oswald zich uit zijn stoel verhief om de anderen te volgen. De bibliotheek was een hoog, niet al te groot en zeer gezellig vertrek. Het licht viel ongehinderd naar binnen door de vier ramen, waarvoor de mosgroene overgordijnen geheel waren weggeschoven.

Een breede boekenkast, die den muur tegenover de vensters geheel in beslag nam, borg een verzameling werken van den meest verscheiden inhoud. Met een korten oogopslag las Raffles de titels der meest bekende klassieken, werken op scheikundig gebied, boeken over natuurlijke historie en een volledige encyclopaedie. Een der planken telde een lange rij klein-formaatboeken, uitgegeven door de Wereld-bibliotheek en daaronder waren in keurige prachtbandjes bijeengegaard een groot aantal romans en andere werken, betrekking hebbende op het leven en de toestanden in Indië. Deze reeks werd afgesloten door de in twaalf deelen gebonden werken van Multatuli.

Vóór de ramen van het vertrek stond een achthoekige eikenhouten tafel, waarop een Indisch kleed lag en waaromheen een viertal clubfauteuils van donkergroen leer geschaard stonden.

De vier heeren namen in deze gemakkelijke zetels plaats en Willy schoof een paar kleine rooktafeltjes aan.

„Dit merk kan ik u bijzonder aanbevelen,” sprak de gastheer tot Raffles, die, schijnbaar toevallig, vlak tegenover Oswald Harringa had plaats genomen.

Bij die woorden wees de oude heer naar een der soorten in een geopend kistje, waar in keurige regelmaat, verschillende fijne merken, met goudbedrukte bandjes voorzien, lagen te wachten op den fijnproever, die hen in geurigen damp zou doen opgaan.

„Wilt u mij toestaan,” sprak Lord Lister, „om mij aan mijn gewoonte te houden en een sigaret op te steken? Ik heb nooit smaak kunnen vinden in het rooken van sigaren.”

Bij deze woorden haalde de Groote Onbekende zijn kostbaar gouden sigaretten-etui te voorschijn, doch nog voor dat hij het had kunnen openen, sprak de gastheer met een glimlach:

„Neen dat kan ik niet toestaan, dat gij uw eigen sigaretten rookt. Toevallig heeft mijn zoon Oswald dezelfde voorliefde voor dit rookmateriaal, die gij er op na schijnt te houden, dominee Bronsmand, probeer daarom eerst eens het merk, dat mijn zoon rookt.”

„Ik denk niet, papa,” klonk nu de zachte, eentonige stem van Oswald, „dat mijn sigaretten mijnheer zullen smaken.”

En alsof het uitspreken van deze weinige woorden reeds te veel inspanning voor den bleeken jongen man was geweest, leunde hij nog dieper terug in de leeren kussens van zijn fauteuil, terwijl hij als doodelijk vermoeid even de oogen sloot.

Lord Lister was geen enkele der trage bewegingen van den tegenover hem zittende ontgaan, doch op ongedwongen toon antwoordde hij:

„Indien u het toestaat, wil ik dolgraag een sigaret van u opsteken. Ik ben een sterk rooker en veronderstel, dat uw merken ook mij wel zullen bevallen.”

Bijna onwillig haalde Oswald nu op zijn beurt een prachtigen sigarettenkoker uit zijn borstzak te voorschijn.

Het étui was van dof goud vervaardigd en bevatte eenige initialen, die van kleine diamanten waren gezet. Welke deze letters waren kon Raffles op dat oogenblik onmogelijk ontcijferen.

Oswald Harringa had het étui geopend en bood den gast een der sigaretten aan.

Lord Lister stak hem aan, doch reeds nadat hij eenige trekjes had gedaan, legde hij den sigaret in het aschbakje en sprak, terwijl er even een eigenaardige uitdrukking in zijn zwarte oogen verscheen, die hij eenige seconden op Oswald liet rusten.

„Inderdaad, gij hadt wèl gelijk, mijnheer Harringa, dit merk bevat mij niet. De sigaret is mij werkelijk te zwaar.”

Luidkeels begon Willy te lachen.

„U moet weten,” wendde hij zich tot Raffles, „dat ik de sigaretten van mijn broer niet uit kan staan. Gelukkig houdt hij er de liefhebberij op na, om af en toe op het dak te gaan rooken. Dan genieten alleen de duiven en de musschen van dien „heerlijken” geur.”

Een gloeiende blos overtoog voor een oogenblik Oswald’s gelaatstrekken, toen zijn jongere broer die woorden sprak. Maar Lord Lister was die blos niet ontgaan en schijnbaar achteloos voegde hij den stillen jongeman toe:

„Op het dak? Maar dat is alleraardigst. Dan zult u wel een mooi vergezicht hebben over Amsterdam.”

Toen zich lachend tot den ouden heer wendende:

„Staat u mij nu toe, meneer Harringa, dat ik een van mijn eigen exemplaren opsteek?”

Eveneens lachend antwoordde deze:

„Het zou nu al bijzonder onbeleefd van mij zijn, als ik u dit bleef weigeren. Het is toch eigenaardig,” ging hij voort en reeds was de lachende uitdrukking weer van zijn gelaat verdwenen, „dat wij geen van allen in dit opzicht den smaak van mijn oudsten zoon deelen.”

Op het uitdrukkingslooze gelaat van Oswald was een bijna onmerkbaar ironisch lachje verschenen. Dit honende spotlachje was den Grooten Onbekende niet ontgaan, doch schijnbaar met de grootste belangstelling sprak deze, terwijl hij aandachtig de grillige figuren in het tafelkleed bekeek:

„Dit is een zeldzaam fraai kleed, mijnheer Harringa. U bent zeker in het bezit van veel Indische merkwaardigheden?”

„Ja, ik heb daarvan zelfs een klein museum aangelegd,” vertelde de suikerlord. „Een der kamers van dit huis heb ik voor dat doel ingericht en ik durf gerust beweren, dat mijn verzameling bezienswaardig is.”

„Is het al te onbescheiden, als ik u vriendelijk verzoek, uw collectie eens te mogen bewonderen?” vroeg Raffles. „U moet weten, dat ik zelf een groot liefhebber van antiquiteiten en zeldzaamheden ben.”

Albert Harringa aarzelde even, eer hij een antwoord gaf.

Hij wisselde eerst een korten blik met zijn jongsten zoon, die als bevestigend met het hoofd knikte.

Toen sprak de oude heer:

„Het was vroeger mijn trots en glorie om vrienden en bekenden een blik te gunnen in de „schatkamer”, zooals Willy indertijd mijn klein museum doopte. Onaangename gebeurtenissen echter, een paar geheimzinnige diefstallen, hebben mij meer terughoudend gemaakt. U echter, voor wien ik, evenals mijn jongste zoon, sympathie heb, al ken ik u nog slechts kort, wil ik het verzoek niet weigeren.”

Toen vertelde de oude heer Harringa in korte trekken de geschiedenis der beide onontdekte diefstallen, hetzelfde verhaal, dat Raffles in meer uitvoerige bewoordingen eenige dagen geleden uit Willy’s mond had vernomen.

„En ik geloof niet,” zoo besloot de suikerlord, „dat ik ooit den dief van de kostbaarheden zal vinden.”

„Wie weet, papa?” riep Willy uit. „De meest raadselachtige misdaden zijn wel opgelost...”

„Wat denkt gij er van, mijnheer Oswald?” vroeg de Groote Onbekende, zich tot den oudsten zoon wendende.

Zonder zijn hoofd op te heffen, antwoordde deze met lispelende, droomerige stem:

„Het is een vreemde zaak en ik denk niet, dat vader ooit zijn doodshoofd terug zal krijgen.”

„Ik hoop, dat het uit zal komen, dat je je hierin vergist,” sprak Willy met groote levendigheid. „Als papa de zaak maar in handen wilde geven van een knappen rechercheur, zou het geheim wel worden opgelost!”

„Neen,” antwoordde de jonge man weer. „Ik geloof niet, dat er een enkele rechercheur bestaat, die in staat is om uit te vinden, hoe het ding gestolen is en waar men het gebracht heeft.”

Als verbaasd over de groote welsprekendheid van zijn broeder, keek Willy dezen aan.

De oude heer Harringa stond nu uit zijn fauteuil op en stelde voor om nu naar boven te gaan, ten einde de „schatkamer” te bezichtigen.

Willy sprong op om zijn vader en den „dominee” te volgen, terwijl Oswald bijna fluisterend sprak:

„Ik ga nu naar mijn kamer om te rusten.”

Hij nam met een paar woorden afscheid van den bezoeker en verdween door een der deuren uit de bibliotheek.

De „schatkamer” kwam geheel overeen met de beschrijving, die Willy ervan had gegeven. De vloer was van donker eikenhout, evenals de lambrizeering. En terwijl Raffles, schijnbaar geheel verloren in zijn bewondering voor de vele kostbaarheden, die hier bijeengezameld waren, met scherpe blikken rondkeek, bracht hij als onwillekeurig het gesprek weer terug op den diefstal van het doodshoofd.

„Verbergt deze houten lambrizeering geen enkele geheime deur, waardoor het den dief mogelijk zou zijn geworden, te ontsnappen?” vroeg hij. En in het voorbijgaan klopte hij hier en daar eens tegen het houten beschot.

„Geen enkele in- of uitgang behalve de gewone deur,” antwoordde Albert Harringa.

„Het is vreemd!” sprak Raffles.

Toen werd verder over de geheimzinnigheden, welke zich hier hadden afgespeeld, niet meer gesproken. Maar een eigenaardige glans lag in de oogen van den Grooten Onbekende, toen hij eenige minuten later met de beide heeren het vertrek verliet.

Het was laat in den namiddag, toen dominee Bronsmand afscheid nam van den ouden heer Harringa, diens vrouw en dochters.

Willy wilde zijn vriend een eindweegs naar huis terug geleiden en samen verlieten de beide heeren het ouderwetsche huis aan den Amstel.

De huisdeur stond open en in de vestibule ontmoetten zij twee werklui, die in blauwe werkblouses gekleed met hun gereedschappen in de hand, bij de deur stonden te wachten.

„Moeten jullie hier zijn?” vroeg Willy, toen de beide mannen eerbiedig voor de heeren op zij gingen.

„Ja, mijnheer,” antwoordde de oudste van het tweetal, „we hebben een reparatie op het dak en wachten even op een boodschap van den baas.”

„Mooi,” antwoordde Willy.

Toen wandelde hij met lord Lister langs de breede rivier, waarop eenige zeil- en roeibootjes langzaam voortgleden.

De beide heeren namen afscheid bij het Rijksmuseum en toen dominee Bronsmand, alias John C. Raffles zich door de Paulus Potterstraat huiswaarts begaf, tastten zijn vingers even in den rechtervestzak. Wat hij eruit te voorschijn haalde en met een geheimzinnigen glimlach bekeek om het daarna weer in den vorigen schuilhoek terug te brengen, was niets anders dan de gedeeltelijk opgerookte sigaret, hem door Oswald Harringa aangeboden.

DERDE HOOFDSTUK.

OSWALD HARRINGA.

De oudste zoon van den heer Albert Harringa was een zonderling; als zoodanig werd hij althans door zijn vrienden beschouwd en ook de huisgenooten tot zelfs zijn ouders behandelden Oswald steeds met een zekere terughoudendheid. Zijn zusters schenen zelfs eenige vrees te koesteren voor hun somberen broer, die zoo geheel verschilde van den levenslustigen Willy.

Want waar Willy altijd bereid werd gevonden met de zusjes uit te gaan, haar te begeleiden op feestjes en uitstapjes; en waar Willy’s heldere, gezonde lach en prettige, jonge stem zoo luidruchtig door de gangen en de ruime kamers van het groote huis kon daveren, daar hoorde men Oswald zich schier niet bewegen.

Hij deed alles geruischloos; hij liep zachtjes... als op fluweelen schoenen, zooals de keukenmeid placht te zeggen, die over Oswald nooit anders sprak dan over „de vleermuis”.

„De oudste jonge meneer,” zei ze dan. „ziet er net zoo grauw en zoo vaal uit, als zoo’n griezelig nachtgedierte en als ik hem tegenkom ben ik altijd bang.”

„Loop heen,” lachte de oude huisknecht, „meneer Oswald is wat eenzelvig, maar hij zal geen kind kwaad doen. Als je ’t mij vraagt, geloof ik, dat meneer niet al te bestig in orde is. Hij ziet er zoo minnetjes uit; zoo heel anders dan de andere kinderen van meneer en mevrouw. De jonge dames en meneer Willy hebben wangen als appels en oogen als sterren!”

Oswald Harringa was altijd een stil en ingetogen kind geweest. Zelden of nooit had hij meegedaan aan de luidruchtige spelen van zijn vriendjes en urenlang kon hij thuis in een hoekje zitten lezen, of, aanhoudend voor zich uitstarend, droomend suffen.

„Ga toch met de jongens naar het veld voetballen, of wordt lid van een tennis- of zwem- of roeivereeniging,” hadden zijne ouders hem aangeraden, toen hij, op zeventienjarigen leeftijd van een goede kostschool was thuisgekomen.

Op aanraden van den dokter was Oswald op twaalfjarigen leeftijd naar kostschool gestuurd.

„De jongen moet maar den boer op, meneer Harringa,” had de geneesheer gevonden, „stuur hem maar naar een gezonde streek. De vrije natuur en de buitenlucht zullen hem goed doen.”

Zoo was de jongen vijf jaren van huis geweest. Alleen de vacanties bracht hij bij zijn ouders door. Steeds was Oswald stil gebleven en in zich zelf gekeerd en toen hij eindelijk voor goed thuis kwam had zijn moeder niet veel in gezelligheid aan haar zoon gewonnen.

Hij versmaadde alle pretjes; hij dacht er niet aan, zich aan te sluiten bij jongelui van zijn leeftijd en een groot gedeelte van den dag bracht hij op zijn kamer door.

Oswald had slechts één hartstocht: rooken.

Zijn ruime zitkamer op de tweede verdieping gelegen, was gansch en al doortrokken van een scherpe, doordringende lucht van een zeker soort sigaretten, die hem bij vele doozen tegelijk door een vriend uit Brussel werden gestuurd.

Geen der mannelijke huisgenooten was het mogelijk die sigaretten te rooken, zonder daarvan de nadeelige gevolgen te ondervinden: hoofdpijn, lichte duizeligheid, onpasselijkheid.

Als Oswald iets van een dergelijke uitwerking bespeurde bij zijn vader of zijn broer, trok een minachtend lachje om zijn smalle lippen, even haalde hij de schouders op, om het volgende oogenblik weer den brand te steken in een dergelijk vreemdsoortig rook-exemplaar en zwijgend in een hoek te gaan zitten, zonder deel te nemen of belang te stellen in de huiselijke conversatie.

„De vleermuis” noemde hem het bedienend personeel, omdat hij des avonds alleen het huis verliet en dan, meestal héél laat in den nacht terugkeerde.

En „de droomer” zeiden z’n zusters tegen hem, omdat hij op haar den indruk maakte van iemand, die den ganschen dag verkeert in een droomtoestand.

Maar noch van het een noch van het ander wenschte Oswald de minste notitie te nemen.

Hij zweeg, verliet de huiskamer en begaf zich naar zijn eigen zitvertrek.

Die zitkamer zag er vreemd en wonderlijk uit en was door den bewoner met de uiterste zorg, met bijna vrouwelijke netheid in orde gebracht.

Op den grond lagen een Perzisch tapijt en een viertal zachte ijsberenvellen, die hun machtige, grimmige koppen opstaken en onder de strak-starende oogen den grooten muil met de spitse hoektanden lieten zien.

Een lage, zeer breede divan was overdekt door een kostbare Oostersche lap in gloeiende kleuren en stond tegen een achtergrond, die werd gevormd door de huid van een Bengaalschen tijger.

Overal waren in de kamer draperieën en doeken gehangen van zeldzame stoffen en wondermooie kleuren. Overal stonden makkelijke zetels vol zwaarzijden en fluweelen kussens. Tegen den muur hingen wapens en olifantstanden, vleugels van uitheemsche vogels, waaiers van ivoor, honderden jaren oud.

Een groote schilderij boven den schoorsteenmantel, gevat in zwarte ebbenhouten lijst met gouden rand, stelde eenige Indische fakirs voor.

Een der mannen werd voorgesteld, terwijl hij bezig was met een vlijmscherp mes den duim van zijn rechterhand te splijten. Vermiljoenrood waren de bloeddroppels gekleurd, die neersijpelden op het witte kleed van een dier andere Indische bedelmonniken, die van aalmoezen leven en zich allerlei wreede lichaamskwellingen opleggen.

De meesten dier fakirs zijn onwetend, onbeschaafd, lui en vuil en, in weerwil van hunne bekende ondeugden, worden ze door het volk met eerbied bejegend, hoewel ze zelfs in sommige streken van Azië een hoogst verderfelijken invloed uitoefenen.

Oswald dacht aan de fakirs, die hij ook hier te lande wel eens had zien werken en die zoo bekend zijn door de buitengewone, zelfs onbeschrijfelijke behendigheid, waarmede zij allerlei goocheltoeren en schijnbaar bovennatuurlijke handelingen verrichten.

Dat was een zijner liefste bezigheden.

Zóó liggende op den divan, op te zien naar die bloederige schilderij.

Maar ook wel begaf hij zich, voordat hij zich uitstrekte op de rustbank, naar een boekenkastje, gesneden van ebbenhout, kunstig bewerkt en ingelegd met paarlmoer en steunende op vreemd gedraaide pooten, vervaardigd van olifantstanden.

Uit dat kastje haalde hij dan een der in marokijnleer gebonden boeken te voorschijn.

Het was een boek, waarvan de bladen van soepele zijde waren vervaardigd. Vreemde, grillige figuren stonden op den omslag boven de afbeelding van een opiumschuiver.

Oswald las, hoewel hij den inhoud, reeds honderden malen verslonden, uit zijn hoofd kende.

Hij wist het zeer wel, dat het opium als geneesmiddel door bevoegden toegediend, in vele opzichten heilrijk werkt; het was hem bekend, dat door opium iemands gemoedsstemming kan worden verlevendigd; een gevoel van welbehagen kan intreden, de kwelling van zorg en smart gaat wijken.

Maar óók was het hem bekend, dat het onmatig gebruik van opium op den duur het lichaam sloopt en dat de opiumgebruikers, die gaan lijden aan longen en hart, aan maag en darmen, ook door hun uiterlijk kenbaar worden. „Immers”, las Oswald, „krijgt het gelaat iets perkament-achtigs; uit de oogen verdwijnt alle glans, alle flikkering gaat verloren. Ze schijnen in hunne holten geheel te zijn weggezonken, terwijl de wenkbrauwen kwijnender worden en een vaal geel het gansche gelaat bedekt. Ook de nieren worden aangedaan en vertoonen spoedig een ontsteking, die de aanleidende oorzaak wordt van waterzucht, opgezwollen, met water doortrokken voeten, beenen en buik.

„Den lijder, die reeds langen tijd klaagde over spanning op de borst en kortademigheid, wordt het ademhalen bijna onmogelijk, zoodat hij ieder oogenblik dreigt te stikken.”

Kleine zweetdroppels parelden op het voorhoofd van den jongen Harringa, toen hij verder las:

„Het bederf der vochten roept groote puisten, vuile, boosaardige zweren, kliergezwellen en knobbels te voorschijn.

„Intusschen is het lichaam vermagerd. Het vleesch is allengs verteerd, het vel hangt als een zak om het gebeente. Het aangezicht wordt lijkkleurig en zwart, de beenen raken ontbloot als hout en blokken. Dat ook de werkzaamheid der hersenen wordt aangedaan, spreekt vanzelf; het verstand wordt beneveld, de denkkracht vernietigd, het geheugen vermindert. Dit lijden kan jarenlang duren, totdat de betrokkene sterft, veelal aan een hartlijden.

„En ook op de moraliteit van den gebruiker werkt het opium vaak in hooge mate ongunstig. Menigeen is er door tot misdrijf vervallen ten einde zich de middelen te verschaffen om het gebruik van opium voort te zetten.

„Was men vóór het gebruik van opium moe, lusteloos, krachteloos, daarna is elk gevoel van moeheid en afmatting geweken. Doch dan wordt spoedig verslapping van kracht waargenomen, dan is de spierkracht blijkbaar verminderd, de geest werkt trager, en hieraan paart zich een hol gevoel in het hoofd, met neiging tot slapen.

„Een en ander schijnt het gevolg te zijn van den verlammenden invloed dien het opium uitoefent, waardoor, vooral bij veelvuldig gebruik, het zenuwstelsel sterk wordt aangegrepen.........”

Oswald Harringa had de zijde bladen van het eigenaardige boek in elkaar gefrommeld.

Toen, met een geweldigen smak, wierp hij het boekdeel van zich af en de marokijnleeren band vloog met een harden klap tegen een klein, porseleinen afgodsbeeldje, dat op een onyxtafeltje te pronk stond en nu, met gebroken arm en hoofd, neerviel op het gladde tafelblad.

Oswald schrikte.

„Scherven op Vrijdagmorgen beteekent onheil”, fluisterde hij in fanatiek bijgeloof en zijn dunne, wasbleeke vingers tastten langs het klamme voorhoofd.

„Scherven op Vrijdag—verdoemd! Hoe kon ik ook zóó onvoorzichtig zijn en dat ongeluksboek zoo ruw wegsmijten!”

Hij richtte zich op met mat gebaar, legde den sterk geurenden sigaret op een zilveren aschbak, waarin de grillige figuren van een drakenkop waren gedreven, en liep naar het onyxtafeltje.