Lord Lister No. 0119: Het Genootschap der Droomers
Part 4
Plank voor plank onderzocht John C. Raffles nu de vier muren van het kamertje en aandachtig luisterde hij naar het geluid, dat zijn kloppen op het ruwe hout teweeg bracht.
Eindelijk vond hij in een der hoeken, die hij slechts had kunnen bereiken door zich een weg te banen over kistjes en manden, een plek, waar het geluid holler klonk.
Weer werd het vergrootglas te voorschijn gehaald en eenige minuten later had de Groote Onbekende gevonden, wat hij zocht.
Voorzichtig drukte hij op een bijna onzichtbare, smalle veer, die in de kier tusschen twee planken was aangebracht en plotseling opende zich een deur in den houten muur.
De deur draaide naar buiten open en bij het heldere licht der electrische zaklantaarn zag Lord Lister eenige steenen treden, in den muur van het huis uitgehouwen.
Een glans van genoegen was op het fijne gelaat van den Grooten Onbekende verschenen.
Even keerde hij zich om naar Charly, die in de opening van het dakluik was blijven zitten, de beenen langs de vuile houten trap naar beneden bengelend.
Lord Lister beduidde zijn vriend met een gebaar, om hem naar beneden te volgen.
De steenen trap was zóó smal, dat zij die niet naast elkaar konden afloopen.
Ook hier was alles met een dikke laag stof bedekt, waarin zich duidelijk de sporen van voetstappen vertoonden.
De trap stiet tegen een deur, die gesloten was en Raffles zag bij het schijnsel zijner lantaarn, dat deze deur geen handvat of slot bezat.
Zijn slanke vingers betastten plek voor plek, gleden langs de paneelen en het kozijn, totdat zij een ondeelbaar oogenblik bleven rusten op een klein, rond knopje, dat aan de rechterzijde was aangebracht en volkomen op een knoest in het hout geleek.
Een korte druk en de deur ging geruischloos open.
Daar vóór hem, helder verlicht door het schijnsel van Raffles’ zaklantaarn, lag de „schatkamer”, het heiligdom van den heer Albert Harringa, en deze deur, die op zoo kunstige wijze was aangebracht, maakte, zooals Lord Lister reeds had vermoed, een deel uit van de eikenhouten lambrizeering, die de wanden der kamer gedeeltelijk bedekte.
Charly wierp nieuwsgierige blikken om zich heen.
„Drommels, daar is een goede slag te slaan!” dacht hij bij zichzelf. „Goud en zilver genoeg en antiquiteiten en kostbaarheden, meer dan we mee zullen kunnen nemen!”
En reeds verwachtte hij, dat Edward hem een aantal van de meest waardevolle voorwerpen zou toereiken om ze onder zijn blauwe werkmanskiel te verbergen.
Hoe groot was daarom zijn verbazing, toen Lord Lister, inplaats van deze kleine schatkamer binnen te gaan, zich weer naar Charly wendde en tot dezen op fluisterenden toon sprak:
„Weer naar boven!”
Raffles sloot de eikenhouten deur weer zorgvuldig achter zich dicht, beklom met Charly de steenen trap en door het stoffige rommelkamertje begaven zij zich naar het dak terug.
Eerst toen zij den weg weer door middel van het luik hadden afgesloten, durfde Charly zijn verbazing te uiten.
„Waarom gaan we met leege handen terug, Edward? Het was toch een kleine moeite, nu we eenmaal dáár waren, om......”
„Begin je weer te vragen?” bromde Lord Lister. „Ik wil deze keer eens niets weghalen uit die schatkamer, maar er iets terug bezorgen, boy!”
„Terug bezorgen? En moet dat langs dezen weg?”
„Dat vertel ik je later wel, als ik het voorwerp, dat terug bezorgd moet worden, maar eerst heb gevonden!”
„Moet je dat nog vinden? Nu begrijp ik er heelemaal niets meer van!” mopperde de blonde secretaris.
„Dat is ook niet noodig!” klonk het lakonieke antwoord en toen vervolgde Raffles, terwijl hij zijn blauwe kiel losknoopte:
„Kijk, Charly, ik had er al op gerekend, dat we op eigen gelegenheid weer naar beneden zouden moeten gaan.”
Al sprekende wond hij een touwladder van zijn middel, die daaromheen geslagen was geweest. Uit zijn gereedschappenbak nam hij toen een stevigen ijzeren haak, verbond dezen aan het boveneinde van de ladder en sprak weer:
„Aan de achterzijde van het huis is een kleine tuin; daarin zullen we ons laten afzakken. Ik zal eerst gaan, Charly; als ik goed en wel beneden ben aangeland, trek ik driemaal aan het touw en daarna kan jij komen afdalen.”
„En onze gereedschapsbakken?” vroeg Charly.
„Wel, kerel, die laten we hier achter.”
„Maar de vorken en messen?”
„Die schenken we den eerlijken vinder; de loodgieters, die hier na ons komen werken, mogen er hun huishouden mee verrijken.”
Een kwartiertje daarna waren John C. Raffles en Charly Brand behouden in den tuin van den heer Harringa beland. Een houten schutting scheidde dezen tuin van de straat en het was voor de beide vrienden een geringe moeite om hierover te klimmen.
Het was tegen tien uur in den avond, toen oude James, de getrouwe huisknecht van Lord Lister, werd opgeschrikt bij het lezen van zijn krant, door een luid bellen aan de voordeur.
Toen hij deze opende, zag hij twee werklui, nog in hun blauwe kielen gekleed, voor zich staan.
Beleefd zijn pet afnemend, sprak een van het tweetal:
„Zouden wij u een kleinigheid mogen verzoeken voor een paar werkloozen?”
Wijder openden zich de oogen van James, scherper keek hij toe, toen barstte hij in een schaterlach uit.
„Die meneer Brand toch!” lachte hij hoofdschuddend, terwijl hij Lord Lister en diens vriend liet passeeren, „om een ouden man zoo voor den gek te houden!”
Toen slofte hij achter het tweetal aan naar binnen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE HINDOE-VROUW.
De Munttoren had het negende avonduur verkondigd.
Uit Hotel de l’Europe traden twee elegant gekleede heeren naar buiten, die de brug naar het Sophiaplein overgingen en toen, bij het wachthuisje van de tram afscheid van elkaar namen.
„Bonsoir, Charly,” klonk de stem van den oudste hunner, „ik hoop, dat je den avond aangenaam zult doorbrengen!”
De jonge man, tegen wien deze woorden werden gesproken, drukte zijn vriend de hand en was een oogenblik later verdwenen in het drukke Kalverstraatgewoel.
De lange, slanke heer bleef nog even staan. Toen wandelde hij heel langzaam, nadat hij een sigaret had opgestoken, den Amstel langs.
Geen tien minuten later scheen hij het doel van zijn wandeling te hebben bereikt.
Hij begaf zich namelijk in een diepe, ruime portiek van een der heerenhuizen aan den Amstel gelegen. Het was het perceel, grenzende aan dat van den heer Harringa.
Ruim een kwartier had de heer, in wien wij reeds den Grooten Onbekende hebben gezien, staan wachten en reeds meende hij, dat zijn tocht dezen avond zonder eenig resultaat zou blijven, toen de zware eikenhouten voordeur in het huis van den suikerlord werd dichtgeslagen.
Luid dreunde de klap van het massieve hout op het koperen beslag door de avondstilte op deze eenzame gracht.
Even later zag Raffles, dat een magere figuur zich over de straat bewoog. En bij het schijnsel der straatlantaarn herkende hij den oudsten zoon van Albert Harringa.
Raffles liet Oswald Harringa een vijftig schreden vóór gaan.
Toen verliet hij den portiek en volgde de gedaante, die, een weinig voorovergebogen, voort liep langs den Amstel.
„Als ik nu maar eerst eens weet,” peinsde de Groote Onbekende, „waar die zonderling zijn avonden doorbrengt en een groot gedeelte der nachten, dan zijn we al een heel eind verder.”
Oswald Harringa wandelde den Amstel af tot aan de Heerengracht. Hij beklom de hooge brug en sloeg toen linksaf de gracht op.
Langzaam volgde hem de Groote Onbekende. Hij gevoelde zich volkomen veilig, want Oswald had hem alleen gezien in zijn vermomming van dominee Bronsmand.
Vele grachten liep de jonge Harringa af, maar bij geen dier hooge, breede en deftig uitziende huizen bleef hij staan. Hij sloeg eindelijk een korte zijstraat in, die naar den Singel voerde, een straat, waar vroeger eveneens welgestelde lieden hadden gewoond.
Maar van deze straat waren de roemrijke dagen vervlogen en nu werden de huizen voor het grootste gedeelte gebruikt voor kantoren.
Het was een stille, rustige straat, hoewel zij toch naar een vrij druk punt van den Singel leidde.
Het huis, waarin de Groote Onbekende Oswald Harringa zag verdwijnen, was het laatste aan de linkerhand. Het was het eenige huis, dat niet voor kantoor werd gebruikt en de eerste gedachte van Raffles was, toen hij keek naar den grijzen muur en de witte lancastergordijnen, die voor de ramen hingen, dat hier de een of andere vergaderzaal was gevestigd.
Maar welke vereeniging hield hier hare bijeenkomsten?
Waarom kwam ze hier bijeen?
En hoe dikwijls?
De Groote Onbekende gevoelde en begreep maar àl te goed, dat het thans niet het aangegeven uur en de juiste gelegenheid was om dat alles te onderzoeken.
Hij haalde een klein, zwaar notitieboekje te voorschijn, schreef daarin den naam der straat en het nummer van het huis en wandelde langzaam terug langs de Heerengracht tot aan de Westermarkt.
Hier nam hij een taxi en daarmee liet hij zich naar de club brengen, waar Charly reeds aan de whisttafel had plaats genomen.
Even keek de jonge secretaris verbaasd, toen hij, zóó gauw reeds, zijn vriend en meester zag verschijnen.
Maar Edward Lister nam zelfs niet de minste notitie van Brand. Hij begaf zich naar een der hoeken van het clublokaal, waar de goedige, dikke Richard Mollen een partijtje bridge speelde en veel domheden debiteerde.
En al heel spoedig liet ook John C. Raffles de kaarten door de gladde vingers glijden en hoorde men niets dan: „Harten troef, jonker Van Leeuwen speelt voor!...... Da’s een mooi spel, jonker......”
Om vijf uur den volgenden middag stond Raffles weer voor het groote huis in de stille dwarsstraat tusschen Singel en Heerengracht.
Op zijn schellen werd de deur geopend door een vrouw van een bepaald Oostersch voorkomen.
Het was een klein, droevig uitziend wezen en Raffles, die op zijn reizen bijkans alle volksstammen en alle rassen met hun uiterlijk zoo verschillende eigenaardigheden en kenmerken had leeren kennen, zag terstond, dat dit een Hindoesche was.
Hij vroeg haar, welke vereeniging in dit gebouw haar vergaderingen hield en in gebroken Hollandsch met een sterk Engelsch accent antwoordde zij, dat het de vereniging was van de Indische droomers.
Maar verder kon Raffles niets uit haar krijgen.
„Het is beter,” sprak de kleine vrouw, „dat gij eens terug komt, als mijn man thuis is.”
De Groote Onbekende, nu wetende, dat de conciërge van het huis afwezig was en begrijpende, dat de vrouw, zijn vragen allicht eerder zou beantwoorden dan haar man, vroeg thans in de Engelsche taal, of hij niet eens de vergaderzaal der vereeniging zou mogen zien.
Ook dit werd geweigerd.
Toen nam Raffles zijn toevlucht tot het eenige, wat hem in dezen nog overbleef!
„Als dat niet helpt, helpt niemendal!” dacht hij en hij haalde een vijftal gouden tientjes uit zijn vestzak te voorschijn.
De zwarte oogen der Hindoesche glinsterden van hebzucht, toen ze de gouden schijfjes zag liggen in de blanke hand van den vreemdeling, die haar moedertaal op zoo onberispelijke wijze sprak.
Nog echter aarzelde zij.
En wederom tastte Raffles in zijn zak en hij verdubbelde het aantal der gouden muntstukken.
Nòg gretiger keken de oogen der kleine vrouw.
Maar toen ook bezweek zij voor de verzoeking.
Met een enkele handbeweging en een bijna onmerkbaar hoofdknikje noodde zij den slanken bezoeker binnen te treden. En toen de grijze deur achter Raffles was dicht gevallen, stond hij in een klein voorportaal. Dat voorportaal leidde door een matglazen deur naar een vestibule, waar een dik wollig kleed lag, dat iederen voetstap dempte.
De muren waren behangen met zwart fluweel, een breede trap, waarvoor zware gordijnen hingen, voerde naar boven.
Bijna volslagen duisternis heerschte in deze vestibule. Een drukkende somberte overviel den Grooten Onbekende en de lucht, die hij inademde, was doordrongen van een vreemden, ziekelijken damp.
Geleid door de Hindoe-vrouw, kwam Raffles door een met gordijnen behangen deur in een groot vertrek, dat de diepte had van het gansche huis.
Het daglicht was hier totaal buitengesloten; het vertrek werd verlicht door een groote lamp, die in het midden van de zoldering afhing. Een kleinere lamp brandde in een der hoeken.
Purperkleurig was het fluweel, waarmede in deze kamer de muren en ook de zoldering waren bekleed. Een rijk Indisch kleed, waarin diep de voet wegzonk, lag op den vloer en de tafel, die in het midden van de kamer was geplaatst, was bedekt met een fluweelen kleed in dezelfde kleur als het muurbekleedsel.
Rijke rustbedden met fluweelen kussens en kostbare Indische dekens belegd, stonden rondom.
Dezelfde ziekelijke geur, die Raffles reeds in de vestibule had opgemerkt, hing ook in deze merkwaardige kamer, waar een stilte heerschte als in het graf en waar geen enkel geluid uit de buitenwereld tot het oor doordrong.
De lampen brandden, maar desondanks duurde, het geruimen tijd, voordat Lord Lister’s oogen gewend waren aan de schemering en ze de bijzonderheden in het vertrek konden opnemen.
Toen bemerkte hij op het fluweel aan de eene zijde der kamer in fonkelende gouden letters, die zeer duidelijk uitkwamen tegen den violetkleurigen achtergrond, de volgende woorden:
„DROOMEN IS LEVEN!
DROOM, WANT ONTWAKEN IS STERVEN!”
Het doffe licht en de sombere, zware meubelen en behangsels gaven het geheel een tooverachtig aanzien.
Het was alles zeer indrukwekkend.
Terwijl Raffles nog steeds de kamer rondkeek, klonk plotseling luide de huisbel. De kleine Hindoe-vrouw werd zeer zenuwachtig.
„Dat is mijn man!” sprak zij. „Hij zal verschrikkelijk woedend zijn als hij u hier vindt. O, ik weet zeker, dat hij me zal slaan, als hij ziet, dat ik een vreemde in de vergaderzaal heb toegelaten! Hier! Ga in deze nis! Ik zal u verbergen, totdat ik u straks ongemerkt het huis kan doen verlaten.”
Zij wees den Grooten Onbekende een soort nis aan, waarin vroeger een standbeeld had gestaan, dat thans echter was weggenomen en waarvoor nu een gordijn hing.
Raffles ging in de nis staan, vast besloten, om in dien schuilhoek te blijven, totdat hij het geheim had opgelost.
De vrouw ging heen door een binnen- en buitendeur, beide dik gevoerd en bedekt met fluweel.
Daarna hoorde Raffles niets meer.
De atmospheer was zwaar en hij ondervond een gevoel van matheid, dat hem anders totaal vreemd was.
Hij verliet echter terstond de schuilplaats om het vertrek te onderzoeken en toen bemerkte hij, dat de rustbedden verrukkelijk en verleidelijk zacht waren en de tapijten, kussens en gordijnen van het kostbaarste fluweel.
Het was hier een heerlijke kamer om te liggen droomen, geheel en al afgesloten van de buitenwereld.
Aan het eene einde der kamer stond een groote kast, vervaardigd uit Indisch hout. Zij was geheel voorzien van ijzeren banden en gesloten met een groot, koperen hangslot.
Op een tafeltje naast die kast lag een stapeltje kanariegeel papier, daarnaast een pak witte enveloppen bij een zwaar zilveren inktstel met toebehooren.
Raffles nam een der enveloppen in de hand en bekeek ze vol aandacht en toen zag hij, dat in den linkerbenedenhoek een soort monogram was aangebracht met de daarin verwerkte letters: d. i. l. d. w. o. i. s.
„Droomen is leven! Droom, want ontwaken is sterven!” fluisterde de Groote Onbekende en een vreemde gewaarwording overviel hem, een gevoel van oneindigen weemoed.
Maar hij worstelde tegen die wonderlijke aanvechting en terzelfdertijd werd de deur wederom geopend.
De Hindoe-vrouw kwam binnen.
Ze greep den Grooten Onbekende bij den arm.
„Kom,” fluisterde ze, „er is nu gelegenheid cm heen te gaan. Mijn man is naar boven gegaan. Hij zal over een paar minuten terug komen.”
„Om hoe laat komen de leden der vereeniging hier?” vroeg Raffles.
„Vandaag om zeven uur.”
„Dan blijf ik daar in dien schuilhoek totdat zij komen!”
Raffles zei het op korten toon.
Maar in wanhoop wrong de vrouw haar handen en haar oogen, waarin een smeekende uitdrukking lag, sloeg zij op naar den Grooten Onbekende.
„Doe het niet,” sprak ze, „doe het niet! Hij zal me dooden!”
„Stil,” fluisterde Lord Lister, „als ge mij hier verbergt zal ik u ruim beloonen. Niemand zal mij ontdekken.”
De vrouw begreep, dat verdere tegenspraak haar niet zou helpen en, in doodsangst voor haar man, zei ze:
„De gevolgen komen op uw hoofd, meneer, alleen op uw hoofd!”
Bevende aan al haar leden, zonder verder nog een woord te spreken, verliet zij de kamer.
Het gevaar, waarvoor zij zoozeer bevreesd was, scheen echter den Grooten Onbekende volstrekt niet te verontrusten. Feitelijk dacht hij er niet eens over na, welk gevaar misschien kon dreigen.
Hij stelde veel te veel belang in de dingen, die komen gingen, want hij gevoelde, dat hij op het punt stond, den sluier van het geheim van het doodshoofd op te lichten.
ZESDE HOOFDSTUK.
HET GENOOTSCHAP DER DROOMERS.
Langzaam kroop de tijd voorbij—uiterst traag.
De Groote Onbekende verborg zich, toen het tegen zeven uur liep, in de ruime nis waar hij, door een punt van het gordijn op te lichten, toch nog steeds het gezicht op de geheele kamer had.
Zeven uur.
De huisbewaarder trad binnen, de man van de kleine Hindoe-vrouw.
Hij was een lange, sterk gebouwde man met een Indisch costuum aan en een grooten tulband op het hoofd.
Een viertal kleine, brandende lampen met gekleurd glas plaatste hij op de tafel.
Toen zette hij een aantal oud-Indische, zilveren drinkkopjes op de tafel—de kopjes, die Raffles uit de beschrijving van Willy Harringa terstond herkende als die, welke ongeveer een jaar geleden op zoo geheimzinnige wijze uit de „schatkamer” waren gestolen.
Nadat de man deze toebereidselen had gemaakt, ging hij heen.
Ongeveer een kwartier later kwam hij terug, thans om een groote muziekdoos op te winden, door Raffles in het geheel nog niet opgemerkt.
De doos begon een doffe en klagende melodie te spelen en de tonen waren zóó zacht, zóó droomerig, dat ze een wonderlijke uitwerking hadden op Lord Lister, een vreemde, nooit ondervonden uitwerking.
Een paar minuten later trad de Hindoe andermaal binnen.
Thans droeg hij een kort kleed, rijk met goud geborduurd.
Hij bleef aan de deur staan en, in een enkele rij, volgden hem twaalf mannen.
De eerste van het twaalftal was Oswald Harringa.
Vijf der binnenkomenden waren donkerkleurig, drie waren kleurlingen, de rest blanken. Allen hadden ze hetzelfde droomerige, suffe uiterlijk als Oswald, die, zooals Raffles terstond begreep, hun leider en president was.
Als geesten zoo stil gingen ze rondom de tafel zitten en, zonder een enkel woord te spreken, overhandigde Oswald Harringa een sleutel aan den Indiër.
Met dezen sleutel werd de kast geopend en de Hindoe haalde er een doodshoofdbeker uit te voorschijn—den beker, die uit de „schatkamer” van den suikerlord Albert Harringa was gestolen door—Raffles twijfelde er geen seconde meer aan—diens eigen zoon.
De doodshoofdbeker was voorzien van twee handvatten en rustte op gouden klauwen.
Hij werd op de tafel geplaatst, vóór den president, die er een tweetal fleschjes, hem door den Hindoe aangegeven, in leeg goot.
Toen ging hij roeren met een zilveren lepel—eveneens een der voorwerpen, Albert Harringa ontstolen.
Het mengsel was gereed.
En de geur, door Raffles reeds opgemerkt, toen hij binnenkwam, werd zóó sterk, dat hij er bijna bewusteloos van werd.
Maar hij worstelde er tegen.
Nu, in dit oogenblik moest hij zichzelf blijven—sterk en wakker en, bovenal, scherp opmerkzaam.
Hij zag nu, dat de president een weinig van den drank goot in elk van de twaalf kopjes.
Daarna bracht hij zijn eigen kopje aan de lippen.
Maar vóórdat hij ging drinken sprak hij:
„Broeder! De wereld breekt al onze droomen af, voordat wij den tijd gehad hebben, ze tot het einde toe uit te droomen.
„Broeders, droomers, ik wensch u een goeden uitslag!
„Dat uw droomen lang en zacht mogen zijn!
„Droomen is leven.
„Droom, want ontwaken is sterven!”
De anderen bogen, doch antwoordden niet.
Ieder dronk zijn kopje leeg en Raffles vermoedde, dat de een of andere slaapdrank daarin was uitgegoten.
Toen stonden allen op en gingen op een rustbed liggen, waar hun door den Hindoe een pijp werd aangereikt en aangestoken.
Uit den damp, die in de kamer opsteeg, was duidelijk merkbaar, dat zij opium rookten.
De verslaafde opium-schuivers leunden achterover op hun rustbedden...... de muziekdoos vervolgde haar klagelijk spel.
Een slaapverwekkende damp vulde het vertrek en bedwelmde Raffles zoozeer dat hij een oogenblik meende te slapen en dat het merkwaardige tooneel voor zijn oogen een droombeeld was, een hallucinatie, die spoedig weer zou verdwijnen.
Langzamerhand vielen de pijpen uit de handen der rookers.
De Hindoe-man kwam dan telkens aanloopen om ze zoo spoedig mogelijk weg te ruimen.
Toen eindelijk ook de twaalfde man als totaal ongevoelig achterover was gevallen op het rustbed, ging de Hindoe naar de tafel, vulde een klein kopje met den drank uit den doodshoofdbeker en dronk het leeg.
Hij stopte een pijp met opium, wierp zich op een der rustbedden neer en rookte, totdat ook hem, evenals dit met de anderen was geschied, de pijp ontviel.
Door den verdoovenden invloed van drank en opium was hij in slaap gezonken.
Met klimmende verbazing en ongeveinsde belangstelling had Raffles den ganschen loop van deze opeenvolgende tragische gebeurtenissen gadegeslagen.
Hij zag, hoe die mannen, allen nog in de kracht van hun leven, zich overgaven aan een der grootste vijanden van het menschelijk geslacht en hij wist, dat ze vroeger of later met beneveld verstand en uitgeteerd lichaam het slachtoffer zouden worden van het opium.
Maar langen tijd mocht de Groote Onbekende zich niet overgeven aan zijn beschouwingen.
Thans was zijn beurt gekomen.
Hij trad uit zijn schuilhoek te voorschijn, zette alle gevoel van zwakheid en bijna onoverkomelijken slaap op zij en begaf zich naar de tafel.
De sterke dampen, die de kamer vulden, oefenden een invloed op hem uit, die hem als dronken maakte.
Hij nam den gouden doodshoofdbeker van de tafel, zette daarna de twaalf zilveren koppen en den oud-Indischen lepel bij elkaar en begaf zich toen naar de kast in den hoek van het vertrek.
De Hindoe had de deur van dit meubelstuk niet gesloten en Lord Lister zag, toen hij de deuren opende, die draaiden op kunstig gesmeede scharnieren, de kostbaarste voorwerpen op de planken liggen.
Het waren gouden bekers en zilveren schalen, alles van Indischen en Chineeschen oorsprong; lepels, bezaaid met diamanten en groote knoopen van edelgesteenten, zooals de rijke Inlandsche vorsten ze als versierselen dragen.
Ook vond hij een twaalftal gouden medailles, bevestigd aan bontgekleurde zijden linten.
De medailles vermeldden in kleine robijnen de beginletters van het devies der vereeniging: „d. i. l. d. w. o. i. s.”
Al die schatten liet de Groote Onbekende onaangeroerd en ook de gouden staven, die hij op een der planken van de kast zag liggen en die zeker geweldige kapitalen moesten vertegenwoordigen, werden alleen met groote nieuwsgierigheid door hem bekeken.
Thans wendde hij zich weder om.
Hij trad op de tafel toe om den beker, den lepel en de twaalf zilveren kopjes op te nemen, toen plotseling de Hindoe-vrouw de kamer binnentrad en zich vóór hem plaatste.
„Halt!” riep zij uit en zij deed een vergeefsche poging om Raffles tegen te houden. „Wat beteekent dat?”
„Uit den weg!” sprak Raffles streng. „Als ge geen kennis wilt maken met dit instrumentje.”
Hij haalde uit een zijner zakken een browning te voorschijn en duwde het wapen de kleine vrouw onder de oogen.
Zij deinsde achteruit, een gesmoorden kreet slakende.
„Wat moet dat alles beteekenen?” riep zij op verschrikten toon en met een wanhopig gebaar keek zij rond, als wilde zij de hulp inroepen van de leden der vereeniging.
Doch niets zag zij om zich heen dan de roerloos uitgestrekte gestalten der bleeke, uitgeputte personen, die als gestorven waren teruggezonken in eindelooze gevoelloosheid.
„Wat dat moet beteekenen? Dat deze zaken aan den rechtmatigen eigenaar teruggebracht zullen worden en dat ik mij met deze zaak zal belasten!”