Lord Lister No. 0039: De krankzinnige van Hanwell
Part 3
Zijn gelaat werd vaalbleek.
Als gebroken zonk hij in zijn stoel. Iedere hoop was vervlogen en wat hij had gedroomd, was tot waarheid geworden.
Van Brixen was tamelijk rustig.
Het verlies, dat hem had getroffen, beteekende niet veel.
Het snoer had wel groote waarde, maar zoo’n som kwam bij hem, den multi-millionair, niet in aanmerking.
En de wensch van Tatjana, dat zijn dochter het huis zou verlaten, was nu toch ook vervuld.
De wraak van John Raffles vreesde hij niet. Geld en kostbaarheden konden gemakkelijk bij de een of andere Bank worden ondergebracht.
Maar Fournier was veel te razend om naar al die redeneeringen te luisteren en het einde was, dat de vrienden hoog loopende ruzie kregen en dat de Franschman naar de Bank ging om te hooren, of inderdaad op zijn naam het kapitaal was weggehaald.
Het was maar àl te waar!
Toen reed hij terstond naar Scotland Yard om inspecteur Baxter alles mee te deelen.
Baxter was razend, toen hij hoorde, dat Raffles weer aan den gang was en hij zwoer, dezen keer den gentleman-dief te zullen pakken.
En hij begon den geheelen boel in rep en roer te brengen om een drijfjacht aan te vangen op Lord Lister.
ZESDE HOOFDSTUK.
REDT MIJN KIND!
Het was vijf uur in den middag.
Over Londen was de grauwe schemering neergestreken, die nog werd verdicht door dichte nevels.
In kantoren en winkels waren sinds lang de lichten ontstoken.
Voertuigen van allerlei aard reden puffend, stampend, hobbelend en knetterend door de groote verkeersstraten van de city en spookachtig gleden de schaduwen langs de huizen.
Het was een eentonig, grauwe aanblik, want elke schelle toon werd vergrijsd door den nevelsluier.
Plotseling veranderde de aanblik en uit het straten-gewirwar maakte zich een rood schijnsel los, dat opsteeg naar den hemel en met elk oogenblik in kracht toenam.
De voorbijgangers drongen verschrikt opeen en een oogenblik later weerklonk aan alle kanten het geroep van: „Brand! Brand!” door de straten.
Nu begon de menigte het op een loopen te zetten en van alle kanten snelde men naar de plaats, vanwaar de roode lichtgloed opsteeg.
Hoe langer hoe drukker werd het in de straten, hoe langer hoe scheller weerklonk het roepen en schellen en krijschen.
De aanblik van het brandende perceel was dan ook inderdaad schrikwekkend.
Een van die groote huurkazernes, die men vindt in elke wereldstad, stond in brand.
Als machtige armen kronkelden de vlammen omhoog naar den donkeren nachthemel. Kletterend en sissend vielen de zware waterstralen neer in de vuurzee en dan was het, of de roode tongen nog hooger lekten.
De brandweerlieden spanden hun uiterste krachten in, doch het gelukte hun niet, het vuur meester te worden.
Twee heeren, die er zeer opgewonden uitzagen, en die voor dat, wat de algemeene opmerkzaamheid trok, geen oog schenen te hebben, waren juist de plek van het onheil genaderd in hun auto.
De chauffeur zag nu, dat de weg was afgezet en hij maakte de heeren daarop opmerkzaam.
Deze besloten nu de auto te verlaten om te trachten hun hotel te voet te bereiken.
„Dat ook nog,” sprak de kleinste en hij trachtte zich door den menschenmuur een weg te banen.
Dit lukte hem slechts moeilijk en het tweetal kwam maar uiterst langzaam voorwaarts.
„Laat mij voorgaan, Mr. Fournier,” sprak Baxter, de inspecteur van politie, „ik zal mij legitimeeren, opdat wij gauwer vooruit komen.”
Hij schoof den kleinen Franschman op zij en drong zich met geweld door de menigte, die slechts onwillig ter zijde week.
De beide heeren waren dien dag al twee keer in het hotel geweest, waar Raffles had vertoefd onder den naam van markies d’Armand, en voor den derden keer richtten zij daarheen thans hunne schreden.
Plotseling onder het langzaam voortloopen over het door de politie afgezette terrein, voelde Baxter een ruk aan zijn jas en hoorde hij den naam „Raffles” uitroepen. Daarna hoorde hij het geluid van een harden slag en toen hij omkeek, zag hij den kleinen Franschman languit op den grond liggen.
Deze had tusschen de menigte aan den overkant der straat „markies d’Armand” ontdekt. Hij had naar den man willen toesnellen, maar inderhaast vergeten, dat overal slangen op den grond lagen en nu was hij daarover gestruikeld en languit op den grond gevallen.
Voordat hij was opgestaan en Baxter had verteld, wien hij gezien had, waren reeds zooveel seconden verloopen, dat de gezochte makkelijk was ontvlucht.
Baxter dacht, dat Fournier zich wel vergist zou hebben.
Deze echter beweerde met groote beslistheid, dat er van vergissing geen sprake was en zoo kwam Baxter ook tot de conclusie, dat nu toch eindelijk de gentleman-dief gepakt zou worden.
Maar hier, als ’t ware gevangen tusschen de geweldige menschenmassa, zagen de heeren wel in, dat oogenblikkelijk van een vervolging weinig resultaat was te wachten en zoo werd besloten om vooreerst dit plan te laten varen en naar het hotel te gaan.
Intusschen was de brand zoodanig toegenomen, dat van doorkomen geen sprake was.
Het geheele huis stond nu in lichterlaaie en loeiend sloegen de vlammen uit naar allen kant.
Met bovenmenschelijke kracht werkte de brandweer, maar nog steeds wilde het haar niet gelukken het vuur meester te worden.
De ongelukkige bewoners der bovenste verdieping hadden hun leven bijna allen langs de brandladders in veiligheid gebracht.
Uit de vlammen kwam nu een brandweerman te voorschijn met een rookhelm over het hoofd. Hij verscheen nu op een der brandladders en droeg een bewustelooze jonge vrouw op den arm.
Luide kreten van bijval loonden den dappere voor zijn moedige daad.
Men had de vrouw op den grond neergelegd en reeds schoten lieden toe om haar levensgeesten weer op te wekken.
De brandweerman verklaarde, dat er zich thans in het huis geen levend wezen meer bevond.
Nauwelijks echter was de bewustelooze weer tot haar positieven teruggekeerd, of zij kreet vol ontzetting:
„Mijn kind. Waar is mijn kind?—Redt, o, redt mijn kind!”
Bijna waanzinnig van smart trok zij zich de haren uit en omklemde de knieën van den brandweerman onder den uitroep:
„Redt mijn kind!”
Ieder was tot tranen toe geroerd.
Vrouwen jammerden met de moeder mede en wanhoopskreten weerklonken door de lucht.
Maar hulp was hier onmogelijk!
Doch daar—wat was dat?—
Met geweldige kracht had een man zich door de massa een weg gebaand en drong nu naar het brandende huis toe.
De brandweerlieden, die hem den weg wilden versperren, duwde hij met sterke hand ter zijde en voordat iemand nog goed wist wat er gebeurde, had hij reeds de onderste sporten der brandladder beklommen.
Een rauwe kreet steeg op uit gansch de menigte, toen de man met groote snelheid naar boven klauterde.
Daarop volgde ademlooze stilte.
Alle harten schenen stil te staan en aller oogen waren gericht op de vlammenzee.
De spanning was hevig en eenige vrouwen vielen flauw van angst.
Nu had de man het venster bereikt, waaruit de brandweerman zoo juist de bewustelooze vrouw had gedragen.
Eén oogenblik slechts zag men zijn donkere gestalte in de gloeiend roode vensterholte staan.
Even wendde zich de vreemdeling om en riep:
„Verder spuiten!”
Toen was hij verdwenen.
Angstige minuten volgden.
Onafgebroken slingerden de spuiten watermassa’s in het vuur.
Toen weerklonk plotseling een duizendstemmige jubelkreet door het luchtruim.
Boven, heel boven, op de hoogste sport van de brandladder stond de redder en hield een kind op zijn armen.
De vlammen verzengden zijn kleeren en sloegen aan alle kanten om hem heen, terwijl de brandweermannen breede waterstralen spoten naar den moedigen redder, die nu de ladder begon af te dalen.
Toen het grootste gevaar voor den koenen man was geweken, en luide jubelkreten alom opstegen, stortte het dak ineen en de oplaaiende gloed zette den redder met zijn last in daghelderen schijn.
Baxter en Fournier waren langzamerhand tot op de eerste rij gekomen en stonden de geheele redding met open mond mee aan te staren.
Daar! Eensklaps werd het gelaat van den man op de ladder verlicht en uit beider mond klonk het tegelijkertijd:
„Raffles!”
Baxter gaf in allerijl aan de omstaande politie-mannen bevel, den man, zoodra hij een voet op den bodem had gezet, in hechtenis te nemen.
De redder had nu den voet op den bodem gezet en de overgelukkige moeder drukte haar kind in de armen.
Alles verdrong zich om den held. Deze voelde plotseling, dat hem een hand op den schouder werd gelegd en toen hij zich omkeerde, zag hij Baxter, die met twee agenten op hem was toegetreden.
In hetzelfde oogenblik gebeurde iets vreeselijks. Een brandende balk stortte plotseling naar omlaag en sleepte in zijn val een der brandweermannen mede.
Een kreet van ontzetting werd geslaakt.
De ongelukkige man had bij den val den nek gebroken.
Baxter, Fournier en de agenten waren onwillekeurig terzijde gesprongen om niet door den vallenden balk te worden getroffen.
Toen de eerste schrik voorbij was, keken ze om naar den gearresteerde.
Deze was echter verdwenen.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
ONVERWACHTE TERUGKOMST.
„Wie heeft vandaag de wacht in Goldhawke road?”
„Dickson, inspecteur!”
Baxter had een dienstlijst opgenomen, knikte bevestigend en legde het blad papier weder in het vakje van zijn schrijflessenaar.
Na hetgeen met Fournier was voorgevallen, had ook Van Brixen zich niet meer zeker gevoeld.
Hij had geld en kostbaarheden naar verschillende banken gebracht; het personeel, dat hij nu ook niet meer vertrouwde, was ontslagen en op zijn verzoek werd zijn huis dag en nacht door de politie bewaakt, terwijl hij met Tatjana Miroff een reis om de wereld was gaan maken.
Men had terstond een stevige politiewacht op post gesteld in de hoop, dat Raffles zijn bezoek aan Van Brixen’s huis spoedig zou herhalen.
Op die manier kon Van Brixen met een gerust hart zijn voorgenomen reis ondernemen.
Baxter, die zich tot dusverre steeds had bemoeid met de zaak Raffles en in wiens handen ook de leiding berustte, had nu het opperbevel gekregen over het te bewaken huis.
Sinds Van Brixen’s afreis waren ongeveer twee maanden verstreken, zonder dat zich tot nog toe iets verdachts had voorgedaan.
Vandaag had agent Dickson de wacht.
Langzaam patrouilleerde hij voor het huis op en neer, toen plotseling een automobiel zijn aandacht trok, die tamelijk vlug naar Van Brixen’s woning reed en daar voor de deur stilhield.
Op de plaats van den chauffeur zat een neger, wiens gelaat, zwart als ebbenhout, scherp afstak bij den gelen kaftan en den rooden fez.
Toen de auto stilhield voor Van Brixen’s woning, kwam Dickson wat nader en zag nu, dat de neger vlug zijn plaats verliet, het portier opende en den inzittende hielp bij het uitstappen.
Het duurde lang, voordat er iemand uit het voertuig te voorschijn kwam.
Dickson keek nu extra scherp toe.
Eindelijk verscheen, in dekens en mantels gehuld, een gedaante wier hoofd geheel in doeken was gewikkeld.
Door den neger ondersteund, die de zwakke gestalte bijkans geheel scheen te dragen, liep deze langzaam naar de tuindeur.
Dickson had zich voor deze deur opgesteld.
Hij was van plan, ieder den toegang te weigeren.
Daar knikte hem de heer vriendelijk toe en zeide, hem de hand toestekend:
„Wel, mijn beste Dickson, er is dus niets bijzonders voorgevallen! Ik hoorde het reeds van den inspecteur. Zooals ge ziet, ben ik heel ziek en daarom heel wat vroeger terug gekomen, dan ik mij had voorgesteld. Doe mijnheer Baxter mijn hartelijke groeten en vraag hem of hij mij eens spoedig op komt zoeken, want ik heb hem belangrijke dingen mee te deelen. Ik zou natuurlijk wel naar hem toekomen, als ik niet zoo lijdend was. Ik dank hem en jullie allemaal in ieder geval voor de moeite.”
Van Brixen schudde de hand van Dickson en liet er meteen een geldstuk in verdwijnen.
De beambte groette glimlachend en keek eens tersluiks naar het geldstuk, het was een shilling.
Daar Van Brixen met het openen der poortdeur niet al te goed kon opschieten kwam Dickson hem dadelijk te hulp.
De zieke dankte vriendelijk en liep nu naar het huis toe, zorgvuldig door den neger ondersteund.
Dickson was blij van dien vervelenden wachtpost te zijn ontslagen en begaf zich nu op weg naar Scotland Yard om inspecteur Baxter rapport te geven van het voorgevallene en hem de groeten van Van Brixen over te brengen.
Hij vond zijn chef in diens bureau.
Deze was niet weinig verbaasd, dat Van Brixen was teruggekomen, zonder daarvan vooraf kennis te hebben gegeven.
Doch de ernstige ziekte van den reiziger verklaarde alles en Baxter besloot dadelijk den ander te gaan bezoeken.
Toen de inspecteur aan de woning had aangescheld en de deur werd geopend, deinsde hij ontzet achteruit, want in plaats van het vriendelijke gelaat van de huishoudster kreeg hij het ebbenzwarte gelaat van een neger te zien.
Nu herinnerde hij zich, dat Dickson had verteld, dat de Hollander met een neger was teruggekeerd.
Baxter vroeg naar den heer des huizes.
De neger grijnsde, zoodat zijn witte tanden allemaal te zien kwamen en vroeg toen:
„Hoe jij heeten?”
„Wat???”
De neger grijnsde weer.
„Hoe jij heeten?”
Baxter noemde zijn naam.
„Timmy zal meester vragen of meester thuis is voor jou.”
Floep!!
De deur vloog Baxter voor den neus dicht.
Zijn geduld werd wel heel erg op de proef gesteld, maar eindelijk toch ging de deur weer open en de neger noodigde den gast met vriendelijken grijns uit, binnen te komen.
Boven in de studeerkamer wachtte Van Brixen zijn gast.
De kamer was in schemerdonker en Van Brixen zat in een grooten leunstoel, de voeten rustende op een bankje. Zijn geheele lichaam was in dekens gewikkeld. Het hoofd van den zieke was in doeken gebonden en rustte op een kussen. Alleen het puntje van den neus kon men zien.
Toen Baxter met Timmy binnentrad, vloog de neger naar zijn meester toe en begon hem met een groot palmblad verkoeling toe te waaien.
Baxter nam plaats.
„Hoe gaat het u?” vroeg hij deelnemend.
„Slecht!”
Het kwam er fluisterend uit.
„Wat scheelt u, Mr. Van Brixen?”
„Koortsen. Harde koortsen.”
Onwillekeurig deinsde Baxter achteruit.
„Neen, ge behoeft niet bevreesd te zijn,” stelde Van Brixen hem gerust. „De dokter in Aden heeft mij palmbladen als waaier aangeraden.”
„Zoo!”
„Ge ziet zelf, hoe ziek ik ben, waarde heer Baxter. Daarom ben ik maar zoo vrij geweest om u hier te vragen. Ge waart steeds zeer voorkomend voor mij.”
Baxter boog dankend.
Van Brixen vervolgde:
„...... en daarom zou ik graag uw raad willen inwinnen.”
Baxter luisterde vol spanning.
„Mijn ziekte is van hoogst ernstigen aard en kan slechts in een zachter klimaat heil vinden. Ik kan mij nauwelijks bewegen en de doktoren hebben mij geraden mijn woonplaats te veranderen. Als ik in het vochtige klimaat van Londen blijf, ben ik in drie maanden dood.”
De zieke ademde zwaar en moeilijk.
Timmy begon weer te waaieren.
Na een poosje vervolgde de zieke:
„Ge begrijpt wel, dat ik mij liever wat moeite en lasten geef, dan dat ik den zekeren dood wil te gemoet gaan. Ik wil alles, wat zich in dit huis bevindt, laten verkoopen. Ik kan toch al die dingen niet meenemen.”
„Wat?” viel Baxter in, „wilt ge al die schatten verkoopen? Moeten die allemaal in vreemde handen vallen?”
„Ja, ik kan er niets anders op vinden. Ik kan die dingen toch niet behouden, daarom maak ik ze maar te gelde.”
„Dan heb ik een vriendelijk verzoek!”
„En dat is?”
„Ge weet, dat ik zelf antiquiteiten verzamelaar ben.”
„Ja. En?”
„Wees zoo goed, mij den dag van de verkooping mee te deelen, dan vind ik misschien ook nog iets van mijn gading.”
„Met genoegen! Ik zal trouwens toch mijn vrienden niet vergeten.”
„Dank u!”
Baxter was in de wolken. Hij begreep uit deze woorden, dat Van Brixen hem wel een mooi geschenk zou geven.
„Nu verder!” sprak de zieke.
„Ge wildet mijn raad nog inwinnen?”
„Juist.”
„En waarvoor?”
„Ik weet niet, wat ik met het huis moet doen. Ik zou het zoo graag héél gauw willen verkoopen, omdat ik hier zoo spoedig mogelijk vandaan wil.”
„Ja, mijn waarde heer Van Brixen, vergeef mij, maar ik moet openhartig met u spreken, als ik u werkelijk een goeden raad moet geven. Uw huis is, ondanks alles, tamelijk oud en bouwvallig. Wie zal het in dezen toestand willen koopen?”
„Dat heb ik mij ook reeds afgevraagd, maar ge zult wel begrijpen, dat ik er graag zooveel mogelijk geld wil uitslaan.”
„Ik zou u raden om het huis op afbraak te laten verkoopen.”
De zieke richtte het hoofd op.
Hij scheen zichtbaar verheugd en zeide met een zucht van verlichting:
„Ge hebt gelijk. Ik dank u voor uw vriendelijken raad. Mag ik u nu nog iets verzoeken?”
Baxter verklaarde, dat Van Brixen geheel over hem kon beschikken en deze verzocht nu om zoodra mogelijk de noodige advertenties voor de dagbladen op te geven.
Van Brixen wilde den inspecteur het geld voor de advertenties reeds vooruit geven.
Deze echter weerde dit af en zeide:
„Ik kan het u toch wel voorschieten. Wij zullen dan later wel afrekenen.”
Toen nam hij afscheid van Van Brixen, die hem vriendelijk de hand reikte.
De inspecteur, bang voor koortsbesmetting, roerde echter nauwelijks de vingertoppen van den zieke aan en verdween.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
EEN KRANKZINNIGE.
Fournier slenterde naar Old Kent Road om naar een koffiehuis te gaan.
De Franschman scheen vele jaren ouder te zijn geworden. Het haar was hem aan de slapen vergrijsd en als doelloos dwaalde zijn blik heen en weer. Sinds het verlies, dat hij door den genialen boevenstreek van Lord Lister had geleden, was het bij hem tot een idee fixe geworden, in iederen voorbijganger den meesterdief te herkennen.
Hij was zoo langzamerhand reeds een stamgast in Scotland Yard geworden en steeds kwam hij daar vragen, of men Raffles nog niet had ontdekt.
Hoezeer ook allen op het politie-bureau er tuk op waren den meesterdief te arresteeren, zoo onaangenaam was hen ook het eeuwige vragen van den kleinen Franschman en inspecteur Baxter had reeds een hevigen afkeer tegen Fournier opgevat, wijl hij dat voortdurend vragen zonder eenig resultaat als een persoonlijke beleediging opvatte.
Even voordat hij het café bereikte, ontmoetten Baxter en Fournier elkander en uit het korte gesprek, dat zich thans ontspon, roerde de inspecteur terloops den terugkeer van Van Brixen aan.
Enkele minuten later reeds scheidden de beide heeren en Fournier trad het café binnen.
Nadat hij alle bezoekers met achterdochtigen blik had gemonsterd om te zien of de Groote Onbekende er niet bij was, ging hij met bedroefd gelaat in een hoek zitten en nam een krant op. Zijn gedachten dwaalden echter steeds weer af en hij begreep geen woord van wat hij las.
Van Brixen was dus terug!
Dat hij hem, Fournier, daarvan geen kennis had gegeven, lag voor de hand, want na de woordenwisseling op den ongelukkigen bruiloftsdag hadden de vrienden elkaar niet terug gezien.
Wat echter zou Van Brixen er toe gebracht hebben, zoo plotseling terug te keeren?—
Een gedachte schoot plotseling door Fournier’s brein.
Zou Van Brixen misschien een spoor van Raffles hebben ontdekt en daarom zoo spoedig zijn teruggekomen?
Ja—dat was het!—
De kleine gestalte van den Franschman scheen krachtiger te worden. Zijn oogen fonkelden.
Misschien zou hij nu zijn doel bereiken. En het besluit stond bij hem vast, den vijand op te zoeken, om zich zekerheid te verschaffen.
Hij riep den kellner, betaalde en verliet met veerkrachtigen tred het café. Toen riep hij een auto aan en liet zich naar Goldhawke Road brengen.
Met haastigen tred liep hij den hem welbekenden voortuin door en haalde de bel over.
Voor zijn ongeduld duurde het veel te lang, voordat de deur geopend werd en hij wilde, als naar gewoonte, vlug het huis betreden, toen Timmy hem tegemoet trad.
Zooals Baxter was teruggeschrikt, trad ook Fournier ontsteld achteruit bij den aanblik van het grijnzende negergelaat.
Wederom klonk de stereotiepe vraag van den neger:
„Hoe jij heeten?”
De Franschman was geprikkeld. Hij haalde de schouders op en wilde den neger op zij duwen, doch deze gaf den bezoeker op boksersmanier een stoot in de maagstreek.
Fournier week achteruit.
De neger grijnsde met breeden mond en herhaalde:
„Hoe jij heeten?”
Daar de handelaar in blanke slavinnen wel inzag, dat er tegen den neger niets was te beginnen, noemde hij zijn naam.
Als hij gedacht had, thans te worden binnengelaten, had hij zich vergist, want de deur werd voor zijn neus dichtgeklapt.
Zijn geduld werd op een harde proef gesteld, want vele minuten verliepen en de neger kwam niet terug.
Fournier was in den laatsten tijd erg nerveus geworden.
Hij stond nu van ongeduld te trappelen en ten slotte ging hij zoo geweldig aan de schel trekken, dat het dreunde door het huis.
Toen ook dat niet hielp, begon hij de deur met handen en voeten te bewerken.
Dat lawaai scheen dan toch te helpen, want de deur werd opnieuw geopend.
De neger verscheen weer, grijnsde verschrikkelijk en zeide:
„Meester èrg ziek; maak niet zoo lawaai, anders Timmy jou slaat.”
De zwarte dreigde met de vuisten.
Maar Fournier lette daar niet op. Hij vloog de trap op en de studeerkamer binnen, waar hij zijn vroegeren vriend dacht te vinden.
Toen hij binnentrad, zat deze weer, in dekens en kussens gehuld, in den leuningstoel.
Fournier stormde naar Van Brixen toe.
„Heb je een spoor van Raffles gevonden?”
De zieke antwoordde niet dadelijk.
Hij hield een hand voor den mond en steunde zachtjes.
Of was het een onderdrukt lachje, dat hij te voorschijn bracht?
Fournier kookte van ongeduld.
„Wat is dat voor een manier,” stoof hij op, „om mij zóó te behandelen! Aan wien lag de schuld, dat wij destijds boos van elkaar zijn gegaan? Aan jou—niet aan mij!—Zeg nou op! Heb je een spoor van Raffles gevonden?”
Weer klonk dat eigenaardig geluid.
Maar wat was dat?
Daar richtte de zieke zich plotseling zonder eenige hulp uit den stoel op en vroeg met welluidende stem:
„Vraagt ge mij, of ik iets van Raffles heb gehoord?”
Ontzet deinsde de Franschman achteruit.
Met groote oogen keek hij den spreker aan. De haren rezen hem te berge en met de handen sloeg hij in de lucht, als wilde hij ergens steun zoeken.
Zijn adem stokte en eindelijk stiet hij uit:
„Raffles! Dat is Raffles zelf!—Te hulp!”—
Voordat hij verder kon schreeuwen, had de zwarte hem gepakt en hem de hand op den mond gelegd.
De vermeende Van Brixen stond voor hem en lachte hartelijk. Toen haalde deze een touw uit den zak en bond den ander aan handen en voeten.
De neger had den Franschman een prop in den mond gestopt en nu droegen zij den spartelende naar een zijkamer en legden hem daar op een divan neer.
Daarna keerde John Raffles—want hij was het inderdaad—met den neger in de studeerkamer terug.
„Ziezoo, Charly,” sprak hij, „nu hebben we den knaap. We zullen nu eens zien of we hem met behulp van den braven Baxter niet onschadelijk kunnen maken.”
„Ik ben bang, Edward, dat die dolle streek ons nog in moeilijkheden brengt.”
„Hazenhart”, spotte Raffles en hij liet zich met Scotland Yard verbinden.
„Hier Baxter!” klonk het.
„Hier Van Brixen! Het spijt me, inspecteur, dat ik u alweer moet lastig vallen. Er is zoo juist een groot ongeluk in mijn huis gebeurd. Nadere bijzonderheden kan ik u onmogelijk per telephoon meedeelen. Kom dus zoo gauw mogelijk naar hier!”
De inspecteur beloofde het.
Raffles legde de microfoon op het toestel en stak een sigaret op.
„Over een kwartier kan hij hier zijn en dan kan het spelletje beginnen.”
Nauwelijks was een kwartier verstreken, toen de huisschel overging.
Raffles kroop weer in de vermomming en ging in den leunstoel zitten.
Charly ging als Timmy naar de deur.—
Toen Baxter het huis betrad, zag hij, dat de neger buiten zich zelf was.
Hij sloeg met de vuisten zich tegen den kroeskop en riep uit:
„O, master, hij zoo dom is, zoo dom! Hij roept zoo dwaze dingen!”
Verschrikt vroeg Baxter:
„Wie? Van Brixen?”
„O, no master, die andere kleine man!”
Baxter ging naar boven.
Ook Van Brixen scheen buiten zich zelf te zijn.
Hij wrong de handen en steunde:
„O, beste inspecteur! Wat een ongeluk! Wat moet ik met dien armen kerel beginnen!”