Lord Lister No. 0039: De krankzinnige van Hanwell
Part 4
„Maar wat is er dan om ’s hemels wil gebeurd?”
„Och ja, dat is waar ook. Je weet nog niets! Luister.
„Een paar uur geleden kwam mijn oude vriend Fournier mij bezoeken. Die brave kerel had zeker gehoord, dat ik ziek ben. Ik vertelde hem van mijn ziekte en dat ik had besloten, alles te verkoopen. Ik wilde hem nog een paar kostbaarheden geven en toen hij bezig was een en ander uit te zoeken, nam hij plotseling een kostbare vaas, wierp die op den grond en schreeuwde:
„„Daar is Raffles!”
„Ik wist niet, wat er gebeurde en vroeg:
„„Wat scheelt er aan, Fournier?”
„Toen draaide hij zich plotseling om, sprong mij naar de keel, trachtte mij te worgen en riep maar steeds: „Jij bent Raffles! Jij bent Raffles!” Als Timmy mij niet te hulp was gekomen, zou hij mij zeker vermoord hebben.”
De zieke hield, uitgeput, op.
De inspecteur had vol aandacht geluisterd. Toen zei hij:
„Ik heb het wel gedacht. Fournier had allang dat idee fixe. Nu is het tot een uitbarsting van krankzinnigheid gekomen.”
„Ja, ja, zoo is het!” hijgde de zieke.
„Waar hebt ge den ongelukkige gelaten?”
„Timmy heeft hem overmeesterd en daar wij ons leven niet zeker waren, hebben we hem gebonden en in de kleine kamer hiernaast gelegd. De aanval schijnt nu voorbij te zijn, want hij is geheel kalm.”
„Zoo’n aanval kan gauw terugkomen.”
Het scheen dat de inspecteur gelijk had, want nu klonk het weer uit de aangrenzende kamer:
„Die schurk, die dief is daar! Help! Help! Daar is Raffles!
„Heb ik het niet gezegd?” vroeg Baxter.
„Ja, inderdaad, ge hebt gelijk!”
„Laat ons maar eens naar hem gaan kijken.”
Het drietal ging naar de andere kamer. Van Brixen leunde op Timmy’s schouder en strompelde voort.
De gebonden man begon opnieuw los te barsten.
„Daar is de schurk! Neem hem gevangen, mijnheer Baxter! Het is Raffles!”
Baxter schudde het hoofd en zei tegen Van Brixen:
„Gaat u liever heen. Onze tegenwoordigheid schijnt hem verbazend op te winden.”
Met meewarigen blik keek Van Brixen naar zijn vriend en fluisterde:
„Die arme Fournier!”
Toen verliet hij het vertrek.
De Franschman begon met iedere minuut harder te schreeuwen:
„Laat hem toch niet ontsnappen, mijnheer Baxter, en maak mij toch vrij! Ge lijkt wel gek!”
Op goedigen toon zei Baxter:
„Ja, ja, beste vriend dat is Raffles! Zeker! Ik zal hem dadelijk arresteeren! We nemen een automobiel en rijden spoorslags naar de gevangenis!”
„Dat is goed! Dat is goed!”
Baxter ging nu naar Van Brixen toe.
„Het geval is inderdaad veel erger, dan ik dacht. De ongelukkige is razend en wij moeten hem knevelen om elk opzien te vermijden. Hij moet natuurlijk dadelijk naar een krankzinnigengesticht worden overgebracht!”
Van Brixen sloeg de handen voor het gelaat:
„Die arme, arme kerel!”
Baxter ging de straat op, floot twee agenten en beval deze, terstond een automobiel te halen.
Na enkele minuten was alles gebeurd.
Men had Fournier een prop in den mond gestoken, zoodat hij niet kon schreeuwen.
Maar de woedende blikken, die hij naar Van Brixen wierp, toen deze weer in den leuningstoel ging zitten, spraken boekdeelen.
Baxter nam afscheid van Van Brixen en volgde de anderen.
De auto was nauwelijks in beweging of de zoogenaamde Van Brixen sprong op, snelde naar het venster en loerde door een reet.
Toen lachte hij:
„Dat zaakje is dus geschikt.”
Daarna stak hij een nieuwe sigaret op.
NEGENDE HOOFDSTUK.
BIJ AFBRAAK.
De dag der verkooping was aangebroken.
Reeds in den vroegen morgen kwamen koopers van alle kanten opdagen en een der eersten was inspecteur Baxter.
Van Brixen ontving hem met groote vriendelijkheid.
„Mijn waarde inspecteur,” sprak hij, „ge hebt mij zooveel diensten bewezen, dat ik niet mag toestaan, dat je iets koopt. Ik hoop, dat ge mij zult toestaan, u een en ander als blijk van waardeering aan te bieden.”
Baxter was ten zeerste verheugd, maar tegelijkertijd ten hoogste verbaasd over de vrijgevigheid van den man, die als gierigaard bekend stond.
Hij zocht eenige prachtige dingen uit, waaronder een staande klok en een inktstel van Venetiaansch brons. Hij liet deze kostbaarheden terstond naar zijn bureau brengen.
Toen de eerste koopers kwamen, nam Van Brixen afscheid. Hij beweerde, te ziek te zijn om de verkooping bij te kunnen wonen en liet de regeling over aan zijn bediende, die voor een neger al buitengewoon scherpzinnig was.
Voor bijna alles in huis waren aldra koopers gevonden en toen de kunstvoorwerpen geveild waren, kwamen de meubels, de bedden, de gordijnen, de schilderijen, de tapijten en andere dingen onder den hamer.
Eindelijk was het geheel kaal en nu ging men bieden op de stokrozen, de prachtige palmen en bladplanten uit den tuin.
Zes uren nadat de verkoop was begonnen, waren alle kostbaarheden en andere voorwerpen reeds verdwenen en slechts de kale muren bleven staan.
Toen de laatste kooper het huis had verlaten, ging Van Brixen naar Timmy toe:
„Wij mogen het niet wagen,” sprak hij, „om in een hotel te gaan en daar we toch niet onder den blooten hemel kunnen slapen, moeten we vandaag maar per auto er van door gaan.”
Lachend stemde Charly toe en hij ging het voertuig in orde brengen.
Kleeren werden gepakt en alles gereed gemaakt.
Toen strompelde Van Brixen naar buiten en voort ging het.
Eerst werd nog even aangereden bij den heer, die het huis op afbraak had gekocht en Timmy bracht hem den sleutel, daar den volgenden morgen met de slooping kon worden begonnen.
Toen ook dit was geschied, liet de zwarte chauffeur, lustig het „tuf-tuf” hooren en voort ging het door den donkeren nacht.
Zes maanden waren verloopen, sinds Van Brixen met zijn minnares Tatjana Miroff de reis om de wereld had ondernomen, toen op zekeren morgen de trein van Southampton de reizigers naar Londen terugbracht.
Daar Van Brixen bij zijn afreis zijn geheele dienstpersoneel had ontslagen, moest hij wel besluiten om in een hotel te gaan.
Tatjana had Van Brixen op deze reis er toe weten te bewegen om haar te huwen en hoewel Van Brixen daarvan eerst niet had willen hooren, besloot hij toch, na de terugkomst in Londen den wensch van zijn liefste te vervullen.
De reizigers hadden hun lunch gebruikt en Tatjana ging naar haar kamer.
Van Brixen had een auto voor laten komen en reed naar zijn huis in Goldhawke Road.
Makkelijk leunend in de kussens rookte de meisjeshandelaar een sigaar en dacht er over na, welke kamers hij in zijn woning voor zijn aanstaande vrouw zou laten inrichten.
Zoodoende had hij niet bemerkt, dat de auto in de straat was gekomen waar zijn huis stond en hij verbaasde zich erover, dat de auto langzaam reed, omkeerde en toen stilhield.
„Ik kan het nummer, dat u genoemd hebt, niet vinden,” zei de chauffeur toen.
Van Brixen schrikte op.
Een schok vloog door zijn lichaam en met één sprong was hij den wagen uit.
Waar was hij???
Die huizen rechts en links waren toch de huizen van zijn buren.
Maar zijn huis!!
Waar was zijn huis??
Was dat hekserij?
De chauffeur kon hem geen opheldering geven.
Van Brixen was altijd een man geweest, die vlug een besluit nam en ook terstond handelde.
Hij had bij zijn vertrek uit Londen de politie opgedragen zijn huis te bewaken en vond nu niets dan een puinhoop.
Daar moest hij meer van weten.
Vlug sprong hij in de auto en liet zich naar Scotland Yard rijden.
Baxter kwam hem reeds tegemoet en zeide:
„Ah Mr. Van Brixen, zijt ge zoo gauw weer opgeknapt? Ge ziet er uitstekend uit.”
Van Brixen begreep niets van deze woorden en Baxter vervolgde:
„Komt ge al weer in Londen wonen? De grond van uw vroeger perceel is nog niet verkocht!”
Nu werd het Van Brixen toch te bont.
Razend riep hij uit: „Zijt ge gek geworden? Wat bedoelt ge toch?”
Baxter snapte absoluut niets van de zonderlinge houding van zijn bezoeker en vreesde bijna, dat dezen hetzelfde noodlot had getroffen als Fournier, die nog als ongeneeslijk krankzinnig in het gesticht zat.
Eindelijk sprak hij op schuchteren toon:
„Maar Mr. Van Brixen, gij waart toch zoo vriendelijk om mij deze voorwerpen te schenken.”
„Wat? Ik? Gedroomd!!!”
„Ik droom volstrekt niet. Ge hebt ze mij gegeven, toen uw huis verkocht werd voor afbraak.”
Nu was het de beurt van Van Brixen om ten zeerste verbaasd te zijn.
„Wat? Ben ik drie maanden geleden hier geweest? Vanmorgen heb ik voor het eerst weer voet op Londen’s bodem gezet, waar ik sinds een half jaar niet geweest ben.”
In Baxter steeg een vreeselijk vermoeden op, doch hij durfde het niet te uiten.
Twee dagen geleden had hij een brief aan het adres van Mr. Van Brixen ontvangen en dezen overhandigde hij nu aan den geadresseerde.
Van Brixen las het schrijven.
Hij uitte een kreet van woede, toen hij den inhoud gelezen had en viel half bewusteloos in een stoel neer.
De inspecteur had het papier, dat op den grond gevallen was, opgeraapt en las het volgende met steeds stijgende opwinding:
„Mr. Van Brixen.
Toen ik eenige maanden geleden uit uw schrijftafel een collier wegnam, om dit als bruidsgeschenk aan uw dochter van haar liefhebbenden vader mee te geven, liet ik een bericht achter, dat ik binnenkort ook u zou bestraffen, zooals ik Fournier bestraft had.
Deze domme gek heeft mij door zijn nieuwsgierigheid gedwongen, hem een ferme les te geven en inspecteur Baxter heeft mij hierbij op vriendelijke wijze geholpen, toen hij persoonlijk Mr. Fournier naar het gekkenhuis bracht, waarin hij op het oogenblik nog verpleegd wordt wegens een idee fixe. Dit bestond daarin, dat hij de eenige was, die in den valschen Van Brixen dadelijk den beruchten Raffles herkende.
De straf, die gij door mij ontvingt, is weliswaar hard, doch volkomen verdiend. Uwe bezitting is vernield, uw antiquiteiten zijn naar alle winden verstrooid, slechts eenige onbeduidende kleinigheden zult ge daarvan terug vinden. Deze toch zijn in het bezit van inspecteur Baxter.
Ten aanzien van dezen heer verzoek ik u als de echte Van Brixen de belofte te houden, die ik als valsche Van Brixen deed en hem de voorwerpen, die hem zooveel pleizier deden, als geschenk te laten, want hij heeft een belooning verdiend; niet wegens groote voorzichtigheid en scherpzinnigheid, doch wegens de vele diensten, welke hij mij zoo zelf-opofferend bewezen heeft.
Daar ge u nog verheugen kunt in het volle bezit van uw vermogen, zal het u gemakkelijk vallen deze verliezen te dragen. Ge hebt evenwel voor het eerst in uw leven wellicht straf ontvangen voor wat ge eens aan de armsten der armen hebt misdreven.
Moge deze les u een vermaning zijn voor de rest van uw leven.
JOHN C. RAFFLES.”
EEN SPOORWEG-ONGELUK.
Het was slechts een zeer onbeduidend iets, dat in het brein van Mr. James Parkinson een grootsch plan deed rijpen.
In zijn vak was Mr. James Parkinson een genie en dat vak omvatte het geheele omvangrijke gebied der oplichterij.
Eens had hij de eervolle positie van advokaat bekleed, maar tengevolge van zekere gebeurtenissen, was hij door zijn collega’s uitgestooten en onmogelijk gemaakt.
Zijn uitnemende juridische kennis, zijn beschaving en goede opvoeding kwamen hem in zijn nieuw beroep uitstekend van pas, want iemand, die de wet kent en behalve dat lang niet dom is, zal bij zijn oplichterijen niet licht worden betrapt.
Een kleine, schijnbaar onbeduidende aanteekening onderaan het Beursbericht in zijn ochtendblad had hem op het denkbeeld gebracht.
„Weinig vraag naar geld, disconto onveranderd, staatspapieren kalm. Een groote zending goud zal binnenkort van de Bank van Schotland worden gezonden”.
Dat was inderdaad een aanteekening, die voor het meerendeel der lezers van geen belang was.
Voor Parkinson echter was zij voldoende om de een of andere oplichterij, die hij op het oog had, voorloopig uit te stellen en alle krachten te wijden aan deze zaak.
Zou hij misschien in het bezit van het goud kunnen komen?
Liever dan alles anders ter wereld was voor hem gemunt goud.
Hoe echter goud, dat voor de Bank bestemd was, daarheen werd getransporteerd, was hem zeer goed bekend.
Hij wist, dat een dergelijk transport door de straten van Londen meestal geschiedde onder strenge bewaking, doch dat tijdens het transport per spoor de zending slechts zeer gering werd bewaakt.
En daar hij al sinds langen tijd tot de overtuiging was gekomen, dat het in Engeland niets moeilijker is een trein te overvallen dan in Amerika, waar zooiets iedere week schier voorkomt, was hij spoedig besloten te beproeven, zich langs dezen weg in het bezit van het goud te stellen.
Deze gedachte prikkelde hem zoo, dat hij terstond erop uitging om inlichtingen in te winnen.
Zoo vernam hij, dat het zoo goed als zeker was dat het goud in een gewonen sneltrein zou worden overgebracht. In denzelfden trein zou zich ook een postrijtuig bevinden, waarin vele brieven en stukken van waarde werden meegevoerd.
Dat was dus een extra buitenkansje.
Twee dagen had Parkinson noodig om een paar „vrienden”, Amerikanen, die hem over den treinroof in Amerika eenige bijzonderheden konden mededeelen, op te snorren.
Ook sprak hij langen tijd met een ontslagen machinist en met een zes voet langen Ier, een boef, die door de politie ijverig werd gezocht.
In de achterkamer van een kroeg in het beruchte Oost-eind werd de eerste bijeenkomst van het vijftal gehouden.
Met wantrouwende blikken keken de „heeren” elkander aan en eerst moest heel wat alcohol naar binnen worden geslagen, voordat de een na den ander wat toeschietelijker werd.
„Laat ons dadelijk van wal steken,” begon Parkinson.
„Volgenden Dinsdag vroeg komt de nachttrein uit Schotland hier, die een kolossale som aan gemunt goud als lading in heeft. Het metaal is in sterke met ijzeren banden beslagen kistjes verpakt en we kunnen ons het goud uitstekend toeëigenen als we den trein op anderhalf kilometer afstands van het station Carhampton tot staan brengen. Als ons dat lukt, krijgt ieder van jullie 300 pond sterling en bovendien kunt ge nog deelen, wat ge de passagiers aan gouden horloges, sieraden en baar geld kunt afhandig maken”.
Dit voorstel werd door twee der aanwezigen met een luid klinkenden lach begroet, terwijl de twee anderen een veelzeggend stilzwijgen bewaarden.
„Dat klinkt allemaal heel mooi. Ik geloof echter niet, dat een Engelsche sneltrein zoo gemakkelijk door het eenvoudig zwaaien met een roode lantaarn tot staan gebracht kan worden, zooals daarginds in het Verre Westen,” meende op sarcastischen toon een der Amerikanen, die heel groot van stuk was en maar één oog had.
„Neen,” antwoordde Parkinson ernstig, „tot zulke afgezaagde middelen zullen wij ook hier te lande onze toevlucht niet nemen.”
„Wat kunnen wij dan met z’n vijven tegen al die lieden beginnen?” vroeg de voormalige machinist.
„Mijn waarde heer,” antwoordde Parkinson met een geheimzinnig lachje, „als twee dappere kerels reeds vroeger in Amerika, dus in het land, waar bijna niemand zonder wapens uitgaat, een stampvollen trein hebben overweldigd, dan kunnen toch zeer zeker hier vijf met revolvers gewapende lieden, zelfs zonder al te roekeloos op te treden, ook wel zoo iets tot stand brengen. Als iemand zich verweert schieten we hem eenvoudig neer en dat zal de anderen wel bang maken.
„Maar aan den anderen kant,” vervolgde hij, „moet ik jullie er wel degelijk opmerkzaam op maken, dat de heele zaak geweldige opschudding zal veroorzaken, want ieder Engelschman beschouwt alleen reeds de gedachte aan zooiets als hoogverraad.
„Volgens mijn weten is nog nooit in Engeland zoolang als de spoorwegen hier bestaan, de trein overvallen en geplunderd. Als het moeilijke werk dus voltooid is, moeten wij dadelijk den buit deelen en zorgen, dat we uit de voeten komen.”
„Voordat we verder gaan,” zei de machinist, „moeten we toch weten hoe de locomotief tot staan wordt gebracht.”
„Daar u dit zooveel hoofdbrekens kost, heeren, zal ik u dit mededeelen. Ge kent toch Carhampton?” vroeg hij den machinist.
Deze knikte toestemmend.
„En herinnert ge u ook den grooten berg, dien de trein, vlak achter het station, over moet rijden?”
„Zeker. Dat is de grootste stijging, die ik ooit over ben gereden. Het is daar een heel lastig eind.”
„Juist. En op die plek moet de trein tot staan worden gebracht.”
En Mr. Parkinson zette nu zijn plan nader uiteen.
Kauwende op een pruim tabak, luisterde de machinist.
Hij scheen nog niet heelemaal overtuigd te zijn. En Mr. Parkinson had twee volle uren noodig om de aanwezigen voor zijn plan te winnen.
De „Vliegende Schotlander”, aldus werd de sneltrein wegens zijn groote vlugheid genoemd, vervolgde zijn reis door de binnenlanden van Schotland.
Voorbij gesneld waren de morsige dorpen met hooge schoorsteenen en mijnwerken, waar af en toe de hoogoplaaiende vlammen der hoogovens schilderachtige effecten vormden.
De trein had nu de duistere vlakte bereikt.
Aan beide kanten van de kloof bij Carhampton, boven aan den berg, wachtten de vijf mannen.
Een goederentrein ratelde voorbij en Mr. Parkinson keek op zijn horloge. Toen begon hij de rails op ongeveer vijftig meter afstands boven op den berg, geducht met olie in te smeeren, toen liep hij naar den seinpaal, klauterde langs de ijzeren ladder naar boven, verwijderde daar de beide kleurige signaalschijven en verving ze door andere glazen, die hij had meegenomen.
Als nu het signaal „Veilig” zou worden gegeven, verscheen, inplaats van het groene licht, het roode, dat „halt” beteekent. En omgekeerd.
Nauwelijks was hij weer op zijn plaats teruggekeerd, toen in de verte het geratel van een naderenden trein werd gehoord.
Nader en nader kwam hij, totdat aan den anderen voet van den heuvel, in de vlakte de witte wolken uit de machine duidelijk zichtbaar werden.
De stoomketel was flink opgestookt en werkte onder groote spanning om de moeilijke steiging te volbrengen.
Toen de machinist bij de bocht zag, dat de weg niet veilig was, liet hij de stoomfluit zoo schril werken, dat Mr. Parkinson op zijn post boven op den berg van schrik ineenkromp en de stationschef in Carhampton zich afvroeg, wat er wel gebeurd kon zijn.
Als de nacht helder was geweest, zou de machinist wel gezien hebben, dat de signaallantaarn naar beneden wees, maar daartoe was het thans te donker.
De trein pufte den berg op en in de hoop, dat de weg in het laatste oogenblik nog vrij zou komen, bleef de machinist dezelfde snelheid behouden.
Toen echter nog steeds geen groen licht verscheen, was hij wel gedwongen, te remmen, want aan den anderen kant was de helling zeer steil.
De trein was bijna op den top gekomen en reed langzaam, toen plotseling de machine op de rails stokte. De wielen draaiden wel, maar de trein kwam niet van zijn plaats en dreigde den berg ruggelings weer af te glijden. Zoodoende moest met alle macht geremd worden en de trein werd tot stilstand gebracht.
In hetzelfde oogenblik werden ook de machinist en de stoker door twee personen met revolvers bedreigd. De een door Mr. Parkinson, de ander door den éénoogigen Amerikaan.
De stoker gaf zich echter niet zoo gemakkelijk over en sloeg met den kolenschop er op los, zoodat hij bijna Mr. Parkinson den schedel had verbrijzeld. Zijn cylinderhoed, dien hij altijd droeg, zelfs bij deze onderneming, redde hem het leven.
Een kogel, die hem door den elleboog vloog, maakte den stoker voor het gevecht onschadelijk en een tweede die de pet van den machinist doorboorde, joeg dezen zoo’n angst aan, dat hij zich zonder verderen tegenstand liet binden en op de kolen in den tender liet gooien.
De conducteur werd onverhoeds overvallen en zonder veel moeite gebonden.
Een particulier detective en een beambte van de Bank, wien de bewaking over de waardevolle zending was opgedragen, werden verschrikt door het plotselinge stilstaan van den trein.
De detective trok zijn revolver en keek uit het venster.
Geruischloos werd de andere deur echter geopend en een stem riep:
„De revolver weg!”
Toen hij zich omkeerde zag hij een elegant gekleed heer met een ingeslagen hoed, die zijn revolver op hem richtte.
De beide mannen keker elkander een oogenblik aan en voor den doorborenden blik van Parkinson liet de ander het wapen zakken.
De Bankbeambte was een goedmoedig heer op middelbaren leeftijd.
Hij verdedigde zich absoluut niet en vlug werd het goud uit den waggon gesleept.
Door het brutale optreden der roovers en het dreigen met de revolvers lieten de passagiers zich zoo overbluffen, dat zij zonder tegenspartelen horloges, kostbaarheden en baar geld overhandigden.
Daar zich een groot aantal rijke lieden in den trein bevond, die van Schotland naar Londen reisden, was de buit aanzienlijk. Het kleine kistje, dat lady Ilfracombes juweelen bevatte had alleen reeds de moeite geloond.
Uit een coupé tweede klasse trachtte een slank gebouwd heer in de duisternis te ontsnappen en hoewel hem meerdere kogels werden nagezonden, vond zijn voorbeeld toch bij meerdere navolging. Maar het grootste deel der passagiers bleef kalm in den trein zitten.
Men kan het waarlijk den passagiers niet kwalijk nemen, dat zij niet meer tegenstand boden, want slechts twee der passagiers waren van revolvers voorzien, waarvan de een de patronen in zijn koffer had gepakt, terwijl de ander niet met het wapen kon omgaan.
Parkinson had, hoewel de roof zeer snel in zijn werk was gegaan, nog nauwelijks tijd om vier bundels brieven snel bijeen te rapen.
Reeds werden de lantaarns der beambten van het naastbij gelegen station zichtbaar, die kwamen zien, waarom de trein halverwege was blijven stilstaan.
Zwaar beladen met goud en kostbaarheden liepen de mannen het veld in en daar werd alles gepakt in een onschuldig uitziend handkoffertje.
Even later liep de trein onder de leiding van den van zijn boeien bevrijden machinist, het station binnen.
En nu begon de telegraaf te werken.
Er werden lange berichten naar Londen gestuurd, naar de verschillende bladen, die den volgenden dag het nieuws meldden tot in de kleinste bijzonderheden.
Slechts vier van de mannen, die den treinaanslag hadden gepleegd, kwamen den volgenden dag samen in een achterbuurt van een fabrieksstad in Noord-Engeland.
De Ier ontbrak.
Hij was sinds de misdaad nog niet nuchter geweest en in zijn roes bazelde hij zooveel en zoolang, dat Parkinson doodsbenauwd was, dat de kerel zijn mond voorbij zou praten en hem daarom een verdoovingsmiddel had gegeven, dat hem voor een paar dagen onschadelijk maakte.
De roovers waren niet weinig verbaasd over den storm, dien zij hadden veroorzaakt.
Overal werd er van gesproken. Iedere krant wijdde er ellenlange artikelen aan.
De Amerikanen besloten naar hun geboorteland terug te keeren. Parkinson was van plan, weer naar Londen te trekken, daar hij zich daar het veiligst gevoelde.
De machinist wist nog niet, waarheen hij zou gaan.
In de „Vliegende Schotlander” zat in een salonwagen een heer in jachtcostuum.
Hij scheen na lang verblijf uit de Schotsche Hooglanden door Engeland terug te keeren.
Toen men het station Carhampton naderde, wees de heer, die in deze streek goed bekend scheen te zijn, zijn medereizigers de plaats, waar de treinroof was gepleegd.
Ook nu reed de trein uiterst langzaam het station binnen en de heer in jachtcostuum scheen een beetje zenuwachtig te worden, toen hij op het perron zooveel politiemannen zag staan.
„Ja,” beweerde de dikke inspecteur, toen hij den vermeenden jager de handboeien aanlegde, „dat is inderdaad tragisch. Gesnapt, juist op de plaats van de misdaad. Eerlijk gezegd, waarde heer Parkinson, achtten wij het te gevaarlijk, u nog dichter bij Londen te laten komen. Ge hadt ons zoo makkelijk kunnen ontsnappen. Uw zakken zijn zoo zwaar. Wat hebt ge daar? Laat eens zien!! Goud! Echt goud! Neen maar!!”
De politie had te juister tijd ingegrepen!
En dat gebeurt niet altijd!
Zèlfs niet in Engeland!