Lord Lister No. 0039: De krankzinnige van Hanwell

Part 2

Chapter 23,986 wordsPublic domain

Toen zij daar waren aangekomen, klom de chauffeur van den bok en kwam weldra terug met het bericht, dat dit gebouw—het krankzinnigengesticht van Hanwell was.

„Daar moest jij noodig in”, beet de markies zijn chauffeur toe, „nu zoo gauw als je kunt terug!”

De bestuurder moest zich in den mist vergist hebben en was in westelijke richting gereden, in plaats van in oostelijke, langs het Hydepark.

De markies verontschuldigde zich over de onoplettendheid van zijn chauffeur.

Zijn gast antwoordde beleefd, dat de kleine vertraging niets te beteekenen had, maar zijn zuur gezicht logenstrafte zijn woorden.

Weldra vertelde hij dan ook in vertrouwen, dat de kleine Loulou, zijn tegenwoordige vlam, hem zeker een geweldige scène zou maken als hij heden op het afscheidssouper te laat zou komen.

„Geloof mij, waarde markies, ik ben mijn leven niet zeker. Gij kunt u die kleine duivelin niet voorstellen en dan vooral nu, nu ik toch al zooveel moeite moet doen om haar in een goed humeur te houden.”

Markies d’Armand verzekerde opnieuw, hoezeer hij het voorgevallene betreurde en juist wilde hij den chauffeur tot nieuwen spoed aanzetten, toen men een eigenaardig geluid hoorde, de auto draaide om zijn as rond en—stond stil.

Nu was goede raad duur.

Nergens was een voertuig te ontdekken en men kon zelfs geen enkel huis onderscheiden.

De kleine Franschman, wiens ongerustheid tot het uiterste was gestegen, sprong het eerst uit de auto om te zien wat er was voorgevallen.

Een ongeluk.— — — —

Nauwelijks kon hij zijn woede bedwingen en in ruwe woorden schold hij op den chauffeur.

Daar deze verklaarde, dat de schade spoedig hersteld zou zijn, besloot men weer in de auto plaats te nemen, daar de neerstroomende regen het verblijf in de open lucht bijna onmogelijk maakte.

Ondanks den ijver van den chauffeur scheen de reparatie veel tijd in beslag te nemen, want er was reeds meer dan een kwartier verloopen en nog steeds stond de auto op dezelfde plaats.

Eindelijk, na nog een vijftal minuten, die den Franschman zeer lang vielen, zette de auto zich puffend in beweging.

De markies was verontwaardigd over de vertraging en verzocht Fournier, geheel en al over hem te willen beschikken.

„Dan zou ik u vriendelijk willen verzoeken, mij onmiddellijk naar de woning van de kleine Loulou te laten rijden. Ik mag om geen enkele reden langer wegblijven en kan het geld vandaag niet meer op de Bank deponeeren.”

De markies had door de kleine spreekbuis den chauffeur het adres opgegeven en de auto snorde verder.

„Maar mijn beste Fournier, wilt gij die groote som den geheelen avond bij u houden?”

„Het is mij zelf zeer onaangenaam, maar ik kan niet meer naar de Bank gaan. Gij weet, hoe lang men daar soms moet wachten en ik heb geen minuut meer over.”

„Bedenk, mijn waarde, dat gij daar in vroolijk gezelschap zijt en dat gij niet weet hoe laat het kan worden en of er niet ten slotte nog verschillende café’s bezocht zullen worden. Het is zeer gevaarlijk! Een van mijn vrienden heeft op die manier zeer onaangename ervaringen opgedaan....”

De markies vertelde zulk een griezelige geschiedenis, dat zijn gast de haren te berge rezen.

Fournier was bleek geworden en sprak aarzelend:

„Als ik maar wist, wat ik moet doen!”

„Kan ik u soms helpen, dan zal ik het doen, want door mijn schuld—of tenminste door die van mijn chauffeur, hebt gij den tijd verzuimd. Als gij mij het geld wilt toevertrouwen, zou ik dadelijk naar de Bank rijden....”

„Maar, markies, dat kan ik niet aannemen.”

„Gij wilt mij natuurlijk die groote som niet toevertrouwen. Ik vind dat begrijpelijk en neem u die voorzichtigheid in het geheel niet kwalijk.”

„Maar ik bid u, markies! U zou ik elk oogenblik mijn geheele vermogen toevertrouwen.”

„Goed, ik houd u aan uw woord. Geef mij uw geld en ik beloof u, zoodra ik u bij de woning van de bekoorlijke Loulou zal hebben afgezet, onmiddellijk naar de Engelsche Bank te rijden.”

Fournier wist eerst niet, hoe hij zich moest houden.

Aan den eenen kant was hij blij, als het geld nog heden op de Bank kwam, daartegenover stond echter zijn wantrouwen om den markies zulk een aanzienlijk bedrag zonder bewijs in handen te geven.

Deze liet hem echter niet veel tijd om na te denken; hij had een notitieboekje uit den zak gehaald en nam de gouden vulpen van zijn horlogeketting.

„Dus, mijnheer Fournier, ik zal u hier dadelijk een kwitantie ter hand stellen voor 50,000 pond.”

„Maar, mijn waarde markies, dat is immers overbodig.”

„Neen, neen,” sprak deze afwerend, „orde moet er zijn!”

Nog voordat de Franschman wist wat er gebeurde, had zijn voorname vriend de 50,000 pond in den zak en hij keek eenigszins beteuterd naar de kwitantie, die hij in zijn handen hield en die was geteekend: „Markies Fereel d’Armand.”

Met een schok hield de auto stil; men was voor het bedoelde huis aangekomen.

De markies verzocht zijn gast om uit te stappen en verzekerde nogmaals met groote beminnelijkheid, dat hij dadelijk naar de Bank zou rijden.

Toen de Franschman in de deur van het huis was verdwenen, sprak markies d’Armand lachend en op halfluiden toon tot zijn chauffeur:

„Zijn woord moet men als gentleman houden. Dus, Charly, spoedig naar de Bank van Engeland!”......

VIERDE HOOFDSTUK.

DE ONTVOERING.

Voor den hoofdingang van de Engelsche Bank hield een deftige auto stil.

De portier snelde toe en hielp den eleganten vreemdeling uitstappen, die door de groote zekerheid, waarmee hij het groote gebouw binnentrad zonder een enkele vraag te doen, bewees, dat hij tot de veelvuldige bezoekers behoorde.

Snel liep hij de vestibule door, legde zijn pelsjas af in de schrijf- en leeszaal en bleef eenigen tijd in een der kleine kamertjes, die door geslepen glazen wanden voor nieuwsgierige blikken zijn gevrijwaard, waar hij ijverig schreef.

Zijn pels over de schouders werpend, liep hij met langzame schreden en met voorname onverschilligheid de ruime vertrekken door. Hij begaf zich naar de hoofdkas en scheen daar een oogenblik te weifelen.

Eindelijk naderde hij een der beambten.

De vreemdeling scheen het Engelsch niet volkomen machtig te zijn, hij sprak het eenigszins gebroken en met een eigenaardig accent. De kassier wierp een vluchtigen blik op de elegante verschijning.

Terwijl het uiterlijk van den vreemdeling reeds een man uit de hoogste kringen verried, werd deze indruk nog versterkt door het roode lintje van het Legioen van Eer, dat hij in het knoopsgat droeg en waarop de blik van den beambte gevestigd bleef.

De vreemdeling had met eenigen omhaal een document te voorschijn gehaald en dat den beambte voorgelegd.

Nadat deze kennis genomen had van den inhoud, verzocht hij den vreemdeling, hem te volgen naar een ander loket en daar eenigen tijd te wachten.

De onbekende had plaats genomen in een der stoelen en haalde uit den borstzak van zijn jas het laatst uitgekomen avondblad, om zich daarin met onverschillig gelaat te verdiepen.

Aan de kas ging het niet zoo kalm toe. Beambten snelden heen en weer, spraken zacht fluisterend met elkaar en keken telkens in gespannen aandacht naar den vreemdeling.

Deze scheen echter van al die opgewondenheid niets te merken en was oogenschijnlijk zeer in zijn lectuur verdiept.

Het document, dat de vreemdeling den beambte had gegeven, was een wissel van den heer Fournier op naam van markies d’Armand voor een bedrag van 40,000 pond sterling.

De wissel was door den heer Fournier zelf onderteekend en de echtheid der handteekening door den bekenden notaris Mr. Longwood onder bijvoeging van diens ambtszegel gelegaliseerd.

Handteekening en ambtszegel van den notaris waren echt.

Het kwam den ambtenaar alleen maar vreemd voor, dat Fournier over zoo’n belangrijke som beschikte, daar zijn gansche vermogen slechts 60,000 pond sterling bedroeg.

De vreemde bestudeerde nog steeds de krant en alles, wat er om hem heen gebeurde, scheen hem absoluut niet te interesseeren, want de kassier moest zijn naam eerst twee keer noemen, voordat hij opkeek en zich toen met een beleefd glimlachje verontschuldigde.

Den vreemde werd nu verzocht zich te legitimeeren.

Hij kreeg een reispas uit zijn elegante portefeuille en een aanbevelingsbrief van den president der Fransche Republiek, die hem legitimeerde als de boodschapper van een politieke zending.

De heeren aan het raampje wierpen slechts een vluchtigen blik op het document.

Zonder verdere omwegen werden hem nu de 40,000 pond uitbetaald en met een hoffelijke, doch koele buiging verliet de markies de Bank van Engeland.

De portier had het deurtje van de automobiel vlug opengedaan en nam zijn goudbetreste muts af tot bijna aan den grond.

De vreemdeling had hem twee shilling in de hand gedrukt.

Op den volgenden hoek hield de auto plotseling stil. De vreemde stapte uit, boog zich over naar zijn chauffeur en vroeg op halfluiden toon:

„Charly, hebt ge Fred Herbes al een boodschap gestuurd?”

„Dat kon ik nog niet, Edward. We wisten immers niet of ons plan zou gelukken.”

„Juist, dan zal ik het dadelijk telephonisch doen. Wacht een oogenblik, ik ben dadelijk terug.”

De vreemdeling ging naar een elegant café. Na korten tijd kwam hij terug, stapte weer in de auto en reed snel naar Goldhawke Road.

De stroomende regen was intusschen wat bedaard.

De wolken braken en de maan trachtte door de vaal-grauwe nevels te dringen. Maar dit gelukte haar niet en na een poosje verdween zij maar weer achter het dichte wolkgordijn.

Maar die enkele maanstralen waren toch voldoende geweest om de automobiel te beschijnen, die pas geleden voor den hoofdingang van de Bank van Engeland had gestaan en die nu juist verdween achter een boschje nabij het huis van Mr. Van Brixen.

Hoewel de straat in dichte duisternis was gehuld en geheel ledig was, vluchtten toch twee donkere gestalten in de schaduw van de dikke boomstammen.

Het scheen, alsof zij op iets wachtten, dat van de richting van Hydepark moest komen, want in gespannen aandacht keken zij dien kant uit.

Nu drong een flauwe schijn door de dichte nevels, die met elk oogenblik grooter werd en toenam in helderheid.

„Daar zal hij zijn,” fluisterde een der beide schaduwgestalten.

Steeds nader kwam het licht en al spoedig kon men de lantaarns van een automobiel onderscheiden, die in razende snelheid naderde.

„Geef nu het teeken, Edward.”

Een schril fluiten weerklonk door den nacht.

Dit scheen een afgesproken teeken te zijn, want de snelheid, waarmede de lichten waren genaderd, nam allengs af en aan het einde der Woodlaan hield het voertuig stil. Men zag in de duisternis, dat de lampen een bocht beschreven en dat de auto verdween naar den kant van de stad.

Een korten tijd bleef alles stil, toen klonk weer dat eigenaardige fluitgeluid door den zwijgenden nacht.

De beide luisterenden beantwoordden het signaal.

„Eindelijk, Mr. Herbes! Wij wachten al sinds geruimen tijd!”

De nieuw aangekomene reikte het tweetal de hand.

„Vergeef mij, markies, en gij ook, beste vriend, als ik liet wachten, maar ik kon niet eerder komen. Toen ik uw telephonische boodschap kreeg, wist ik van vreugde nauwelijks wat ik deed, want ik had nog steeds gevreesd, dat uwe voorbereidingen, waarvan Mr. Bellon mij verteld heeft, in het laatste oogenblik nog zouden afspringen.”

„Neen, Mr. Herbes,” klonk de welluidende stem van markies d’Armand in de duisternis, „alles is goed gegaan en ik hoop, dat ge reeds over een half uur uw wenschen ziet vervuld.”

De jonge man wilde zich uitputten in dankbetuigingen, doch de markies weerde hem af en zeide:

„Als alles goed geslaagd is, is het tijd om te danken, nu is iedere minuut nog kostbaar. Vlug dus aan den arbeid!”

Bijna geluidloos liep het drietal over den weg naar het huis van Van Brixen toe.

Onderweg vroeg de markies den jongen man nog:

„Zijt ge er dus zeker van, dat Van Brixen niet thuis is?”

Deze antwoordde:

„Antje stuurde mij vanmorgen nog een briefje, waarin stond, dat haar vader op reis was gegaan. Hij had echter ongaarne deze reis ondernomen aan den vooravond van de bruiloft. Het scheen hier echter een belangrijke zaak te betreffen, zoodat hij wel moest gaan.

„Bij het afscheid had hij Antje nog verzekerd, dat hij beslist met den trein van middernacht zou terugkomen.”

„Dan hebben wij des te meer reden om ons te haasten,” zei de markies en legde zijn hand op de deurklink van de tuindeur.

Deze gaf mee en enkele oogenblikken later waren de drie mannen verdwenen in het dichte gebladerte.

Het huis lag als uitgestorven; niets bewoog zich. Slechts voor een der vensters aan den achterkant scheen een zwak schijnsel.

In dit oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn en verlichtte de wegen van het park, waarlangs drie mannen zich voortspoedden.

Een oogenblik was alles stil.

Toen weerklonk plotseling het geroep van een nachtuil.

Hoe stil die kreet ook werd geslaakt, scheen men toch in de kamer, waar het licht brandde, het geluid te hebben vernomen, want het gordijn werd ter zijde geschoven, de vleugeldeuren voorzichtig geopend en in het verlichte raam verscheen een vrouwelijke gedaante.

Wederom klonk diezelfde roep.

De vrouw daarbinnen maakte echter een afwerende beweging met de hand en wrong als in wanhoop de handen.

Toen hield zij een klein voorwerp in de hoogte, boog zich voorover en liet het op den grond vallen.

Uit de schaduw der boomen kwam een zwarte gestalte te voorschijn, die het voorwerp snel opraapte en ijlings weer in de schaduw der boomen verdween.

Herbes had met de linkerhand zijn wijde jas genomen en hield een tip voor het voorhoofd, terwijl de markies met een kleine electrische zaklantaarn bijlichtte.

In dit schuilhoekje ontcijferde Herbes een klein briefje, dat Antje aan een steen had gebonden en weggegooid.

Zij deelde daarin mede, dat er geen mogelijkheid op een vlucht bestond, want Van Brixens oude huishoudster had de deur gesloten en het jonge meisje kon niet bij den sleutel komen.

Herbes was buiten zich zelf, maar de markies zei op fluisterenden toon:

„Dat hindert niets!”

Hij had snel een voorwerp uit den zak gehaald en trachtte nu het einde van een touw met een ijzeren haak naar het in de tweede verdieping gelegen venster omhoog te gooien.

De worp mislukte echter en met groot lawaai viel de haak op den steenen bodem neer.

Allen verschrikten en luisterden in gespannen aandacht of niemand was opgeschrikt.

Gelukkig echter bleef alles stil.

„Zoo gaat het niet,” fluisterde de markies en hij wierp snel zijn kostbare pels neer en liep geruischloos naar den draad van een bliksemafleider, die van het dak naar beneden in het park liep.

De anderen konden een kreet van schrik niet weerhouden. Wat de markies wilde doen was louter waanzin. Doch reeds had hij het staal gegrepen en begon zich langzaam omhoog te trekken.

Het lichaam vast tegen den muur gedrukt, klauterde hij als een kat naar boven.

Zoo bereikte de markies in korten tijd het venster. Hij sloeg zijn arm om het kruis. Een oogenblik zag men in het vensterkozijn zijn figuur afsteken, toen verdween hij geruischloos in de kamer.

Hier wikkelde hij een snoer los, dat hij om het lichaam had gewikkeld, wierp het eind naar beneden en trok de touwladder naar boven.

Hij bevestigde deze nu aan het venster en aldus was in korten tijd een tamelijk handige weg in orde gebracht.

Toen de nachtelijke bezoeker de kamer binnen kwam, kon Antje nauwelijks een huivering onderdrukken.

Die man bracht haar de vrijheid en het verwachte geluk en toch rilde zij voor de uitdrukking van dol-dappere beslistheid, die sprak uit zijn gelaatstrekken. Hoe vreeselijk wel moest het zijn om dien man tot tegenstander te hebben!

Den markies ontging het schuwe wezen en de angst van het meisje niet.

Als een man van de wereld wist hij in eenige vriendelijke woorden de opgewondenheid van de jonge dame te kalmeeren. Hij verzocht haar, zich vlug voor het vertrek gereed te maken en alle kleinigheden, waaraan zij gehecht was, in een handtaschje mee te nemen.

„Terwijl gij daarmede bezig zijt, heb ik nog een kleine taak te vervullen. Wilt ge mij even zeggen, hoe ik het vlugst naar de kamer van uw vader kom?”

Het jonge meisje schrikte.

Haar gelaat werd lijkbleek.

De markies trachtte haar gerust te stellen:

„Ik geef u mijn eerewoord, dat uw vader in geenerlei gevaar komt. Ik moet echter een oogenblik in zijn kamer vertoeven.”

Slechts aarzelend gaf Antje hem de noodige aanwijzingen en terstond was de markies verdwenen, om reeds na enkele minuten terug te komen.

Intusschen waren alle voorbereidingen tot de vlucht gemaakt.

De markies bevestigde de kleine handtasch aan het touw en liet ze in de diepte glijden.

Hij boog toen voor de jonge dame en sprak:

„Ge veroorlooft mij?”

En voordat Antje wist wat er gebeurde, had hij haar als een kind in zijn armen genomen en begon nu met zijn last den gevaarvollen terugtocht langs de wankelende ladder.

Om het slingeren te voorkomen hielden de beiden, die beneden stonden, het vrije einde vast en spoedig had de markies met zijn beschermelinge den grond bereikt.

Deze man moet wel reuzenkrachten en een schier ongekende handigheid bezitten, want men bespeurde bij hem niet de geringste vermoeienis.

Toen hij Antje neerzette, omhelsde Herbes zijn meisje en fluisterde zachtjes:

„Eindelijk, liefste!”

De markies liet het minnende paar echter geen tijd om teere woordjes te wisselen, maar dreef hen aan tot spoed.

Voorzichtig door de duisternis sluipend, hadden zij spoedig de tuindeur bereikt; eenige minuten later zaten allen in de in de boschjes verscholen staande auto en voort ging het naar het station.

Daar nam de markies voor het paar kaarten naar Southampton. Van daar uit zouden zij per boot naar Australië oversteken.

Het was nog slechts luttele minuten vóór het vertrek van den trein.

Antje en Herbes waren in een ledige coupé gestapt en stonden voor de open deur om afscheid te nemen van hunne vrienden.

„En nu,” zeide de markies en hij haalde een pakje uit zijn zak te voorschijn, „heb ik nog wat te zeggen. Zooals ge weet, had uwe vader de som van 20,000 pond voor u als bruidsschat bestemd. Wijl Fournier u nu echter niet tot vrouw krijgt, zag ik volstrekt niet in, waarom hij het geld moest behouden en ik haalde deze vaderlijke huwelijksgift om ze u hier te overhandigen.”

Antje en Herbes waren ten hoogste verbaasd en hunne verwondering steeg nog, toen de markies een étui uit zijn zak haalde en deze Antje overhandigde.

„Ik vond ook nog dezen kostbaren collier in de kamer van uw vader. Dit kleinood was natuurlijk bestemd als bruidsgeschenk. Ge ontvangt het dus bij dezen.”

Juist kwam de conducteur om de coupédeuren te sluiten.

Antje en Herbes namen nogmaals afscheid.

Een schril gefluit—locomotief en trein zetten zich in beweging.

VIJFDE HOOFDSTUK.

VERRASSINGEN OP DEN HUWELIJKSMORGEN.

Triest brak de dag aan.

Mr. Fournier woelde rusteloos heen en weer op zijn legerstede. Hij was na een rumoerigen nacht eerst weinig uren geleden thuis gekomen, doch de gewenschte rust kon hij niet vinden.

Dit was dus de morgen van zijn bruiloftsdag.

Waarom zou hij feitelijk trouwen?

Het hoofddoel was nu immers bereikt.

Hij was in het bezit van 20,000 pond bruidsschat en had nu ook de 30,000 pond gekregen, die hem nog toekwamen van vroegere „zaken”, die hij met Van Brixen had gedreven.

Antje was inderdaad een alleraardigst meisje.

Maar wat moest hij met een vrouw beginnen?

De donkerlokkige Loulou was toch even lief als zijn blonde bruid. Enfin, hij zou het dan wel zien te schipperen!—

De gedachtengang van den kleinen Franschman werd plotseling afgeleid, want naast hem ging de telephoon over met schril geluid.

„Wat is dat nu?” dacht Fournier, „nu al een telefoontje. Dat is een flauwe grap van een vriend!”

Hij draaide zich om, ten einde te gaan slapen, den vriend verwenschend, die hem zoo beet wilde nemen.

Rrrrrrrrrrrrrrrt!

Weer ging de telefoon.

Rrrrrrrrrrrrrrrt!

Nu was Fournier wel gedwongen op te staan.

Slaapdronken greep hij het toestel.

„Hallo!”

„Hallo!”

„Wie daar?”

„Markies d’Armand!”

De kleine Franschman maakte onwillekeurig een buiging.

„Wel, markies, wat verschaft mij de eer?”

„Ik wil u feliciteeren, als ge ten minste nog altijd van plan zijt vandaag te trouwen.”

Fournier grinnikte.

„Hahaha! hihihi!”

Hij dacht, dat de markies ook al een beetje zwaar geboemeld had.

„Ik wilde alleen maar weten,” vervolgde de markies op ernstigen toon, „of ge Antje van Brixen zoo lief hebt, dat ge haar ook zonder bruidsschat wilt nemen. Ik ben namelijk in het bezit van de huwelijksgift en heb bovendien op uw naam nog 40,000 pond gehaald. Ik had u gisteravond beloofd direct naar de Bank te rijden en kreeg daar op uw handteekening terstond het verlangde.”

Nog altijd dacht Fournier aan een grapje.

„Ge hebt volstrekt geen reden tot vroolijkheid”, zei de markies. „Misschien zult gij mij eerder gelooven, als ik u verzeker, dat de vermeende markies d’Armand niemand anders is dan John Raffles!”

Fournier was lijkbleek geworden.

De microfoon gleed uit zijn hand en bevend greep hij naar de leuning van den stoel.

Maar dat was toch waanzin!

Neen, neen!

De markies wilde slechts een grapje maken.

Op deze manier trachtte Fournier zich zelf gerust te stellen, maar dit wilde hem niet al te best lukken, want de angst snoerde hem de keel dicht.

Hij moest zich echter zoo spoedig mogelijk zekerheid verschaffen.

Maar wat te doen?

Naar de Bank telefoneeren? Dat ging niet, want die was nog gesloten.

Naar de politie? Dat wilde hij niet, daar hij nog steeds de hoop koesterde, dat alles maar een flauwe grap was.

Maar wat dan! Wat dan!

Hij moest er toch met iemand over spreken en hij dacht aan Van Brixen.

In allerijl had hij zich gekleed, het huis verlaten en was per auto naar zijn aanstaanden schoonvader getuft.

Daar lag alles nog in diepe rust.

Toen eindelijk een dienstmeisje de deur had geopend, stormde Fournier haar voorbij en rende terstond naar de slaapkamer van den heer des huizes.

Deze was eerst laat in den nacht van zijn reis teruggekeerd en sliep nog vast, toen hij plotseling onzacht op zijn schouder werd getikt.

Toen hij de oogen opsloeg zag hij Fournier voor zich staan, die in hoogelijk opgewonden toestand verkeerde.

Hij begon het verhaal te doen van wat hem was overkomen, toen plotseling het dienstmeisje aan de slaapkamerdeur klopte en vol schrik vertelde, dat een touwladder uit het venster van de kamer der juffrouw in het park hing.

Dit bericht bracht groote ontsteltenis teweeg.

Van Brixen kleedde zich in allerijl en haastte zich met zijn vriend naar de kamer van zijn dochter.

Deze was leeg.......

Midden op de tafel lag een brief van den volgenden inhoud:

„Geachte Heer!

Nauwkeurig onderzoek heeft aan het licht gebracht, dat ge uw geld op schandelijke wijze hebt verdiend.

Uw vriend Fournier is geen haar beter dan gij; ik heb derhalve besloten om het geld, door u op zoo minderwaardige wijze verworven, aan de lijdende menschheid te besteden.

Ge zijt gewetenloos genoeg om uwe dochter te willen koppelen aan Fournier. Dit moest ik verhinderen en daarom heb ik juffrouw Antje geholpen om te vluchten met den jongen koopman Herbes, die haar lief heeft. De huwelijksgift van 20,000 pond heb ik het jonge paar naar hun nieuwe woonplaats meegegeven.

De andere 30,000 pond, die ik Fournier heb afgenomen en ook de 40,000 pond, die ik mij van zijn vermogen liet uitbetalen, zal ik aan de Londensche armen geven.

Fournier is dus gestraft.

En ook gij zult uw straf niet ontgaan.

JOHN RAFFLES. bijgenaamd Markies d’Armand.

P.S. Daar juist vind ik een kostbaar halssnoer in uw schrijftafel. Uit den bijgaanden brief lees ik, dat ge die hadt bestemd als geschenk voor uwe minnares Tatjana Miroff. Dat lijkt mij een groot onrecht. Ik zal het snoer aan uwe dochter geven als geschenk van haar kieschen vader. Ik heb nu geen tijd om uw boel verder door te snuffelen, maar dat komt later wel in orde.

Ge hoort nog wel van mij.

J. R.”

Van Brixen had den brief op half luiden toon gelezen en Fournier volgde ieder woord in gespannen aandacht.