Lord Lister No. 0039: De krankzinnige van Hanwell

Part 1

Chapter 13,928 wordsPublic domain

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 39 DE KRANKZINNIGE VAN HANWELL.

DE KRANKZINNIGE VAN HANWELL

EERSTE HOOFDSTUK.

AFGELUISTERDE GEHEIMEN.

In Goldhawke Road stond een onaanzienlijk klein huis midden in een tamelijk grooten tuin, waarin de heerlijkste bloemen geurden.

Het huisje scheen zich daar in het westen van Londen, te midden van fraaie villa’s en huizen, die wel kasteelen geleken, niets op zijn gemak te gevoelen. Somber staken de grauwe muren uit het sappige groen op.

Hoe onooglijk dat huisje er uitwendig ook uitzag, zulke kostbare schatten verborg het in zijn binnenste.

De eigenaar was een Hollander, Van Brixen, die meer dan tien jaar geleden het stuk grond kocht en het had den man heel wat moeite gekost om te worden toegelaten tot de goede gezelschapskringen, daar men allerlei vreemde dingen fluisterde omtrent het verkrijgen van zijn geweldigen rijkdom.

Maar ten slotte had toch het goud gezegevierd over alle mogelijke vooroordeelen.

Nu straalden, tot aan het dak, alle vensters in helderen glans en de nieuwsgierigen, die gelokt door de walsmelodieën voor het hek bleven staan, konden in de ruime vertrekken van het parterre-gedeelte een feestelijk uitgedoste menigte zich zien bewegen.

De rijke Hollander had een tamelijk groot gezelschap uitgenoodigd en allen waren gaarne gekomen, want men wist, dat Van Brixen steeds uitnemend zorgde voor de gezelligheid zijner gasten.

Heden had de heer des huizes, meer nog dan gewoonlijk, alles in het werk gesteld om het feest te doen slagen, want hij wilde de verloving van zijn dochter Antje met een handelsvriend, den heer José Fournier, een Franschman van geboorte, vieren.

De bruidegom was jaren geleden in Londen komen wonen en leidde in deze stad een vroolijk jonggezellenleven.

Vandaag gloeide de kleine, beweeglijke Franschman van trots. Een onbeduidend voorval had hem eenige dagen geleden in kennis gebracht met een heer uit de hoogste aristocratische kringen van Zuid-Frankrijk.

Hij zat in een der voornaamste café’s van Londen en aan een tafeltje vlak bij het zijne zat een elegant heer van omstreeks vijf-en-dertigjarigen leeftijd, die zich in het Fransch onderhield met een veel jongeren heer.

Fournier, wiens scherp oog de voorname manieren der heeren niet ontgingen, werd door nieuwsgierigheid geprikkeld, toen hij Fransch hoorde spreken.

Hij trachtte herhaaldelijk kennismaking aan te knoopen, door een krant te vragen, die de vreemdeling had terzijde gelegd, om wat vuur te verzoeken voor zijn sigaar en op alle mogelijke manieren de aandacht op zich te vestigen.

Het toeval kwam hem te hulp.

Toen de beide heeren het café wilden verlaten, nam de oudste heer uit vergissing de kostbare pels van Fournier om deze aan te trekken.

Deze maakte nu van de gelegenheid gebruik en maakte den vreemdeling allerbeleefdst opmerkzaam op zijn vergissing.

Natuurlijk haastte de vreemdeling zich, zijn verontschuldigingen aan te bieden en in het gesprek, dat zich thans ontspon, stelde hij zich voor als markies d’Armand en zijn vriend als monsieur Bellon uit Bordeaux.

In zijn groote zucht naar voorname kennissen klampte Fournier zich aan den markies vast.

Deze van zijn kant, scheen het niet meer dan beleefd te vinden, dat hij de vergissing weer eenigszins goed maakte, het gesprek werd vriendschappelijker en nog dienzelfden avond vertelde Fournier van zijn „intiemen” vriend, den markies d’Armand.

Hoewel hij doorgaans het café eerst om vijf uur des middags bezocht, ging hij er den volgenden dag reeds om één uur heen, in de stille hoop, er den markies te zullen aantreffen.

Hij moest in ieder geval tot vijf uur geduld blijven oefenen, maar toen ook werd zijn wachten beloond, want inderdaad betrad het tweetal weder de café-zaal.

Terstond begroette de Franschman den markies op zeer luiden toon.

Tot zijn groote vreugde ging het tweetal bij hem aan het tafeltje zitten en het drietal was al heel gauw in een levendig gesprek gewikkeld.

De vreugde over de nieuwe voorname kennismaking had Fournier zoozeer in verrukking gebracht, dat hij den vorigen nacht den slaap niet had kunnen vatten.

Rusteloos had hij op zijn legerstede gelegen en overwogen hoe hij wel het meest van dit buitenkansje kon profiteeren.

Hij had het volgende bedacht:

Over eenige dagen zou hij de verloving vieren met Antje, de dochter van zijn vriend Van Brixen.

Dit feit had voor hem veel aanlokkends, want in de eerste plaats was zijn bruid een mooi meisje en voorts kreeg zij een aanzienlijken bruidsschat mede.

En hoe heerlijk zou het wezen, als de voorname landsman door zijn tegenwoordigheid het feest zou opluisteren?

Ja, zoo moest het zijn!

Hij moest den markies zien over te halen om het feest, dat Van Brixen gaf, te bezoeken.

Terwijl hij zich thans in het café met de vrienden onderhield en zijn best deed om zich van den aardigsten kant te toonen, kwam hij met zijn plan voor den dag.

En tot zijn groote vreugde was er niet al te veel overredingskracht voor noodig om den markies en zijn vriend te bewegen te zullen komen.— — —

Van Brixen, die hoopte door de nieuwe kennissen van zijn schoonzoon in de hoogere kringen te worden toegelaten, was eveneens zeer verheugd en had de vreemdelingen vol trots aan het overige gezelschap voorgesteld.

Onder een groep dichte palmen stond een bank van Japansch riet, die een aangenaam plaatsje bood aan allen, die tijdelijk het dansgewoel wilden ontvluchten.

Deze wintertuin was inderdaad een kijkje waard.

Zeldzame Oostersche planten, die voor groote sommen waren aangekocht, gaven het geheel een sprookjesachtigen aanblik.

Op de bank van Japansch riet zaten twee heeren.

De oudste van hen droeg in het knoopsgat van den eleganten rok den rooden strik van het kruis van het Legioen van Eer.

De fijne, witte rechterhand aan wier pink een kostbare brillant glinsterde, streek over den welverzorgden puntbaard, de mond vertrok zich tot een verveeld gapen en hij sprak tot zijn jongeren begeleider:

„Weet je, Charly, ik heb grooten lust om heen te gaan.—Dit sterk gemengde gezelschap is toch echt vervelend. Ik had zoo gehoopt, hier allerlei interessante dingen te vinden, daar het verleden van onzen gastheer en ook dat van vriend Fournier allerlei geheimen moet verbergen, maar ik zie mij teleurgesteld.”

De heer, die met Charly werd toegesproken, wilde juist antwoorden, toen zijn vriend hem met een snelle beweging het zwijgen oplegde en met de rechterhand naar de deur wees, die uit de balzaal in den wintertuin leidde.

Door die deur waren juist twee heeren binnen getreden, die de palmgroep naderden, in welker schaduw de beide vrienden zaten.

Naast een klaterende fontein bleven zij staan en de kleine, bewegelijke Franschman sprak tot zijn vriend en toekomstigen schoonvader op halfluiden, opgewonden toon:

„Neen, Geert, dat doe ik niet!”

Van Brixen legde zijn hand op den arm van den Franschman en antwoordde met een vette stem:

„Maar Jean, wees toch verstandig! Twee oude vrienden als wij....... Je kent mij toch— —”

„Ja, juist omdat ik je ken”, antwoordde Fournier, „juist daarom blijf ik op mijn stuk staan. Juist omdat ik je ken, verlang ik de vijftigduizend pond op zijn laatst op den dag vóór de bruiloft.”

„Maar dat is toch onzin, Jean!—Ik vind het best, dat je op den dag voor de bruiloft geld krijgt, maar dan de twintigduizend pond, die als bruidsschat zijn bestemd. Het andere— —”

„Och wat, om het „andere”, zooals gij het belieft te noemen, is het juist te doen. Denk je misschien, dat ik er op gesteld ben, voor die ellendige twintigduizend je dochter te nemen? Neen, ik zou willen, dat we nu eindelijk eens tot een vergelijk komen. Als ik mijn leven van jonggezel opgeef, wil ik ook weten, waarom ik het doe!”

Van Brixen lachte een beetje gedwongen.

Toen sprak hij op jovialen toon:

„Kom, wordt nou asjeblieft niet sentimenteel! Het huwelijk zal jou niet erg uit je gewone doen halen.”

De kleine Franschman keek zijn vriend doordringend aan en sprak op korten, scherpen toon:

„Wil je doen, wat ik voorstel, ja of neen?”

Van Brixen zuchtte diep.

Toen zeide hij:

„Als jij, ouwe bloedzuiger, niet anders wilt, dan vooruit maar!”

„Afgesproken! Ik wist het wel, Geert, dat je verstandig zoudt zijn, maar je hebt niet de minste reden om mij een bloedzuiger te noemen.”

De kleine Franschman had den Hollander de rechterhand toegestoken en deze sloeg er in met weemoedig gebaar.

Toen gingen de beide „mannen van eer” arm in arm naar de balzaal terug.

Markies d’Armand had met stijgende belangstelling geluisterd naar het tweegesprek.

Zijn verstandige oogen volgden de zich verwijderende heeren en toen deze in de balzaal waren verdwenen, sprak hij tot zijn vriend:

„Nu heeft het toeval ons voor eenige interessante raadsels geplaatst. Onze zegslieden hadden dus volkomen gelijk toen zij beweerden, dat die Hollander en zijn vriend samen gewichtige geheimen hebben. Voor niets betaalt men geen dertigduizend pond.”

„Dan blijven we hier zeker nog wat?” vroeg de jongste van het tweetal.

„Ik denk het wel.”

„Zullen we naar de zaal teruggaan?”

„Ik blijf liever hier, want ik vermoed, dat deze klaterende fontein mij nog meer geheimen zal verraden. Als jij naar de feestzaal terug wilt gaan, Charly....”

De markies scheen juist te hebben gezien, want plotseling ging een kleine deur open, die van het park naar den wintertuin leidde en twee jonge meisjes traden het plantenhuis binnen.

De fontein scheen een geweldige aantrekkingskracht uit te oefenen op alle binnentredenden, want ook zij schreden langzaam er heen en gingen in een nis zitten.

Een lachje vloog over het gelaat van den markies en hij sprak tot zijn vriend:

„Als die bekoorlijke dametjes ook geheimen hebben, zullen deze wel van heel wat onschuldiger aard zijn!”

„Ach, Maud, ik ben zoo diep ongelukkig!”

De oudste der beide jonge meisjes slaakte deze verzuchting en ze boog haar hoofdje, dat een schat van blonde vlechten torste, naar den schouder van haar vriendin.

Deze was ongeveer negentien jaren.

Zij was van gewone grootte. Haar figuur kon men bijna te slank noemen en haar fijn besneden gelaat vertoonde een voor haar leeftijd ongewoon ernstige uitdrukking.

Zij had den arm om haar vriendin geslagen en sprak met een diepe, welluidende stem:

„Maar Antje, doe het dan niet! Niemand kan je toch dwingen!”

„Je kent mijn vader niet. Wat hij wil, moet gebeuren. Maar voordat ik dien ellendeling trouw, spring ik liever met Fred in het water.”

In haar opwinding was de dochter des huizes opgestaan en nu stond zij daar, den rechterarm tegen den stam van een palm geleund, in half trotsche, half wanhopige houding, de linkerhand, waarin zij een zakdoek hield, tegen de oogen gedrukt.

Maud, die meer beslist optrad dan haar vriendin, sprak op verwijtenden toon:

„Maar Antje, blijf toch bedaard! Als iemand je zoo eens kon zien!—Wij zullen er wel een weg op vinden! Je moet je nu beheerschen en mee gaan naar de gasten!”

Haar vriendin troostend als een klein kind, troonde zij het jongemeisje mee naar den ingang der zaal.

„Bravo!—Dat meisje staat mij aan,” zeide de markies. „Die treedt flink op en handelt kranig. Wat zou je er van denken, Charly, als gij die kleine miss eens het hof gingt maken en tevens trachttet te vernemen, wie „Fred” is, met wien die arme Antje zich wil verdrinken?”

„Als je er een bedoeling mee hebt, wil ik het graag doen!”

„Ja, zeker heb ik dat. Onze gastheer en zijn waarde vriend schijnen wel de moeite van nauwkeurige waarneming waard. Ik geloof, dat hier iets voor ons te doen is.—Jij belast je dus zoo’n beetje met de kleine Maud en tracht een en ander te hooren van Fred. Maud is een mooi en lief meisje, die taak zal je dus niet al te zwaar vallen”, voegde markies d’Armand er glimlachend aan toe.— —

Charly ging naar de balzaal om zich van zijn opdracht te kwijten.

De markies bleef nog eenige oogenblikken op de bank zitten.

Hij scheen over iets na te denken.

Eindelijk stond hij op en begaf zich eveneens naar de balzaal.

Op zijn gelaat lag een sarcastisch glimlachje en op half luiden toon mompelde hij:

„Raffles als de beschermengel van een paartje, dat aan ongelukkige liefde lijdt—wel, dat is weer eens iets anders!— —”

Toen mengde hij zich onder de dansenden.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE HANDTEEKENING.

„Het is net zooals ik gedacht heb, Charly”, zei markies d’Armand, die er heden merkwaardig veranderd uitzag.

Van het elegante puntbaardje was niets meer te zien en zijn rechterhand draaide aan het kleine snorretje.

Lord Lister bewoonde, onder den naam van markies d’Armand, tijdelijk met zijn vriend drie ineenloopende kamers in een groot hotel in de City van Londen.

Hij had zich gemakkelijk in een stoel gevleid en de rookwolkjes van zijn sigaret stegen naar boven, terwijl hij luisterde naar wat zijn vriend hem vertelde.

„Natuurlijk zal ik alles aanwenden om de beide kerels te straffen, zoodat ze eeuwig aan mij zullen blijven denken.”

De lord scheen zeer opgewonden te zijn, toen hij deze woorden uitte. Zijn voorhoofd lag in diepe plooien en hij wierp de rest van zijn sigaret met een onwillig gebaar in het aschbakje.

Toen stond hij op en liep de kamer met groote passen op en neer.

Charly had juist de laatste onbetwistbare bewijzen bijgebracht, dat de Hollander, Geert van Brixen, al sinds een menschenleven zijn reusachtig fortuin had verworven met den handel in blanke slavinnen.

Zijn vriend Jean Fournier stond hem trouw ter zijde in dit vuile werk, maar ook deze was door Van Brixen bestolen en bedrogen, die nu den lastigen man door het huwelijk met zijn dochter den mond wilde snoeren.

Hij scheen zich hierin te hebben bedrogen, want Fournier was met de bruidsgift van 20,000 pond niet tevreden, doch verlangde op den bruiloftsdag nog 30,000 pond extra.

Van Brixen zou zich geen oogenblik hebben bedacht, den vrijer af te wijzen, als hij bovendien geen ernstige reden had gehad om zijn dochter zoo gauw mogelijk uit huis te krijgen.

Van Brixen, een man van 63-jarigen leeftijd, was tot over de ooren verliefd op een Russin, Tatjana Miroff.

Zij was operette-zangeres en Van Brixen had haar in Londen leeren kennen.

Tatjana was niet jong meer, hoewel zij nog zeer voordeelig uitkwam naast den grijzen Van Brixen, die er nog ouder uitzag dan hij werkelijk was.

Zij was achter in de dertig, had een opvallend groote gestalte en had, met de wilskracht van vrouwen op dien leeftijd, al haar hoop gevestigd op Van Brixen, die haar een schitterend bestaan kon verschaffen.

Met allerlei vrouwelijke kunstgrepen wist zij den dwaas zoover te brengen, dat hij haar beloofde, met haar een reis om de wereld te maken en eindelijk vervulde hij haar wensch en werd de dochter het huis uitgezonden.

Antje, die de verhouding van haar vader tot de Russin begreep, had zich, door haar minachtende houding, den toorn der vrouw op den hals gehaald.

Al deze bijzonderheden was Charly te weten gekomen, eveneens dat het jonge meisje zich in stilte had verloofd met een jong koopman—Fred Herbes.

„Hebt ge reeds een middel gevonden, hoe de schurken gestraft kunnen worden?” vroeg Charly.

Lord Lister staakte zijn wandeling en keek zijn vriend ernstig aan; een lachje verscheen op zijn gelaat en met een zegevierenden blik sprak hij:

„Ja, Charly, zij zullen allebei hun straf krijgen en vooral Van Brixen op een manier, zooals nog nooit een schurk gestraft werd.”

„Wat ben je van plan?” vroeg Charly.

John Raffles maakte echter een afwerende beweging en antwoordde:

„Laat dat voorloopig mijn geheim blijven! Nu mogen wij echter geen tijd verliezen, want Mr. Fournier zal nog heden zijn straf krijgen.”

Hij zette zijn vriend zijn plan uiteen.

Charly vond het uitstekend en spoedig had hij zich zoo verkleed, als dat noodig was voor de truc, die Lord Lister voorhad.

Niemand zou in den chauffeur, wiens gelaat gedeeltelijk was verborgen achter een grooten stofbril en wiens kin was omgeven door een blonden baard, Charly Brand hebben herkend.

John Raffles keek peinzend voor zich uit.

Toen keek hij op zijn horloge en fluisterde:

„Het wordt tijd!”

Een poosje hield hij zich bezig met zijn toilet voor een kleinen driedubbelen spiegel en toen hij dien eindelijk in een handkoffer wegborg, samen met een kistje, dat naast hem had gestaan, was het kleine snorretje van Lord Lister verdwenen en hijzelf veranderd in Markies d’Armand met een ringbaard.

Hij schoof den grendel terug van de deur, welke hij had afgesloten, toen Charly de kamer had verlaten. Maar hij verliet de kamer nog niet.

Markies d’Armand scheen iemand te verwachten, want hij keek herhaaldelijk op zijn horloge.

Het duurde niet lang of een kellner bracht het visitekaartje van een heer, die den markies wenschte te spreken.

Dat moest wel de verwachte zijn, want de markies wierp een vluchtigen blik op het kaartje en zei terstond:

„Laat dien heer binnen komen!”

De kellner ging heen en enkele oogenblikken later trad monsieur Fournier de kamer binnen.

Hij was hoogst elegant gekleed in visite-toilet. In zijn knoopsgat droeg hij een camelia. Hij scheen in uitstekend humeur te zijn.

De markies liet zijn blik langs de figuur van den bezoeker glijden.

Glimlachend sprak hij:

„Wel, m’n beste vriend, als ik niet wist, dat ge op het punt staat om te trouwen, zou ik denken, dat ge aanzoek gingt doen.”

„Het is bijna hetzelfde, waarde markies,” antwoordde de Franschman met een slim knipoogje.

Daarna deelde hij den luisterende mede, dat hij besloten had om aan den vooravond van zijn bruiloft afscheid te nemen van zijn jongelingsleven.

„Het zal een prachtig feest worden”, besloot hij zijn geestdriftig verhaal, „ik zeg u, er zijn prachtige vrouwen bij en ik zou het mij tot een eer rekenen als ik u, markies, als mijn gast zou mogen beschouwen.”

„Ik ben helaas....” begon de genoodigde zijn antwoord, toen de Franschman, die dacht een domheid te hebben begaan, snel inviel:

„Natuurlijk zal het een eer voor mij zijn, ook uw vriend, Mr. Bellon, te kunnen begroeten.”

„Mijn vriend kan van deze allervriendelijkste uitnoodiging geen gebruik maken, daar hij voor eenigen tijd op reis is. En ik heb helaas reeds mijn woord gegeven.”

Fournier zag er heel ongelukkig uit na deze woorden en vroeg toen op bescheiden toon:

„Zoudt ge zelfs niet voor een oogenblikje kunnen komen? Wij blijven heel lang bijeen.”

De markies sprak glimlachend:

„Zeker wil ik niets beloven, maar als ge het niet erg vindt, dat ik laat kom, zal ik misschien nog verschijnen!”

„Heel graag!”

„En laat ons nu naar uw schoonvader gaan om de financieele kwestie in orde te maken, waarbij gij mijn tegenwoordigheid hebt gevraagd.”

„Met groot genoegen. Ik dank u.”

„Tot uw dienst.”

De beide heeren liepen naar de deur, toen de markies plotseling bleef staan en op luchtigen toon vroeg:

„Juist, dat is ook zoo! Ge wilt in onze club worden opgenomen!”

De oogen van den Franschman schitterden.

Zijn gestalte scheen grooter te worden en in gespannen aandacht luisterde hij.

„Ik heb reeds met het bestuur gesproken. Ge moet uw verzoek schriftelijk indienen. Ik heb reeds een copie voor u opgemaakt, die ge nog slechts behoeft te onderteekenen, dan kan ik ze hedenavond nog in de club afgeven.”

De markies was bij deze woorden weer naar de schrijftafel gegaan en had een portefeuille te voorschijn gehaald, waaruit hij een papier kreeg.

Dit legde hij voor Fournier neer.

Deze nam de pen en wilde het papier onderteekenen, toen de markies zijn hand vasthield en met een glimlachje sprak:

„Neem me niet kwalijk, beste vriend, dat ik je opmerkzaam maak op een kleinigheid, die gij inderdaad hebt over het hoofd gezien. In onze club worden de zeden en gebruiken uit de groote wereld met pijnlijke nauwkeurigheid gadegeslagen. Zooals ge toch zeker wel weet en slechts per vergissing over het hoofd hebt gezien, zet men zijn onderteekening steeds op de derde zijde van een velletje papier.”

Fournier haastte zich te verzekeren, dat hij dit gebruik, dat hij natuurlijk kende—hoewel hij zich met den besten wil van de wereld niet kon herinneren, ooit zooiets gehoord te hebben—slechts inderhaast had vergeten en hij schreef zijn naam op het derde kantje.

Uit de oogen van den markies, die achter den schrijver stond, schoot een zegevierende blik, toen vouwde hij het papier dicht, stak het in den zak en zei:

„Zoo, nu kunnen we meteen naar den notaris gaan.”

„Naar den notaris?”

De Franschman vroeg het op verlegen toon.

„Zeker, naar den notaris; ge weet toch zeker wel, dat iedere onderteekening bij zoo’n verzoek om te worden opgenomen, door den notaris moet worden bekrachtigd?”

Fournier was heelemaal in de war.

Hij beijverde zich echter om zijn voornamen vriend terstond te verzekeren, dat ook dit hem natuurlijk wel bekend was.

Toen de beide heeren in de auto plaats namen, sloeg de chauffeur groetende aan.

De markies noemde het adres van een notaris en nu ging het in suizende vaart verder.

Nadat hier de noodige formaliteiten waren vervuld, beval de markies zijn chauffeur om naar de woning te rijden van Mr. Van Brixen in Goldhawke Road.

De Franschman straalde.

Hij groeide in het bewustzijn, naast een echten markies de straten van Londen te kunnen doorkruisen.

Als hij had vermoed, dat het verzoek tot opname met een vluchtigen inkt was geschreven, die reeds na twee uren weer vervloog, zonder een spoor achter te laten, dan zou zijn humeur wel zijn veranderd.

DERDE HOOFDSTUK.

EEN ONGELUK.

Van Brixen vond het niets prettig zijn schoonzoon in gezelschap van den markies bij zich te zien.

Hij wist, dat heden, op den dag vóór het huwelijk, Fournier zou verschijnen, om de 50,000 pond in ontvangst te nemen en had gehoopt, zijn medeplichtige desnoods door dreigementen, met minder te kunnen afschepen.

Nu zag hij zijn plan verijdeld en wilde daarom de betaling uitstellen.

Fournier echter verklaarde, dat hij den markies had verzocht mede tegenwoordig te zijn, wat deze met lachend gezicht bevestigde.

Daarom bleef hem niet anders over dan in den zuren appel te bijten en Fournier de volle som in klinkende munt en papiergeld uit te betalen.

Deze gaf, zooals het behoorde, een kwitantie van het ontvangen bedrag en verzocht den markies nog, het document als getuige te onderteekenen, waartoe deze zich dan ook bereid verklaarde.

Daar Fournier de geheele zaak nu had afgehandeld, was het bezoek weldra afgeloopen, zonder dat de „gelukkige bruidegom” van 54 jaar ook met een enkel woord naar zijn bruid had geïnformeerd.

Toen zij weer plaats hadden genomen in de auto, fluisterde de laatste zijn chauffeur toe:

„Alles in orde, nu komt het er op aan!”— —

Intusschen was de lucht, die eerst zoo helder was geweest, bewolkt geworden, de beruchte Londensche mist kwam op en een fijne regen viel neer.

Elke minuut werd de lucht dikker en men kon bijna geen hand voor de oogen zien.

Reeds bijna een half uur vloog de auto voort.

Fournier werd onrustig en sprak tot den markies, die een sigaret rookend in de kussens achterover leunde:

„Maar, mijn waarde, zijn wij nu nog niet bij de Engelsche Bank?”

Schertsend antwoordde deze:

„Mijn gezelschap schijnt u te vervelen!”

Natuurlijk deed Fournier zijn best, het tegendeel te verzekeren, maar toch wierp hij van tijd tot tijd een blik door de raampjes naar buiten.

Dit hielp echter niet veel, want men zag alleen onduidelijke schaduwen voorbijvliegen, waarvan de omtrekken niet te onderscheiden waren.

Toen weer een kwartier was voorbijgegaan, zonder dat men het einddoel had bereikt, kon de Franschman zijn onrust niet meer verbergen.

„Ik weet niet, markies, maar ik ben bang, dat uw chauffeur zich vergist.”

„Maar dat is onmogelijk,” antwoordde deze, terwijl hij echter tegelijkertijd een teeken gaf om halt te houden.

De auto stond stil en markies d’Armand vroeg zijn chauffeur, waar zij nu eigenlijk waren.

Deze moest bekennen, dat hij dit niet wist.

In de verte was een gebouw zichtbaar en men besloot, daarheen te rijden om opheldering te krijgen.