Lord Lister No. 0027: Letter R. 100

Part 4

Chapter 43,889 wordsPublic domain

„Die man is een oplichter, hij interesseert mij niet.”

Toch keek Charly Brand nog telkens naar den heer, die door Raffles een oplichter werd genoemd en hij zag, dat deze opstond en naar de telefoon liep naast het buffet.

Dat verbaasde den ander. Sinds men hem gevangen genomen had, was hij uiterst wantrouwend geworden en zag hij in iedereen, die hem scherp aankeek, een detective.

Hij verontschuldigde zich bij Raffles en stond op. Langzaam slenterde hij naar het buffet, dat hij bereikte op hetzelfde oogenblik, waarin de vreemdeling aansluiting vroeg met het hoofdbureau van politie Scotland Yard.

Deze woorden wekten de belangstelling van Charly in de hoogste mate op.

Hij ging naar het buffet en zocht op zijn gemak eenige merken uit van de sigaren, die daar te koop lagen.

Hierdoor was het hem gemakkelijk, het gesprek van den oplichter met Scotland Yard te hooren.

Hij schrok hevig, toen hij duidelijk verstond, dat de onbekende Scotland Yard mededeelde, dat John Raffles zich in het restaurant bevond.

Raoul Navazka kon hem niet zien en toen hij de telefoon weer ophing, was Charly Brand reeds weer naar Raffles teruggegaan.

„Wij zijn verraden”, fluisterde Charly zijn vriend toe, terwijl hij aan het tafeltje plaats nam. „Laat ons dadelijk weggaan. Er dreigt ons groot gevaar.”

Raffles glimlachte, stak een sigarette aan en antwoordde met de grootste onverschilligheid:

„Je ziet spoken, beste vriend. Je bent zenuwachtig geworden.”

„Neen!” sprak Charly opgewonden, „luister, wat ik zooeven aan de telefoon hoorde.”

Gejaagd deelde hij Raffles den inhoud mede van het afgeluisterde gesprek.

De oplichter was ook naar het buffet gegaan en had daar een klein briefje geschreven. Dit gaf hij nu aan den oberkellner, wees hem Raffles aan en verzocht hem, dien heer het briefje te overhandigen.

Een uitdrukking van ergernis kwam op zijn gelaat, want hij zag, dat Raffles en Charly Brand zich juist gereed maakten om het restaurant te verlaten.

Bliksemsnel bedacht hij, dat Raffles misschien zijn telefoongesprek had afgeluisterd. Maar hij begreep toch, dat dit bijna onmogelijk was.

Maar zijn plan zou in duigen vallen, als Raffles het restaurant verliet.

Lord Lister had zijn pelsjas reeds aangetrokken, toen de oberkellner hem het briefje overhandigde.

Verbaasd nam de groote onbekende het aan en las:

„Ik wensch u te spreken, Raffles!

EEN COLLEGA.”

De oplichter zag het vroolijke spotlachje niet, dat bij het lezen dezer woorden over het gelaat van Raffles vloog.

„Zeg tegen den heer”, zoo wendde hij zich tot den oberkellner, „dat bij maar bij mij moet komen.”

Eenige oogenblikken later naderde de zwendelaar Raffles, een beleefde buiging makende, die door den ander zeer uit de hoogte werd beantwoord.

„Graaf Salden”, zoo stelde Navazka zichzelf voor, wat een nieuw spotlachje op Raffles gelaat te voorschijn riep.

„Gij wenscht?” vroeg Lord Lister, terwijl hij zijn handschoenen aantrok.

„Ik moet u dringend spreken”, antwoordde Raoul Navazka.

„Dan moet gij met mij meegaan naar de Club. Ik heb daar een afspraak en kan hier niet langer blijven.”

Raoul Navazka dacht even na. Hij vreesde terecht, dat Raffles hem naar een club zou brengen, die hem geheel onbekend was. Raffles zou hem zeker ontsnappen.

„Als gij het goed vindt, vergezel ik U”, sprak hij, niettegenstaande dat, vastberaden.

„Het zal mij een waar genoegen zijn, u mee te nemen”, antwoordde Raffles.

De zwendelaar maakte een buiging, ging naar zijn tafeltje, betaalde zijn vertering en sprak met de dame een later rendez-vous af.

Vóór alles moest hij nu beproeven, in gezelschap van Raffles te blijven, opdat hij onderweg een betere gelegenheid kreeg hem aan de detectives over te leveren.

Voordat hij Raffles uit het restaurant volgde, sprak hij tot den oberkellner:

„Er zullen hier eenige kennissen voor mij komen.

„Zeg tegen de heeren, dat ik telefonisch bericht zal zenden, waar ik mij bevind. Ik had graag, dat de heeren dan bij mij kwamen. Vraag, of zij zoolang op mij willen wachten.”

Nu verliet hij het lokaal en volgde Raffles, die hem reeds buiten wachtte. Deze had een automobiel aangeroepen en Raoul Navazka nam daarin plaats met Lister en Charly Brand.

Raffles had den chauffeur het adres reeds opgegeven.

Er waren nauwelijks vijf minuten verloopen, toen een politieauto voor het restaurant stilhield en Baxter, vergezeld door verscheiden detectives, het lokaal binnensnelde.

Maar tevergeefs zocht hij naar Raffles, totdat de oberkellner hem de boodschap van Raoul Navazka overbracht.

Mistroostig nam de inspecteur met zijn beambten aan een tafeltje plaats, waar hij op het bericht wachtte, dat de zwendelaar hem zou zenden.

Raffles was intusschen voor de Sandwich-club aangekomen en met Charly Brand en Navazka een kleine conversatiezaal binnengegaan.

Nauwelijks hadden zij hun jas en hoed aan den bediende afgegeven, toen Raoul Navazka een voorwendsel zocht, om zich eenige oogenblikken te verwijderen. Hij wilde inspecteur Baxter per telefoon meedeelen, dat hij zich met Raffles in de Sandwich-club bevond.

Maar Raffles sprak glimlachend:

„Gij zult moeten toestaan, dat onze zaak eerst moet worden afgehandeld. Gij weet, dat mijn tijd zeer beperkt is. Deel mij dus mee, wat gij wenscht.”

De oplichter zag, dat Raffles blijkbaar verraad vreesde en goed oppaste.

Hij nam daarom plaats en begon:

„Ik was gisteren nog een gevangene en ben slechts op één voorwaarde uit Scotland Yard vrijgelaten.”

„En die conditie is?” vroeg Raffles, hem met ijskouden blik aanziende.

„Misschien kunt u ze raden?” vroeg Navazka.

Raffles haalde de schouders op en maakte een beweging, alsof hij het niet kon raden.

In werkelijkheid was hij nu echter van de zaak reeds volkomen op de hoogte.

Maar hij vond het prettig, onder sommige omstandigheden niet voor al te snugger te worden aangezien.

„Men beloofde mij duizend pond, als ik zou zorgen dat men u gevangen kan nemen”.

„Duizend pond sterling?” vroeg Raffles lachend, „dat vind ik een belachelijk klein bedrag voor zulk een waardevolle vangst als ik ben. Inspecteur Baxter schijnt slecht bij kas te zijn, sinds ik die heb leeggehaald!”

„Best mogelijk”, antwoordde de avonturier, „dat kan mij ook niet schelen.

„Ik weet alleen, dat ik die duizend pond zou kunnen verdienen, als ik nu naar de telefoon ging en Scotland Yard bericht gaf of op een andere wijze de zaak opknapte.”

Raffles stak een cigarette aan, zoodat de ander de spottende uitdrukking op zijn gelaat niet kon zien.

Er ontstond een pauze.

Raffles deed, alsof hij ernstig over de zaak nadacht.

„Gij zult toegeven”, vervolgde de zwendelaar, „dat ik u op het oogenblik ongetwijfeld in mijn macht heb.

„Ik zou u gemakkelijk door een der clubbedienden kunnen laten bewaken, totdat de detectives van Scotland Yard hier waren”.

„Ik zie dat volkomen in”, antwoordde Raffles, „maar ik vermoed, dat gij genoeg man van zaken zijt, om dergelijke aangelegenheden van een practisch standpunt te behandelen. Luister eens:

„Ik bied u vijfduizend pond sterling, onmiddellijk betaalbaar, als gij mij niet verraadt”.

De oogen van Raoul fonkelden van hebzucht, toen hij het hooge bedrag hoorde, dat Raffles hem bood.

„Sta mij toe, dat ik u voorstel aan een mijner vrienden, graaf Rammler.”

Raffles maakte een handgebaar naar Charly Brand en stelde hem onder dezen vreemden naam voor.

„Ik verzuimde dit tot dusverre”, verontschuldigde Raffles zich, „en antwoord mij nu, of gij op mijn voorstel ingaat”.

„Natuurlijk”, antwoordde Raoul Navazka met een dankbaar lachje.

„In orde”, sprak Raffles, zijn portefeuille te voorschijn halende.

„Ik heb in deze portefeuille ongeveer zevenduizend pond sterling. Daarvan heb ik misschien nog tweeduizend pond noodig, omdat ik in de Club de bank moet houden. Ik ben er op gesteld, den nacht hier ongestoord door te brengen.

„Maar het zou mogelijk kunnen zijn, dat gij, zoodra gij de club verlaat, Scotland Yard toch bericht zendt, om de premie van inspecteur Baxter te verdienen.

„Daarom verzoek ik u in gezelschap van graaf Rammler in de speelzaal te blijven en de club eerst morgenochtend te verlaten.

„Ik betaal u dan, behalve de vijfduizend pond, welke ik u dadelijk geef, nog duizend als extra belooning, neemt gij dit aan?”

„Gaarne”, antwoordde Raoul Navazka, beleefd buigend.

Raffles gaf den man zijn portefeuille, waaruit hij eerst tienduizend pond had genomen en sprak:

„Tel, alstublieft, den inhoud na”.

Navazka deed het en antwoordde:

„Het is in orde; er zijn vijfduizend pond sterling in, ik dank u. De zaak is afgedaan”.

Als goede vrienden ging Raffles met den zwendelaar en Charly Brand, die in de club bekend stond als graaf Rammler, naar de speelzaal, waar op een groene tafel een roulette stond.

Raffles en Charly Brand hadden, toen zij buiten op Raoul Navazka stonden te wachten, hun plan, om den avonturier onschadelijk te maken, voldoende in elkaar gezet.

De oplichter vermoedde niets, en meende volkomen zeker te zijn van zijn zaak.

Af en toe voelde hij in zijn borstzak om zich te overtuigen, dat de portefeuille nog aanwezig was.

Raffles nam de bank over en het spel begon dadelijk met vrij hoogen inzet.

Er was ongeveer een half uur voorbijgegaan, waarin de oplichter had gezien, dat Raffles met veel geluk bankhouder was, toen Charly Brand, de zoogenaamde graaf Rammler, plotseling blijkbaar bijna doodelijk verschrikt in een der zakken van zijn rok zocht, daarop naar de deur snelde en, terwijl hij daarvoor ging staan, een revolver te voorschijn haalde en uitriep:

„Heeren, ik ben bestolen! Niemand verlaat dit lokaal!”

Een pijnlijke stilte volgde, het spel werd niet doorgezet en iedereen keek vol spanning naar graaf Rammler, die de deur bewaakte.

„Wat is er gebeurd?” vroeg Raffles, de speeltafel verlatend.

„Men heeft mij bestolen!” riep graaf Rammler opnieuw, „men heeft mij mijn portefeuille gerold!

„Ik verzoek u en een der andere leden van de club, om alle aanwezige heeren te fouilleeren.

„Het is een quaestie van vijfduizend pond sterling!”

Een der bestuursleden van de club, een zekere Lord Euston, ging naar graaf Rammler toe en wendde zich daarna tot de andere leden.

„Heeren!” riep hij, „het gebeurde is zeer onaangenaam en moet dadelijk worden opgehelderd. Ik verzoek u daarom, mij toe te staan, dat ik u fouilleer.”

Daarop vroeg hij aan Charly Brand:

„Verdenkt gij iemand, graaf?”

Graaf Rammler fluisterde Lord Euston in het oor:

„Ja, ga met mij mee!”

Raoul Navazka had de geheele zaak met onverschillig uiterlijk bijgewoond.

Hij zat met het veilig gevoel van iemand, die niets te vreezen heeft, in een der fauteuils een sigaar te rooken.

Hij voelde zich zeer voornaam, nu hij dezen keer eens werkelijk niets gestolen had.

Verschrikt sprong hij op, toen Lord Euston en graaf Rammler op hem toetraden.

„Sta mij toe, dat ik uw zakken onderzoek, mijnheer”, sprak Lord Euston.

„Het spijt mij”, antwoordde de oplichter, „ik heb niets in mijn zakken, dat u zou kunnen interesseeren”.

„En toch zou ik graag eens willen kijken”, hield Lord Euston vol.

Voordat Raoul Navazka het kon beletten, haalde Lord Euston uit een der borstzakken van den zwendelaar, behalve eenige brieven, de portefeuille te voorschijn, die Raffles hem had gegeven.

Nauwelijks had Charly Brand deze gezien, of hij riep uit:

„Aha, heeren! Dat is mijn eigendom! Schurk, hoe kom je in het bezit van mijn portefeuille?”

Navazka zette bij deze beschuldiging zulk een verbaasd gezicht, dat Charly Brand moeite had om niet in lachen uit te barsten.

Alle aanwezige heeren omringden den avonturier en overlaadden hem met uitdrukkingen van verontwaardiging.

Eerst nu begon Raoul Navazka te begrijpen, in welke gevaarlijke positie hij zich bevond.

„Wel duivels!” riep hij uit, „wat is dat voor een ongepaste aardigheid! Die portefeuille kreeg ik een half uur geleden van dien heer”,—hij wees naar Raffles, die, terwijl hij een cigarette rookte, spottend naar hem keek.

„Wat?” riep Lord Euston uit, „Lord Gravenshall!”—onder dien naam stond Raffles in de club bekend—„heeft u hem deze portefeuille gegeven?”

Alle heeren lachten.

Raffles naderde Lord Euston en sprak:

„De kerel probeert zich er handig uit te liegen.”

„Wat?” riep Raoul Navazka, „durft gij mij van leugens te beschuldigen? Voor den duivel, ik zal u den nek breken! Gij hebt mij zelf deze portefeuille in tegenwoordigheid van graaf Rammler gegeven, opdat ik u niet aan de politie zou verraden.

„Want, heeren, deze man is niet Lord Gravenshall, maar John Raffles, de meesterdief!”

Een nieuw gelach weerklonk van de lippen der aanwezige clubleden.

„Die man is een komiek!” riep Lord Euston uit, „wat moeten wij met hem aanvangen?”

„Aan de politie overleveren!” riepen verscheiden stemmen tegelijk.

„Gij hebt gelijk,” vond Raffles, „laat ons de politie waarschuwen, opdat die hem in veilige bewaring brengt.”

De bediende moest Raoul Navazka in een der vertrekken opsluiten, wat onder luid protest van den zwendelaar gebeurde.

Daarop vertrokken de heeren, want de meeste van hen waren niet gesteld op een ontmoeting met de detectives en eventueele verhooren.

Toen Raffles zijn pelsjas aantrok, kwamen de detectives van het naaste politiebureau juist het gebouw binnen.

Raffles hoorde, hoe Lord Euston hun het geval uitlegde en tot hen sprak:

„Wilt u mij volgen?”

Daarop reed Raffles met Charly Brand in een huurrijtuig naar huis en eenige minuten later zat Raoul Navazka weer in een der cellen van de Londensche gevangenis, waar hij erover kon nadenken, hoe hij de duizend pond van inspecteur Baxter op een andere wijze zou kunnen verdienen.

Zijn bewijs van invrijheidstelling had Raffles hem met andere schrifturen afgenomen.

Den volgenden dag werd de oplichter in Scotland Yard voor inspecteur Baxter gebracht.

„Waar komt gij vandaan?” vroeg deze, terwijl hij den binnentredende, die zwaar geboeid was, verbaasd aankeek.

„Van Raffles”, antwoordde Raoul Navazka met een verdrietige uitdrukking op bet gelaat, „hij heeft mij gevangen laten nemen.”

„Prachtig!” riep detective Marholm, „schitterend! Ik had iets dergelijks reeds vermoed.

„In plaats dat deze man Raffles gevangen neemt, stuurt Raffles hem op deze wijze aan ons terug.

„Gij zult in uw heele leven de duizend pond niet verdienen.

„Gij zijt zoowel voor detective als voor misdadiger te dom!”

„Houd uw opmerkingen voor u en bemoei u met uw werk!” riep Baxter woedend, „ik geef de hoop niet op, dat het Raoul Navazka toch nog zal gelukken om Raffles te vangen. Dat, wat hem is overkomen, kan iedereen gebeuren.”

Hij nam den oplichter mee in een ander vertrek, opdat detective Marholm niet zou hooren, wat zij samen bespraken.

„Ik ben ervan overtuigd”, zoo begon hij, „dat gij er naar verlangt, u op Raffles te wreken!”

„De duivel hale dien kerel!” bromde de avonturier, „het liefst zou ik hem neerschieten, zoodra ik hem weer ontmoet. En ik denk wel, dat ik hem terug zal vinden, want in de portefeuille, die hij mij gaf en die hij mij daarna weer liet afnemen, onder de zware beschuldiging, het ding te hebben gestolen, vond ik een visitekaartje, waarop een adres stond. Ik ben van meening, dat het het adres van Raffles is!”

„Waar is dat visitekaartje?” vroeg inspecteur Baxter, „geef het mij eens. Ik zal het huis van Raffles dadelijk laten omsingelen en hemzelf, als hij er aanwezig is, gevangen nemen.”

„Het spijt mij”, antwoordde Raoul Navazka, „ik bezit het kaartje niet meer. Het bevindt zich in de portefeuille, die Raffles mij weer afnam.”

„Gij zijt inderdaad een ongeluksvogel”, antwoordde inspecteur Baxter, „maar misschien herinnert gij u nog het adres, dat op het kaartje stond.”

„Zoo ongeveer, maar ik geloof, dat ik binnen een paar dagen zal hebben uitgevonden, welk nummer de woning van Raffles aan het Waterlooplein draagt.

„Vóór alles heb ik daarvoor geld noodig!”

„Natuurlijk”, sprak de inspecteur van politie, „ik zal u dadelijk honderd pond sterling bezorgen en u tevens een detective meegeven.”

„Dank u”, antwoordde Raoul Navazka, „de honderd pond sterling kan ik wel gebruiken, maar den detective niet, die zou mij maar tot last zijn bij mijn navorschingen.”

Na een kwartier verliet de zwendelaar voor den tweeden keer het hoofdbureau van politie om de jacht op Raffles te vervolgen.

Toen detective Marholm van het geval hoorde, dacht hij:

„De inspecteur is werkelijk ten einde raad. Jammer van de honderd pond en van de leege cel.

„Maar zoo is onze vriend Baxter nu eenmaal: als hij eens voor een enkel keertje werkelijk een goede vangst heeft gedaan, dan laat hij die weer loopen!”

ZEVENDE HOOFDSTUK

LETTER R. 100.

„Wat voor belangrijks zie je op straat?” vroeg Charly Brand zijn vriend, die, verborgen achter een Turksch gordijn, aan het venster stond en minutenlang met groote aandacht naar buiten keek.

„Ken je dien man?” informeerde Raffles, „die daar met den rug naar ons toe met een huurkoetsier staat te praten?”

„Neen,” antwoordde Charly Brand, „wat is er met dien man?”

„Ik kijk al tien minuten naar hem en kon hem eerst niet herkennen, omdat hij zijn hoed zoo over het voorhoofd heeft getrokken.

„Hij keek met de grootste belangstelling naar alle huizen en las de namen op de bordjes.

„Ik heb hem herkend, het is onze oude vriend, de oplichter en spitsboef van Scotland Yard.”

Nu was het gesprek, dat Raoul Navazka (deze was het inderdaad) met den koetsier had gevoerd, uit en langzaam liep hij weer langs de huizenrij.

Ook Charly herkende hem nu.

„Hoe kan de kerel weten, dat wij aan het Waterlooplein wonen?” vroeg Charly Brand.

„Ik herinner mij nu,” antwoordde Raffles, „dat ik een groote domheid heb begaan door mijn visitekaartje in de portefeuille te laten zitten.

„Hij zal het adres gelezen hebben en zich dit nog zoo ongeveer herinneren.

„Dat is een vervelende geschiedenis, ik zou niet graag ter wille van dezen man ons gezellig huis hier verlaten.”

Hij keek den zwendelaar met groote belangstelling na:

„Hij schijnt den naam, die op het kaartje stond, te hebben vergeten, ook het nummer. Maar ik zal hem op een verkeerd spoor brengen, dat zal een aardige mop worden.

„Kleed je en ga met mij mee.”

Na eenige oogenblikken verlieten beide heeren het huis door een achterdeur.

Alle gebouwen aan het plein hadden aan elkaar grenzende tuinen, die nu in den winter kaal en verlaten waren. Zij waren door lage heggen van elkaar gescheiden.

Het liep tegen vier uur en een dunne mist deed de duisternis vroeg invallen.

Beschut door dezen nevel klauterden zij tot in den tuin van het veertiende huis, op den hoek van het plein.

Hier woonde, zooals Raffles wist, Miss Webster, een oude, voorname dame, die een liefhebster was van katten en honden. Het gelukte hun, het huis van Lady Webster ongemerkt van de achterzijde binnen te sluipen en door de huisdeur, die op het plein uitkwam, weer te verlaten.

Bij het openen der deur klonk een bel en een oude bediende snelde de gang in. Denkende, dat Raffles van het Waterlooplein het huis was binnengekomen, vroeg hij, wat mijnheer wenschte.

„Pardon,” antwoordde Raffles terwijl hij den ouden man een shilling gaf, „kunt gij mij ook zeggen, waar hier in de buurt een zekere Mr. Vanderfeldt woont?”

„Neen, mijnheer,” antwoordde de portier, „het spijt mij, dat ik u niet kan inlichten.”

„Dank u,” sprak Raffles, hij nam zijn hoed af en verliet het huis.

Een klein tuintje scheidde het huis van het plein, Hierin bleef Raffles staan, tot Charly Brand zeggende:

„Ga nu naar links, naar den kant, waar de spion van de politie staat, doe alsof je hem niet ziet en breng mij een rijtuig naar dit huis. Ik wacht hier.”

Charly Brand ging links het plein op en op eenige schreden afstand van het huis zag hij den politiespion naar hem toekomen.

Deze zag Charly Brand dadelijk.

Om niet herkend te: worden, liet de oplichter zijn sigaar vallen en bukte zich om deze op te rapen, juist toen Charly Brand hem passeerde.

Hij zag dat deze een rijtuig nam en daarmee terugkeerde naar het huis van Lady Webster, waar zeker de groote onbekende moest wonen.

Een straal van vreugde blonk in de oogen van Raoul Navazka, toen hij Raffles het bordes af zag komen en in het rijtuig stappen.

Nauwelijks was het rijtuig weggereden, of Raoul Navazka snelde naar het huis en noteerde het nummer ervan.

Met een triomfantelijk lachje liep hij nu het plein over, nam eveneens een rijtuig en riep tot den koetsier:

„Rijd zoo snel mogelijk naar Scotland Yard, ik betaal u het dubbele!”

Inspecteur Baxter wilde juist zijn bureau verlaten om te gaan dineeren, toen een der beambten Raoul Navazka binnenleidde.

„Wat wilt gij?” vroeg Baxter, „hebt gij Raffles gevonden?”

„Ja,” antwoordde Raoul, „ik heb hem zooeven uit zijn huis aan het Waterlooplein zien komen en in een rijtuig stappen.”

„Is dat inderdaad waar?” vroeg inspecteur Baxter met een uitdrukking van twijfel op het gelaat.

„Zeker!” sprak Raoul, „en ik moet u verzoeken, voordat ik u het adres meedeel, mij de beloofde duizend pond sterling uit te betalen. Want ik behoef u, volgens onze overeenkomst, slechts mee te deelen, waar gij Raffles gevangen kunt nemen.”

„Ik vind, dat het tijdig genoeg is, als wij er ons van hebben overtuigd, dat uwe mededeelingen op waarheid berusten,” antwoordde Baxter, „wijs mij eerst het huis, ik zal u het geld uitbetalen!”

Raoul begreep zeer goed, dat de inspecteur van politie brandde van verlangen om Raffles in hechtenis te nemen.

„Het spijt mij,” antwoordde hij daarom, „ik blijf bij mijn voorstel. Gij betaalt mij duizend pond sterling, daarna breng ik u naar de woning van Raffles.”

Inspecteur Baxter zag in, dat hij met dezen zwendelaar niet veel verder zou komen. Hij belde en gaf een beambte het bevel, hem uit de kas der politie een chèque van duizend pond sterling te brengen.

Maar ook hiermee nam Raoul Navazka geen genoegen.

„Geef mij het bedrag in geld, heer inspecteur”, sprak hij, „ik kan met een chèque niets meer uitrichten.”

Inspecteur Baxter werd zenuwachtig.

„Kom,” antwoordde hij, „ik zal zien of het bedrag in onze kas voorhanden is.”

Hij ging naar den kassier van Scotland Yard en ontving van dezen het geld.

Nadat Raoul Navazka het had weggeborgen, sprak hij:

„Laat ons nu naar het huis gaan.”

Vergezeld door een paar dozijn beambten verliet inspecteur Baxter Scotland Yard, om eindelijk Raffles gevangen te nemen.

Deze was intusschen met een ander rijtuig uit de stad teruggekeerd en had een cijfertelegram verzonden aan Het filiaal der Engelsche Bank te Brighton, van den volgenden inhoud:

„Deponeer onder couvert, letter R. 100, bij den kassier van het badhotel een bedrag van vijfduizend pond sterling ten onzen laste. Wij zullen u morgen, daar het nu reeds te laat is, de chèque toezenden.

De directeur Charly Ruster.”

Het was precies halfvijf, toen Raffles dit telegram overseinde.

„Ik wil,” sprak hij tot Charly Brand, „nog een grapje met den bankdirecteur uithalen.

„Om vijf uur wordt de Bank gesloten en daarna kan de chef van het filiaal in Brighton telegrafisch, noch telefonisch den directeur meer bereiken.

„Nu gaan wij met den avondtrein naar Brighton en keeren vannacht terug. Het is een reis voor zaken, die wel de moeite zal loonen. Herinner er mij even aan, dat ik vannacht de couranten bericht zend van mijn laatste werk, opdat de directeur van de Bank niet weer onjuiste berichten op kan geven.”

Toen Raffles per rijtuig met Charly Brand naar het station reed, ontmoette hij verscheiden gesloten auto’s, die hij dadelijk als politiewagens herkende.

Hij wees ze Charly en sprak lachend:

„De jacht van den inspecteur van politie op Raffles!”

Baxter verdeelde zijn beambten zoodanig, dat niemand het huis, dat hem door Raoul Navazka was aangewezen, kon verlaten. Daarop wachtte hij, of Raffles en Charly Brand misschien nog moesten thuis komen. Maar de helder verlichte ramen en de schaduwen, welke af en toe op de gordijnen zichtbaar waren, gaven hem de overtuiging, dat de beide vrienden reeds weer thuis moesten zijn.

Tegen tien uur in den avond gaf hij zijn detectives bevel, het huis te bezetten.