Lord Lister No. 0027: Letter R. 100

Part 5

Chapter 52,149 wordsPublic domain

Hij belde zelf en toen de oude, grijze portier de huisdeur opende en met verbaasd gelaat vroeg, wat mijnheer wenschte, hield deze hem een revolver voor en riep:

„Gij zijt mijn gevangene! Geef geen geluid en waag het niet, u te verdedigen. Hier is mijn ambtspenning. Ik ben de inspecteur van politie van Scotland Yard.”

Doodelijk verschrikt staarde de oude man den woedenden inspecteur aan en stamelde:

„God in den Hemel! Wat wilt gij van mij? Ik ben 70 jaar oud en heb nog nooit in mijn leven iets met de politie te maken gehad!”

„Zwijg!” riep inspecteur Baxter, „wat gij gedaan hebt, zal u morgen door den rechter worden meegedeeld. Volg de beambten naar het rijtuig.”

Twee detectives namen den bevenden, snikkenden oude in hun midden en brachten hem naar hun auto.

Nu begon Baxter het huis door te zoeken.

„Vindt gij ook niet,” vroeg detective Marholm zijn chef, „dat het hier zeer sterk naar katten en honden riekt?”

„Ja,” antwoordde de inspecteur, „waarschijnlijk houdt Raffles er van die beesten op na. Volg mij nu naar boven.”

Met de geladen revolver in de hand stiet hij de deur der woonkamer open en in het volgende oogenblik overschreed hij den drempel van een deftig ingericht vertrek, waarin een oude dame in een leunstoel zat.

Verbaasd keek zij de binnentredenden aan en vroeg:

„Wat wenscht gij van mij?”

Inspecteur Baxter aarzelde een oogenblik, toen hij de oude dame zag. Daarop echter riep hij, terwijl hij aan de verschillende vermommingen dacht, waarvan Raffles reeds gebruik had gemaakt:

„Gij misleidt mij niet. Voorwaarts, mannen! Daar in dien stoel zit Raffles! Hij wil ons zooals reeds meermalen is gebeurd, weer bedriegen.”

Met opgeheven revolver naderde hij de oude dame, die bleek van schrik in haar stoel achterover zonk.

„Mijn God,” fluisterde zij, „zijt gij krankzinnig? Wat wilt gij van mij?”

Detective Marholm, die alleen was meegegaan om te zien, welke domheden de inspecteur van politie nu weer zou uithalen, zag dadelijk, dat dit een oude dame en volstrekt niet John Raffles was.

„Zijt gij door den duivel bezeten, inspecteur?” riep hij, zijn chef van de oude dame wegtrekkende, „deze dame zou hoogstens de moeder van Raffles kunnen zijn!”

„Wie zou ik zijn?” vroeg Mrs. Webster.

„John Raffles,” antwoordde detective Marholm, moeite doende om niet te lachen.

„Gij vergist u,” sprak de dame, „mijn naam is Lady Webster.”

Inspecteur Baxter keek nog altijd vol twijfel naar de oude vrouw. Nu begon ook hij te vermoeden, dat de vóór hem zittende inderdaad een dame en niet de verkleede John Raffles was.

„Wij veronderstellen,” legde hij Mrs. Webster uit, „dat dit het huis is van den door ons gezochten John Raffles.”

„Gij vergist u,” antwoordde de Lady, „dit huis is sinds veertig jaar mijn eigendom. Gij kunt hiernaar informeeren op het naaste politiebureau. Elke agent daar kent mij.”

De op het plein dienstdoende politieagent werd naar binnen gehaald, om de verklaring van Lady Webster bevestigen.

Voordat deze man kwam, doorzocht Baxter het huis. Toen hij een deur naast de woonkamer opende, sprong hem een groote, zwarte kater tegemoet, gevolgd door een menigte katten en honden. De dieren snelden allen de kamer hunner meesteres binnen.

„Daar is Raffles!” riep detective Marholm lachend. De geheele zaak kwam hem als een vermakelijke comedie voor.

„Waar?” vroeg Baxter, zijn revolver gereed houdende.

„Daar!” antwoordde Marholm, op den zwarten kater wijzend.

De inspecteur uitte een vloek, terwijl de oude dame sprak:

„Het dier heet niet Raffles, maar Murphy.”

„Houd uw grappen voor u,” riep Baxter, „gij zijt in dienst, detective Marholm! Wij hebben andere dingen te doen. Ga met mij mee om de andere vertrekken van het huis te onderzoeken.”

Zij liepen alle kamers door, zonder een enkel spoor van Raffles te ontdekken.

Toen zij in de huiskamer van Lady Webster terugkeerden, waren daar reeds verscheiden agenten van het dichtst bijgelegen bureau van politie aangekomen, met verbaasde blikken hun chef aankijkend.

„Aan wien behoort dit huis?” vroeg Baxter.

„Aan Mrs. Marie Webster,” antwoordden de agenten.

„Kent gij deze dame?”

„Jawel,” luidde het antwoord, „de echtgenoot van deze dame was de bekende admiraal Webster. Wat wenscht gij van haar?”

Inspecteur Baxter zette een verbazend verlegen gezicht, terwijl hij nu volle zekerheid had, dat hij in zijn blinden ijver om Raffles te vangen weer een grooten bok had geschoten.

„Hoe komt het echter,” vroeg hij de oude dame, „dat een paar uur geleden Raffles en zijn vriend uit uw huis zijn gekomen en vóór dit huis per rijtuig zijn uitgereden?”

„Dat weet ik niet,” sprak Lady Webster, „ik kan slechts herhalen, dat ik dezen mijnheer Raffles niet ken en dat ik nog nimmer heb omgegaan met lieden, die door de politie worden gezocht.

„Ik leef alleen met mijn dieren.”

„Breng den ouden bediende hier,” beval de inspecteur zijn detectives, en binnen eenige minuten stond deze voor zijn meesteres, aan beide handen zwaar geboeid.

„Om ’s Hemels wil, Jack! Wat hebben zij met jou gedaan?” riep Mrs. Webster ontsteld uit.

Met tranen in de oogen keek de oude man zijn meesteres aan en sprak:

„Ik weet niet, wat ik misdaan heb. Die heer daar— —” hij wees naar den inspecteur van politie, „beval, om mij te boeien en mij op te sluiten.”

„Kunt gij mij opheldering geven,” vroeg Baxter den bediende, „wat eenige uren geleden een paar heeren in pelsjassen hier in dit huis hebben gedaan?”

„Jawel,” antwoordde de bediende. „Het was vanmiddag om ongeveer vier uur, toen twee heeren in pelsjassen en met hooge hoeden op door de huisdeur, die door de een of andere nalatigheid niet gesloten was, binnenkwamen.

„Zij vroegen mij, terwijl de eene heer mij een shilling fooi gaf, of ik hun het adres kon opgeven van een zekeren mijnheer Vanderfeldt, die hier aan het Waterlooplein moest wonen.

„Ik kon dit niet en daarna gingen de heeren heen.”

Inspecteur Baxter plukte zenuwachtig aan zijn kortgeknipte snor, terwijl toorn en verlegenheid op zijn gelaat om den voorrang streden.

Nu begreep hij volkomen, dat hij weer door Raffles voor den gek was gehouden en dat deze hem een groote domheid had laten begaan.

Detective Marholm kon zijn lachen niet langer bedwingen. Het gelaat van den inspecteur was te grappig om er ernstig bij te blijven.

Hij schaterde en riep uit:

„Neem mij niet kwalijk, inspecteur, maar ik zou niet graag ongesteld willen worden. Mijn spijsvertering zou er onder lijden. Ik moet lachen, al zou het mij ook mijn betrekking kosten.

„Daar hadden wij bijna een oude, eerbiedwaardige dame gevangen genomen en een grijsaard als zwaar misdadiger geboeid, en alleen de zwarte kater wacht er nog op om als John Raffles te worden weggebracht. Heilige barmhartigheid! Is me dat lachen!”

Het geval was zoo vermakelijk, dat alle detectives en ook Mrs. Webster in lachen uitbarstten.

Alleen inspecteur Baxter perste zijn lippen vast op elkaar. Met verbeten woede sprak hij op barschen toon tot een der detectives:

„Ontdoe dien man van zijn boeien!”

Daarop wendde hij zich tot Lady Webster en begon met een grooten woordenstroom zijn verontschuldigingen aan te bieden.

De kater, die meende, dat Baxter zijn meesteres uitschold, blies nijdig en maakte een krommen rug, alsof hij den vreemden heer wilde aanvliegen.

Nu gaf inspecteur Baxter bevel om naar Scotland Yard terug te keeren.

Toen hij voor het huis stond, vroeg hij zijn beambten, waar Raoul Navazka was gebleven.

Maar geen der detectives had hem gezien.

Hij had zich ver van het arbeidsveld der politie verwijderd en was duizend pond rijker geworden.

Toen Baxter in de auto zat, kermde hij van machtelooze woede en verzekerde, evenals na elke nederlaag, die lord Lister hem deed ondergaan:

„Ik word krankzinnig, die Raffles maakt mij stapelgek!”

Detective Marholm, die tegenover hem zat, antwoordde:

„Dat zou erg jammer zijn voor Scotland Yard!

„Stoor u voortaan eens meer aan mij en ga niet op zulke roekelooze dingen in. Gij zijt tegen Raffles niet opgewassen!”

Toen Baxter in Scotland Yard aankwam, wachtte hem daar een nieuwe verrassing.

Er was een brief voor hem gebracht en hij zag aan het adres, dat die van Raffles moest komen.

De inspecteur was zoo zenuwachtig geworden, dat hij den brief niet durfde openen. Hij liet dit aan Marholm over.

Toen deze den brief had gelezen, begon hij opnieuw te lachen en riep uit:

„Deze man, die Raffles, maakt mij ook gek. Maar ik zal het niet worden uit zenuwachtigheid, maar omdat hij mij zooveel laat lachen, dat ik er niet tegen bestand zal zijn.

„Luister eens, inspecteur, wat hij ons meedeelt:

„Inspecteur van politie Baxter. Londen, Scotland Yard.

Waarde heer!

Met genoegen zag ik, dat gij heden langs mij zijt gereden, toen gij, een paar uur geleden, op jacht naar mij zijt uitgetrokken. Troost u over het feit, dat gij mij niet hebt gevangen. Het gebeurt den knapsten jager, dat het wild hem ontsnapt. Opdat gij weet, waarmede ik mij tijdelijk bezig houd, deel ik u mede, dat ik mij onder het adres R. 100 uit den onbeschaamden overvloed van geld, dien de Engelsche Bank nog steeds ten koste van het volk heeft, 5000 pond sterling laat geven. Als gij deze regels leest, ben ik reeds in het bezit van dat geld.

Groet uw vriend en meester, den oplichter Raoul Navazka, of hoe hij zich anders moge noemen, en laat u niet verleiden, in uw grooten ijver om mij in handen te krijgen, een vogel, dien gij veilig in een kooi hadt, weer te laten vliegen.

Deze Raoul Navazka was bij u uitstekend opgeborgen. Als gij soms een der katten van Mrs. Webster inplaats van mij hebt meegenomen, feliciteer ik u daarmee. Gij kunt namelijk een dergelijk dier zeer goed gebruiken in Scotland Yard. Want in de kelders ontdekte ik, toen ik daar den vorigen nacht een bezoek bracht, een massa muizen. Een kater zou daar zeer goede diensten kunnen bewijzen. Maar misschien bezit gij er zelf een. Met de meeste hoogachting voor uw persoon blijf ik gaarne Uw

JOHN RAFFLES.”

Dat was meer dan inspecteur Baxter kon verdragen. Hij raasde als een dolle stier. Raffles maakte hem bijna zinneloos.

„Geef mij dien brief,” riep hij tot Marholm, „en beloof mij op uw eerewoord, dat van den inhoud niets bekend wordt. Ik zou voor altijd onmogelijk zijn gemaakt!”

„Dat komt uit”, sprak detective Marholm, „en daar ik een groot egoist ben en u niet graag als chef zou verliezen, kunt gij er van verzekerd zijn, dat niemand iets van den inhoud van dezen brief te weten zal komen.”

Tegelijk met inspecteur Baxter ontving ook de bankdirecteur Mr. Ruster in zijn particuliere woning een brief van Raffles, waarin deze hem voorstelde om voortaan hun beiden het leven gemakkelijker te maken en de politie buiten hun zaken te houden.

Hij zou nu wekelijks een aantal chèques met het merk R. 100, tot een gezamenlijk bedrag van duizend pond sterling laten aanbieden en wel door arme lieden, wien hij de gelden naar eigen believen zou geven.

Het werd eindelijk tijd, dat het opgehoopte kapitaal meer verdeeld werd onder de armen en niet alleen werd gebruikt voor soirées en partijen of dergelijke nuttelooze genoegens.

„Mocht gij hierop niet willen ingaan,” zoo eindigde de brief, „dan zal ik het geld van u komen halen, ondanks den inspecteur van politie Baxter.

„Spaar dus onnoodige verwikkelingen; ik hoop, dat gij mij nu kent. Antwoord mij zoo spoedig mogelijk per advertentie onder het adres R. 100, of gij mijn voorstel aanneemt.

Hoogachtend, JOHN RAFFLES.”

Eerst sloeg de bankdirecteur met de vuist op tafel, daarop riep hij Mr. Griffin en overlegde met dezen, wat hij moest doen.

Mr. Griffin dacht even na en antwoordde daarop op ernstigen toon:

„Heer directeur, ik zou u raden, het voorstel aan te nemen. Het is beter, dat wij het met Raffles op deze manier klaarspelen, dan dat hij op een goeden dag hier den heelen boel komt weghalen.”

„Allright,” sprak Mr. Ruster, „boek wekelijks duizend pond sterling als liefdadigheidspost voor R. 100 en bezorg een advertentie voor het ochtendblad van de „Times”.”

Met genoegen las Raffles den volgenden morgen in zijn courant de volgende advertentie:

„R. 100.

Zend uw chèques! Wij honoreeren deze onder voorwaarde, dat gij geen hoogere eischen stelt.

BANK VAN ENGELAND.”

Raffles liet een kruier komen, zond hem met zijn visitekaartje naar Mr. Ruster en verzocht dezen, om hem een chèqueboek van de Engelsche Bank te willen geven.

Met dit chèqueboek begaf hij zich naar de armste wijken van Londen en overal, waar werkelijke ellende en armoede heerschten, gaf hij zijn met R. 100 gemerkte chèques af.

Op deze wijze kon hij ten uitvoer brengen, wat altijd zijn streven was geweest: met milde hand de nooden der menschen lenigen.

Zonder bezwaar te maken honoreerde de Bank van Engeland de chèques, welke in lompen gehulde, hongerige menschen bij haar kassiers kwamen aanbieden.

En alsof het een sprookje was, dat zij lazen, zoo vernamen de Londenaars uit de couranten van de geheimzinnige chèques, die, onder het merk R. 100, aan de Engelsche Bank werden uitbetaald.