Lord Lister No. 0027: Letter R. 100

Part 3

Chapter 33,926 wordsPublic domain

Inspecteur Baxter sloeg met de vuist op tafel en riep:

„Als Raffles zijn werk in Londen niet spoedig staakt, laat ik mij pensionneeren. Dat houden mijn zenuwen niet langer uit. Laat een ander zich in mijn plaats op het krankzinnigengesticht voorbereiden.”

Op dit oogenblik klonk de telefoon. Detective Marholm nam den hoorn op en riep:

„Hier Scotland Yard—wie is daar?”

Na een pauze, waarin een guitig lachje op zijn gelaat verscheen, gaf hij den hoorn aan zijn chef en sprak:

„John Raffles wenscht u te spreken!”

„Wie?” schreeuwde Baxter, opspringend.

„John Raffles!” herhaalde Marholm lachend.

„Voor den duivel, wilt gij mij ook voor den gek houden?”

„No sir,” antwoordde Marholm kort en beslist.

„Ik ben niet te spreken. Laat die kerel iemand anders krankzinnig maken dan mij.”

„All right, sir”, antwoordde Marholm; hij nam de telefoon weer in de hand en sprak:

„Inspecteur Baxter wenscht geen onderhoud met u!”

Daarop ontstond een pauze, gedurende welke detective Marholm met gespannen aandacht aan de telefoon luisterde, terwijl Baxter nerveus met zijn vingers op de schrijftafel trommelde.

Eindelijk was het gesprek afgeloopen.

Met een „goeden avond, Sir!” belde Marholm af.

„Wat wil hij van mij?” vroeg de inspecteur vol belangstelling.

„Hij laat u weten,” sprak Marholm, „dat hij vannacht bij u zal inbreken en hij vraagt u, of gij hem die moeite niet zoudt willen sparen en hem het geld per bode toezenden.”

De inspecteur hijgde letterlijk naar adem.

Daarop riep hij uit:

„Die brutaliteit overtreft alles!

„Maar ik zal hem een ontvangst bereiden, waarop hij niet zal zijn voorbereid.

„Geef bevel aan twee agenten van den nachtdienst om mij naar mijn huis te vergezellen.

„Dezen keer vergist Raffles zich terdege.

„Alles, wat hij zal vinden, is een leege portefeuille en drie detectives van Scotland Yard om hem gevangen te nemen.”

Bij deze woorden verliet hij het bureau en droeg zijn dienst voor dien nacht over aan den binnenkomenden beambte.

Vergezeld door twee detectives begaf hij zich naar huis, om daar de komst van Raffles af te wachten.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Het was tegen twee uur in den nacht.

Scotland Yard was in diepe duisternis gehuld.

De paar beambten, die nachtdienst hadden, zaten in de wachtkamer, rookten, dronken thee en verdreven de verveling door kaartspel.

De dienstdoende chef was op de leeren rustbank in Baxter’s kamer gaan liggen slapen. Hij sliep zoo vast, dat het bericht van twee moorden hem, volgens zeggen zijner collega’s, eerst kon wekken.

Eén moord was daartoe niet voldoende.

Bij het vernemen van een dergelijke misdaad keerde hij zich om en sliep door.

Scotland Yard, een groot gebouw, grensde aan den achterkant aan een tuin, die bij fabrieksterrein behoorde.

Door dien tuin sloop in het nachtelijk uur John Raffles, gevolgd door Charly Brand.

De laatste droeg in een leeren tasch alle inbrekerswerktuigen, die Raffles noodig had.

„Ik zal je nu eens leeren, op welke wijze men gemakkelijk een brandkast opent”, had Raffles tot zijn vriend gezegd.

„Het moeilijke van het geval is niet, de brandkast open te krijgen, maar om in het vertrek te komen, waar ze staat.

„Voor zoover ik weet, bevindt zich de brandkluis van Scotland Yard in een kamer van de eerste verdieping.

„Wij moeten dus trachten, daar van uit de kelderruimte te komen.”

Het venster van het sousterrain van Scotland Yard, waardoor Raffles zijn weg wilde nemen om het hoofdbureau van politie binnen te dringen, was van dikke tralies voorzien. Raffles nam een ijzeren stang uit zijn tasch en, die tusschen de tralies stekende, boog bij deze van elkaar.

Na eenige minuten waren de traliën zoover van elkaar gebogen, dat er gemakkelijk een mensch tusschen door kon kruipen.

De beide inbrekers bevonden zich nu in den kelder van het gebouw.

Raffles liet het licht van zijn electrische zaklantaarn schijnen en onderzocht nauwkeurig de muren, om te ontdekken, op welke plaats boven hen zich het vertrek met de brandkast zou kunnen bevinden. Tegelijkertijd luisterde hij, of hij ook schreden hoorde.

Daar de vloeren der politiebureaux niet met tapijten bedekt zijn, dreunde elke stap door het gebouw.

Raffles liep in de kelderruimte de middengang door, daar deze evenwijdig liep met de gang boven.

Eindelijk bleef hij staan. Hij nam een kist op, die dicht bij hem stond, klom daarop en kon nu gemakkelijk met zijn hand de zoldering aanraken.

Met een klein hamertje, dat hij uit een zijner zakken haalde, klopte hij zacht op de geplafonneerde zoldering, terwijl hij tot Charly Brand sprak:

„Het is altijd gemakkelijker werken, als men weet waar balken en waar steenen liggen. Dat is te hooren aan den doffen of hollen klank.”

Zonder moeite vond hij de plek, die hij zocht en nu liet hij zich door Charly een draaiboor geven, zette deze tegen zijn borst en had binnen tien minuten een gat van verscheiden centimeters in het plafond gemaakt

Charly moest de naar beneden vallende kalk en puin in een hoed opvangen.

Nu luisterde de groote onbekende eenige seconden, of zijn werk opgemerkt was daarboven. Toen alles rustig bleef, nam hij een breekijzer en maakte in weinig tijd de opening zooveel grooter, dat beide mannen er gemakkelijk door konden.

Hij werkte zich omhoog en was een oogenblik daarna in het vertrek boven den kelder.

Hij liet zich door Charly het leeren valies aangeven en, nadat hij dit naast zich had neergezet, volgde Charly Brand hem.

Het licht van een lantaarn, die buiten brandde, scheen in de kamer, zoodat Raffles zijn electrische zaklantaarn niet behoefde te gebruiken.

Nu ging Raffles naar de tegen den muur staande brandkast en een spottend lachje gleed over zijn gelaat, toen hij de sloten der kast onderzocht.

„Het is zooals ik dacht”, sprak hij tot Charly Brand, „de heeren van de politie waren van meening, dat het niemand ooit in zou vallen om een bezoek aan hun brandkast te brengen.

„Dit is een zeer verouderde constructie, een kast, die elk beginner zonder moeite kan openmaken. Een eenvoudige looper is daartoe voldoende.”

Hij haalde een ketting uit de tasch te voorschijn, waaraan zeldzaam gevormde haken vast zaten. Eenige oogenblikken werkte hij daarmee aan de sloten en plotseling sprong de deur van de brandkast met een zacht geluid open.

Zoo bedaard, alsof hij in zijn eigen huis was, nam Raffles de tienduizend pond uit de kast; daarenboven nog het bedrag, dat in een geldbak lag en dat gebruikt moest worden om de traktementen der beambten uit te betalen.

Daarop onderzocht hij de papieren, die in de kast lagen.

Het waren gewichtige geheime akten. Raffles gunde zich den tijd niet, om ze dadelijk door te lezen en pakte ze daarom in zijn tasch.

Nu scheurde hij een stuk papier uit zijn zakboekje en schreef iets erop.

Glimlachend legde hij het briefje in de brandkast, sloot deze weer en verliet met Charly Brand het vertrek langs denzelfden weg, waarlangs hij gekomen was.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — — —

Den volgenden morgen om negen uur kwamen inspecteur Baxter en detective Marholm bijna gelijktijdig in dienst.

„Inspecteur”, vroeg Marholm vol belangstelling, „heeft Raffles de tienduizend pond al bij u afgehaald?”

Baxter antwoordde met gefronst voorhoofd:

„Ik heb uw reeds herhaaldelijk verzocht, uw flauwe aardigheden voor u te houden. Ik verdraag ze niet langer. Neen, hij heeft ze niet gehaald, stel u gerust. En ga nu het geld uit de brandkast halen en breng het naar den directeur van de Engelsche Bank. Laat hij er u een quitantie voor geven. Hij verwacht u.”

„Goed, inspecteur”, sprak Marholm en hij ging, zonder zijn overjas uit te trekken, naar de kamer, waar de brandkast stond.

Plotseling hoorde inspecteur Baxter een kreet, waarop een hartelijk lachen volgde.

Nog voordat Baxter naar detective Marholm kon snellen, vloog deze binnen en riep:

„Inspecteur, inspecteur!”

Meer kon hij niet zeggen van lachen.

„Gij zijt krankzinnig”, riep Baxter, zijn secretaris bij den arm beetpakkende.

„Neen”, antwoordde deze, proestend van lachen, „maar dit is de geestigste mop, die ik ooit heb beleefd!”

„Wat voor een mop?” vroeg Baxter met een somber voorgevoel, „het is hier de plaats niet voor moppen.”

„Gij zoudt gelijk hebben”, antwoordde Marholm, „als John Raffles zijn grap niet was komen uithalen in Scotland Yard.”

„Wat heeft Raffles uitgevoerd?” vroeg Baxter, terwijl de aderen op zijn voorhoofd opzwollen.

Marholm haalde diep adem en antwoordde:

„Raffles heeft de tienduizend pond van u teruggehaald uit de brandkast van Scotland Yard.”

Baxter keek zijn secretaris aan met oogen, alsof hij aan diens verstand twijfelde.

„Maar zijt gij dan werkelijk gek geworden?” vroeg hij na eenige oogenblikken.

Detective Marholm was, opnieuw lachend, in een stoel neergevallen en riep uit:

„Volstrekt niet. Maar ik bekijk de zaak van de grappigste zijde en ben niet zoo zenuwachtig als gij. Maar”—hij stond op—„kom mee, inspecteur en overtuig uzelf!”

Baxter volgde Marholm in de andere kamer.

Met zijn hand wees de secretaris naar de geopende brandkast.

„Kijk, inspecteur, waar de tienduizend pond zijn gebleven. Ik geloof niet, dat Raffles ze heeft laten liggen”.

Inspecteur Baxter, wiens knieën sidderden, ging langzaam naar de brandkast, keek die nauwkeurig door en vond slechts kale wanden.

Marholm was naast hem gaan staan.

Hij zag eerst nu het briefje, dat Raffles had achtergelaten.

„Een spoor van den dief!” riep hij uit. Daarop las hij:

„Inspecteur van politie Baxter! Laat als het u belieft, het gat in het plafond, dat ik heb gemaakt, op uw kosten weer dichtmetselen.

Met vriendelijken groet: Uw JOHN RAFFLES.”

De kamer draaide met Baxter rond, terwijl Marholm weer een onbedaarlijke lachbui kreeg.

Eindelijk was Baxter weer tot zichzelf gekomen.

Van woede zag hij purperrood.

„Vervloekt!” barstte hij los, „als gij nog meer lacht, ontsla ik u uit uw betrekking in Scotland Yard en wel op staanden voet. Zwijg nu, Marholm, en onderzoek waar het gat is”.

Marholm had dit reeds ontdekt en wees naar een opening in den hoek der kamer.

„Die is groot genoeg, om geheel Scotland Yard leeg te stelen. Jammer, dat Raffles den waarnemenden inspecteur ook niet heeft meegenomen.

„Als hij had geweten, hoe vast deze collega sliep, dan zou hij stellig die grap hebben uitgehaald.”

Inspecteur Baxter keek vol woede naar het gat; in den vloer, dat hij, zooals Raffles hem verzocht, op zijn kosten zou laten herstellen.

„Ik zal onderzoeken, langs welken weg hij is gekomen”, sprak Marholm, door de opening in den kelder verdwijnend.

Na een korten tijd kwam hij terug.

„Hebt gij wat gevonden?” riep inspecteur Baxter tot den detective, die onder het gat stond.

„Ja!” klonk het antwoord, „eenige cigaretten van het merk, dat Raffles bij voorkeur rookt. Hier zijn ze; misschien wilt gij ze aan het politiemuseum ten geschenke geven.”

Hij stak zijn hand door de opening en liet vier stompjes cigarette zien. Daarna klom hij weer naar boven.

„Dit zal de laatste poets zijn, die Raffles mij heeft gespeeld!” riep Baxter toornig uit. „Of ik pak hem binnen vier-en-twintig uur, of ik neem mijn ontslag!”

Bij die woorden keerde hij Marholm den rug toe en ging heen.

Hij hoorde niet, hoe Marholm zacht tot zichzelf sprak:

„Hij zal hem niet vangen en evenmin zijn ontslag nemen. Het zou ook eeuwig jammer zijn, als deze interessante strijd tusschen Baxter en Raffles ophield.

„Sinds die man ons bezig houdt, lees ik geen anecdoten of geestige tijdschriften meer.

„Raffles werkt door middel van inspecteur Baxter veel beter op mijn lachspieren!”

Baxter echter riep alle beambten bij elkaar en overlegde met hen, hoe hij Raffles zou kunnen te pakken krijgen.

Alleen Marholm bemoeide er zich niet mee.

Hij was op de leeren rustbank gaan liggen en rookte.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE HULP VAN DEN INSPECTEUR.

De Londensche couranten hadden den volgenden dag groote artikels over het verzegelde kistje van de Bank van Engeland. Toen Raffles ze las, ergerde hij zich.

De directeur van de Bank had zich tegen een der verslaggevers erover uitgelaten, dat hij het plan van John Raffles vanaf het begin had doorzien en alleen daarom de zaak had laten loopen, om den Grooten Onbekende in handen der detectives te leveren.

Dat die niet in staat bleken te zijn om den meesterdief te pakken, was niet zijn schuld.

„Prachtig gelogen”, sprak Raffles, „hij werpt de geheele schuld op Scotland Yard en doet precies als de struisvogels, die hun kop in het zand steken.

„Die man verdient een nieuwe les te krijgen. Het is eigenaardig, dat de couranten al die nonsens van elkaar overnemen. Ik zal hun een berichtje zenden.”

„Laat dien man loopen”, vond Charly Brand, „ik ben heel blij, dat ik hier zit, inplaats van in Scotland Yard. De schrik zit mij nog in de beenen, het scheelde maar een haartje of zij hadden mij te pakken gehad.”

Raffles luisterde niet meer naar deze woorden.

Hij zat in gedachten verdiept in zijn geliefkoosde houding, de voeten opgetrokken, de handen om de knieën gevouwen en het hoofd op de borst.

Hij deed in deze houding denken aan een biddenden fakir of een loerenden vos.

Charly Brand wist, dat een groot plan rijpte in het brein van zijn vriend, als die zoo zat te mijmeren.

Zacht stond hij op, stak een sigaar aan en verliet de kamer.

Op een andere manier als Raffles ergerde inspecteur Baxter zich over het artikel.

De couranten staken den gek met Scotland Yard, tengevolge van de uitlatingen van den bankdirecteur en vooral de persoon van inspecteur Baxter werd danig aangevallen. De „Times” stelde hem voor, voortaan de knoopen van zijn vest te tellen, om te weten of hij den misdadiger zou vangen of niet. Maar hij moest er dan vooral voor zorgen, dat de laatste knoop altijd „neen” zei.

„Ik moet die blaam van mij afwerpen”, sprak Baxter tot detective Roland, den tweeden secretaris van het bureau, „weet gij niet, op welke wijze wij Raffles in handen zouden kunnen krijgen?”

Nadenkend keek de detective naar den rook van zijn pijpje en antwoordde:

„Ik geloof niet, dat wij, die nu reeds een jaar lang jacht maken op Raffles, op eenig gunstig resultaat moeten hopen. Wij hebben zoo ongeveer alles beproefd. Maar ik houd het voor mogelijk, dat wij, als wij de hulp van misdadigers inroepen, succes kunnen hebben.

„Gisteren is een buitenlandsche zwendelaar opgepakt, een zekere Raoul Navazka, ook genoemd Tom Smithson, of Werner von Staufen, of Bey van Samascha en de duivel mag weten, welke namen de kerel nog meer bezit.

„Deze man, wiens identiteit wij niet kunnen vaststellen, wien wij ook niets anders kunnen bewijzen, dan dat hij in hotels van den eersten rang reusachtige verteringen heeft gemaakt, zou misschien zeer geschikt zijn om Raffles te vinden en in onze handen te leveren.”

Inspecteur Baxter dacht een paar minuten over het voorstel na en antwoordde:

„Breng den man bij mij.”

Eenige oogenblikken later stond de zwendelaar, een man van ongeveer dertig jaar, met een voornaam uiterlijk, voor den inspecteur van politie, dien hij met trotsche blikken aankeek.

Baxter bood den gevangene een stoel aan en vroeg:

„Een sigaar of cigarette?”

De oplichter wierp den inspecteur een blik van verstandhouding toe.

Op het oogenblik, waarin de inspecteur hem een sigaar aanbood, begreep hij, dat hij niets meer te vreezen had, maar dat zijn hulp in het een of andere zaakje gevraagd zou worden.

Hij kende de manieren der politie in dergelijke gevallen zeer goed.

„Met spek vangt men muizen,” dacht hij.

„Als ik zoo vrij mag zijn, een cigarette,” antwoordde hij luid en nam, alsof hij in een café tegenover een goeden kennis zat, op zijn gemak plaats.

Daarop stak hij de cigarette aan en vroeg:

„Wat verlangt gij van mij?”

Baxter koos den rechten weg en sprak:

„Wilt gij duizend pond verdienen? Dat wil zeggen, slechts op die voorwaarde krijgt gij het geld, als gij dat, wat ik van u eisch, stipt ten uitvoer brengt. Eerder, betaal ik u geen pond uit.”

De zwendelaar lachte.

„Ik moest al heel dwaas zijn, als ik geen duizend pond wilde verdienen. Met genoegen wil ik dat. Om wat is het te doen?”

„Om John Raffles,” sprak Baxter met nadruk en zenuwachtig trommelde hij met de vingers op zijn schrijftafel.

De oplichter keek verbaasd naar den inspecteur, daarop sprak hij:

„Gij houdt mij toch niet voor John Raffles?”

„Neen,” antwoordde inspecteur Baxter, „voor zoo handig houd ik u niet.

„Maar ik geloof, dat gij wel in staat zijt om uit te vinden, waar die man verblijf houdt en om ons daarvan bericht te geven.

„Dat is alles, wat ik van u eisch.

„Als u dat gelukt, betaal ik u duizend pond sterling uit.”

De gevangene keek den inspecteur nadenkend aan en antwoordde:

„Ik neem het voorstel aan. De zaak is niet onuitvoerbaar. Ik geloof, dat ik u de verblijfplaats van John Raffles spoedig zal kunnen opgeven en gij zult mij, als ik u het bewijs breng, de duizend pond geven. Wilt gij mij dat zwart op wit verzekeren?”

Baxter aarzelde even om den misdadiger een schriftelijk bewijs van bun gesprek te geven.

Maar ten slotte zei hij tot zichzelf, dat de man met dat geschreven stuk weinig of niets zou kunnen uitrichten.

Hij nam aan de schrijftafel plaats en voldeed aan het verlangen van den zwendelaar. Nauwkeurig las Raoul Navazka, zooals hij zich nu noemde, de verklaring door en stak deze daarop in zijn borstzak.

„Gij zult mij,” sprak hij tot Baxter, „hoewel dit uw bedoeling niet was, vijftig pond sterling vooruit moeten geven. Zooals gij weet, bezit ik niets en zonder geld is dat, wat ik moet doen, onuitvoerbaar.”

„Goed,” antwoordde Baxter, „die vijftig pond maken mij niet arm. En als de zaak u gelukt, zal ik u ze niet in rekening brengen. Hier hebt gij het geld en tevens het bewijs van invrijheidstelling.

„Bewaar dit laatste zorgvuldig, gij mocht het eens noodig hebben tegenover de beambten van Scotland Yard. Als het u over vier weken nog niet is gelukt, de opdracht uit te voeren, dan moet gij Londen verlaten en naar het vasteland vertrekken; ik zeg u dit onder vier oogen.”

De zwendelaar boog en verliet het bureau als vrij man, met vijftig pond sterling op zak.

„Ik hoop,” sprak Baxter tot detective Roland, „dat ik door dezen man als hulp te nemen niet opnieuw een groote domheid heb begaan, wat trouwens uw schuld zou zijn. Maar het is mogelijk, dat hij John Raffles werkelijk vindt en ons daarmee een grooten dienst bewijst.

„Ik ben wel nieuwsgierig, hoe hij het zal aanleggen om Raffles op het spoor te komen.”

„Dat zal dien misdadiger niet moeilijk vallen,” antwoordde Roland, „de eene avonturier ruikt het spoor van den ander, evenals een politiehond dat van den misdadiger. Ik hoop het beste van onze onderneming.”

Toen detective Marholm van het geval hoorde, bedwong hij met moeite zijn lachen en sprak tot inspecteur Baxter:

„Gij zijt zeer vernuftig; ik zou in mijn heele leven niet op dat denkbeeld zijn gekomen.”

„Niet waar? Een gelukkige gedachte,” herhaalde Baxter vol trots. „Denkt gij ook niet, dat wij nu succes zullen hebben?”

Detective Marholm glimlachte, tot groote ergernis van inspecteur Baxter en antwoordde:

„Ja, een koe kan af en toe ook wel eens een haas vangen.”

„Hoe bedoelt gij dat?” vroeg zijn chef, waarop Marholm schouderophalend zei:

„Ik bedoel, dat het best mogelijk is, dat dit zaakje u zal gelukken.”

„Dat doet mij genoegen”, gaf Baxter ten antwoord en voor het eerst sinds zijn terugkomst uit Bremen schudde hij zijn secretaris vriendschappelijk de hand.

Nu geloofde hij zelf ook in het aanstaande succes.

ZESDE HOOFDSTUK.

DE GEVANGENNEMING.

Raffles was in het telegraafkantoor van zijn eigen huis en Charly Brand bevond zich bij hem.

Het Morse-toestel tikte regelmatig en Raffles las met groote oplettendheid, wat de papierstrook voor nieuws bevatte.

Het waren telegrammen van de Engelsche Bank, welke deze naar een harer filialen zond en wel volgens een nieuw cijfersysteem, dat Raffles nog niet kende.

„De Bank heeft een ander cijferschrift aangenomen,” sprak Raffles tot zijn vriend, „ik had het reeds verwacht, nadat ik inzage had genomen in een geheele serie telegrammen en ik zal er eenige uren aan besteden om dit schrift te leeren ontcijferen.”

Hij seinde, na een vertraging van tien minuten, de opgenomen telegrammen nauwkeurig volgens hun inhoud verder en schakelde daarna zijn toestel weer uit.

Nu begaf hij zich met de papierstrook naar studeerkamer.

Urenlang zat hij aan zijn schrijftafel en probeerde de getallen in woorden of letters om te zetten.

„Ik vergelijk mijzelf,” sprak hij tot Charly Brand, „met iemand, die een prijsraadsel zit op te lossen en wel een heel ingewikkeld.

„Een interessant werk voor gezonde hersens.”

„Ik zou het niet klaarspelen,” meende Charly. Brand, terwijl hij vol bewondering zijn vriend en meester aanzag, die reeds een tiental velletjes papier met getallen en woorden had volgeschreven.

Tot middernacht zat Raffles over zijn werk gebogen.

Toen sprong hij op en riep:

„Ik heb het gevonden! De telegrammen zijn ontcijferd!”

Bij die woorden keek hij naar den cigarettenrook, die zoo dicht in de kamer hing, dat alles als in een sluier was gehuld.

„Charly,” riep hij uit, „ik geloof, dat ik vijftig cigaretten heb opgerookt om het cijfersysteem van de Engelsche Bank uit te vinden.

„De dikke Londensche mist kan niet ondoordringbaarder zijn dan deze damp. Zet het raam open.”

Charly Brand voldeed aan den wensch van zijn vriend, terwijl deze zich gereed maakte om uit te gaan.

„Waar wil je naar toe?” vroeg Charly.

„Ik heb honger gekregen”, antwoordde Raffles, „alsof ik in twee dagen niet had gegeten en slootgraverswerk had verricht. Het was geen gemakkelijk zaakje.

„Ga met mij mee, wij zullen naar een goed restaurant aan het Strand gaan.”

Samen gingen zij, ondanks het vergevorderde uur, naar een voornaam café. Niet ver van hen zat aan een klein tafeltje een schijnbaar welgesteld heer met een dame in druk gesprek.

Toen Raffles binnentrad, klemde hij zijn monocle vaster in zijn oog en keek hem met groote opmerkzaamheid aan.

Raffles was gewend, opgemerkt te worden door zijn bijzonder knap uiterlijk en bekommerde zich daarom niet om de onbescheiden blikken van den heer.

„Voor den duivel”, mompelde deze binnensmonds, „dat noem ik geluk hebben. Daar zit hij, dien ik zoek, John Raffles.”

Het was Raoul Navazka, die dit tot zichzelf zei. Hij had de vijftig pond sterling gebruikt om een prettigen avond te hebben met een demi-mondaine.

Tot nu toe had hij er nog niet ernstig over gedacht, zich bezig te houden met de opdracht van den inspecteur van politie.

Lichtzinnig als hij was; was hij zeer verheugd, aan de handen der politie ontkomen te zijn; hij leefde slechts voor het oogenblik.

En nu kwam het toeval hem te hulp.

Volgens het signalement, dat hij van inspecteur Baxter had gekregen, moesten de beide heeren, die juist waren binnengekomen, de gezochte individuen zijn.

„Een groote brutaliteit”, vervolgde de oplichter tot zichzelf, „zoiets zou ik nooit durven!

„Daar bezoekt die man, die door de geheele Londensche politie wordt gezocht, zulk een bekend restaurant en soupeert met een kalmte, alsof hij de koning van Engeland was.”

John Raffles en Charly Brand namen zoo weinig notitie van den ander, alsof hij een vlieg ware.

Raoul Navazka overlegde, wat hij zou doen.

Langen tijd was hij in tweestrijd, of hij Scotland Yard telefonisch zou meedeelen, wat er gaande was, dan wel of hij de waarschijnlijk meer voordeelige partij zou kiezen, naar Raffles gaan en hem tegen een flinke belooning vertellen, welk gevaar hem boven het hoofd hing.

De gewetenloosheid, welke den meesten avonturiers eigen is, ried hem aan, twee vliegen in één klap te slaan, eerst Scotland Yard bericht te geven, ten einde duizend pond te krijgen en daarna Raffles zooveel mogelijk af te persen.

Het viel Charly Brand eindelijk op, dat de onbekende hen onophoudelijk met zijn oogen volgde en hij maakte hierop zijn vriend opmerkzaam.

John Raffles keek vluchtig naar het tafeltje, waaraan Raoul Navazka zat en sprak: