Lord Lister No. 0022: De goudmaker

Part 5

Chapter 54,004 wordsPublic domain

Hoewel deze huiszoeking zonder resultaten was, toch was ik nog niet ontmoedigd. Ik wist dat ik met een goed georganiseerde bende van doortrapte misdadigers te doen had; mijn ervaringen als criminalist hadden mij echter geleerd, dat zelfs de knapste en voorzichtigste bedriegers zichzelf door een of andere domheid of kleine nalatigheid verraden. Ik twijfelde er daarom niet aan, of ik zou toch nog een spoor ontdekken dat ik volgen kon. Iets was tenminste al bereikt, nl. dat ik wist, dat de goederen naar Parijs waren gezonden, en ik verheugde mij er reeds op twee à drie weken in deze heerlijke stad te kunnen doorbrengen. Intusschen liet ik in alle dagbladen van Manchester de advertentie plaatsen, dat een ieder, die bij Wistanley & Co., Agentuurzaak, voorheen Fountainstreet, als jonge man, of in welk opzicht ook, werkzaam was geweest, beleefd werd verzocht, zijn adres den heeren Gregson & Co. mee te deelen. Voor een zekere mededeeling die de persoon in quaestie wel in staat zou zijn te verstrekken, zou hem vijftig pond uitbetaald worden.

Hoewel deze annonce een volle week dagelijks geplaatst werd, kwam er niemand opdagen. Dit had ik ook wel verwacht, want ik begreep dat die drie kranige jongelieden in betrekking tot den heer Wistanley stonden, omdat anders zoo’n ver vertakt systeem van bedrog niet uitvoerbaar ware geweest.

Nu richtte ik mijn volle opmerkzaamheid op het personeel van de heren Gregson & Co., want ik kon de gedachte maar niet van mij afzetten, dat de verrader in de zaak zelf school.

De oudste chef en zijn twee zoons verleenden mij allen mogelijken bijstand, maar zij konden niet gelooven, dat iemand, bij hen werkzaam, zich met Wistanley & Co. zou ingelaten hebben; hun geheele personeel van den loopjongen tot den procuratiehouder, genoot het grootste vertrouwen.

Ik stelde vast, dat de correspondent, door wiens handen alle brieven gingen, negen en twintig jaar oud was. Hij was geboren Franschman, woonde echter reeds lang in Engeland. Hij heette Adolph Sigris en bezat een verbazende talenkennis; behalve zijn moedertaal schreef en sprak hij Engelsch, Duitsch, Italiaansch en Spaansch, daarom reeds was hij, behalve zijn zakelijke degelijkheid, bij de chefs der firma zeer gezien.

Op mijn vraag, of ik dezen heer eens spreken kon, kreeg ik ten antwoord, dat hij kort te voren was getrouwd, en op zijn huwelijksreis was. Hij zou met zijn jonge vrouw naar Parijs gaan, om daar familie te bezoeken, in zijn laatsten brief deelde hij de firma mede, dat hij ook nog een reis door Zwitserland wilde maken.

Deze bijzonderheden wekten een meer dan voorbijgaande belangstelling voor den heer Sigris bij mij op. Ik hield het voor mijn plicht nog meer van dezen heer te weten te komen maar vermeed zorgvuldig tegen de heeren Gregson ook maar iets te zeggen, wat hen aan de rechtschapenheid van hun degelijken correspondent had kunnen doen twijfelen. Ik wilde eerst zeker van mijn zaak zijn en de verdenking, die ik tegen den heer Sigris kon uitbrengen, was slechts daarop gerond, dat deze heer een Franschman was en dat de goederen naar den heer Blouet in Parijs waren gezonden. Ik vroeg mij af, of misschien, Blouet en Sigris dezelfde persoon konden zijn?

Ik kwam tot de ontdekking, dat de heer Sigris vóór zijn huwelijk in een voorstad van Manchester, Cheetham Hill, gewoond had en daar hij eerst enkele weken getrouwd was, kon ik mij het genoegen niet ontzeggen een bezoek in zijn vorige woonplaats af te leggen.

Het was een zeer fatsoenlijk huis, en zijn hospita kon zich in een rijken kinderzegen verheugen; de huisheer was werkzaam in een groot handelshuis.

Van de huisjuffrouw hoorde ik, dat Sigris ongeveer een half jaar bij hen gewoond had, dat zij slechts weinig van hem wisten, daar hij zeer terughoudend was geweest, maar dat zij hem voor een fatsoenlijk braaf man hielden. Toen ik verder vroeg, waarop zich hunne meening grondde, kreeg ik ten antwoord, dat hij altijd stipt zijn huur had betaald. Dit standpunt kan nu bij mij niet zoo zwaar wegen als bij de huisjuffrouw. Verder werd ik gewaar, dat Sigris tot zijn terugkomst zijn woning aangehouden had en op mijn vraag kreeg ik ten antwoord, dat er nog eenige kisten van hem stonden.

Het viel mij lang niet gemakkelijk, de waardige juffrouw over te halen, mij de kamer te laten doorzoeken, maar ten slotte gelukte het mij toch. Het waren gemoedelijke, prettig ingerichte kamers, die Sigris bewoond had. Slaap- en woonkamer waren door een deur verbonden. De kisten, waarvan de juffrouw gesproken had, bestonden uit een grooten koffer, een kleine ijzeren en een nog kleinere houten kist.

Ik kan niet verhelen, dat ik brandde van verlangen, om den inhoud van de ijzeren cassette te doorsnuffelen, maar ik moest mijn ongeduld beteugelen.

Verder was er niets bijzonders in de kamer te zien. Er stond nog een kast in, maar die was leeg. Sigris had, vóór hij op reis ging, alles in den koffer gepakt. In de kleerkast ontdekte ik een gekleede jas, twee of drie pantalons en enkele kleinigheden. De hospita deelde mij mede, dat zij deze kleederen voor den heer Sigris ten bate van het dienstmeisje mocht verkoopen.

Reeds had ik de deur gesloten en stond op het punt mij te verwijderen, toen een plotselinge ingeving mij noodzaakte, nogmaals de kleerkast te openen en mijn hand in de zakken van de oude kleedingstukken te steken. De gekleede jas was veel gedragen en de glans op de mouwen bewees, dat dit kleedingstuk ook in de zaak gedragen was. Ik voelde in den binnenzak, die gescheurd was. Ik stak mijn hand door een gat, zonder de minste hoop op een vondst, des te meer verrast was ik dus, toen ik onder in de voering een blaadje papier voelde. Het was een saamgevouwen brief, die er vuil en smerig uitzag, en al lang in den zak had gezeten. Ik vouwde hem open en mijn hart sloeg sneller, toen ik in fraai koopmansschrift het volgende las:

Goederen worden vandaag verzonden. Bericht Blouet.

Ik kon bij deze ontdekking nauwelijks een kreet van vreugde onderdrukken, want ik wist, dat ik eindelijk op het goede spoor was. Geen naam, geen adres, geen onderschrift, geen datum, niets stond er op het blad papier.

Maar juist, omdat dit alles ontbrak zag de zaak er zoo verdacht uit. Sigris mocht dan al of niet Blouet zijn, in den zak van zijn jas had ik toch de aanwijzing gekregen, dat zekere goederen ergens heen gezonden waren en Blouet daarvan op de hoogte moest worden gebracht. Nu was de heer Sigris een Franschman. Hij was juist gehuwd en met zijn jonge vrouw naar Parijs gegaan. Dit geval sloot echter niet uit, dat de bruidegom naar Frankrijks hoofdstad was gereisd, om den heer Blouet te bezoeken, als deze heer tenminste bestond, en zoo niet, om de goederen zelf in ontvangst te nemen, en zich daarbij voor den heer Blouet uit te geven.

In ieder geval wilde ik meer van dezen interessanten heer te weten komen; daarom wendde ik mij tot de politie om verlof te krijgen, de kisten te openen en ze te mogen doorzoeken. Hiervoor waren echter enkele formaliteiten noodig en daar er juist een Zondag tusschen kwam, verstreken drie dagen vóór ik de toezegging kreeg. Toen ik mij weer in de Cheetham Hill vervoegde, werd mij door de hospita verteld, dat er, daags na mijn bezoek, een telegram van den heer Blouet uit Parijs was gekomen met verzoek, zijn koffers dadelijk naar Cordova in Spanje te zenden, het geen zij nog dienzelfden avond had gedaan.

„Cordova in Spanje” overlegde ik. „Dat wil zeggen, dat de gelukkige bruidegom naar een land gevlucht is, waar hij zeker weet, niet uitgeleverd te worden. Sigris was echter Wistanley niet, evenmin als een der kranige jongelui, en ik wilde nu ook weten in welk gedeelte van onze aarde zij zich ophielden.

Maar nu kwam de vraag: waar moest ik hen zoeken? Hierop was slechts één antwoord en dat luidde: In Parijs! Ik was er in ieder geval van overtuigd dat, als ik ooit het spoor zou vinden, ik het slechts daar vinden zou. De goederen waren naar de Fransche hoofdstad gezonden en men kon met de grootste waarschijnlijkheid aannemen, dat de dieven het gestolen goed achterna gereisd waren.

Ik kende Parijs heel nauwkeurig; ik had er eenige jaren gewoond. Bij mijn aankomst informeerde ik dadelijk aan het goederenbureau van het Noorderstation, of hen een zekere heer Blouet bekend was. En zooals ik verwachtte, werd mij gezegd, dat er een groote menigte colli’s en kisten voor een heer van dien naam aangekomen waren.

„En hebt gij hem die koffers gezonden?” vroeg ik vol spanning.

„Neen. Zij zijn door een voerman op zijn kar meegenomen, de vrachtbrieven luidden:

„Aan den heer Blouet, of order.”

„En gij weet ook niet waarheen de goederen gebracht zijn?”

„Neen, absoluut niet.”

Dat was een teleurstelling. Parijs is groot, en onder de drie millioen inwoners nu iemand te vinden, van wien men niet eens goed weet, hoe hij er uitziet, dat was een opgave, die menigeen ontmoedigen zou. Maar mij ontzonk in zulke gevallen niet zoo de moed, want jarenlange ervaring had mij geleerd, het schijnbaar onmogelijke als het allerwaarschijnlijkste aan te zien.

Het papier, in Sigris’ zak gevonden, luidde: Goederen worden heden verzonden. Bericht Blouet. Dezen naam dacht ik als slechts voor dit doel aangenomen, want ik kon er mij niet in denken, dat de ontvanger der goederen in Parijs zoo dom zou zijn, zijn werkelijken naam op te geven. Toen ik nu dit briefje nog eens, in het licht mijner jarenlange criminalistische ervaringen, herlas kwam ik tot de volgende overtuiging:

1e. Een zekere heer zich noemend Blouet was een goede bekende van de spitsboeven, want anders zou men hem zoo’n waardevolle goederenzending niet toevertrouwen.

2e. Men had daarom Sigris verzocht „Blouet te berichten”, omdat deze Sigris correspondent in vreemde talen en daarbij Franschman van geboorte was.

3e. De schrijver van dit briefje, Wistanley of een van zijn drie jonge lieden kende geen Fransch en moest daarom den heer Sigris de correspondentie overlaten. Deze gevolgtrekkingen brachten mij tot de slotsom, dat een geheele bende van zwendelaars in dit bedrog betrokken waren, die op verschillende plaatsen woonden en tot verschillende nationaliteiten behoorden.

De eenige beschrijving die ik van den heer Wistanley had, was, dat hij groot en slank was, een voornaam uiterlijk en aristocratische manieren had, ongeveer zestig jaren telde, een frissche gezonde gelaatskleur had, een bijna witten baard en een kaal hoofd, dat hij elegant gekleed was, twee à drie ringen droeg en het Engelsch met een nauwelijks merkbaar Amerikaansch accent uitspraak.

In deze persoonsbeschrijving lag niets opvallends.

Daar ik nu had begrepen, dat ik in Parijs niet veel ontdekken zou, besloot ik zuidelijker te gaan, en Cordova te bezoeken, waarheen zooals ik gehoord had, Sigris, met zijn jonge vrouw, hunne schreden gewend hadden. Had ik het geluk met dezen heer kennis te maken, dan zou ik zeer zeker gewichtige dingen van hem te weten komen. Ik begreep heel goed, waarom Sigris juist deze mooie, oude Spaansche stad tot zijn verblijf had gekozen. Tusschen Groot-Britannië en Spanje bestond geen uitleveringsverdrag.

Spanje was dus het paradijs voor alle mogelijke bankroetiers en misdadigers. Het was echter nog mogelijk, dat ik mij in het geval van Sigris vergiste en dat zijn huwelijksreis je naar Cordova slechts een deel van het programma uitmaakte. Maar ik had mij nu eenmaal voorgenomen erheen te gaan en was dus spoedig op weg. Uit licht begrijpelijke beweegredenen, deed ik mijn best mij onkendbaar te maken, en daar het juist zomer en in het reisseizoen was, kleedde ik mij als toerist. Ik droeg een opvallend, bont pak, daarbij een helroode das, de onvermijdelijke verrekijker hing aan een riem over mijn schouder, een stroohoed met witten sluier bedekte mijn hoofd en met een reisboek in de hand was ik het type van een toerist.

In Cordova, één der interessantste steden van Spanje, stapte ik voorloopig in een klein hotel af. Er waren zeer veel vreemden in de stad en Engeland was goed vertegenwoordigd.

Daags na mijn aankomst maakte ik tochten door de stad; een groote blauwe bril, die mij schijnbaar voor de gloeiende stralen der zon beschutten moest, in werkelijkheid echter mijn kleeding volmaken, had ik voor de oogen. Zooals iedereen, die Cordova bezoekt, richtte ook ik mijn schreden naar den dom. Onophoudelijk stroomde de menigte in en uit den dom. Geloovigen en kijklustigen waren het, personen van alle nationaliteit.

Ik zie gaarne kerken, toch moet ik bekennen, dat al de pracht en heerlijkheid van deze kerk geen indruk op mij maakte, want met den grootsten ijver monsterde ik de gezichten van de voorbijgangers en mijn ooren spanden zich in om te luisteren, want ik hoopte, dat misschien een woord, dat ik bij toeval hooren zou, mij in mijn navorschingen kon helpen. Maar ik zag niet één gezicht, dat mij interesseerde en ik hoorde niet één woord, dat mij belang inboezemde. Van den dom uit wandelde ik door de stad en toen het te warm werd, ging ik naar mijn hotel terug, om wat uit te rusten en mij wat te verfrisschen. Toen de zon onderging, ging ik opnieuw op weg en volgde de menigte, die naar het park trok, waar ’s avonds een militaire kapel speelde.

In dezen tuin zoekt iedereen ’s avonds uitspanning. Hier, onder den oranjeappel en den olijfboom, in een atmosfeer, die van de zoete geuren van ontelbare bloemen bezwangerd is, door de muziek in zoete droomen verzonken, kan men heerlijke rust genieten en daarbij zijn uitgedroogd verhemelte met ijskoude dranken bevochtigen; het vroolijke gelach en gekout van de veelkleurige menigte mag men beluisteren en daarbij een wijle vergeten, dat de wereld vol hartstocht en slechtheid is.

Door de bekoorlijkheid van mijn omgeving ingepalmd, probeerde ik te vergeten, dat ik een „speurhond” was, dat plicht en noodlot mij dwongen, hen te vervolgen, die tegen de wetten gezondigd hadden. In een leunstoel uitgestrekt, liet ik dwarrelende kringetjes uit mijn heerlijke sigaret opstijgen, terwijl ik af en toe mij met een slokje Sherry Cobler verfrischte.

De zon ging onder en een korten tijd scheen de hemel een prachtig mozaïek van goud en rood, amethysten en paarlen. Spoedig echter verdwenen de kleuren en de sterren verschenen aan den donkeren hemel, de atmosfeer werd zwoel en zwaar van den geur der oranjebloesems, die een uur voor en na zonsondergang het sterkst geuren. Ik meende te droomen, want dit tooneeltje was werkelijk poëtisch.

Muziek, een Spaansche atmosfeer, toiletten vol kleurenpracht, helder gelach, mooie vrouwen, schilderachtig gekleede mannen, de geur van bloemen! Kon men nu in zulk een omgeving aan ellende en slechtheid denken, die in de harten school onder deze betooverende kleeding? Zoo’n oogenblikje en in zulk een omgeving mag zelfs een detective eens droomen.

Door de zware bloemenlucht klonk plotseling een helder vrouwenlachen in mijn oor en dit wekte mijn opmerkzaamheid; het klonk als de klank van een zilveren klokje, het verried kinderlijke onschuld, een onschuld, die van de listen en lagen der wereld geen flauw begrip had.

Ik keek in de richting, vanwaar het lachen kwam. Slechts eenige meters van mij verwijderd had een klein gezelschap van toeristen aan een tafeltje plaats genomen, en bij hen stond een kellner om de bestellingen op te nemen. In het schemerachtig licht, kon ik het gezelschap niet goed zien, slechts zóóveel zag ik, dat het vier heeren en vier dames waren. Allen schenen in de beste stemming en hadden schijnbaar het plan een genoegelijken avond met elkaar te vieren. Mijn belangstelling was verdwenen en ik wilde reeds weder mijn phantasieën vrij spel laten, toen de dame, wier lachen mij opgevallen was, uitriep:

„O! maar ik vind dit juist heel elegant.”

De stem was zeer melodieus, de uitspraak echter onmiskenbaar Amerikaansch.

Het hooren van mijn moedertaal bracht mij met een sprong uit de romantische droomerijen naar de werkelijkheid terug en ik herinnerde mij den plicht, die mij hierheen had gevoerd. Ik begon er over na te denken, hoe de dame met het lieve stemmetje er wel zou uitzien. Jong, dat moest zij wel zijn, want haar stem klonk jeugdig. Was zij mooi? Was zij gehuwd of een jong meisje? Welke positie nam zij in het leven in? Zij scheen wel gelukkig te zijn; had zij anders zóó kunnen lachen?

Ik stak een nieuwe sigaret op, en stond op. Juist was het orkest begonnen een vroolijk walsje te spelen. Ik slenterde wat rond, ging ook het tafeltje waaraan het voorwerp van mijn belangstelling zat, voorbij en hoewel ik in het halfduister geen gezichten onderscheiden kon, hoorde ik in ’t voorbijgaande volgende woorden van de dame met haar Amerikaansche tongval en het zilveren stemmetje:

„Adolph, schat, wat bent je toch onbeholpen!” (Dit klonk zeer verdrietig.)

Ik zag, dat Adolph uit onachtzaamheid een glas champagne had omvergeworpen en den inhoud daarvan in den schoot der dame was geloopen. Zij sprong op, schudde haar japon uit, en veegde ze met haar zakdoek af, terwijl haar begeleider hartelijk lachte. Maar het was niet dit intermezzo, dat mij belang inboezemde, maar de vermelding van den naam Adolph, en oogenblikkelijk werd de detective weer in mij wakker. Was niet de voornaam van den heer Sigris ook Adolph? En ik dacht: „Zou het mogelijk zijn, dat zij, die ik zoo ijverig zoek, zich onder deze vroolijke luchthartige menschen bevinden?”

In ieder geval oefende deze naam op mij dezelfde werking uit als het geluid van een trompet op een stervend oorlogsros hebben moet. Ik was weer geheel nuchter geworden en was van plan deze lieden zóó lang te vervolgen, tot ik iets meer van hen te weten was gekomen.

Meer dan een uur verloor ik hen niet uit het oog. Toen speelde het orkest het laatste stuk en het publiek verliet het park. Tot mijn groote vreugde stond eindelijk ook mijn gezelschap op en maakte aanstalten, om te vertrekken. Ik zag, hoe Adolph teeder een kanten doekje om den hals der dame sloeg, op wier japon hij de champagne gemorst had, en ik meende, dat slechts een minnaar of bruidegom zoo oplettend kon zijn. Zij gingen heen en ik volgde hen. Zij liepen geruimen tijd door tot zij eindelijk voor een helder verlicht café kwamen.

Nu kon ik voor de eerste maal duidelijk hun gelaat zien en ik twijfelde nu ook niet langer, of het waren die menschen, waarnaar ik zoo vurig verlangde.

„Adolph” was Adolph Sigris. Ik herkende hem van de beschrijving, die men mij bij Gregson & Co. van hem gegeven had.

De jonge dame, die zoo liefdevol aan zijn arm hing, was zijn vrouw. Zij had een mooi, lief gezicht, een sierlijk figuurtje, een rooskleurige gelaatskleur en dik, goudblond haar. Twee der andere dames waren eveneens jong en niet minder mooi dan de jonge vrouw; zij waren, naar de gelijkenis te oordeelen, zeker zusters. De vierde dame was reeds over de vijftig en had een waardig voorkomen, zij was tamelijk corpulent en droeg het grijze haar over het voorhoofd gekamd, zij had een Spaansche kanten doekje zeer smaakvol om het hoofd geslagen. Ook zij zag er gezond en lief uit, en ik veronderstelde, dat zij de moeder der beide jonge meisjes en de vrouw van dien grooten slanken heer was, die om en bij de 60 jaar mocht zijn, een frissche gezonde kleur had, en een witten baard. En dat deze heer Wistanley was, daarop zou ik hebben kunnen zweren. De twee andere heeren van het gezelschap waren jongelui van omstreeks vijf-en-twintig jaar. Zij waren elegant gekleed en schenen tot de familie te behooren.

Aan één der tafeltjes, die buiten het café stonden, nam het gezelschap plaats en bestelde porties ijs. Terwijl zij daar zoo in het volle licht zaten, kon ik hun gezichten onuitwischbaar in mijn geheugen prenten.

Een vol uur bleven zij zitten. Toen sloegen zij langzaam den weg in naar het „hotel du Soleil” waar zij, naar ik vermoedde, hun intrek hadden genomen. Zeer bevredigd over mijn ontdekkingen, begaf ik mij, daar het intusschen laat was geworden, naar mijn hotel, en sliep dien nacht heerlijk. Den volgenden morgen verhuisde ik, en wel naar het „hotel du Soleil” en vóór de dag verstreken was, wist ik, dat zich onder de hotelgasten de heer en mevrouw Sigris, uit Parijs, de heer en mevrouw Wistanley, de heer George en de heer Adam Wistanley en de dames Wistanley, allen uit Boston, bevonden.

„Zoo, zoo,” lachte ik in mijzelf, „zij behooren dus toch tot dezelfde familie, en die heeren George en Adam Wistanley zijn twee van de drie kranige jongelieden, die in het bureau van den heer Wistanley in Manchester werkzaam waren; ieder man met oogen in het hoofd moet dadelijk zien, dat mevrouw Sigris een zuster is van de dames Wistanley.

Sigris had dus één van Wistanley’s dochters getrouwd; Sigris was correspondent bij Gregson & Co., waardoor hij in staat was, het bedrog met goed gevolg door te zetten, want alle brieven gingen door zijn handen. Daardoor was hij voor zijn toekomstigen schoonvader van onschatbare waarde geworden, en nu leefden zij samen van de opbrengst van hun bedrog.

Ik zeg samen, want was er nog eenige twijfel, dat de overige leden van de familie niets van het voorval zouden weten. Voor Wistanley moest het bepaald onmogelijk geweest zijn, zulk een systeem van bedrog uit te voeren, zonder dat zijn vrouw en dochters er van op de hoogte kwamen. Slechts met weerzin kon ik deze jonge, voorname dames voor bedriegsters houden, maar het moesten wel bedriegsters zijn, hoe moeilijk het ook vallen mocht, zooveel schoonheid en slechtheid in zich te vereenigen. Ik was helaas machteloos iets te doen, wat mij in staat stelde deze menschen in hechtenis te laten nemen. Zoo lang zij op Spaansch grondgebied waren, waren zij veilig, maar ik troostte mij met de gedachte, dat zij er niet altijd konden blijven. Gelukte het mij dan, slechts enkele van hen achter slot en grendel te brengen, dan zouden de anderen wel genoodzaakt worden, tenminste een deel van hun onrechtmatig verworven goed in den steek te laten.

Nadat deze interessante familie, een volle week lang, geld met volle handen had uitgegeven, weelderig geleefd en veel champagne gedronken had, alle bezienswaardigheden gezien had en dikwijls had gereden, werd hun gezelschap met vijf personen vermeerderd. Hun aantal bedroeg nu dertien, een „duivelsdozijn”, zooals men dat noemt. Onder de nieuw aangekomenen was ook een jonge man, die zeer zeker een broeder van de beide jonge Wistanley’s en derhalve de derde dappere jonge man was. Ook was er een jonge dame, een Amerikaansche en naar ik hoorde was dit de jonggetrouwde vrouw van den jongsten Wistanley. De drie andere personen waren de ouders van het jonge vrouwtje, die zich als de heer en mevrouw Gage uit Georgia in het vreemdenboek inschreven, en een opgedirkte oude juffrouw, een zuster van den heer Gage.

Dit tweede groepje der familie was in Madrid geweest. Ik was overtuigd, dat deze dertien personen niet van plan waren, zich voorgoed in Spanje te vestigen. Hierin had ik mij niet vergist, want in den loop der daaropvolgende week vertelde mij de oberkellner, dat een deel van het gezelschap naar Parijs en het andere naar Sevilla wilde gaan. Ik brandde van nieuwsgierigheid, om te weten te komen, welke der personen naar Parijs zouden afreizen; ik moest echter een paar dagen wachten, vóór ik mijn nieuwsgierigheid bevredigen kon. Wie beschrijft echter mijn vreugde, toen ik vernam, dat de heer Wistanley, diens twee zoons George en Adam en de heer Sigris, op het punt van vertrekken stonden en ik begreep terstond, dat deze reis in verband stond met de gestolen goederen. Daarbij was ik nog te weten gekomen, dat Wistanley geen Fransch sprak; dus moest Sigris hen als tolk dienen.

De morgen van vertrek brak aan, en in denzelfden trein, waarin het gezelschap zat, zat ook ik.

In Parijs aangekomen, namen zij een rijtuig en reden naar Hotel Continental. Nadat ik mij vergewist had, dat zij er hun intrek hadden genomen, nam ik in een ander hotel een kamer, om geen argwaan te wekken. Het eerste echter wat ik deed, was de Parijsche politie bericht zenden, dat de zwendelaars, die ik zocht, in Hotel Continental woonden.

Eenige beambten werden dadelijk met het toezicht belast.