Lord Lister No. 0022: De goudmaker

Part 6

Chapter 61,202 wordsPublic domain

Den volgenden dag was ik in aller vroegte in de omgeving van het hotel en nadat ik een tijdlang gewacht had, zag ik een open landauer van het hotel wegrijden. Daarin zaten de drie Wistanley’s en Sigris.

Met twee van mijn Fransche collega’s sprong ik in een voorbijrijdend huurrijtuigje en beval den koetsier, den landauer te volgen. Deze reed naar het zuidelijke deel der stad, ging den Pont-Neuf over en reed den Boulevard Saint-Germain op.

De vier inzittenden stegen uit het rijtuig en betraden het huis. Ook wij verlieten ons voertuig en begaven ons naar de loge van den concierge. Ik begon met den ouden man een gesprek en vroeg hem terloops, of hij de heeren kende, die naar boven waren gegaan.

Drie van hen waren vrienden, meende hij, Engelschen of Amerikanen; de vierde was de heer Blouet, die een half jaar geleden een étage gehuurd had; hij was juist gekomen, om schikkingen te treffen over het meubilair.

De Fransche wet veroorlooft het, iemand op een enkele mondelinge beschuldiging gevangen te nemen. Wij hadden dus in dit geval geen bevel tot inhechtenisneming noodig. Mijn collega’s en ik klauterden naar de zesde verdieping. Ik belde aan, waarop de oude Wistanley de deur opende en vóór hij zich van de verrassing die ons verschijnen teweeg bracht, herstellen kon, waren wij binnen gedrongen.

In een kamer, voor de helft met balen en collis opgevuld, vonden wij Sigris alias Blouet en de beide jonge Wistanley’s. Sigris doorzag terstond den toestand en werd vaalbleek. Snel als de bliksem trok hij een revolver uit den zak en schoot op mij. De kogel echter miste zijn doel en drong in den muur, maar vóór hij tijd vond ten tweeden male te schieten, had ik mij op hem geworpen, de revolver ontrukt en gekneveld. Ook de drie andere gevangenen knevelden wij. Een van de Fransche beambten bleef achter om de woning te bewaken en met behulp van den ander bracht ik onze gevangenen naar den dichtbijzijnden politiepost.

Urenlang scheen Sigris buiten zichzelf van smart, vertwijfeling en schaamte, en toen hij in mij iemand herkende, dien hij reeds in Cordova had gezien, smeekte hij mij, zijn vrouw niet met zijn inhechtenisneming in kennis te stellen, terwijl hij daarbij plechtig verzekerde, dat zij volkomen onschuldig was en geen vermoeden van het bedrog had gehad.

Ik beloofde hem, haar zijn gevangenneming zoo lang mogelijk geheim te houden en ik verzuimde ook niet, hem er op te wijzen, dat men zijn zaak veel gunstiger zou beoordeelen, wanneer hij van de gestolen goederen zooveel als mogelijk terug gaf. Dat wilde hij ook doen en vreeselijk ging hij tekeer op zijn schoonvader en beide zwagers, die hem op dezen slechten weg gevoerd hadden. Op zijn smeeken telegrafeerde ik zijn vrouw, dat hij voor zaken dadelijk naar Engeland terugkeeren moest, en daar, zooals te voorzien was, langen tijd zou moeten blijven.

Na verloop van verscheiden weken, nadat de noodige formaliteiten waren vervuld, mocht ik mijn gevangenen naar Engeland overbrengen en langzamerhand kwam ik alle bijzonderheden van hun reusachtig en opzienbarend bedrog te weten. De Wistanley’s waren allen, met uitzondering van Nelly, een geniale bedriegersfamilie. Als Amerikaansche burgers hadden zij zoo lang van bedrog en zwendel geleefd, tot de grond er te heet onder hunne voeten werd. Toen hadden zij hun veld van werkzaamheid naar Manchester verlegd, waar zij met Sigris kennis maakten, die op de dochter, die van al deze bedriegerijen niets afwist, verliefd werd. Sigris had een zwak karakter en daar hij Nelly hartstochtelijk lief had, viel, het den Wistanley’s niet zwaar, zich van hem als werktuig te bedienen.

Nadat men het eens was geworden, om deze zwendelarij uit te voeren, was Sigris naar Parijs gegaan, had daar op den naam Blouet de woning waarin hij gevat werd, gehuurd, en was met een kennis overeengekomen, de goederen bij hun aankomst in Parijs in ontvangst te nemen en ze naar de woning over te brengen. Goederen, voor een waarde van verscheidene duizend ponden waren reeds in Frankrijk aan den man gebracht en Sigris en de Wistanley’s waren nu van Cordova naar Parijs gekomen, om de rest der goederen te verkoopen. De derde zoon van Wistanley, Richard, was tegelijk met Sigris in het huwelijk getreden. Zijn vrouw was een juffrouw Gage en ofschoon ik deze familie niet bepaald van een misdaad beschuldigen kon, scheen het toch, dat zij in de Verenigde Staten veel op hun kerfstok hadden.

Ik had oprecht medelijden met Sigris. Hij was klaarblijkelijk slechts een offer van de Wistanley’s, deze doortrapte zwendelaars. Hij volgde mijn raad op, en gaf al het geld, dat hij nog bezat, over. Het waren ongeveer drie duizend pond en hij gaf ons ook inlichtingen, die het ons mogelijk maakten, een aanzienlijk deel van het gestolen goed weer terug te krijgen. Daardoor gelukte het mij, het verlies van mijn lastgever tot een, naar verhouding, klein bedrag te beperken. Op Sigris’ herhaald smeeken, reisde ik nogmaals naar Cordova, om zijn vrouw voorzichtig met het voorgevallene in kennis te brengen. Eerst was zij als verdoofd van schrik, en ik vreesde, dat zij er niet van zou opkomen. Maar ik redeneerde met haar en het gelukte mij ook, haar te bewegen met mij naar Engeland terug te keeren. Hier wilde zij zoo lang teruggetrokken leven, tot haar man weder op vrije voeten zou zijn; dan wilden zij ver weg gaan en in een ander land een nieuw leven beginnen. Toen de Gages en haar broeder hoorden, dat ik Nelly met mij mede nemen wilde, waren zij woedend, maar hun schelden en razen deerde mij niet, en ik bracht het arme, jonge vrouwtje naar Engeland.

Op roerende wijze vertelde zij mij, dat zij zich meermalen er over verwonderde, waar haar vader en broeders de middelen tot hun levensonderhoud vandaan haalden. Men had haar altijd gezegd, dat zij „Commissionairs” waren; hun geheele doen en laten had altijd iets geheimzinnigs gehad, maar aan oneerlijkheid of misdaad had zij nooit gedacht. Deze onthulling trof haar zóó hard, dat zij zwaar ziek werd.

Verbazende dingen kwamen er bij de verhandeling tegen de Wistanley’s en Sigris aan het licht; daaruit bleek, dat de Wistanley’s al geruimen tijd van bedriegerijen leefden en zich een groot vermogen bijeen gezwendeld hadden.

De verklaringen, die ik in staat was te geven en het feit, dat hij ons geholpen had een groot deel van het gestolen goed terug te krijgen aan den eenen kant; aan den anderen kant de goede getuigen, die zijn vroegere chefs, de heeren Gregson & Co. van hem gaven, bewerkten, dat Sigris er met de geringe straf van zes maanden gevangenisstraf af kwam. De Wistanley’s werden tot tuchthuisstraf veroordeeld; de vader tot tien, de beide zoons ieder tot zeven jaar. De andere leden van deze interessante familie verzekerden zich van hunne vrijheid, door in Spanje te blijven.

Ten slotte wil ik nog mededeelen, dat, toen Sigris uit de gevangenis kwam, zijn vrouw herstellende was.

Op mijn voorspraak leende een als weldadig bekend staande dame hun een som gelds waarmee zij naar Nieuw Zeeland vertrokken. Na een paar jaar hoorde ik, dat zij onder een anderen naam een zaak hadden opgericht, die zeer goed ging en dat zij drie kinderen hadden, die zij hun best deden, tot eerlijke, rechtschapen menschen groot te brengen.