Lord Lister No. 0022: De goudmaker

Part 4

Chapter 43,744 wordsPublic domain

„Gij maakt u wel bezorgd om mij,” lachte Raffles, en Hunting, vergezeld van twee zijner deelgenooten, begeleidden den Grooten Onbekende naar huis.

Toen zij bij het woonhuis, dat naast den smeltoven lag, aankwamen, zeide Lord Lister tot Charly Brand:

„Breng whisky voor mij en de heeren. Zij willen mij dezen nacht gezelschap houden.”

Hunting en zijne vrienden namen aan de kleine tafel plaats, maar bemerkten niet, dat Raffles uit een klein fleschje dat hij bij zich droeg, droppeltjes in de glazen deed, die hij voor zijn gasten uit de keuken had gehaald. Daarna schonk hij de glazen vol whisky en reikte ze den heer Hunting en diens vrienden.

„Op onze goede zaken”, riep Raffles en haastig dronken de mannen de whisky uit.

Toen begonnen zij te rooken en over de kunst van goudmaken te spreken. Tevergeefs kampten zij tegen een zware vermoeidheid. Hun armen vielen slap naar beneden, hun oogen vielen toe, en de goudmaker verdween voor hun blikken in een donkeren nevel.

Daarna zakten zij in een zware verdooving ter aarde.

Raffles keek lachend naar hen en zeide tot Brand:

„De menschen zijn nog niets verstandiger dan voor duizend jaar. Wanneer men hun goudbergen belooft, gelooven zij er aan. Leer dit van mij Charly, en nu zullen wij op marsch gaan. Wij hebben dezen nacht nog vier uur gaans tot het eerste spoorwegstation. Morgen vroeg om drie uur kunnen wij naar Chicago afreizen. Voor het dag wordt moeten wij weg zijn. Dit is de ongeloofelijkste zaak van alle, die ik tot nu toe heb meegemaakt.”

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN MEESTERSTUK.

Den volgenden dag had de politie in Chicago de handen vol.

In Pottsville had men, vroeg in den morgen, het verdwijnen van John Raffles en Charly Brand ontdekt, en in den kouden smeltoven een naamkaartje gevonden, waarop geschreven stond:

„Mijn groet aan de heeren van Pottsville. Maakt goud met keukenzout en bluft, zooals

JOHN RAFFLES, de goudmaker.”

„Lyncht hem”, schreeuwden de bedrogenen.

„Naar het eerste telegraafbureau.”

Het ergste raasde Brown. Hij was eenige millioenen armer geworden en kreeg van alles de schuld. Ook verlangde men de teruggave der door ieder gestorte 1000 dollar. En bang voor de dreigende vuisten en woedende gezichten, bleef hem niets anders over, dan de oproerigen te bevredigen. Daarop reisde hij met den eerstvolgenden trein naar Chicago en spoedde zich naar het politiebureau, om met behulp van detectives te probeeren den goudmaker het geroofde afhandig te maken.

De Groote Onbekende echter had zich opnieuw zijn uiterlijk veranderd, en had als de koopman Smith uit New-York in het Central Hotel kamers gehuurd. Reeds den eersten dag ging hij naar Mayer en betaalde hem de gevraagde millioen dollars voor de vrachtwagens. Het was slechts twee dagen voor den termijn, waarop Geis en zijn vrienden hun graan naar New-York gezonden wilden hebben.

Den volgenden dag kwam mijnheer Geis op het bureau van de Pacific Spoorweg Mayer opzoeken, om met hem over het vervoer van graan te onderhandelen.

Met een merkwaardig lachje ontving hem de chef en antwoordde:

„Het doet mij leed, dat ik aan uw wensch, om vrachtwagens te leveren, niet kan voldoen.”

„Gij zijt niet goed bij het hoofd,” schreeuwde de graankoning, „of hebt gij te veel whisky gedronken? Ik wil graan naar New-York zenden en heb wagens noodig.”

Het ironische lachje verdween niet van het gelaat van Mayer toen hij antwoordde:

„Ik meen noch gek, noch dronken te zijn en herhaal, dat de Pacific Spoortrein u voor deze maand, en waarschijnlijk nog langer, geen vrachtwagens verhuren kan. Gij hadt er eerder voor moeten zorgen. Alle wagens zijn nu besproken.”

Geis meende nog altijd, dat Mayer zich een scherts veroorloofde; toen hij echter nog eens de bevestiging kreeg, schreeuwde hij:

„Wat drommel, moet ik mijn graan soms 2000 mijlen door de lucht laten vliegen?”

Mayer haalde de schouders op.

„En waarom niet? Gij kunt een luchtschip nemen. Met den trein gaat het niet, mits gij u tot den pachter der vrachtwagens wendt, zekeren Smith. Hij woont in het Central Hotel en laat misschien met zich onderhandelen.”

Plotseling was het den graankoning, of alles met hem ronddraaide. Hij begreep nu den geheelen toestand.

„Dit is een gemeene streek,” raasde hij er op los. „De duivel hale u en Rockefeller en de geheele Pacific-spoorweg erbij.”

Een vloed van leelijke schimpwoorden volgde en Mayer moest hem bijna met geweld van het kantoor verwijderen. Als een woedende stier kwam Geis in het Central Hotel aan en riep dadelijk zijn deelgenooten bij zich. Verschrikt zagen zij zijn van woede vertrokken gezicht, dat zij zich echter verklaren konden, toen hij riep:

„Wij zijn beetgenomen, men heeft ons een strik om den hals gelegd.

„De duivel hale Rockefeller. Wij hebben ons graan voor niets verbrand, en het graan dat wij over hielden, kunnen wij hier in Chicago laten verrotten, want Rockefeller kan het met zijn trein niet vervoeren!”

„Drommels. Die hond moest opgehangen worden.”

„Ik begrijp het niet,” antwoordde Lobeck.

„Maar ik wel,” raasde Geis verder, „al de vrachtwagens van den Pacific spoorweg heeft Mayer, de hoofddirecteur van Rockefeller, aan zekeren Smith verpacht. Het is een gemeene, een vervloekte, duivelsche streek!”

Zijne deelgenooten keken Geis strak aan en verbleekten, terwijl Geis een gevulde champagneflesch nam en die in zijn woede in een spiegel slingerde. Daarop rende hij de kamer uit, terwijl hij zijn metgezellen toe riep:

„Volgt mij.”

Zij spoedden zich naar de kamers van Smith en traden dezen als woedende stieren tegemoet.

Nog voor de Groote Onbekende iets kon zeggen, brulde Geis:

„Gij aartsschelm, gij gemeene hond, gij wilt ons een strik spannen. De duivel zal u halen.”

Koelbloedig lachend keek Lord Lister naar den razende en rookte gemoedelijk zijn sigaret erbij. Hij wist, dat hij de schelmen in den zak had.

Nadat Geis uitgeraasd was, zei John Raffles op kalmen toon:

„Wat wenscht gij van mij?”

Met bloeddoorloopen oogen zag de graankoning hem aan en schreeuwde:

„Wagens om ons graan naar New-York te vervoeren, wil ik.”

„Het spijt mij dat ik u niet van dienst kan zijn.”

„En waarom niet?” vroeg Geis.

„Dat is mijn zaak,” antwoordde Raffles.

„Wilt gij ons voor den mal houden? Wij hebben vrachtwagens noodig voor ons graan,” raasde de graankoning door, „zeg ons, hoeveel gij voor de wagens hebben moet?”

Raffles bestudeerde eenige seconden den rook van zijn sigaret, nipte de asch in den haard en antwoordde: „Gij zult mij den prijs voor de wagens niet kunnen betalen.”

„Vervloekte hond, dat dacht ik wel. Wat belet mij dat ik je wurg!”

Hij maakte aanstalten, zich op den Grooten Onbekende te werpen, vloog echter verschrikt terug, toen hem de loop van een Browningpistool werd voorgehouden.

Nu trad Lobeck Geis in den weg en schoof hem op zij. Hij wilde het met goede woorden probeeren.

Koud lachend hoorde Raffles zijn wenschen aan en antwoordde:

„Gij hebt vier weken geleden met uw eigendom, uw graan, gedaan waartoe gij, als bezitter, het recht hadt.

„Nu doe ik met mijn vrachtwagens wat ik wil. Gij hebt voor vier weken in de haven van Chicago een kostbaar vuurwerk afgestoken en hooptet daardoor prachtige zaken te doen. Gij hebt echter buiten den waard gerekend. Ik heb het niet kunnen verhinderen en zorgen, dat de wereld eens goedkoop brood te eten kreeg, maar ik kan wel verhinderen, dat gij profijt van uw schelmenstreek trekt.”

„Wij zitten in de val,” schreeuwde Geis, „met zoo iemand moet men met de revolver praten.”

„Wat mij heel aangenaam zou zijn,” lachte de Groote Onbekende. „Gij ziet, ik heb reeds een ter hand genomen.”

„Wilt gij vervoeren of niet?” riep Lobeck, „ik ben bereid u een hoogeren vrachtprijs uit te betalen dan aan den Pacifictrein. Maar ons graan moet weg.”

„Ik zei het u reeds,” antwoordde Raffles altijd op rustigen toon, „dat hangt geheel van mij af en slechts op zekere voorwaarde ben ik bereid, uw graan naar New-York te vervoeren.”

„Welke voorwaarde?” schreeuwde Geis.

„Gij betaalt mij een millioen honderd vijftig duizend dollar en verplicht u daarbij, het graan te verkoopen tot den prijs, die er voor vier weken voor betaald werd. Ik maak er u opmerkzaam op, dat ik slechts voor dezen prijs graan uit mijn vrachtwagens aan New-Yorker handelaars afgeven zal.”

Met een heeschen kreet wilde zich Geis op Raffles storten, maar werd door zijn metgezellen daarin verhinderd.

„Wij zullen de zaak overleggen en u binnen twee uur antwoord zenden.”

„Overlegt niet te lang,” antwoordde Raffles, „want het zou kunnen, dat ik mijn voorwaarde ook nog eens overdacht en uw graan heelemaal niet meer wilde vervoeren.”

Vloekend verlieten de heeren de kamer, en begaven zich naar de conversatiezaal, om daar te overleggen.

Daar wachtte hen Brown, die uit Pottsville was gekomen, om den voortvluchtigen goudmaker te vervolgen.

„Ik heb millioenen verloren,” schreeuwde hij Geis toe. „Die hond van een Raffles heeft ze mij onder het masker van een alchimist afgenomen.”

„Drommels,” antwoordde Geis, „als men door zoo’n domheid zijn geld verliest, heeft men wat iemand toekomt. Maar ik en mijn vrienden, wij zijn in ons bedrijf door een uitgeslapen speculant voor millioenen benadeeld en de duivel mag weten, wie die schurk is.”

„Wij moeten eens rustig overleggen,” zei Lobeck, „wat uit deze speculatie nog te redden valt.”

„In het geheel niets,” antwoordde Brauer, „en ik stel voor, dat wij, voor wij dezen mensch het geld voor de vrachtwagens betalen en hij zich over ons amuseert, ons graan nog heden in Chicago verkoopen.”

Dit plan vond algemeenen bijval. Zij snelden naar de Beurs en verkochten daar hun graan voor den gewonen prijs. Vijftien millioen dollar kostte hun dit zaakje.

Toen Raffles in den namiddag hoorde, dat de graankoningen hun graan verkocht hadden, zeide hij tot Charly Brand:

„Het graan is goedkoop gebleven, mijn kunst als alchimist heeft dit tot stand gebracht. Nu zullen wij naar Engeland terugkeeren. Je ziet, dat mijn reis naar Amerika van algemeen nut is geweest.”

Toen hij met Charly Brand in den Pullmann-trein naar New-York stapte, schreeuwden de courantenverkoopers:

„Raffles als goudmaker in Pottsville!” „De bedrogen Koperkoning!” „Nieuwste berichten: de bedrogen graankoningen!”

Raffles kocht een courant en las daarin, alsof hij zich van de daden van een wildvreemde op de hoogte wilde stellen. Daarna gaf hij het blad aan Charly Brand en zei:

„Leg deze krant bij mijn verzameling.”

Terzelfdertijd ontvang Geis een brief, dien Raffles hem, kort voor zijn afreis, naar het hotel gezonden had. Deze luidde:

„Mijnheer Geis!

Het verheugt mij te hebben gehoord, dat gij uw graan tot den gewonen prijs verkocht hebt. En opdat gij zult weten, wie u tot deze fatsoenlijke daad bracht, moet ge deze onderteekening u goed in het geheugen prenten. Verbrandt in de toekomst geen graan meer, alvorens eerst te raadplegen met

JOHN C. RAFFLES.”

EEN DUIVELS-DOZIJN.

UIT DE HERINNERINGEN VAN EEN DETECTIVE.

Tijdens een zomer, die zich door groote slapte in zaken kenmerkte, en waarin de fabrikanten door het geheele rijk zich beklaagden, zoo bedroefd weinig afzet te hebben, was op een mooien dag de eigenaar van een in de nabijheid van Harwick gelegen wolfabriek niet weinig verrast, toen de post hem een bestelling voor een bedrag van circa achtduizend pond sterling bracht. Deze firma was om de duurzaamheid van haar fabrikaat algemeen bekend, en nog kort geleden had zij circulaires rondgezonden, waarin zij berichtte, dat zij ten gevolge van slapte in zaken en grooten voorraad haar fabrikaat tegen verminderden prijs uitverkoopen wilde. Zoo slecht waren echter de zaken, dat ook deze verlokkende aanbieding geen noemenswaardig gevolg had, want overproductie had allen kooplust weggenomen. Ook het jaargetijde was niet zonder invloed; het is bekend, dat de zomer geen geschikte tijd is voor wollen goederen.

Toen nu de firma bij het openen van de eerste post deze lang niet onbeduidende opdracht, die een groot gat in haar voorraad moest maken, ontving, meesmuilden de eigenaars en dachten zich gelukkig te mogen rekenen.

Deze bestellingsbrief was in volmaakt zaakkundigen stijl geschreven en kwam van

PETER GREGSON & Co. Commissie en Exportzaak,

Moseley Street, Manchester.

Daar de heeren Peter Gregson & Co. tot nog toe niet in zakelijke verbinding met de firma hadden gestaan, gaven zij als referent op de Union Bank te Manchester en de heeren Wistanley & Co., agentuurzaak in de Fountainstreet te Manchester. Deze bepaling was nog gemaakt, dat de waren binnen acht dagen geleverd moesten zijn, daar zij voor export bestemd waren.

Als fatsoenlijke kooplieden sloegen de eigenaars der firma allereerst het handelsadresboek van Manchester op, waarin zij dan ook de firma’s Peter Gregson & Co. en Wistanley & Co. vonden.

Dit zag er reeds eenigszins betrouwbaar uit; om echter veilig te zijn, gaven zij hun vertegenwoordiger opdracht, bij de bank in Manchester, die als informatie was opgegeven, inlichtingen in te winnen. En daar de uitspraak der bank in ieder opzicht bevredigend was, toog men onverwijld aan de uitvoering van de opdracht en binnen het gestelde tijdsverloop werden de goederen verzonden en Peter Gregson & Co. daarvan verwittigd. Met de volgende post werd genoemden heeren een wissel ter accept op korten termijn toegezonden. Omgaand kwamen ook de papieren, geaccepteerd, terug, en de Harwicker fabriek was er van overtuigd, goede zaken gemaakt te hebben, waarmede zij, de bij voortduring slechte tijden in aanmerking genomen, niet weinig verheugd waren.

Toen echter de wissel vervallen en den heeren Peter Gregson & Co. ter betaling voorgelegd werd, hielden deze heeren vol, van de geheele zaak niets af te weten, en verklaarden de onderteekening voor vervalscht. Heel beslist loochenden zij het, de waren besteld en ontvangen te hebben.

Dit bericht trof de Harwicker firma als een donderslag, en wanneer Gregson en Co. de waarheid sprak, dan liet het geen twijfel, of zij waren het slachtoffer van een even drieste als behendig aangelegde afzetterij geworden, waarbij de bedriegers twee maanden voorsprong hadden, die zij wel voor de vlucht zouden benut hebben. Het bedrogen huis verloor geen tijd, om alle middelen aan te grijpen en verzocht telegraphisch om mijn bezoek.

Bij mijn aankomst vertelde men mij, wat ik hier reeds mededeelde; men toonde mij de briefwisseling, overhandigde mij den vervalschten wissel en smeekte mij noch kosten, noch moeite te sparen, om de misdadigers aan de straffende gerechtigheid uit te leveren.

Reeds dadelijk was ik overtuigd met doortrapte bedriegers te doen te hebben. Het was geheel buiten gesloten, dat zulk bedrog door een enkele persoon was gepleegd; daar er dus meerdere handlangers moesten zijn, zoo was ik tamelijk zeker dat ik de misdadigers in handen zou krijgen, al dacht ik ook niet de gestolen goederen ooit weer terug te krijgen. Want zulke uitgeslapen dieven zouden wel geen oogenblik langer dan hoog noodig was, zulk een grooten voorraad waardevolle goederen in hun bezit houden.

Mijn inlichtingen bevestigden den goeden roep, waarin Peter Gregson & Co. stond. Het was weliswaar slechts een kleine firma, maar zij stond bekend als hoogst solide en respectabel, wat zij ook werkelijk was. Ik kwam ook te weten, dat zij wel voor 20,000 pond en voor nog meer zelfs goed was,

Eenige dagen, nadat de wissel van de Harwicker firma vervallen was, werden Peter Gregson & Co. nog andere wissels gepresenteerd, maar eveneens afgewezen, omdat zij vervalscht waren. Er viel nu niet meer aan te twijfelen, dat men te doen had met een systeem van reusachtige zwendelarijen en dat goederen, waarvan men de waarde wel op dertigduizend pond schatte, uit alle deelen van Engeland, op den naam van Gregson & Co. opgelicht waren.

Natuurlijk baarde deze geschiedenis in handelskringen groot opzien en men meende algemeen, dat het niet moeilijk zijn kon, de goederen terug te vinden, en de misdadigers te ontdekken. Toen echter de proef op de som werd genomen, kwam aan het licht dat de publieke opinie ditmaal onrecht had. De bedriegers hadden hun netten goed uitgeworpen en het zoo aangelegd, dat alle goederen ter zelfder tijd, geleverd waren; daar nu echter eenige wissels na twee, andere weer na drie maanden betaalbaar waren, hadden de dieven volop tijd, het gestolene aan den man te brengen. Het viel niet te loochenen, dat de geheele zaak er zeer geheimzinnig uitzag: ik wilde echter dit geheim oplossen en de zaak terug brengen, tot wat zij was—namelijk een doortrapte afzetterij.

Ik vroeg mij af, waarom de bedriegers juist het oog op Peter Gregson & Co. hadden laten vallen. En ik gaf mij zelf tot antwoord: Eerstens omdat het een kleine firma is en de zaken die zij afsluit, niet zoo algemeen bekend worden als die van een groot huis met vele verbindingen. Daarom konden ook goederen voor Gregson & Co. besteld worden, zonder dat dit in de handelswereld bekend werd. Wanneer men echter van deze bestellingen niet sprak, bleef de firma zelf daarvan in onwetendheid, tot haar de wissel voorgelegd werd.

Verder hadden de afzetters juist deze firma gekozen, omdat zij, of iemand die met hen in relatie stond, precies op de hoogte waren van de omstandigheden van Peter Gregson & Co.

Nadat ik dit met mijzelf eens was, zocht ik de eigenaars der firma op. De zaak bestond eerst sedert drie jaar, en de oudste chef was Peter Gregson, een oude heer van bijna zeventig jaar. Twee zoons en drie neefs van hem waren de andere bezitters. Zij hielden zich hoofdzakelijk met export bezig en hun geheele personeel telde niet meer dan vijftien koppen. Zij hadden relaties met de Union Bank, maar daar men zich in zaken dikwijls bij een bankzaak inlichtingen verschaft, zoo viel het de Union Bank niet bijzonder op, dat er zoo dikwijls naar Gregson & Co. geïnformeerd werd

Hoe stond het echter met de andere, als referent opgegeven firma Wistanley & Co., agentuurzaak? Wat waren dat voor menschen? Zij moesten in Fountainstreet wonen en daarheen begaf ik mij dus. Zooals ik reeds vermoed had, bestond de firma Wistanley & Co. heelemaal niet. Meer dan een jaar geleden had een heer, John Wistanley genaamd, in een gebouw in de Fountainstreet, de kelderverdieping gehuurd.

Deze bestond uit twee groote kelders waarvoor een jaarlijksche huur van 80 pond werd betaald. Mijnheer Wistanley vertelde, dat hij zich zelfstandig wilde vestigen als agent nadat hij verscheidene jaren in een agentuurzaak was werkzaam geweest. Nauwelijks was het huurcontract onderteekend, of hij liet ook reeds een zeer opvallend uithangbord aanbrengen, waarop geschreven stond: Wistanley & Co., agentuurzaak. Ook in het adresboek werd de naam der firma opgenomen, maar geen der buren scheen te weten, welke zaken de firma Wistanley & Co. deed. De firma werd waargenomen door drie kranige jongelieden.

Ik deed nu moeite om eenige klanten of correspondenten van deze firma uit te vinden, wat mij echter niet gelukte.

Tot de heeren Wistanley zelf kon ik mij helaas, niet wenden, daar zij evenals de drie kranige jonge menschen verdwenen waren. Daar de huur tot het einde van het jaar betaald was, zoo had, volgens Engelsche wetten, niemand het recht, binnen te gaan of het uithangbord te verwijderen. Deze omstandigheid versterkte mij in het idee dat er verscheiden handlangers op zeer zaakkundige manier gewerkt hadden. Waarom echter hadden de Wistanley’s zich van den naam Gregson & Co. bediend? En hoe wisten zij dat deze met de Union Bank in relaties stond? Eén antwoord kon men slechts op deze vragen geven, namelijk die, dat iemand, die de intieme, omstandigheden van Gregson & Co. wist, deze aan Wistanley & Co. had medegedeeld.

Nu de goederen! Het was niet moeilijk ze tot in Wistanley’s kelders te volgen. Deze ondernemende firma had zich paard en wagen aangeschaft en als koetsier zekeren Alfred Gamble genomen, iemand die in zijn jeugd bijna niets geleerd had en slechts met moeite zijn naam kon krabbelen. Hij had bijna niets te doen, dan balen en kisten van de verschillende stations af te halen. Hij was al vijf-en-zestig jaar en daarbij zeer dom, reden, waarom zijn chefs hem tot koetsier hadden genomen, want van hem hadden zij niet de vraag te duchten, waarom goederen aan Gregson & Co. geadresseerd, door Wistanley & Co. afgehaald werden.

Toen ik dezen Gamble ontdekte, bemerkte ik uit zijn spreken, dat hij het zeer goed bij zijn chefs had gehad.

Hij had er een salaris van 2 pond per week, maar meestal werden hem nog eenige shillings meer uitbetaald.

Deze vrijgevigheid maakte natuurlijk de bewondering van den heer Alfred Gamble gaande, zoodat wanneer men hem naar zijn chefs gevraagd had, hij met veel lof over hen zou gesproken hebben. In mijn onderhoud met hem bemerkte ik spoedig, dat hij met leedwezen op deze gelukkige tijden terug zag en toen ik in den loop van het gesprek iets zeide, dat naar de meening van den heer Gamble een slecht licht op zijn vroegeren principaal wierp, werd hij boos en riep:

„Zoo iets moogt gij niet zeggen; het was een brave man en menigen shilling heeft hij mij geschonken.”

Het getal der „shillings”, die hij van den heer Wistanley gekregen had, had zulk een diepen indruk bij hem achtergelaten, dat het mij spoedig duidelijk werd, dat dit het eenige was, wat hem in het geheugen was gebleven. Slechts dit kon ik nog uit hem krijgen, dat de goederen, van de stations afgehaald naar den kelder in de Fountainstreet gebracht werden. Verder reikte zijn kennis niet.

Nu kwam de vraag: Wat was er met die goederen gebeurd? Dit was niet gemakkelijk uit te vinden, maar het gelukte mij toch en zoo ontdekte ik, dat door Wistanley & Co. van verschillende spoorstations een groot aantal kleine pakken weggezonden werden en dat deze colli’s dan op enkele uitzonderingen na, werden verzonden aan

Den Heer Eugène Blouet, Parijs, Noorderstation. Restante.

Nu werd het zaakje ingewikkeld en ik vreesde, dat Parijs het monster zijn zou, dat onze hoop op goeden uitslag zou verslinden, zooals het de gestolen goederen verslonden had. En wie was deze mijnheer Blouet? In hem zag ik slechts een hersenschim, d.w.z. het was een verzonnen naam en als deze Blouet niet Wistanley zelf was, dan was hij toch zeker een handlanger van hem, die zich stellig de grootst mogelijke moeite had gegeven, ieder spoor, dat tot zijne ontdekking kon leiden, uit te wisschen.

Toen mijn onderzoekingen zoover waren, wilde ik natuurlijk ook iets naders weten van den ondernemenden heer Wistanley, voor hij Wistanley & Co. werd; ook zou ik gaarne iets te weten gekomen zijn van die drie dappere jongelui.

Het eerste wat ik bewerkte was van de politie verlof te krijgen tot het binnengaan in de door Wistanley & Co. gehuurde localiteiten. De firma was zoo voorzichtig geweest, eenige meubelen achter te laten, die naar mijn schatting niet meer dan twintig pond konden opbrengen. Verder vond ik er nog oud, waardeloos pakmateriaal, een waterkaraf met eenige glazen, een koperen ketel, een heelen stapel briefpapier en rekeningformulieren met den naam der firma. Alle schrijflessenaars waren leeg. Geen brief of kaartje werd gevonden, die tot een spoor van ontdekking had kunnen leiden.