Part 9
Toen voelde hij een onweêrstaanbaren aandrang, om eíndelijk toch eens Lavelane te zien, en hem op te zoeken in de misère, waarin hij moest leven.—Elias, die op alle officiëele grootheden neerzag, maar eene groote bewondering voor Lavelane had, omdat hij zuiver was gebleven en liever eerlijke armoede leed, dan een rijkdom te zoeken als die van Wederich, had hem veel van den uitgestooten dichter verteld.—Lavelane was voor velen een soort legendarische figuur geworden, die beurtelings het leven leidde van een heilige en van een ontaarden wellusteling. Hij was te vinden in de duistere krochten van Leliënstad, omringd door een troepje décadenten, die zich hadden meester gemaakt van het, na Wederich’s vertrek uiteengespatte, tijdschrift „De Lotus”.—Hij leefde met een afzichtelijke negerin, die een demonisch-sensueelen invloed op hem uitoefende, en aan wie hij de prachtigste sonnetten wijdde, waarin hij haar vergeleek met den nacht, die zijn ziel verborgen hield voor het gemeen. In een roes van bijna altijddurende dronkenschap zwijnde hij het leven door in orgieën van het laagste allooi, waarin geen champagne, maar enkel absinth en jenever vloeiden. In plotselinge opflikkeringen van luciditeit schreef hij dan onverwacht, op een hoekje van een vuile tafel, een vers, dat zijn vrienden gauw moesten wegnemen, omdat hij het anders tóch weer zou verscheuren, en dat later klassiek zou worden. Dán was hij weer in eens verdwenen, zonder dat iemand wist waar hij was, en later bleek, dat hij ergens vèr op de heide had gezeten, in een hut, waar hij een bundel sonnetten had geschreven: „Van Eenzaamheid”, in stil verkeer met zijn onsterfelijke ziel.—En daarna dook hij weer onverwacht op in de stad, altijd weer ergens anders, om zijn schuldeischers te ontloopen, zonder vaste woning, zonder adres, overal gevolgd door de afzichtelijke, zwarte vrouw, die als een dreigende schaduw achter hem was.—In den laatsten tijd werd hij veel gezien in de Martelaarssteeg, een zijstraat van een buiten-boulevard, in het „Café Dufour”, een rendez-vous van schooiers en mislukte artiesten.—
Het was al laat, tien uur, maar Paulus kon zijne opwelling niet bedwingen, om nú, vanavond nog, Lavelane te zien. Hij trok zijn rok uit, deed een halfgekleed avondcostuum aan, en nam de electrische tram naar den buiten-boulevard, waar hij naar de Martelaarssteeg ging zoeken. Na veel vragen aan voorbijgangers kwam hij eindelijk terecht. Het was een donkere, armoedige buurt, louche en verdacht, waar de vierde rangs prostitutie rondwoekerde, voor verloopen studenten, en râtés, en verongelukte artiesten. Bijna ieder huis was een hol van ontucht, of een kroeg. Verdacht uitziende kerels liepen voor de deuren heen en weer, kwartjesvinders, of gidsen naar infame gelegenheden, of souteneurs. Agenten liepen hier en daar rond, om vreemde voorbijgangers te waarschuwen. Meiden met poneyhaar, in havelooze kleeren, slenterden lonkend heen en weer.
Paulus vroeg een agent naar het „Café Dufour” en trad, half-bang, schoorvoetend het kroegje binnen, waar hij den dichter zou zien, die zijn onsterfelijke ziel had uitgezongen in onsterfelijke liederen. Een dikke walm van tabaksrook kwam hem tegemoet, en in het eerst kon hij menschen en dingen moeilijk onderscheiden door dat vunzige, blauwe waas.
Aan eenvoudige, wit-geschuurde tafeltjes zaten groepjes mannen en vrouwen bijeen, luidruchtig pratende en zingende. De meeste mannen hadden het haar lang, op de schouders hangende, het hoofd bedekt door een breeden, slappen flambard.
Zijn binnenkomen van net, jong heertje in fijne kleeren, wekte al dadelijk opschudding. Spottende gezichten keken naar hem, grijnzend, een paar meiden knipoogden, en een kerel, die bij de deur zat, nam grinnikend zijn hoed af, en boog tot op den grond.
Een gemeen uitziende kellnerin, met vette, geplakte haren en half-open borst kwam op hem af en vroeg, schijnbaar onderdanig: „wat zal meneer de graaf gebruiken?... Champagne hebben we hier niet!”
Een ruw gelach ging op na deze woorden, en aller blikken waren op hem gericht.
„Geef me een glas bier,” antwoordde hij beleefd, en ging kalm in een hoekje zitten, waar een leege stoel stond. Hij begon nu te begrijpen, dat het verkeerd van hem was geweest, hier in dit costuum van heer te komen, in plaats van zich als een verloopen artiest voor te doen. Hij voelde zich weer klein en nietig in al dat grove, bruyante om hem heen. Al die mannen hier hadden zware stemmen en breede gebaren. Zij hadden groote snorren en baarden, en wilde, roode gezichten. Een hard, scherp gelach klonk uit hen op, en zij zetten hun glazen neer met een woesten slag op de tafel. Hij voelde, dat het enkele feit van zijn hier binnen komen, als wèlgekleed, beschaafd heertje, hun vijandig moest zijn.
Het leken allen zoowat mislukte artiesten, zooals hij er wel eens in illustraties had gezien, en op spotprenten bij Marcelio.
Hij keek aandachtig rond, of hij ergens iemand zien zou, die Lavelane kon zijn, maar geen der gezichten, die hij een voor een bekeek, leek hem toe, dat van den grooten dichter te kunnen zijn.
„O hé, meneer de graaf!” riep er een, spottend, „waar kijk je toch zoo naar, mooie meneer?.... zoek je hier wat?... je bent zeker verkeerd... wat kom je hier eigenlijk doen, monsieur le capitaliste?...”
Maar Paulus liet zich niet overweldigen door de harde stem, die hem dat toeschreeuwde.
„—Dat wil ik u wel zeggen, wat ik hier kom doen,” antwoordde hij kalm. „Ik kom hier enkel, omdat ze mij verteld hebben, dat ik hier Lavelane kon zien, den grootsten dichter van Leliënstad, en ik zou gelukkig zijn, als ik hem de hand mocht drukken.”
Een stomme verbazing kwam over de grove gezichten van de mannen, die aan het tafeltje zaten, vanwaar de spottende stem was gekomen. Een jonge, bleek uitziende kerel, mager, eenigszins beschonken, stond op, en kwam op hem toe. Zijn gezicht was vol harde trekken, woest van hartstocht en wellust, maar met een prachtigen mond, als van een Griekschen god, en een nobel, hoog voorhoofd.
„—En wie bén jij dan wel?” vroeg hij uitdagend, „dat jij het wagen durft, zoo’n groote gunst te komen vragen? Het zijn gewoonlijk niet de mooie meneeren met fijne manieren en elegante mode-pakjes aan, die ooit de eer hebben, de hand te drukken van onzen godbegenadigden dichter.”
„—Dat doet er weinig toe, wie ik ben,” antwoordde Paulus, zijn best doende om rustig te blijven. „Ik heb Lavelane’s verzen gelezen, en ik houd van hem en vereer hem. Dat moet genoeg zijn.”
Juist wilde het bleeke jongemensch nog wat zeggen, toen de deur openging, en van het tafeltje, van waar hij gekomen was, de kreet opging: „De Meester!... de Meester!”
En Paulus zag een groote, zware gestalte, ietwat waggelend, gebogen van zwakte, met een rood, dreigend titanen-hoofd, wild-zinnelijk, waaruit twee zachte, licht-blauwe heiligen-oogen vreemd voor zich uitstaarden, als in vage verten. Het was een sensatie, die hij zijn geheele leven niet meer zou vergeten, die angelieke oogen, vreemd en bijzonder, in dat roode, sensueele gezicht. En hij voelde het dadelijk, bij intuïtie: dit moest Lavelane zijn.
Een groote, zware, woest uitziende meid stoof uit een hoek op hem af, en vloog hem om den hals, hem ruw zoenend, dat het klapte, en een gejuich steeg op van het tafeltje. Zóó werd de groote dichter ontvangen door het troepje râtés en bohémiens, die hem huldigden als hun Meester, waar de officiëele machthebbers van de literatuur hem hadden uitgestooten als een paria. En Paulus dacht ineens aan Wederich, vroeger Lavelane’s vriend in de misère, nú deftig, gedecoreerd, tusschen het officiëele poenendom in rok en witte das.
Dadelijk werd een groot glas absinth voor den dichter aangebracht, dat hij met gretige teugen ledigde en onmiddellijk daarop werd hem een nieuw, boordevol glas toegereikt. Het bleeke jongemensch was van Paulus weggeloopen en had Lavelane’s jas en hoed aangenomen. Een stoel was vrijgehouden en een pijp met een zak tabak lag op de plaats van den meester gereed. Zonder te spreken was Lavelane gaan zitten, had nog even van zijn tweede glas gedronken, en was toen zijn pijp gaan stoppen, zwijgend voor zich uitstarend. Dikke rimpels plooiden onheilspellend zijn voorhoofd en gaven het een woeste, grimmige uitdrukking. De limpide, blauwe oogen, teêr als een lentelucht in April, schenen verwonderd, en staarden met een kinderlijke onschuld in het rond, alsof zij van niets wisten, en ook niets van de omgeving zagen, maar enkel hun eigen droom.
Zijn al grijzende haren leken ongekamd en verwilderd, en hingen slordig over zijn schouders, armoedig, verwaarloosd. Hij had een oud, zwart jasje aan, vol vlekken, en een verfrommeld, liggend boordje, zonder das, waaronder een stukje vuil overhemd uitkwam. Zijn broek was afgetrapt en uitgerafeld, zijn modderige schoenen waren kapot. Zijn geheele voorkomen was tot het uiterste shabby en verloopen, van iemand aan lager wal, die geen liefderijke zorg kent van vrouwenhand, en niet eens meer poogt, er ooit weer bovenop te komen.
Paulus voelde een groot medelijden in zich opschreien, maar tegelijkertijd bedacht hij met vreugde, dat die ongelukkige dichter in die misère toch beter af was, dan Wederich, die het heiligste had verloochend, om wat rijkdom en wat roem en wat eer. En die schooierachtige kerels om hem heen, décadenten en râtés als zij waren, leken hem, juist om hun armoede, toch in elk geval sympathieker, dan de deftige, officiëele professoren en doctoren van de letterkunde en de wetenschap, die het mooie en edele beoefenden als een vak, en zoo koud-geleerd, zonder emotie, konden spreken over kunst. Zij gáven zich tenminste zooals zij waren, en hun vloeken en gemeene woorden kwetsten hem niet zoo zeer, als de verfijnde, quasi-geestige obsceniteiten, die hij had gehoord van de deftige oude heeren in rok en witte das.
Het was een ruw taaltje dat zij spraken, dat hoorde hij wel. Om het andere woord klonk een vloek, of een grof brok jargon. Maar hun gebaren, wild als zij waren, leken hem eerlijk, en hun gezichten stonden oprecht, zonder achterhouding en veinzerij.
In ’t eerst sloeg het troepje geen acht meer op Paulus, en kon hij, vanuit zijn hoekje, Lavelane rustig gadeslaan. Maar later kreeg het bleeke jongemensch, met het prachtige voorhoofd, hem weer in het oog, en Paulus zag dat hij Lavelane op hem opmerkzaam maakte. De dichter scheen er zich niets van aan te trekken, dat er iemand hier was gekomen alléén om hèm te zien. Hij haalde verachtelijk de schouders op, toen het jongemensch was uitgepraat, en gaf zich niet eens de moeite om even naar hem te kijken.
Toen kwam de bleeke jongeling weer naar Paulus toe en zeide ruw: „je kunt gerust weer uitsnijen, mannetje, je hebt géén kans, hoor! Maar wie bèn je toch, hoe héét je? Of wil je dat niet zeggen?”
„—Ik heet Paulus.”
„Wat?” riep de ander verrast. „Toch niet Paulus, van dat sprookje: „De Prins en de Fee?””
„—Dezelfde. En wat zoú dat?”
„—Neen maar, díe is goed,” barstte de bleeke uit, en greep hem bij den arm. „Paulus! Een arriviste! Het protégétje van „Het Morgenrood”, en zelfs van de kroonprinses, zeggen ze. En die híer in ons midden, om Lavelane te zien. Maar dat is een unicum. Ik moet je vertóónen, kerel!”
En vóór Paulus er op verdacht was, had hij hem van zijn stoel gesleurd en medegetrokken naar het tafeltje, waar zijn vrienden zaten.
„Mijne heeren!” schreeuwde hij. „Mag ik jelui voorstellen: de heer Paulus,... de dichter van het beroemde sprookje: „De Prins en de Fee”.... de protégé van „Het Morgenrood”.... hoera!.... en van Haar Koninklijke Hoogheid, enzoovoorts!.... verzeild geraakt bij óns, décadenten, bij ons, proleten en paria’s.... Lavelane!.... Meester!... wat zullen we met hem doen?....”
Maar tot hun uiterste verbazing stond Lavelane opeens van zijn stoel op en gaf Paulus vriendelijk de hand.
„—Ben jíj Paulus?” vroeg hij.... „zoo, zoo.... ik heb toevallig je sprookje gelezen.... ik léés anders niet veel.... dat was goed, beste jongen, dat was goed.... kom gerust hier bij me zitten, vent.... zóó, hier naast me maar....”
Al de anderen zwegen nu eerbiedig, en de spot was op aller gelaat verdwenen. Van het oogenblik af, dat Lavelane hem de hand had gedrukt, was Paulus een vriend voor hen geworden. Een handdruk van Lavelane was iets dat met geen goud was te koopen, en gaf grooter eer dan de hoogste ridderorde.
„—Zóó, beste jongen,” zei Lavelane nog, „kom je mij hier eens opzoeken?.... dat is aardig van je, heel aardig, hoor!.... maar weet je wel, wat je doet?... je bent toch immers een protégé van „Het Morgenrood”?.... als die luitjes het te weten komen, heb je het bij hen verbruid!”
Paulus zag hem vol liefde aan. O! dat grimmige, woeste, áfgeleden gezicht! Wat een smartelijke, diepe trekken! Wat moest daar een ellende overheen zijn gegaan!.... Maar de oogen, teeder blauw, als van een onschuldig maagdelijn Gods, weerspiegelden zijn reine, vlekkelooze ziel. Het was hem, of hij in de lichte hemelen zag.
„O! zeg dat niet!” riep hij, hartstochtelijk. „Wat kunnen mij die mannen schelen van „Het Morgenrood,” en heel de officiëele bende, nu ik in úwe oogen heb mogen zien?.... denk toch niet klein van mij.... ik ben nu vrij, héélemaal vrij!.... ze hadden mij gevraagd, die menschen, doctoren, en professoren... om een groote, rijke tafel zaten zij, in rok en witte das, als beursmannen en bankiers.... en naast mij zat Wederich, die zijn ziel heeft verkocht, met een lorrig lintje in zijn knoopsgat.... o! ik zat daar maar heel klein en heel nietig, tusschen al die groote heeren.... totdat ze het waagden, úwen naam te noemen, Lavelane, en ze durfden spotten en hoonen mijn liefsten, grootsten dichter van het land, en toen...”
„—En toen?....” riepen allen om het tafeltje, in groote spanning....
„—En toen.... toen ben ik opgestaan.... ik kón niet meer.... ik zou krankzinnig zijn geworden.... toen heb ik het hun gezegd, wat ze waard waren, de hééle bende.... en dat ik me scháámde met hen aan te zitten.... en ik ben weggegaan, om mij niet langer te besmetten....”
Een luid gejubel barstte los.
De bleeke, jonge man omhelsde hem geestdriftig, als een broeder.
„Heb je dát gedaan, kerel, heb je dát gedaan?” juichte hij, „dan ben je mijn vriend, hoor! mijn vriend!”
„—Én de mijne,” riepen de anderen, en hij voelde handen, die warm de zijne drukten, en hoorde het zoete woord „vriend” uit veler monden. Hij schrikte van de geestdrift, die hij had opgewekt, en zijn hand deed pijn van de forsche drukken.
Lavelane scheen verder niet eens meer alles te hebben gehoord. Na éven te zijn opgewaakt uit zijn gepeins, was hij weer in zijn soezerigen roes verzonken, en zat zwijgend aan zijn pijp te trekken. De blauwe oogen staarden vaag in de verte....
Paulus zat nu met de anderen aan, één met hen door zijne vereering voor Lavelane, maar vèr van hen af door wat zij spraken en deden. Zij dronken glas na glas met bier, of grog, of absinth, zij rookten cigaretten en sigaren, en maakten grove scherts met de kellnerinnen, die hen bedienden. Zij praatten in een ietwat ploertig jargon, vol vloeken en gemeene woorden. Hun stemmen waren ruw en heesch van ’t drinken en ’t rooken. Zij hadden het over allerlei dingen van literatuur en kunst, waar hij nooit van gelezen had, noemden namen van zoogenaamd onsterfelijke dichters en schilders, die hij zich niet herinnerde ooit te hebben gehoord, en reciteerden nu en dan een vers, door allen toegejuicht, waar hij absoluut niets van begreep. Hij raadde in hen het opgeschroefde, het verwrongene, het wanhopige pogen, om toch maar iets te wezen dat vóór alles niet gewoon was en den eenvoudigen bourgeois kon verbazen. Één ding alleen leek hem echt in hen: hun liefde voor Lavelane. Hij voelde het afschuwelijke er van, dat een zoo groot dichter als hij tot éénige vereerders moest hebben dit luidruchtige, artistiekerige troepje décadenten, en dat hij dit bohémien-leven moest leiden van kroegloopen, zonder home en zonder liefde. Maar als hij dan even in die wondere, blauwe oogen zag, zoo teeder en zoo klaar, voelde hij zich weer gerust, en wist hij dat de ziel, die zich daarin weerspiegelde, tóch altijd behouden zou blijven, veilig in eigen, vlekkelooze sfeer. Hij zag het grimmige titanen-gezicht al rooder en rooder worden onder het vele drinken, en de magere handen beefden zenuwachtig, als zij het glas opnamen. Maar de hemel-blauwe oogen waakten rustig, als stille sterren....
Toen dacht Paulus aan de sublieme verzen van liefde, die de ziel van dezen mensch gezongen had, en van de ontzaglijke smart, toen de Liefste hem verlaten had, en hij eenzaam was achtergebleven met al de schoonheid, die hij háár had willen wijden. Na dat wreede verraad aan zijn ziel door zijn Lief, was Lavelane, te zwak om dat leed mooi te dragen, voor goed verloren geraakt in een leven van drank en ontucht, waarin hij vergetelheid had gezocht.
Paulus hoorde een vers in zich opklinken uit Lavelane’s eersten tijd, en toen hij dat roode gelaat zag, dacht hij: „is er dít nu van hem geworden?” Maar toch voelde hij, dat die dronken, verloopen dichter beter af was dan Wederich, die het heiligste had verzaakt. En in dat afgetobde, uitgesjouwde lichaam leefde de ziel onaangetast, en uitte zich nog somtijds met haar diepste innigheid in een zwaar-geëmotioneerd vers.
Naarmate het later werd, begon het gezelschap meer opgewonden te worden. De glazen jenever-grog werden boordevol geschonken en met groote teugen geledigd. Lavelane dronk enkel absinth, zonder water. De gezichten werden rooder, de gesprekken werden onsamenhangend, vol vloeken en vuile woorden. Paulus wist nog Lavelane’s adres te krijgen, en voelde dat het nu tijd was om heen te gaan. Hij trachtte beleefd afscheid te nemen.
Het bleeke jongemensch, dat een aankomend schilder bleek te zijn, wilde hem tegenhouden.
„Blijf nu toch, kerel,... straks... hik... gaan we naar de meiden...” stotterde hij.
Maar Paulus wist te ontkomen, en probeerde alleen nog even Lavelane de hand te drukken. Maar de dichter was al te veel onder den indruk van de absinth.
„Wie... ben... jij?...” vroeg hij, hard.
De tranen welden in Paulus op. Maar toen hij in de klare, lichtblauwe oogen van Lavelane zag, voelde hij zich weer gerust. Het was hem, of díe hem nog wel kenden. Veilig en ongerept zag hij er de reine, groote ziel in weerspiegeld, die met dat klagelijke lichaam moest leven...
En rustig, zonder bezorgdheid, liep hij het armzalige cafétje uit.
HOOFDSTUK IX.
Al den tijd, dat hij bezig was aan zijn werk, had Paulus getracht zoo weinig mogelijk te denken aan prinses Leliane. Hij voelde wel, àls hij zich met zijne gedachten aan háár overgaf, dat de pijn zijn ziel zóó zou aandoen, dat hij het mooie van vroeger niet zuiver meer zou kunnen uitzeggen. Met al de concentratie van zijn wilskracht had hij zich verplaatst in zijn ziele-leven van vóór den tijd, dat hij de witte maagd gevonden had, slapende in het mos onder de droomende boomen. Nú was hij weer begonnen met al zijn verzen nog eens na te zien, die hij indertijd, in een klein bundeltje gepakt, met een paar andere souvenirs, uit het Bosch had medegenomen. Toen hij ze na zoo langen tijd weêr terugzag, verwonderde hij er zich over, dat ze zoo goed waren. Vroeger had hij er nooit bij gedacht of ze mooi waren of niet, hij had ze zoo maar neergeschreven, bijna onbewust eigenlijk, omdat hij nu eenmaal niet anders kón, zóó sterk was de drang tot uiten, en nooit was het idee bij hem opgekomen, dat anderen dan hij ze ééns zouden lezen. Maar nu hij zelf veel óver verzen gelezen had, en zoowat in de literatuur was gekomen, wist hij zich ook rekenschap te geven waaròm en hoé iets mooi was, en nu voelde hij, dat die verzen van vroeger, uit zijn eenzaamheid, werkelijk kunst waren. Met liefde schreef hij ze alle over, veranderde hier en daar nog iets, voelde een nieuw vers in zich opklinken, dat hij er bij voegde. Hij wilde ze nu in één bundel verzamelen, en de uitgever van „De Prins en de Fee” was dadelijk bereid ze aan te nemen nog vóór hij ze gelezen had, enkel omdat de naam Paulus nu eenmaal gemaakt was. Maar eerst wilde hij ze aan Lavelane geven voor zijn tijdschrift. „De Lotus” was in de laatste jaren sterk achteruitgegaan, en had de grootste helft van haar abonnés verloren, sinds Wederich en Wartenau en anderen uit de redactie waren getreden. Lavelane alleen was overgebleven met een troepje décadenten. Wie nú in „De Lotus” schreef was door dat enkele feit zelf al een râté, een mislukte, die altijd een derde rangs artist zou blijven, en door de officiëele literatuur genegeerd zou worden. Maar juist dáárom vond Paulus het nu heerlijk, zijn verzen in datzelfde tijdschrift te publiceeren. Hij wist dat het Lavelane goed zou doen, en hij was er trotsch op nu met de verdrukten en de verongelukten samen te werken. Heimelijk verlangde hij ook naar smaad en geringschatting van de arrivisten, met de schaamte over hún lof en hún toejuichingen zwaar over zijn ziel.
Het was hem, of hun haat en verbittering hem weer wat reiner zouden maken en, in plaats van een hooge onverschilligheid, voelde hij een onzuivere behoefte aan spot en hoon. Lavelane nam de verzen dadelijk aan, en schreef hem een warmen, vriendelijken brief er over, dien hij voortaan dag en nacht bij zich droeg, trotsch op de waardeering van zijn idealen dichter.
Hij las nu óók het artikel tegen Lavelane in „De Zon,” van professor Lucianus, dat Elias hem gesignaleerd had, en, bevend van verontwaardiging, schreef hij er een antwoord op, waarin hij de prachtige verzen verdedigde tegen de perfide, alles uit zijn verband rukkende uitpluizingen van den geleerden, maar voor poëzie onontvankelijken professor. Hij onderteekende het met zijn naam: Paulus, en zond het dadelijk aan „De Zon.”
Daarna, verlucht door deze daad, begon hij weer met stille aandacht aan het nazien van zijn verzen.
Maar midden onder het corrigeeren van de drukproeven, toen hij even, moê van het staren op al de aparte lettertjes van de copie, een courant had opgenomen, kwam onverwacht eene ontzetting over hem. Dáár stond het, als iets heel gewoons, iets heuglijks zelfs, waar de wereld verrukt over moest wezen. Over veertien dagen zou prinses Leliane in Leliënstad haar intocht doen, als de verloofde van prins Sergius Alexandrowitsch van Moscovië. De geheele stad zou luisterrijk feestvieren, en met bijzondere pracht zou Leliënstad zich tooien om het hooge paar op een waardige wijze te ontvangen.
En opééns stond het verschrikkelijke feit van ontwijding en bevlekking weer in al zijn afschuw voor zijn ziel. Als in een vreeselijk visioen zag hij het roode, brute gezicht van den Moscoviër vóór zich, grimmig en ruig in den zwaren, zwarten baard, met den grooten, breeden mond, als de gretige muil van een bloedgierig monster. Het was als het Beest uit de sprookjes, donker, ontzaglijk, vol haar, met bloed-beloopen oogen en lust-lekkenden tong. En dáárnaast, lelie-blank, teêr als maneglans en rein roze van dageraad, het fijne maagd-gezichtje van de prinses, liefelijk en licht naast het dreigende, donkere van het Beest.—En Paulus voelde een rilling over zijn lichaam gaan, en duistere schaduwen zich over zijn ziel uitspreiden. O! Daar kwam het weer, daar kwam het weêr, wat hij zoo lang had teruggedrongen, achter in zijn binnenste. De huivering van dit vreeselijke visioen rilde vèr in hem door, over alle stille, rustige dingen van droom, en angstig bewogen ze in hem, als bloemen waar een kille nachtwind over gaat. Zijn ziel beefde en werd van onrust vervuld....