Part 10
En nu begon een zware, droeve tijd voor Paulus. Heel Leliënstad maakte zich op, om de verloving van de prinses te vieren. Overal verrezen eerepoorten en versieringen, en de huizen werden omhangen met groen en bloemen.—Iederen dag vorderde het groote werk en duizenden werklieden waren bezig, de triomf alleeën mooi te maken, waar het koninklijke paar zou dóórtrekken. Het leek of een groot geluk de wereld had verlicht, of alle ellende voorbij was en een wonderbare liefde over alle menschen en dingen was gekomen, en of nu dit heuglijke feit moest worden gevierd met lauweren en festijnen en bloemen. De couranten stonden vol artikelen over het aanstaande huwelijk, over de voorbeeldige verbintenis van de prinses met een telg van het Moscovische vorstenhuis, het machtigste der aarde, waardoor Leliënland werd versterkt in het Europeesche statenverbond. Officiëel erkende dichters waagden het van hooge, reine liefde te zingen, alsof dit door de politiek geregelde huwelijk gelijk stond met een ideale liefde van Dante en Petrarca.—Wederich had er een serie sonnetten over in het nieuwe nummer van „Het Morgenrood,” en Jacob Duval wijdde er een lang, geleerd artikel aan over de stamboomen van beide vorstenhuizen. Comité’s werden opgericht in alle buurten, en in de armste wijken werd nog voldoende geld opgezameld, om de ellende daar met wat groen en bloemen te bedekken. Zelfs in „de Sloppen der Verlorenen,” werd er voor gewerkt. Duizenden en duizenden, waar onberekenbaar veel misère en onrecht meê verzacht had kunnen worden, werden nu verspild aan eerebogen en vlaggen en bloemversieringen, om te vieren het aanstaande huwelijk van de Schoonheid en het Beest. En nu bleek ook aan Paulus, hoeveel waarheid er was in Marcelio’s woorden over het volk. Het volk, het verdrukte, het vertrapte, nu het er op aankwam om feest te vieren, nu men het wat koningsglorie had voorgeschitterd, en wat vóórgespiegeld van parades en vuurwerken en illuminatie, nú sjouwde het zelf ’t hardst mede, om den machthebbers genoegen te doen, en was het al het onrecht en de ellende vergeten.
Wèl probeerden de sociaal-democraten de razernij te bedwingen, en verspreidden zij pamfletten en spotprenten in de straten, maar de dolle verblinding van het volk was door niets te stuiten, en het liet zich aanzien, dat de domme drommen van honderdduizenden het intrekkende paar al brullende en schreeuwende van geestdrift, dronken van opwinding en bier en jenever, zouden ontvangen. Het was Paulus onmogelijk, in die dagen te werken. Koortsig, met brandend hoofd en kloppende slapen liep hij door de stad, in stomme ontzetting het aanziende, hoe overal bloemen en groen werden aangebracht, om dat verschrikkelijke feit te huldigen van de ontwijding der blanke Maagd door het ruige Beest. In de koortshitte van zijn overspannen zenuwen kreeg de geweldige drukte van het feest-versieren in de stad iets helsch-geweldigs voor hem, iets als de triomf van het Kwade, dat de zonde huldigt en zich demonisch verheugt in den ondergang van het reine.—Nu zág hij het, en ’t was onverbiddelijk, het Kwade zegevierde, en het Beest was overwinnaar, het zou het blanke, bloode offerlam nemen in zijn vinnige klauwen en drinken van haar melk en bloed. En om dit duivelsche festijn te vieren, waren de menschen uitgekomen, en zij hadden bloemen en lauweren gehaald, en zij hadden triomfpoorten opgericht, en zij zouden doen schetteren klaroenen en trompetten, want het zachte en teêre en blanke van de Maagd móest ondergaan in de besmetting van het ruige en roode en bloedgierige van het Beest.
Vooral ’s avonds, als de arbeiders werkten aan de bloemen-bogen, in het licht van fakkels, dat hen overstroomde met een gloed van bloed, kreeg het tooneel een helsch aspect voor hem, en angstig stond hij te staren naar dat demonische gedoe.
Dagen en dagen duurde de zenuwachtige spanning voor Paulus. Nu zou het komen, nu zou het komen...
Toen Marcelio hem in Monte-Regina de ontzettende tijding vertelde, was de verschrikking niet zoo reëel voor hem geweest, als zij nú werd. Want nú zou het in al zijn afschuw met de oogen zijn te aanschouwen: het ruige Beest naast de lelieblanke Schoonheid, en dit als door een duivelsche verdoeming vereenigde paar zou zijn intocht houden door het groen en de bloemen, onder de jubelkreten van het geheele volk.
Eindelijk was de dag van den intocht aangebroken. Paulus had zich voorgenomen, den geheelen dag thuis te blijven, om niets van de gruwelijke feestviering te zien, maar een onweerstaanbare drang, om het tóch aan te zien en zich zelf pijn te doen, dreef hem naar buiten. Het was twaalf uur, toen hij op den Leliën-Boulevard kwam, en daar vanzelf moest blijven stilstaan, omdat het verkeer door de ontzaglijke menigte was gestremd. Duizenden en duizenden waren uitgetogen, om het koninklijk paar te zien voorbijgaan. De vensters van de huizen waren vol opeengedrongen menschen, en op de daken was het zwart van de toeschouwers. Paulus was nog nooit in zoo’n dichte menschenmassa geweest, en toen hij opeens zag, dat hij noch vooruit, noch achteruit meer kon, voelde hij een angstige beklemming. Het was of hij stikken zou. Een weeë, muffe menschenlucht kwam in zijn neusgaten. Het was een lucht als van beesten, vermengd met stinkenden tabaksgeur en bedorven odeuren, en reuk van opgedroogd zweet. Hij voelde zich onpasselijk worden. In ’t eerst trachtte hij nog weg te komen, een zijstraat in, maar de zwarte menschendrom nam hem willoos mee, tot hij tot stilstand kwam op den linkerzijweg van den Leliën-Boulevard, onder de boomen.
Dicht op elkaar geperst stond de dikke klomp menschen daar vast, schouder aan schouder, als een troep op elkaar gejaagd vee. Woest, op wilde paarden, de blinkende sabel in de vuist, renden dragonders in vliegenden galop heen en weder, om den weg vrij te houden, zooals groote honden dreigend langs een kudde schapen gaan. Uit een zijstraat kwam opeens een troep menschen opdringen, waardoor een deel der vóór-staanden van de stoep af werd geduwd, op den weg. Dadelijk kwamen een paar dragonders aangehold, die hun paarden lieten steigeren en er onbarmhartig met de sabels op lossloegen. Vrouwen gilden, kinderen raakten onder de hoeven der paarden. Maar bruut bleven de dragonders doorranselen tot de weg weer vrij was. En Paulus moest opeens denken aan Marcelio’s gezegde, toen hij het volk vergeleek met vee. Ja, wèl had het toch iets van vee. Éen machtige élan van die duizenden, en de paar dragondertjes zouden vermorzeld liggen. Maar nú lieten zij zich onbarmhartig ranselen en trappen, als een troep honden, door de huurlingen van haar, die zij straks zouden toejubelen uit al de macht hunner longen. Al die duizenden, die honderdduizenden, waarvan het meerendeel leefde in kommer en gebrek, zij waren hier samengestroomd, als muggen, om wat schittering van glans, en stonden daar nu, bête en dom, in dichte klompen saamgehouden door agenten en dragonders, om te juichen over de overheersching van de Schoonheid door het ruige Monster. En om hun beestachtig enthousiasme te beteugelen, diende bruut geweld van krijgsvolk.
Paulus vreesde, dat hij bezwijmen zou. Hij zag afschuwelijke, roode gezichten vlak bij zich, voelde gore ademen in zijn hals, en rook de walgelijke lucht van vuil ondergoed en ongewasschen lichamen. Nooit had hij de menschen zóó leelijk gezien.
Angstig staarde hij in ’t rond, als om uitkomst te zoeken. En daar, vèr in ’t hooge, waar de Boulevard ópliep naar boven, zag hij opeens het fijne wonder van de Cathedraal, recht oprijzend boven de droeve, donkere menschen-drommen, met haar kanten pracht, als bevend van innigheid in de lucht. Hij zag de grijze heiligen in de nissen, met hun tot gebed geheven handen, en de wenkende engelen, wieken-gespreid tot hemel-vlucht.
De Cathedraal!... Dáár welfde zij zich statiglijk, met haar droomend cantille-werk en haar biddende bogen boven de reliquie van het allerreinste, van de zeven bladen van de witte-waterlelie, waar het vlekkelooze geslacht van Leliane uit was ontsproten.
En ach! De droeve ontwijding, die thans stond te gebeuren, en die de witte leliën-maagd besmetten zou... Kón dit dan bestaan?... of zou op het laatste oogenblik nog een wonder gebeuren, dat haar reinheid redden zou?... Angstig staarde Paulus omhoog naar de Cathedraal, en wachtte...
Daar vielen opeens zwaar-galmende slagen van de beide torens naar beneden, en plechtig begonnen de zware, bronzen klokken te luiden. In de verte bulderde een kanonschot. Toen nog een. En nog een. Prinses Leliane was aangekomen.
Nog een half uur stond Paulus in pijnlijke spanning tusschen den menschendrom geplakt. De klokken luidden en luidden. De kanonnen bulderden over de stad. Toen loeide opeens in de verte een lawaai aan, als van een brullende zee.—Duizenden keelen juilden en schreeuwden luide hoera’s.... Grof en bruut daverde het aan, al dichter en dichter bij.—De dragonders drongen met hun achteruitsteigerende paarden het volk nog meer terug. Paulus zag de groote monden in de roode gezichten òm hem zich wijd opensperren, en hoorde een afschuwelijk gehuil, dat gejuich moest wezen. Alles schreeuwde en brulde en krijschte door elkaar. Hoeden vlogen in de lucht, zakdoeken wuifden.
Toen verscheen eerst een troep blinkende kurassiers, schitterend van goud en zilver. Het leken wel ridders uit de oude tijden in hun licht-stralende kurassen.—Daarachter een paar rijtuigen, gala-koetsen, met hooge bokken, en koetsiers in blauw en goud, met driekanten steek.
En toen, feeëriek, als een apotheose, de acht smettelooze, sneeuwwitte paarden van de koninklijke koets, plechtig ja-knikkend met hun fier-gepluimde koppen, de fijne pooten voorzichtig neerzettend, als waren zij bang, den droom te breken. Zij trokken een fijne glazen karos, licht, op hooge wielen, rijk met goud en ivoor versierd, die geruischloos voortgleed, als zonder materie, in de sfeer van het sprookje. Het leek alles onreëel, visionnair, als in het Märchen van lang, lang geleden, die schitterende wagen, daar zoo langzaam, geluidloos voortzwevend, getrokken door die acht, verblindend witte rossen, met de roze neusgaten, en vurige, roode oogen.
Toen zag Paulus in die glazen koets, teêr en droome-rein, in een wolk van fijne kanten gehuld, de wondere verschijning van de prinses, liefelijk als de Fee uit het sprookje, met haar zachtblauwe oogen, waarin de droom lag van de hooge hemelen.—
Maar.... o gruwel!.... vlak daarnaast.... dat andere gezicht, zwaar-gebaard, ruig en rood, het Monster, dat de tooverprinses heeft geroofd.... hoog en donker náást haar, geweldig en onoverwinnelijk van brute kracht.... als een echte barbaar, in den dos van zijn zwarten, langen baard, en met bloedbeloopen oogen....
Paulus voelde zich wankelen, en alles begon te draaien om hem heen. Nog éven zag hij Marcelio in zijn roode huzaren-uniform te paard naast het portier, nog éven hoorde hij gejoel en gehuil.
En dan verloor hij het bewustzijn....
Toen hij weer bijkwam, lag hij op een bank. Hij voelde, dat zijn hoofd was natgemaakt. Een paar agenten stonden om hem heen.—De Boulevard was leeg.
„Hij komt al weer bij!” hoorde hij zeggen. „Het was maar een flauwte.... van het dringen zeker....”
En dadelijk kwam hij weer tot zich zelven. O ja! Die koets daarstraks, en dat roode, grimmige gezicht met dien baard!.... Hoe was hij geschrokken!.... Toen was hij zeker flauw gevallen. Gelukkig, dat al die menschen nu weg waren, achter den stoet aangeloopen, toen hij voorbij was. Nu kon hij rustig verder gaan. Hij bedankte de agenten en verzekerde hun, dat hij nu weer beter was. Hij zou nu zelf den weg naar huis wel vinden. En schijnbaar kalm liep hij door. Maar waarheen?.... Daar zag hij vóór zich de Cathedraal! O ja! De Cathedraal! Daar zou hij rust vinden voor zijn moede ziel. En haastig liep hij den Boulevard op, waar hij aan het einde de torenen zag opgaan van de Kerk der heilige Leliane.
Toen de zware deuren achter hem dicht vielen, en hij zich heel alleen voelde, onder de hooge gewelven van de Cathedraal, viel hij schreiend in een bidstoeltje op de knieën.—Zijn luid snikken weerklonk door de plechtige stilte van de gewelven.
Er was op dat uur niemand in de Cathedraal. Het licht droomde zacht door de hooge, beschilderde vensters, en alles lag in een ernstigen, gouden schemer. De marmeren en albasten zuilen rezen statig omhoog, en aan de wanden glansden vergulde beelden van heiligen. Hier en daar, wèg in het halfdonker van een nis, brandden stil een paar heilige kaarsen. Een groot kruisbeeld van goud, aan onzichtbare draden opgehangen, zweefde blinkend in de lucht. Op den achtergrond schitterde mysterieus het goud van het altaar, met een vreemden gloed. Daarachter, hier en daar, stond een eenzaam, rood lichtje te branden, apart en bijzonder.
En Paulus wist, dáár, ginds, naast het altaar, was de crypte, waarin bewaard werd de reliquie van de heilige Leliane.
Heel klein, heel nietig, een arm, eenzaam schepseltje, lag hij daar neergeknield, onder de hooge, golvende bogen van de Cathedraal, verloren in de ontzaglijke ruimte van wijde gewelven, waar vèr boven zijn hoofd het dak omhoog droomde in allerfijnste pracht van kanten cantille-werk. Overal in ’t rond zagen witte heiligen en engelen op hem neer, roerloos, onbewogen, verzonken in eigen, innerlijk gebed.
„—O God! o! mijn God!” snikte hij, en hij wist niet eens, wien hij eigenlijk aanriep, in het uiterste van zijn nood, hij, die alléén God had gevoeld in de stilte van het Bosch. „En gij! o! heilige Leliane, redt haar! o! redt haar van het Beest... bij al de vlekkeloosheid van deze gewijde bidplaats, bij al de gevouwen handen van de engelen, bij al de gebeden van de heiligen, o! redt prinses Leliane van het Monster, dat haar bedreigt... want dit kán toch niet, mijn God, dit kán toch niet, het witte, het smetteloos blanke van de Lelie en het ruige, het zwarte en roode van het Beest... dit kán toch niet gebeuren, en deze kuische Cathedraal, zij zou toch niet zóó roerloos blijven staan in al haar wondere heiligheid, de Cathedraal van de heilige Leliane, die oprees uit de witte waterlelie door het Licht van de Zon, als háár kind, de éénige afstammelinge van haar gebenedijd geslacht, zou worden ontwijd door de aanraking van het afschuwelijke Beest.—O! heilige Leliane, o! heilige Leliane, red haar!... ik sméék het u met het heiligste van mijn ziel, en héél graag wil ík sterven, den gruwelijksten marteldood,... als het háár maar kan redden van de besmetting door het Monster!...”
Maar geen antwoord kwam, uit de goud-licht schemerende ruimte, op zijn gebed. Rustig stonden de rechte corinthische zuilen, roerloos en onbewogen, en de stilte, die zwaar uit de hooge gewelven neerhing, bleef geheimzinnig zwijgen. De heiligen en engelen baden door, en wisten niet van zijn smart. Eenzaam flikkerden de droeve, roode lichtjes om het altaar. En op het kolossale kruisbeeld, hoog in de lucht, hing de bleek-ivoren Christus te sterven, bloedig en klagelijk, voor der wereld zonden, en achtte niet dit ééne, eenzame leed...
Zóó lag Paulus nog lang te snikken in de uiterste wanhoop van zijn ziel, eenzaam en onverhoord in de groote Cathedraal.
De stem van een koster deed hem opschrikken. Hij moest nu weg, zeide de oude man, de kerk moest worden gesloten. Een week lang zouden de poorten dicht moeten blijven, want het versieringswerk zou beginnen voor de groote ceremonie over een week, als de prinses de reliquie zou komen kussen van de heilige Leliane, vóór er iets kon worden vastgesteld voor het huwelijk.
„Heb je zoo’n verdriet, mijn jongen?” zeide de grijsaard, „en dat op zoo’n heuglijken dag?... Kom, ga wat naar buiten, alles viert vandaag feest, en probeer je wat te verzetten... hier kan je nu heusch niet blijven....”
Met zachten dwang geleidde hij Paulus de Cathedraal uit. Toen vielen de prachtige, ijzeren poortdeuren zwaar achter hem dicht, en Paulus stond weer alleen op den Boulevard. Er was niets veranderd. De hooge huizen stonden onbewogen. Lustig wapperden de groote vlaggen van de daken, met de witte waterlelie op het blauwe veld. De Cathedraal stond plechtig, als altijd, veilig in eigen vroomheid opgerezen, en wist niet.
Toen voelde Paulus diep, dat hij heel alleen bleef met zijn smart. Hij had gedacht, dat het verschrikkelijke feit van Leliane’s ontwijding een wereldgebeurtenis zou wezen, dat al het bestaande niet in zijn voegen zou kunnen blijven als dat afschuwelijke gebeurde, dat er een wonder zou komen om het te beletten, een zondvloed, of een cataclysme.
Maar alles was ongeroerd, en alle dingen hadden hun dagelijksch aspect. Het leek maar heel gewoon wat stond te gebeuren. Alleen hadden de straten een uiterlijk van banaal, ordinair feestvertoon. Op den grond lagen sinaasappelschillen en stukken papier en weggeworpen vodden. Tusschen de boomen hingen touwen met vetpotjes voor de illuminatie van den avond. De menschen waren op hun Zondagsch, ongewoon, leelijker dan anders in hun daagsche kleeren.
En langzaam begon het begrip in Paulus door te dringen, dat het onherroepelijk was en het feit van verschrikking in de natuurlijke orde der dingen moest liggen. De witte onschuld bevlekt door het zwarte Beest, het volk verdrukt in ontbering en ellende, dat als vee stond te bulken en te blêren voor wat glans van vorstelijke pracht, die heilige Cathedraal waarin eene ceremonie zou worden voltrokken die ontheiliging was en leugen, dit alles moèst zoo, en was gewòòn, en kón misschien niet anders. De eenige, die ongewoon was, en buiten het natuurlijk verband der dingen, was hij zélf, en dáárom leed hij, en beefde zijn ziel van angst, waar al de anderen jubelden en dansten van dolle vreugde. Hoe klein en nietig was hij toch! En al dat andere, hoe groot en sterk, hoe onoverwinnelijk en almachtig! Hij kon zijn hoofd er tegen te pletter loopen, niemand zou er iets van bemerken, en het zou even massaal blijven staan, zonder één oogenblik te hebben bewogen. Alles was zooals het moést zijn, en híj alleen was de zieke, de abnormale, de minderwaardige, die moest ondergaan, zonder genade.
Zonder te weten waarhéén, liep hij doelloos rond, en had geen begrip meer van den tijd, altijd maar loopend, loopend, vanzelf voortgestuwd door zijn onrust. En overal werd hij herinnerd aan het gruwbare feest. Wáár hij ook kwam, overal waaiden de vlaggen, overal was groen, overal liepen de menschen in Zondagsche kleeren, met lelie-rozetjes vastgespeld op hun goed. Hij voelde zijn hoofd duizelen, en zijn hart pijnlijk kloppen. Eindelijk kwam een vaag bewustzijn in hem op, dat hij misschien ziek was, dat hij koorts had, en dat het goed zou doen, te liggen op een bed, en te slapen, te vergeten. Met moeite vond hij toen den weg naar zijn kamer, waar hij doodmoe neerviel op zijn bed. O! Wat brandde het in zijn hoofd, wat brandde het! De dingen om hem heen begonnen te weifelen en te draaien. En hij viel in een zwaren, bruten slaap, als een afgejakkerd dier...
Toen hij wakker werd was het donker. Hij wist eerst niet goed, waar hij was. Wat was dat alles donker... Buiten hoorde hij zingen, met grove, schorre stemmen, het Leliënlandsche volkslied. Toen wíst hij weer. Zijn hoofd was nog gloeiend warm, en hij voelde het zweet op zijn voorhoofd parelen. Het was drukkend heet in de kamer. Hij dacht dat hij zou stikken. O! Lucht, versche lucht... Toen waschte hij zich het hoofd met koud water, nam zijn hoed, en stoof naar buiten, snakkend naar versche lucht.
De straten waren vol donkere menschen, die schreeuwden en zongen. Het was al laat. Acht uur zag hij op de klok in een winkel. Had hij zóó lang geslapen? Wat wilden toch al die menschen? Waarom schreeuwden ze zoo? Waren ze dronken? O ja... o ja... het feest... het feest... Overal hingen rijen brandende vetpotjes langs de boomen. Het stonk naar olie en benauwden walm. Neen, hier was geen lucht. Vérder moest hij wezen, véél verder, waar geen menschen meer waren. Boven, op de heuvelen, dáár zou het goed zijn, daar was de lucht nog rein....
Haastig, zoo gauw hij maar kon vooruitkomen door de dichte drommen menschen, liep hij den weg naar den Leliën-Boulevard, die naar de heuvelen leidde. Hij liep tegen menschen aan, die hem vloekend afstootten. Hier kreeg hij een stomp, daar een trap. Maar hij lette er niet op. Als hij maar vooruitkwam, wèg naar de hoogten, waar het rein zou zijn en stil.
Nu was hij al bij de Cathedraal. Geen licht brandde daar binnen. Het leek of zij rouwde. Zwart en zwijgend rezen de twee hooge torenen omhoog. O! Dat was goed zoo, dat was goed... De Cathedraal deed niet mede aan het feest...
Nu kwam hij al hooger en hooger. Beneden zag hij de stad wegzinken met haar duizenden lichtjes.
Nu dezen breeden zijweg in. Nog altijd liepen hier zwarte drommen menschen. Waarom werd het nu niet stil? Wat wilden die menschen hier? Vluchtten zij óók voor het feest?... Wat hoorde hij daar opeens voor wild rumoer? Het was, of hij dicht bij een zee kwam. Of ruischte daar een groot bosch, waar de wind over waaide?
Nu hier, dit zijpad. Hier zouden de menschen misschien niet komen. Haastig liep hij door, begon te hollen, om maar weg te zijn...
Maar opeens bleef hij staan, knippend met de oogen. Een verblindend wit licht laaide vóór hem.
De adem stokte in zijn keel.
Dáár, voor hem, schitterend van electrisch licht, verrees pralend het witte paleis van prinses Leliane. Het leek van transparant porselein, in den glans van al dat licht. Het gansche groote gebouw was geïllumineerd, en straalde van blanke glorie. Het was als een witte tempel, een blinkende hemelwoning uit een paradijs, in hooge regionen, waar de engelen en de zalige zielen zijn...
Maar het kolossale plein vóór dit wonderbare, heilige paleis zag zwart van een ontzaglijke massa door elkaar krioelende, schreeuwende en brullende menschen. In donkere drommen dansten en sprongen zij door elkaar, als wilde demonen, met roode gezichten, de kleeren verslonsd en verscheurd, huilend en hurleerend, in beestachtig gedoe. Hier en daar laaiden groote vreugdevuren op en in het schijnsel van de roode vlammen voerden half-dronken mannen en vrouwen een afschuwelijken rondedans uit. Meiden hadden zich in mannenkleeren gestoken, mannen waren verkleed als vrouwen, en als losgelaten dieren in den paartijd sprongen zij heen en weer, omarmden elkaar, liefkoosden elkaar met vuile gebaren. Agenten verbroederden zich met het volk, dansten mede, in de universeele dronkemanspartij. Het leek een pandemonium van uitgebroken duivels. Hier en daar, in zijlaantjes van het plantsoen, waar hij door was gekomen, zag Paulus paren wijven en kerels als beesten in het gras liggen.
Het enorme voorplein was vrijgelaten voor het volk, voor dezen éénen feestelijken dag. Langs de geheele lengte van het paleis stond een driedubbel cordon soldaten met gevelde bajonet, en in de zijgangen stonden lange rijen huzaren te paard, gereed om op het minste bevel het plein weer te ontruimen. Maar er was niet de geringste vrees voor opstand of verzet. Al die duizenden waren daar alléén samengestroomd in de hoop straks de prinses te zien op het balcon, en in afwachting van dat heuglijke moment dansten zij als dollemannen, om de roode vreugdevuren, zwijnend en zweetend in razenden roes. Dáár, vlak vóór het blanke paleis, waar prinses Leliane woonde, vierde het volk zijn vuile lusten uit, schaamteloos als redeloos vee. Paulus zag hun walgelijke gebaren, onnoembaar gemeen, en roode, kwijlende monden op elkaar gedrukt. Onder dat alles door sprongen de schokkende lijven wild dooreen, in woedenden rondedans.
Paulus stond geslagen van wanhoop en ontzetting.
Daar wás het nu, het volk, dat leefde in ellende en ontbering en waar zijn hart voor had gebloed. Daar wás het nu, een troep vuil, redeloos vee, dol en bezeten in bête, bruut enthousiasme voor wat schittering en wat glans, blêrend als schapen, juichend in donderende hoera’s voor een vorstin, die onverschillig was voor zijn ellende. O! Had Marcelio dan gelijk?... Verdiende het niet beter dan kruipend, zwoegend slachtoffer te zijn?