Leliënstad

Part 11

Chapter 114,020 wordsPublic domain

Was daar nog ooit íets van te maken? Had hij zich dáárvoor afgepijnd in martelende gedachten, was hij dáárvoor biddend ópgegaan naar de prinses, om af te smeeken haar erbarmen? Het was een dolle, vuile bende beesten, meer niet, die hier rondkrioelde. En ook beneden in de stad, die honderdduizenden, die daar liepen te bulken door de straten, zij allen waren van hetzelfde, brute pak, dat alleen was te regeeren met log geweld van bajonetten en kanonnen. Hadden dáárvoor dan al de groote filosofen hun innigste ziel uit-gedacht, hadden dáárvoor de groote vrijheidsdichters gezongen, om tot dit armzalig resultaat te geraken. Hadden dáárom Elias en zijne vrienden hun leven gewijd aan de zaak van de evolutie der menschheid? Wat was nu het gevolg geweest van al hun moeizaam streven? De honderdduizenden liepen in dichte drommen door de stad, brullende, blêrende, half-dronken van opwinding en jenever, nu zij verblind werden door wat uiterlijke praal van staatsie-optochten en illuminatie, en zij huilden en hoera’den hun longen pijn, om te vieren de ontwijding van hun maagdelijke, lelieën kroonprinses door het zwarte monster uit Moscovië.

Al doller en doller werd de duizelende dans der donkere drommen. Zij wisten niet meer wàt ze deden, wàt ze wilden, en krijsen ten hun rauwe kreten krankzinnig in het rond. Eindelijk riep een hooge, huilende mannenstem: „De Prinses! De Prinses!” En dadelijk herhaalden duizenden monden dien roep. Afzichtelijke wijven schreeuwden haar naam familiaarder, dan dien van haar kind. „Leliaantje!” riepen zij, „ons Leliaantje moet komen! Hip hip hip hoera!” Als een stormwind loeide het lawaai tegen het witte paleis op. Het volk zocht een afgod, om áán te kunnen brullen, in zijn oude, ingeboren neiging om iets te aanbidden, zooals de woeste barbaren aanbaden de zon of de maan.

Er kwam een golving in de zwarte massa, als in een zee, en langzaam drong zij naar voren.—

Commando’s klonken hoog op van vóór het paleis, signalen schetterden van trompetten, en de soldaten maakten zich al gereed om de redelooze massa terug te dringen met sabel en bajonet.

Toen stond opeens de ontzaglijke menigte stil, als onder een betoovering.—Alle geluid verstomde en roerloos stonden de donkere drommen in diep zwijgen.

De groote, glazen deuren in ’t midden van de eerste verdieping waren opengegaan en het volk had dit nauw gezien, of het was stil geworden, als in een kerk, als de hostie wordt geheven.—

Toen, als een wondere, hemelsche verschijning, trad de blanke konings-maagd op het balcon. Haar wuivend gewaad, zacht bewogen in den avondwind, was witter dan het transparante porseleinen marmer van den paleis-wand achter haar. Het gouden haar glansde als een lichte aureool om haar lelie-blank angeliek gezicht. Een schitterende diadeem van diamanten flonkerde op het ranke hoofd. Er straalde als een eigen licht uit haar, van een blanke engelen-ziel, rayonneerend om haar heen....

En het was Paulus, of daar een licht, heilig hemelwezen was verschenen, uit een wondere, transcendente sfeer, neêrziende van uit haar verre hoogte op de donkere stervelingen daar beneden, die wachtten op haar zegen.

Nog èven hield een magnetische toover de menigte gevangen.—Als deemoedig, vernederd, midden in zijn woeste orgie, was het volk beneden zwijgend. De witte gestalte op het balcon stond roerloos, zacht neerziende naar de laagte, als een beschermende, zegenende engel. De diamanten van haar diadeem schitterden als sterren om haar gouden hoofd....

Toen brak opeens het hooge moment, en een donderend hoera steeg op uit de dolgeworden menigte, zóó geweldig en grof, dat het evengoed een vervloeking had kunnen zijn als een huldiging.

Paulus rilde van afschuw, en voelde het woeste gejuich als een brutalen hoon tegen het stille, maagdelijk witte van de engelen-figuur daar boven. Nu hij haar weer zag, in haar blanke gewaad van onschuld gehuld, was hij de geheele vernedering in Monte-Regina weer vergeten, en wist hij niets meer van het onrecht, dat zij hem toen had aangedaan. Zij was alleen het witte, het reine, uit die hooge, teêre sfeer, waarin zijn ziel haar aanbad.—

Het volk huilde en juilde altijd maar door, als een troep brullende, vermaledijde monsters uit een hel. Daar bóven stond prinses Leliane, als een engel uit het paradijs, neerziende op de verdoemde drommen, die beneden rondkrioelden in het duister.—En Paulus dacht aan den Dag des Oordeels, het laatste Gericht, als de zalige zielen uit de hemelen het aanzien, dat de eeuwige vloek de donkere zondaren treft.

Maar opeens werd zijn droom wreedelijk verstoord. De prinses boog zich lachend over het balcon, en neigde herhaalde malen vriendelijk tegen de brullende bende, en wuifde haar wenkend toe met een zakdoek.

Toen steeg het wilde enthousiasme ten top. Het was een geloei van woedende hoera’s, of een stormwind aanwoei. Duizenden roode gezichten, afschuwelijk, in den bevenden gloed van aangestoken fakkels, grijnsden omhoog naar het reine, witte beeld. En in haar lachen en wenken en buigen was het, of die blanke prinses zich daar stond te geven aan die brullende, dronken drommen, die haar ontwijdden met hunne blikken.

Daar naderde, van den achtergrond van het balcon een groote, zwarte schaduw, hoog en ontzaglijk.... En Paulus voelde het. Dáár kwam het Beest aan....

Gróóter dan zij.... zij reikte maar even tot zijn schouder.... een grimmige, kolossale reus, kwam hij naast haar staan. Paulus zag het roode, door drank verwoeste gezicht uit den langen, zwaren baard loenschen. Al dat haar, dat óók dicht om zijn hoofd groeide, deed denken aan een ruigen, zwarten monsteraap. In het helle licht van de electrische lampen, om het balcon, zag Paulus zijn donkere oogen schitteren van een onheilig vuur.

Toen gebeurde het vreeselijke, gedrochtelijke, dat de zwarte Moscoviër schaamteloos zijn arm durfde leggen om den witten, teêren schouder van de blanke prinses. Het was als een brutale inbezitneming, een ontwijding, ten aanschouwe van het gansche volk.

Maar de dronken drommen beneden werden als dol door deze familiare konings-vertooning vóór hun schennende oogen. Een nieuw gebrul huilde op van beneden, hooge gillen sneden door de lucht, hoeden werden omhoog geworpen, vuurzwermen knalden.

De witte prinses neigde en neigde, wuifde en wuifde, teêr en frêle onder den zwaren arm van den ruigen reus, die bóven haar oprees, triomfantelijk, domineerend....

Toen sloeg Paulus de handen voor de oogen, om niet meer te zien, wendde zich ijlings om en holde, als een krankzinnige, terug, den weg dien hij gekomen was. Dit was te véél... dit was het allerláátste... nu kón hij niet meer... nu was het úit... nooit, nooit zou hij meer kunnen wonen in deze stad van ontwijding en verschrikking, waar alles was verrot en bedorven... o wèg, wèg nu... lucht!... lucht!... reine, frissche lucht van boomen en van bloemen... de vunze adem van al die verhitte, dronken kerels stonk nog om hem heen... wèg nu toch, wèg, voor goed... vèr van al die menschen, van die beesten, die zich lieten trappen en getrapt wílden zijn, door hun lagen, servielen aard... o! hij stikte, als hij nu niet weg kwam... en hij wàs al besmet, hij was gestrééld geweest door den lof uit vuile monden... hij had de handen gedrukt van lasteraars en verraders... bah!... hij wálgde, hij walgde, van de stad, van de menschen, van zich zelven... er was nog maar één uitkomst... wèg nu, wèg naar het goede, trouwe Bosch, waar zijn ziel was gegroeid in reinheid en rust...

Toen ijlde hij terug naar zijn kamer, vastbesloten te vluchten uit de stad. In groote haast schreef hij een kort briefje aan Marcelio en een ander aan Elias, wien hij vertelde waar hij naar toe ging, en ook uitduidde waar het Bosch ongeveer lag, waarin hij rust voor zijn ziel ging zoeken. Zenuwachtig keek hij in een spoorboekje. Gelukkig, er was nog één laatste nachttrein, die aan het grensstation ophield waar hij, nu anderhalf jaar geleden, met Marcelio was aangekomen. Als hij maar eenmaal dáár was, zou hij wel een gids kunnen vinden, die hem den weg wees over de bergen. Hij pakte nog even de drukproeven van zijn verzen in, en schreef er het adres op van Lavelane. Toen stak hij het geld bij zich, dat in de lade lag van zijn tafel. Niets nam hij mede dan een bundeltje oude papieren van vroeger uit het Bosch en een exemplaar van zijn sprookje. Toen liep hij gejaagd de trap af en spoedde zich, zoo hard hij maar loopen kon, naar het station. De trein was juist op het punt om weg te stoomen, toen hij met moeite nog een portier kon openrukken en instappen. Een gillend gefluit, een sissend gebriesch van stoom, en Paulus voelde zich wègrollen in razende vaart.

Daar gíng hij dan, eíndelijk. o! Hoe verrukkelijk was die sensatie, nu wèg te vliegen in de ruimte, vèr van de verschrikking der stad! Hij zag de lange rijen lichten der illuminatie al flauwer en flauwer worden, en de donkere, dreigende gevaarten van hooge gebouwen en fabrieken weken ijlings weg, zoodra ze even óp waren gedoemd uit het duister. Iedere seconde bracht hem verder en verder van de benauwing der steenen kolossen, en hij had kunnen schreeuwen en gillen van opwinding, om gauwer te hollen, nóg gauwer, wèg naar de vrijheid en de reine, zuivere lucht, waar geen huizen waren en geen menschen. Nu was het dan toch voor góed, zonder weifeling meer, hij had het gedaan, eíndelijk, en nu reisde zijn moede ziel de reine rust tegemoet. De pijn in zijn hoofd verzachtte bij het denken aan de pure, koele lucht van de bosschen, waar hij morgen in terug zou komen. Toen doemde het wijze, rustige gelaat van Willebrordus voor hem op. Ook híj had de verschrikking van de menschen en de steden geweten, véél schrijnend leed moest over zijn hoofd zijn gegaan, en tóch was dat nobele gezicht eindelijk opgeklaard tot die uitdrukking van kalm, sereen weten, die was als een pure avond-hemel, als geen wind meer beweegt. En Paulus voelde een groot verlangen, om neer te knielen voor zijn’ grijzen grootvader, en te voelen de zachte kalmeering van de zegenende handen op zijn hoofd. Teeder, als een minnaar denkt aan zijn Liefste met reine, adoreerende gedachten, mijmerde Paulus, alleen in den coupé gezeten, over het Bosch, dat hij zou terugzien, terwijl de sneltrein hem met razende vaart voortrolde door de ruimte.

Laat in den nacht kwam hij in het grensstation aan, waar hij in een klein logement overnachtte en, moê van al de aandoeningen, dadelijk insliep, tot laat in den morgen.—Voor een goede belooning vond hij een paar landlieden, die zich lieten overhalen hem over de bergen te brengen, waarachter het groote oer-woud moest liggen, dat Leliënland aan de Oostgrens afsloot. En hij maakte nu denzelfden tocht, dien hij ééns met prinses Leliane had ondernomen, en herkende met een vagen weemoed dingen van het vroeger geziene.—

De gidsen waren verwonderd, dat hij dien kant op wilde, waar nooit een reiziger voor zijn genoegen kwam, en vroegen hem, of hij wel wist, dat hij in het onherbergzame bosch niemand zou vinden dan een paar houthakkers hier en daar.—Ergens, heel ver weg, in het diepste van het woud, moest ook nog een oude kluizenaar wonen, een grijze Wijze, van wien ze wel eens vaag hadden gehoord. Het moest een prins zijn, zeiden ze geheimzinnig, die zich vrijwillig had begeven in de eenzaamheid, omdat hij moede was van de dingen der wereld....

Paulus antwoordde niet veel en luisterde maar half naar hun gepraat, te diep verzonken in gepeinzen...

Na twee uur klimmen en dalen hielden de gidsen eensklaps stil.

Paulus uitte een kreet van vreugde....

HOOFDSTUK X.

Een groote, wijde vlakte lag vóór hem.

Dàn een flikkerende streep licht, een rivier, en daarachter was het een wuiven en wuiven van maagdelijk, licht groen.

Overal, zoo vèr hij zien kon, was het groen, wuivende en wuivende, alsof duizenden handen hem wenkten. O! Hij voelde het in verrukking, het Bosch kende hem nog, het Bosch riep hem!

Haastig nam hij afscheid van zijn geleiders, en holde, zoo hard hij kon, vooruit, de vlakte over. Dáár ver, stonden de boomen, zijn oude, trouwe vrienden, die hij nu niet meer zou verlaten. Tranen van vreugde sprongen in zijn oogen, en hij voelde dat hij beefde van zenuwachtigheid over al zijn leden.

Achter hem lagen de vunze, benauwende steden, waar de menschen dooreenkrioelden in onrecht en leugen, als zwijnen in modder, en waar zijn ziel bang was weggekrompen, als onder een droeven droom. Iedere stap, dien zijn vlugge voeten verder renden, bracht hem dichter bij het veilige, vertrouwde Bosch, dat hem op zou nemen en verbergen onder zijn liefderijk lommer. Zóó, als iemand een Liefste terugziet, na lange scheiding, en zijn ziel ademt hóóg op van geluk, zóó zag hij het Bosch terug. O! Eindelijk, eíndelijk dan had hij het gedaan, en nu zou alles ook weer goed worden, als vroeger...

Nu stond hij voor de rivier. Aan de overzijde bogen zich hooge boomen plechtig voorover, rustig zich spiegelend in het vlakke water. Dáár begon het Bosch, en overal, wijd en zijd, zag hij de breede stammen oprijzen, en de goede boomen stonden eendrachtiglijk naast elkaar, als een wèlgezinde gemeenschap, sterk van onderling vertrouwen. Hun prachtige kruinen streelden elkaar nu en dan vriendelijk onder ’t wuiven, wilden allen éénen zelfden kant op, door éénen drang bezield. En Paulus zag het Bosch, als ééne, machtige maatschappij van goede broeders, schouder aan schouder staande in heilige harmonie.—

Hoe eerlijk stonden zij daar alle naast elkaar, in volle pracht zich gevend, zóó als zij waren, zonder éénigen valschen schijn!

En met afschuw dacht hij opeens aan de valsche menschen-gezichten, alle met een masker voor van leugen en bedrog, bedekkend het eigenlijke wezen dat er achter woonde.

Hij vond het Bosch nu even statig als een plechtige tempel Gods, even heilig als de Cathedraal. De stammen der boomen waren als rechte pilaren, de takken vormden biddende bogen, en al de fijne loovertjes waren teêr, als het broze cantillewerk der gothiek.

Was hij nog wel waard, dien tempel te betreden?

Hij voelde, alsof het leven in de stad hem besmet had, alsof hij er niet rein genoeg meer voor was.

O! Kon hij die smet toch weer van zich afwasschen, dat hij weer blank werd als vroeger! En een onweerstaanbare lust kwam in hem op, om zich te zuiveren, vóór hij het waagde het Bosch weer te betreden. Fluks deed hij zijn kleeren uit, legde ze aan den oever op een steen, en sprong met een machtigen élan het heldere water in. Hij voelde het koude, frissche vocht over zijn warm lichaam komen, en het was hem, als een doop tot het reine, eenvoudige leven.

O! Dat alles zuiverende, schoonwasschende water, wat deed het hem goed! Al het vuil van de stad zou het wel weer van hem afnemen, alles wat nog aan hem kleefde uit de verpeste sfeer van onrecht en ontucht, waar hij bijna in was versmacht. Hij voelde een groote kracht in zich komen, en nieuw leven stroomde in zijn aderen uit het koele, heerlijke water. Verscheidene malen dook hij onder. Zijn haren dropen. Niets, geen stofje van de atmosfeer in de stad mocht op hem blijven. De doop moest hem ganschelijk verreinen.

Na een half uur te hebben gezwommen, bracht hij zijn kleeren naar de overzijde en kleedde zich daar aan. En zooals een vrome geloovige in een tempel treedt liep hij langzaam het Bosch in.

De Lente was juist over de boomen gegaan, en in het maagdelijke, nog wat licht-getinte groen bloeiden roze en blanke kleuren van bloesems. De bladeren waren nog uiterst fijn en teêr, en hadden zich zóó ontplooid, voorzichtig, of ze eigenlijk nog niet goed durfden. Hij trad in een groote, universeele innigheid van jong, gezond leven, en voelde er een rilling van door zijn lichaam gaan. Diep haalde hij adem, en voelde de verreining van de zuivere, onbedorven boschlucht, geurig van bloeme-aromen, na de bedompte atmosfeer van de stad.—Zooals het water zijn huid verfrischt had, reinigde nu de pure lucht zijn borst en longen. Een groote kracht zwelde in hem op, hij strekte de armen uit, als om te omhelzen, en begon onbewust te zingen, een lied van vroeger, door den drang naar uiting van zijn geluk, zooals ook wel een vogel doet, blij om het leven en het licht.

Bij een paar houthakkers in een hut vroeg hij naar den weg, en vertelde hij van Willebrordus, die daar ergens, diep in het Bosch, moest wonen. Zij herinnerden zich er vaag iets van, en hadden er wèl van gehoord, en wezen hem naar het Westen. Op groote afstanden vond hij weer anderen, die hem voorthielpen, en zóó, na veel lange uren, kwam hij eindelijk op bekend terrein. Zóó als menschen, die lang in vreemde landen waren, in een stadsgedeelte huizen en straten herkennen, en nu ook verder weten den weg, zóó vond hij opééns boomen-groepen en paden, die hij méér gezien had, op zijn vroegere zwerftochten, en hij voelde, dat hij nu onder vrienden was gekomen. De hooge kruinen, de takken, de bladeren, zij waren nu vertrouwd, als de gezichten, de armen, de handen van menschen, en van ieder kende hij het oude gebaar. Zijn ernst werd nu nog dieper, en een heilige eerbied vervulde zijn ziel.

Hij had nu zes lange uren geloopen, en, niet meer gewend aan zooveel lichaamsbeweging, voelde hij aan de zwaarte en de pijn in zijn beenen, dat hij heel moê was, en gauw niet meer verder zou kunnen. Maar hij wist dat het nu niet ver meer zijn kon, waar hij de heerlijkste, heiligste plek van het Bosch zou vinden.

Dáár zou hij zich dan eindelijk neêrvleien en rusten, tot hij weer gesterkt was.

Hij wist het, nu nog maar een korte wijle, en hij zou bij den lelie-vijver komen...

Hij voelde of hij eigenlijk nog niet goed durfde, en er niet rein genoeg meer voor was. Het was als ééns, toen hij de Cathedraal van de heilige Leliane zou binnentreden, en op den drempel weifelend stil bleef staan, huiverend van eerbied.

Voorzichtig liep hij verder, met zachte schreden.

Tot opeens, als een, die na lang, zwaar leven, eindelijk neerziet in zijn ziel, hij den klaren vijver voor zich zag liggen, van vrede overtogen.

De hooge, statige boomen in ’t rond negen zich zachtkens over dien kalmen spiegel, en bleven zóó, roerloos, voor hun eigen, schoone beeld in ’t heldere water. Vogels kwinkeleerden in de takken en reiden een krans van jubelend gezang in ’t rond.

Als de kalme ziel van het ernstige Bosch lag daar de blanke vijver, door geen rimpeling verstoord. Paulus liet zich voorzichtig nederzinken in het gras, en voelde, dat hij de handen vouwde, als tot gebed.

En dáár zag hij ze weder, na de lange, droeve scheiding, de witte waterlelies, drijvend tusschen de breede bladeren, die zich ontvouwden als heilige harten zoo stil.

Uit donkere diepten waren zij ontstegen, rijzende tot het Licht. Sommige waren nog kuischelijk dichtgevouwen in den knop, voorzichtiglijk uitstekend boven het water, wachtend op de volheid der tijden, tot het mysterie zou zijn volbracht; andere hadden de blanke bladen eerwaardiglijk ontplooid, en hielden de gouden harten ganschelijk open, om te ontvangen de zegening van het licht.

De breede kronen der boomen welfden zich boven dit wonder in vrome, biddende bogen, en hun statige stammen waren als de zuilen van een cathedraal.

Somtijds ging een zachte windwuiving over hen heen. Dan beroerden de hooge kruinen elkaar in groote vriendschap, met heilige huivering van kuisch genot, terwijl een zachte muziek door de bladeren ruischte.

De spiegel van den vijver bleef onberoerd, zooals een ziel, die de diepe, allerláátste wijsheid heeft gevonden. Somtijds versprong alleen een vischje, met fonkeling van zilveren droppelen in ’t licht. Dán werd de rust nóg stiller...

Sprakeloos stond hij het aan te staren, de handen gevouwen, de oogen omfloerst van tranen, eenzaam, vroom geloovige, in die Cathedraal van God, die schooner en volheerlijker was, dan de fijnste bouw van menschenhanden. Hij zag de sterke, statige boomen als groote wonderen van machtige liefde, als zacht gefluisterde gebeden ruischte het door hunne hooge kruinen, en daar, in dien blanken, klaren vijver vóór hem, gebeurde het heilig mysterie van het leven, de rustige rijzenis van het vlekkeloos reine, aan het duister ontstegen, tot het Licht.

En hij begreep niet meer, dat hij ooit zoo ongelukkig had kunnen zijn, daar, vèr in die stad, dat hij ooit wild was uitgestuipt in hartstochtelijk snikken, dat zoo woest de droeve opstand was geweest in hem, van binnen. Want het was hem nu, of hij daar neêrzag in zijn eigen ziel, die vlak was en onberoerd, en géén storm van buiten had dien kalmen spiegel kunnen deren.—O! Als hij maar altijd klaar had geweten, dat áltijd ergens ìn hem die stille vijver was geweest, en dat het allerinnigste van zijn ziel tóch rust was gebleven, tè diep om ooit door al het wilde te worden beroerd. En zóó, als hij eerst lang, lang geloopen had, zóó had hij ook moeten gaan door zijn ziel, waar hij wel ééns die klare rust zou hebben gevonden.

Die zekerheid was nu gansch duidelijk en helder over hem, en hij voelde eene rust over zich nederdalen, zooals hij nog nooit had gekend. Dáár, vlak vóór hem, lag de stille vijver met de blanke bloemen, als de simpele, rustige oplossing van al het bange, ontzettende leven, waar hij dóór was gegaan. Hij bleef áldoor maar staren en staren, en in die uiterste spanning wist hij op ’t laatst niet meer, of het de vijver was, waarin hij neêrzag, dan wel zijn eigen ziel, die hem eíndelijk was geopenbaard.

Totdat hij, afgemat van vermoeienis, achterover zonk in het mos, en een rustige slaap zijn van vrome tranen blinkende oogen zachtkens sloot.

De avond begon nu langzaam te vallen. Vage schaduwen gleden over den stillen vijver, en de boomen voelden rillend van eerbied de plechtige wijding komen van den naderenden nacht. Zóó, als licht nog èven, voor ’t laatst, de ziel op van den stervenden mensch, die het mysterie van den dood voelt komen, zóó kwamen alle dingen nog éénmaal duidelijk uit, vóór het duister hen zou bedekken, en toonden nog éven hun ziel in dat teêre moment van de schemering, waarin niets wat ijl en fijn is zal breken. Toen breidde de groote Nacht zijn donzen vleugelen wijd uit over de moede wereld, en alles verzonk in zijn donkeren droom.

En in die teêre innigheid van rust en vrede lag Paulus, kalm als een kind, in ’t zachte mos aan den oever van den stillen vijver, eíndelijk dan teruggekomen van al het droeve zwerven, bij zijne goede broeders, de boomen, die zegenend hunne takken uitspreidden boven zijn hoofd....

Zóó sliep hij, rustig, uur na uur, totdat een manestraal, die door de takken in zijn oogen scheen, hem wakker maakte, en een hemelsche muziek zijn sluimerende ziel vervulde.

De maan was opgekomen boven het Bosch, en had haar stille, weemoedige licht als een zachte, berustende liefde verspreid over de wereld.—Doodstil waren de boomen in dat zilveren licht, roerloos stond het donkere Bosch er in te droomen. En, hoog in de takken, boven Paulus’ hoofd, zat een nachtegaal van zaligheid te zingen.

Hij wist niet of hij waakte, of nog droomde, onder dat wondere gezang.

Het was een bevend trillen, een donker orgelen, een helder fluiten, en dàn weer hoog uitjubileeren, als van een ziel die in de uiterste extase in muziek zal vergaan. In de stilte van den nacht spoot het op, als een fontein van klanken, sprinkelend, fonkelend, en dan opeens, met een rechten straal hóóg in de lucht. De hevige emotie kropte óp in die zangerige keel, die hijgend het groote gevoel uitzong, omdat er nóg meer kwam, en nóg meer, en áltijd weer meer en hij het niet kon inhouden.—De zaligheid jubelde trillerend in dat juichende lied, dat opsteeg, hooger en hooger, door de stilte van het woud.—Dán zweeg hij weer even, de wondere vogel, als moê van zijn eigen geluk, om drá weer uit te breken in lage, lang uitgehaalde tonen, nú niet meer wild-uitgestuipt, maar orgelend, als donker-sonoor choraal. Eenzaam zat dat kleine vogeltje zijn ziel uit te zingen, in den nacht, tegen den hoogen hemel vol sterren. De boomen stonden ernstig en stil, en luisterden.