Part 12
Paulus keek op, nog loom van droom, en zag de sterren door de takken der boomen schijnen, en het maanlicht, dat vol weemoed glansde in het woud. Maar het vogeltje zag hij niet, dat ergens, heel klein en deemoedig, verscholen zat in het groen.
Hij hoorde enkel zijn wondere zingen, dat nú eens klonk als een statig hooglied, en dàn als een vlammende minnezang, en dan weer als een vroom gebed. En de groote Liefde, die lang in hem gewoond had, maar nooit zóó bewust was geworden, werd in hem wakker.
Nú wist hij het eigenlijk eerst, onder dat jubileeren en orgelen en luid uit-klagen van den nachtegaal, dat híj ook liefhad, ondanks wreedheid, ondanks onrecht, ondanks álles, tegen verstand en rede in, met een liefde, wortelend in onsterfelijkheid en eeuwigheid en dood, in de diepste oneindigheden van zijn ziel, bóven hartstochten en menschen en dingen.
„Leliane!....” fluisterde hij ... „Leliane!....” en het was hem, of hij wèg zou sterven in gebed.
Boven zijn hoofd was het gejubel weêr begonnen, en het kleine, eenzame vogeltje zong úit zijn groote ziel van liefde, dat zij ganschelijk vergaan zou in muziek, wegzwijmelend in pure, klinkende klanken.
Hoog boven de boomen stonden de stille sterren, sereen en helder, en luisterden in plechtige aandacht....
Eindelijk had de nachtegaal opgehouden met zijn gepassioneerden zang, en Paulus, moê van het vele loopen, dat hij was ontwend, was weder in slaap gevallen.
Toen hij weer wakker werd, scheen de zon al door de takken der boomen. De breede kruinen ruischten een zacht goeden-morgen in de luchtige waaiing van den ochtendwind. Alles stond vroolijk bereid voor den dag, in jonge, lichte kleuren. De harten der vlugge vogelen waren van blijdschap vervuld, waarvan ze kwinkeleerend zongen in kwetterend lied. En Paulus hoorde aandachtig naar de jubelende zielsmuziek van de teêre wezens van de lucht, die niet kunnen spreken, maar enkel zingen van verrukking en van liefde. Die leefden daar maar vrij en blij tusschen het glanzende, schaduwende groen, met hun lief en met hun lied.
„—Roekeroekoe,” zeide een duif, boven zijn hoofd.
„—Roekeroe,” zeide een ander.
Opeens een gerucht van luchtig gefladder in de blaren, een zacht ruischend gewuif van wieken, en twee sneeuwwitte duiven streken neer voor zijne voeten in het mos. Haar roode oogjes schitterden als vonken. De doffer schreed buigend om het duifje heen, galant als een riddertje, dat zijn hof maakt, stak de borst op, om op zijn mooist te wezen, en koerde een zacht-verliefde klacht. Het duifje, slank en blank, wiegde wat wachtend op en neer.
En toen begon een zoete vrijage, van die twee witte wezentjes, trippelend in het groen. Totdat zij, van innigheid overkomen, elkander toe-koerend en lachend, de glanzige snaveltjes gaven in langen, hartstochtelijken kus. Het was bevallig, en het was liefelijk, en het was groot van eenvoud.
Paulus durfde zich niet verroeren, bang om ze op te schrikken uit hun lief gespelemei in den blijden morgen. Maar toen de doffer te onstuimig werd, vloog de duif opeens weer op, door de boomen.
De vijver lag glanzend in het zonlicht, rustig zonder rimpeling. In de verte kwamen twee witte zwanen aandrijven, statig, vlekkeloos blank, als gedachten van liefde, droomende over een ziel. Zij hielden de slanke halzen trots omhoog geheven, wèlbewust van hun reinheid en hun zuivere statuur.
De heilige lelies begonnen haar bladen al langzaam te ontplooien, en hare gouden harten voelden het licht, dat diep in haar drong. Als de innigheid van den middag kwam, zouden zij ganschelijk open liggen voor de zegening van de zon...
Alles om Paulus heen was glanzing, en blijheid, en zegening en geluk. Hij voelde een groote, universeele liefde in de statige stijging der stammen, in het simpele bloeien van een bloem, in het rustige spiegelen van het water, in de zachte waaiing van den wind, in het jubelende lied van de vogelen. O! De wereld was een wonder van liefde, en een genade, oneindig, was het Leven, in de reine, ontzaglijk rijke Natuur! Hij voelde de koele boschlucht in zijn longen komen, en een groote kracht zijn uitgeruste lichaam sterken. Hij had mede willen zingen met de vogels, uitjubelen zijn genot, iets vast aandrukken aan zijn hart, om zijn innigheid te geven.
Toen dacht hij, opeens, aan de verre nachtmerrie van de stad, die nu leek uit een boozen, voozen droom. Hoe was het mogelijk, waar het buiten zóó rijk was en zóó goed, dat daar, ver, ergens menschen leefden in duffe, steenen gebouwen, tusschen koude, zwijgende muren, dat er duizenden verdorden en verkwijnden in dampige, vunze fabrieksholen, en diep in ’t donker van de onderste aarde, waar bóven ontloken de wonderen van ’t groen! Kijk! daar groeiden aardbeien en bessen! Hij plukte er van, en snoof haar zoeten geur op, en voelde ze smelten op zijn verfrischte tong. O! Heerlijk, heerlijk, die vruchten, als je ze zóó kon plukken van de goede aarde, dat niets van hun innigheid was vergaan! En hoor! Was dat niet een merel, die daar floot met sonore orgeltonen boven zijn hoofd?
In de takken boven zich zag hij den slanken, zwarten vogel, en hij kon zijn diep-ademend keeltje zien bewegen. Dit glanzende vogeltje was bevangen door de jonge morgenlucht en het jonge licht, en in helder geörgel, met klare, sonore klanken, zong hij zijn lied.
Paulus had in langen tijd de merel niet hooren fluiten, en het ontroerde hem diep, als de nachtegaal, dien hij dien nacht gehoord had, niet zóó hartstochtelijk-innig, als een vlammenbrand van geluid, maar rustiger, sereener, als een devoot gebed. Hoor! Hoe vol die tonen aanzwelden, hoe gansch volmaakt ze orgelden, rijp van innigheid!
Een eind van hem af begon een andere een tegen-keer te zingen. En hoor! daartusschen het zangerig getink van een vink! En daar een, en daar weêr een, en de heldere slag van de grauwe lijster! Heel het woud was vervuld van muziek, die de zaligheid van te leven, in ’t licht en in de lucht, uit honderden vogelenkelen drong. En o! wat hoorde hij daar ginds, nu hij aandachtig stond te luisteren, een hand aan ’t oor?... Daar klaterde het vertrouwelijk gepraat van een beekje langs de steenen, het oude, klare beekje, dat áltijd maar aan ’t vertellen was, en van geen zwijgen wilde weten. Hij hoorde het water kletteren over den rotsigen grond daar, en dán wègmurmelen, zachter en zachter, als een man die neuriënd in de verte verdwijnt. Zóó had dat rustelooze beekje altijd door geklaterd, toen hij weg was geweest, en nú riep het hem weer, met zijn oude, wèlbekende stem. Het was hem, of hij een vriend had teruggevonden, wiens roepen hij weder hoorde.
Met een groote vreugde bevond hij, dat dit alles nog even intiem was voor zijn ziel, en dat hem niets bevreemdde wat nu om hem was, maar alles heel natuurlijk aanvoelde, alsof het altijd zoo was gebleven, en er nooit iets om hem veranderd was. Dus was àl het droeve en duistere toch maar als een donkere wolk dreigend om hem heen geweest, zonder het allerinnigste in hem van binnen te kunnen bereiken, dat roerloos was gebleven, en onaangetast, als de stille vijver, door géén rimpeling verstoord!
„Roekeroekoe,” begon de duif weer, in een boom dichtbij. En het was Paulus of het beestje hem kende en hem groette, zóó intiem voelde hij zich met alles.
Nu vèrder, een korten weg nog maar, naar zijn oude huis. Hij liep er haastig heen, en, al de oude, wèl-vertrouwde boomen herkennende, waar hij langs kwam, was het hem, of hij eigenlijk nooit weg was geweest, en hij-alleen maar thuiskwam, als vroeger, van een wandeling. Al het andere was, maar even, een booze droom geweest.—
Hij zág onder het loopen zijn kamertje al, met het rieten rustbed, en de platen aan den wand, en de tafel voor het venster, waar altijd een vaas met bloemen op stond. En hij wist precies, hoe de boomen stonden daar vóór, en hoe ze hun takken hielden.
Eindelijk, daar wás hij er... Niemand was in het tuintje... Willebrordus niet, Mareta niet. Zeker uitgegaan, in den moestuin achter. De deur stond open, als altijd. Hier, links, was zijn kamertje.
Hij uitte een kreet van vreugde. Alles was nog precies eender als vroeger. Zijn rustbed was gespreid. Er was water in de aarden kan. Op zijn tafel stond de vaas vol versche bloemen. Het was zijn oude, vertrouwde kamer van vroeger, waar hij ieder oogenblik werd verwacht. Er was niets bijzonders in, dat anders zou zijn dan eens. Zijn boeken stonden, netjes gerangschikt, op het houten rek langs den muur. Buiten voor het venster stonden de boomen zachtjes te wuiven, en groetten hem goeden-dag.
De tranen kwamen hem in de oogen, en diep-geroerd ging hij op een stoel zitten, en keek zijn kamertje lang en aandachtig aan, dat hem óók aanzag, met dezelfde rustige vertrouwelijkheid van vroeger.
Dáár hoorde hij zachte, gelijkmatige voetstappen langzaam aankomen, met een oud, wèlbekend gerucht.
Hij stond op, eerbiedig, maar bevend van aandoening.
„Dag, mijn jongen!” zeide Willebrordus kalm, heel niet verwonderd, eenvoudig, zooals hij het zou gezegd hebben, als zijn kleinkind maar even weg was geweest voor een wandeling.
Paulus sloeg de betraande oogen op, en zag dat rustige, sereene menschen-gezicht, zacht als de maan, dat door het levens-lijden was verlicht tot een stille straling van vriendelijke, wèl-bewuste wijsheid. Hij voelde de dierbare handen zegenend op zijn hoofd.
En in een wondere uitweening van dat allerreinste berouw en die vrome ziele-beving, die het mystieke compunctio is, knielde hij snikkend voor Willebrordus’ voeten neder....
HOOFDSTUK XI.
Nu begon Paulus’ leven weer sober en eenvoudig, als vroeger.—
Willebrordus had hem stil laten uitweenen, niets gevraagd en gedaan, alsof zijn kleinkind maar even was teruggekomen na een verren tocht. En Paulus voelde zich te moê van al het geledene, om nu, eindelijk tot rust gekomen, al de verschrikking van vroeger weer te uiten en ná te voelen schrijnen. Het was hem ook of, zonder dat hij iets zeide, Willebrordus tóch alles reeds wist in essentie, al de groote emoties, die hij in Leliënstad had doorgemaakt.—Dat voelde hij in het zachte gebaar, waarmede de oude hand somtijds op zijn hoofd werd gelegd, in den vriendelijken, ietwat weêmoedigen blik, waarmede de grijsaard hem wel eens aanzag, peinzend, zonder iets te zeggen.—Ééns had Willebrordus iets laten dóórschemeren, toen hij hem zeide, in den loop van een gesprek: „Als je nu weer eens weg bent, Paulus....” Toen was Paulus verschrikt opgesprongen, en had uitgeroepen: „Maar, grootvader, ik gá niet meer weg, nooít meer, nooit meer....” En Willebrordus had geantwoord, zacht, maar zéér beslist: „Dat zal je wèl, Paulus.... heusch.... daar ben je véél te vroeg voor teruggekomen.... later misschien, véél, véél later, als ík er niet meer ben....”
En Paulus was uitgebarsten in hartstochtelijk snikken, omdat een vaag voorgevoel hem zeide, dat grootvader tóch wel gelijk had.
Want alles was niet meer geworden als het vroeger was, hoé overweldigend zalig de emotie ook was geweest van het eerste terugkomen in het Bosch. Het onbewuste genieten, het vage droomen van zijn kinderjaren was niet meer teruggekomen. Hij wíst nu, wat daar lag achter de verre horizonnen, toen hij ééns weder geklommen was in een hooge boomenkruin, en hij wist ook, van wie hij droomde, als hij stil was neêrgelegen aan den vijver van de witte water-lelies. Het weten van de wereld buiten het Bosch was altijddoor in zijn ziel bewust. En het groote leed der menschen klaagde er aldoor in rond, klaagde en klaagde, als de boomen hun goeden-morgen ruischten in het eerste zonlicht van den dag, als de vogelen hun plechtig lied zongen in de schemering van den avond.
Hij vond wèl terug het oude geluk in zijn werk van vroeger, in het spitten en zaaien in den moestuin, in zijn omgang met die trouwe, simpele vrienden, de koeien en het paard, in het vertrouwelijke verkeer met zijn duiven en de reeën, die zich, na een korten tijd van weifeling, weer lieten streelen den zachten rug. En als hij in haar trouwe, bruine oogen zag, die zoo oprecht konden kijken en zoo wáár, dan dacht hij: „waarom kunnen menschen-oogen niet zóó zijn?”
Hij baadde véél, en maakte lange wandeltochten, als vroeger, en wist al gauw den tijd weer te lezen uit den stand der zon en der sterren, zonder het horloge te behoeven van de menschen uit de stad.—Ook las hij veel in oude, wijze boeken, die Willebrordus hem gaf, en avond aan avond zat hij gebogen over de Bhagavad-Gītā en de Upanishads, die hoogste openbaringen van het goddelijke aan den mensch.—Het Bosch werd nóg mooier en heiliger voor hem, toen hij zich meer bewust was van de Al-Ziel, die onsterfelijk leefde in de sterfelijke natuur. Het werd hem buiten te moede, als in een eindelooze cathedraal van God, gebouwd van boomen en bergen en rivieren, van zonnen, en sterren, en planeten. Alles wat bestond was in essentie eeuwig en heilig en eindeloos....
Hij leefde nu in niets dan wijsheid en schoonheid, die zijn ziel verreinden, en iedere daad van leven daar in de groote natuur van het Bosch was vredig en sterkend, als een gebed.
Zóó ging Paulus’ leven rustig door, de eerste maanden. Hij kreeg zijne krachten van vroeger terug, en de gezonde, roode blos kwam weer op zijn wangen. Hij werkte veel met Willebrordus in den moestuin, kapte hout, en maakte verre wandelingen in den omtrek, zóó, dat hij ’s avonds, te moê om te denken, dadelijk insliep, natuurlijk, als de planten en de dieren.
Maar langzamerhand, toen hij de zaligheid van zijn natuur-leven al dieper en dieper ging beseffen, begon een vage twijfel in hem op te wellen, of het wel recht en goed was, wat hij thans deed. Híj was nu veilig geborgen, leefde een rustig leven, te midden van zulke goede, ernstige vrienden, als de boomen en de bloemen. Maar daar ginds, ver van het bosch, over de bergen, wist hij het droeve volk van de steden, in zijn grooten nood. En ééns, toen hij, zonder werk zijnde, voor het open venster van zijn kamertje uit zat te staren in den vallenden avond, en hij zag al de pracht van het Bosch om zich heen, voelde hij opeens met schrik een overeenkomst van zijn eigen leven met dat van den luien, rijken nietsdoener in weelde, die, onbewogen voor het leed der menschen, zijn bestaan doorgaat in louter luxe. Toen dacht hij opeens: „Leef ík dan niet in weelde? Is er grooter luxe denkbaar, dan dit grandiose, statige Bosch, en al de rijkdom van de Natuur om mij heen?”
Was hij nu eigenlijk niet even lafhartig weggekropen voor de ellende, als de ijdele désoeuvrés, die hij zoo verachtte in de pracht van Monte-Regina?
Van dien avond af aan genoot hij niet meer zoo zuiver van al het mooie om hem heen. Hij kon zijn onbewust geluk van vroeger niet meer terugvinden, want de gedachte aan het lijden van zijne medemenschen verbitterde het innigste genot. Een scherp zelfverwijt begon in hem op te schrijnen, als hij dacht aan al de ellende, die nu in Leliënstad dóór moest gaan, terwijl híj veilig in de overdadige luxe van de natuur liep te genieten. Terwijl híj den heerlijken geur opsnoof van het eikenloof, zwoegden duizenden en duizenden van zijne broeders in door giftwalmen verpeste fabrieken; terwijl híj, in zacht gemijmer den loop der sterren volgde door de fijne openingen in het gebladerte, zwierven honderden van zijne hongerige zusteren door de straten van de stad, om haar schande te verhuren voor wat brood. En géén verfijnde, sensueele rijkaard kon toch ooit zóó van zijn weelde genieten, als hij van de luxueuse pracht om zich heen, van het droomende Bosch in maanlicht, waar de nachtegalen van zaligheid zongen.
Die gedachten begonnen hem dag aan dag feller te kwellen. Was het goed, zélf eenvoudig en sober te leven, in de rijke eenzaamheid van de natuur, zoolang millioenen van zijn medemenschen verkwijnden in kommer en gebrek? Maar, aan den anderen kant, wat hielp het, of hij, zwakke, droomerige jongen, weer terugkeerde naar het lijden der menschen, dat hij tóch niet kon genezen? Groote geesten, dichters en denkers, bij wie vergeleken híj maar een waardeloos nietelingetje was, hadden hun leven uitgesloofd om met hun ideeën en beelden de menschheid vooruit te stuwen, maar wàt was er van hun werk terecht gekomen? En als het tóch niet hielp, had híj dan niet het recht, zijn leven zoo mooi en eenvoudig te maken als het meest áánpaste aan de altijd zuivere en juiste natuur?
Met Willebrordus durfde hij er niet over spreken. Die leek hem te ver over alles heen, in waarheden te hoog en te subtiel, om hem te vermoeien met vragen, die zeker op een zoo oneindig veel lager plan moesten staan, dan zíjn sfeer van weten en voelen. De staat, waar Paulus’ ziel nu doorging, moest voor Willebrordus in een sfeer zijn gelegen van véél te lang geleden, om er zich in terug te begeven, nu hij eenmaal zóó ver was. Zijn oud, gerimpeld gelaat had een zoo reine uitdrukking van klare wijsheid, dat het Paulus heiligschennis leek, hem vragen te doen van zeker zooveel lager orde dan zijn verheven weten. En ook voelde hij, dat hij van zelf, door eigen kracht, door dezen ziele-staat zou moeten komen, waar geen hulp van buiten op den duur voor baten zou.
Somtijds, in zeldzaam spannende momenten, voelde hij ook opeens een onweerstaanbaar verlangen, om meer in de sfeer van prinses Leliane te zijn. O! Even de lichten te zien schitteren van haar paleis, èven te zien wuiven, in de verte, het wonder van haar witte gewaad!....
Nu hij zoo ver van haar af was, en niets hem meer aan de verschrikking herinnerde, waarvoor hij was gevlucht, was de donkere schaduw, die dreigde boven haar lichte beeld, weer geheel verdwenen. Het Beest was van haar weg, geen Monster besmette meer haar reine sfeer, en haar beeld glansde weer licht en liefelijk als een ster, apart en bijzonder aan heilige, verre transen.
Somtijds meende hij, met een wondere ontroering van verrukking en schrik, haar kleed te hooren ruischen in het ritselen der blâren, of wel hij meende te hooren het zoet geluid van haar stem in het zacht geneurie van den avondwind door de takken, en somtijds meende hij haar lach te zien lichten in het stille tinkelen van een verre ster.—In zijn rustige kamertje, waar zij ééns had getoefd, zweefde nog iets van háár heilige presentie, als een essence, die er in was blijven droomen. In de lichte geheimenissen van zijn ziel, waar haar beeld hoog boven straalde, was nooit een donkere schaduw haar genaderd, en zij schitterde daar even luisterrijk onbevlekt en ongenaakbaar als de gouden Morgenster boven lichte ochtend landouwen. En het was Paulus wel eens of er twee Leliane’s waren, de eene een schijn-beeld in de weifelende werkelijkheid, bedreigd door het ruige, roode Beest, dat het verstikken zou, de ándere onsterfelijk, in de lichte sfeer van den droom zijner ziel, smetteloos, in eeuwig reinen staat van leliën blankheid.—
Ook droomde hij wel eens van de stad, zóó klaar duidelijk, dat hij zich, wakker wordend, afvroeg, of het wel schijnbeelden waren geweest die hij gezien had, dan wel, of zijn ziel werkelijk in Leliënstad had getoefd, terwijl zijn lichaam sliep.
Ééns was hij op het groote Domplein geweest in zijn droom. Hij zag het leelijke, kolossale gevaarte monsterachtig oprijzen tegen een droevige, grijze avondlucht, en zijn ziel schrikte en trilde pijnlijk toen hij de blinkende, gouden letters las boven den ingang:
Ziet, ik ben bij u Alle dagen Tot aan der Wereld Einde.
De regen striemde neer op den grond, de wind huilde en huilde. En klagelijk liepen de jammerlijke vrouwen der schande over het plein, loerend, loenschend naar haar prooi, als roofdieren in honger....
Toen hij wakker werd, zag hij door het open venster het zonlicht op de wuivende bladeren bewegen, en hij hoorde het liefelijke lied der vogels, uitzingend hun geluk om het leven. Alles was blijheid en warmte en schittering daarbuiten; alles bloeide, en jubelde, en lachte.
Toen voelde hij in dat geluk opeens de ellende uit zijn droom, als een onrecht, nog bitterder, dan hij het ooit gevoeld had in de treurenis van de stad. En weêr moest hij onverbiddelijk denken aan den rijken luiaard, levende in Monte-Regina’s luxe, en aan zich zelf, veilig verscholen voor ’s werelds misère in de ontzaglijke pracht van het Bosch.
Den geheelen dag voelde hij zich ellendig door die gedachten, tot er ’s middags opeens een houthakker aankwam, die een brief bracht, een ongewone gebeurtenis, die Paulus zich niet herinnerde, ooit beleefd te hebben in de hut.—Bevend van ontroering brak hij hem open. Hij was van Elias.—
„Beste Paulus!
Ik weet niet, of deze je bereiken zal, maar ik zal mijn best doen, dat je hem krijgt.
Je bent waarschijnlijk nog altijd goed en wel in de pracht van je bosch. Daar zit je best, en wèl veilig! Maar hier staan groote dingen te gebeuren. Ik kan je niet schrijven wàt. Alléén dit: „alles, waar jij steeds aan gewanhoopt hebt, zal nu worden verwezenlijkt. Het Recht gaat zegevieren, en de dageraad van het Licht breekt aan. Alles zal nu eindelijk goed worden. Méér kan ik je niet zeggen. Maar als je deze groote gebeurtenis wilt meêmaken, moet je onmiddellijk komen. Één dag te laat, en je zoudt niet meer hier kunnen zijn; je moet, zoodra je dezen krijgt, dadelijk op weg gaan. Kóm nu, en je zult de overwinning zien van het Recht, waar je altijd zoo naar hebt gesmacht. Ga direct naar mijn kamers, als je in de stad bent. Je vriend
Elias.”
Nog dienzelfden middag ging Paulus met den boodschapper mede terug. Hij had Willebrordus den brief laten lezen, die zacht-weemoedig het hoofd had geschud, en gezegd had: „Dat hebben ze al méér gedacht, vóór Elias... Als het eens waar was, zou het tóch zoo mooi zijn... maar ik vréés er voor... Toch moet je gaan, Paulus, je moét zoo iets door hebben gemaakt, vóór je wijs kon worden...”
En Paulus had niet meer geweifeld, maar zich dadelijk gereedgemaakt. Hij voelde, dat het niet anders kón. Er was tóch niets aan te doen. Vroeg of laat zou hij tóch teruggegaan zijn naar de stad. Rustig en kalm nam hij afscheid van Willebrordus, die hem de wijding meêgaf van zijn tot zegening gespreide handen. De grijsaard beloofde hem, dat zijn kamer altijd gereed zou zijn, als hij weer eens terug wilde komen. En Paulus ging, nadat hij voor den ouden wijze was nedergeknield in diepe verootmoediging.
Zonder tranen, wèlbewust van zijn daad, verliet hij het oude, vertrouwde Bosch, om terug te gaan naar de duistere stad der menschen, waar het onrecht woonde, en de leugen, en de schande.
HOOFDSTUK XII.
Den volgenden dag kwam hij in Leliënstad aan. Elias was niet thuis, maar de concierge beneden zeide Paulus, dat hij over een paar uur stellig terug zou zijn, en of hij nu maar zoo lang in de kamer wilde wachten.
Toen hij in het studeervertrek kwam, vond hij op een tafeltje een grooten stapel tijdschriften en couranten, en daarop zijn eigen bundel „Gedichten”, waarvan hij nog geen exemplaar had gezien. Hij begreep, dat dit voor hèm was klaargelegd. Het waren beoordeelingen en artikelen over zijn verzen.
Haastig doorliep hij er een paar, kalm, maar nu en dan met een smartelijken trek op zijn gezicht, als van pijn.