Part 8
In een anderen brief vond hij niets dan een witte, zachte bloem Edelweiss, met een groet, „van de ziel van een zuster,” „aan Paulus.”
Toen hij die lieve, simpele brieven had gelezen, stonden de tranen in zijn oogen, en een blos van geluk kwam over zijn gezicht.
Marcelio begreep niet, wat er in hem omging, en zeide medelijdend:
„Zóó... heeft het succes je zóó van streek gebracht, Paulus?...”
Toen antwoordde Paulus niet, maar hij pakte de papieren zorgvuldig bijeen en ging heen, zonder iets te zeggen, naar zijn eigen, stille kamer.
Dáár bleef hij een langen tijd zitten peinzen over dat onverwachte en zoo bijna onmogelijk vreemde, hoe het boek, dat de teêre droomen bevatte van zijn ziel, zoo geloofd en geprezen werd door het volk van de duistere stad vol onrecht en zonde.
Hij las ze nog eens goed, aandachtig over, die vleiende beoordeelingen van zijn sprookje, door de literaire mannen van het vak, dat zij letterkunde noemen, en met de hem eigen intuïtie raadde hij, dat het grootste deel van dien lof niet uit een zuivere emotie was gekomen, en onwezenlijk was bij de diepgevoelde uitingen in de simpele brieven, die persoonlijk aan hem waren gericht, in een spontane opwelling van dankbaarheid en liefde. Die hoog verheffende aanprijzingen van zíjn kunst, had hij ze óók niet gelezen over boeken, die antipathiek waren aan het innigste van zijn ziel, over het infame tooneelstuk van Wartenau, over al de scabreuse, grof sensueele komedies, die voor een ontaard publiek werden vertoond op de Boulevards? Was het eigenlijk niet een degradatie nu óók een „artiest”, nogwel „in de voorste rij der literatoren”, te worden genoemd, tegelijk met de gedegenereerde decadenten, die hun heiligste goed hadden verloochend voor den groven smaak van het publiek? En wat was hem het kunstige, brillante sonnet van Wederich eigenlijk waard; van hem, die met de Fariseeërs had aangezeten, op zijn borst het schandelijke, blinkende schitter-ding, dat óók nietswaardige en laffe kruipers sierde?
Maar met een afgrijzen, als zag hij diep in zich onrein gedierte rondkruipen, voelde hij tegelijkertijd, dat ondanks die duidelijke gedachten daarover, toch oók een zachte, laffe genoegdoening over het succes hem heimelijk had gestreeld bij de eerste lezing. En nú nog, al vocht hij er tegen, voelde hij dat gevlei weekelijk in hem bewegen. Het was iets verwant aan de charme van Rosita, die hij verwerpelijk wist, en die tóch somtijds weer over hem kwam, zóó sterk, dat hij wel eens bang was te bezwijken en duizelend naar de weeë bekoring te loopen van haar geurige, warme lichaam. Zonder zich bewust te zijn waarom, ontweek hij in den laatsten tijd Elias, eigenlijk omdat hij zich schaamde over den roem en de glorie, die om hem heen waren gekomen. Maar op een goeden dag, midden op een boulevard, kwam hij hem tegen, zoodat hij hem niet meer ontloopen kon.
„—Wel, Paulus,” riep Elias, „heb ik je daar eindelijk weer eens?.... Waarom ben je niet weer eens aangekomen?.... Maar dat is waar, je bent nu de beroemde schrijver, hè.... je bent nu in de vóórste rij der literatoren, enzoovoorts, enzoovoorts.... en nu ben je je oude vrienden maar zoo’n beetje aan ’t vergeten....”
„Neen, dat weet je wel beter,” zeide Paulus, tóch bewust van schuld. „Maar ik had zooveel te doen.... en ik ben aan iets nieuws bezig....”
„—Je hebt een kolossale veine gehad, kerel,” ging Elias door,—„maar kom, loop een eindje meê op.... als je je nu maar goed houdt, dan bèn je er.... een beetje politiek zijn, natuurlijk....”
„—Goed houden.... politiek zijn?....” vroeg Paulus.
„—Nu ja.... je wéét wel.... dat zal je vriend Marcelio je toch óók al wel gezegd hebben—bij de heeren in een goed blaadje blijven.... geen aanstoot geven.... in ’t kort, een fatsoenlijk mensch zijn.... meehuilen met de wolven, en meelachen met de babytjes... Nú, tegenwoordig gáát dat nogal, want er is toch bijna geen strijd meer, en de partijen hebben zich toch zoowat verzoend.... nu maar héél netjes, en dociel, en in den vorm blijven.... dan kòm je er wel.... voorál geen heilige huisjes aantasten, maar je hoed afnemen, als je er voorbijgaat.... op geen verboden plaatsen komen, hoor!.... en liefst de héérschende meeningen zijn toegedaan over dingen van kunst....”
Nú begon Paulus de ironie te voelen in Elias’ stem, en spijtig, bijna boos antwoordde hij:
„—Maar Elias.... hoe kán je zoo spotten?..... je wéét toch wel, dat ik altijd mijzelf zal blijven, dat ik nooit, voor wien of wàt ook, zal buigen, en altijd eerlijk hardop zeggen, of in ’t openbaar schrijven, wat ik meen?.... Waarom spreek je zoo.... Heb je mijn sprookje gelezen?.... Vind je er iets valsch of onecht in?....”
„Neen, Paulus, dát niet.... ja, ik héb je boek gelezen, bij uitzondering, omdat het van jóu was... ik geloof, dat het heel zuiver is en echt.... zóó uit je ziel.... en ik voel het wel mooi óók, als literatuur.... al vind ik het in déze tijden nutteloos, omdat de groote gemeenschap tóch niets heeft aan zulk gedroom.... Maar ik denk niet, dat je ’t altijd zóó zuiver zult kunnen bewaren, tenminste zéker niet als die glorie en die roem óm je blijven.... Die bederven op ’t laatst den beste.... Kijk eens naar Wederich, naar Wartenau, die toch óók ééns zuiver zijn geweest... als je in den smaak wílt blijven, móet je eindigen met water in je wijn te doen....”
„—En als ík het nu eens niet doe.... als ik bij een of andere gelegenheid eens tegen den stroom zou ingaan?....”
„—Wél kereltje, dan zouden diezelfde menschen, die je nú huldigen en je lof zingen, zich niet schamen om, tegen al hun vroeger schrijven in, je voor het grootste prul uit te maken, dat ooit heeft bestaan.... Gebéurde het maar eens, dat zou wel goed voor je zijn.... Dan zou je metéén eens zien, wat een vuile, vooze dingen roem en glorie zijn, en je zoudt je schamen, dat ze ééns je hart hebben gestreeld.... Nú, kijk nu maar niet zoo, gestrééld hebben ze je, dat móet, al is het ook nóg zoo’n beetje geweest.... íets werkt het verraderlijke gif altijd wel uit... Denk nu eens aan Lavelane.... maakt híj zuivere, mooie gedichten.... ja, hé?.... duizendmaal mooier dan ál wat Wederich en Wartenau nu prutselen.... en heeft díe roem of glorie?.... Het ééne tijdschrift scheldt al harder op hem, dan het andere... er is pas weer een artikel tegen hem uitgekomen, in het Zondagsnummer van „De Zon” van gisteren.... het is van professor Lucianus.... den vriend van Duval, een van de redacteuren van „Het Morgenrood,” waar jíj nu eigenlijk óók toe behoort.... een meer perfide en stupide stuk over verzen heb ik zelden gelezen.... Nu, beste vrind, als jij iets doet wat den heeren niet bevalt, gaat het met joú denzelfden kant op.... ze zouden je wel krijgen, al hebben ze je nú ook nog zoo opgehemeld, en ze zouden er wel een draai aan geven, om hun vroeger oordeel van mooi vinden te loochenen of te herroepen.”
HOOFDSTUK VIII.
Gedurende de eerste maanden, die voorbijgingen, kreeg Paulus telkens nieuwe verrassingen over zijn boek, couranten-artikelen, stukken in tijdschriften, particuliere brieven.—
Op een avond kwam Marcelio hem een invitatie brengen van den hoofdredacteur Duval, van „Het Morgenrood”, om deel te nemen aan een der beroemde maandelijksche diners van de redactie. Dit was een groote onderscheiding, zeide Marcelio, want die redactie van „Het Morgenrood”, het eerste en oudste literaire tijdschrift van Leliënstad, was zeer exclusief, en het was een bijzondere eer, in haar kring te mogen aanzitten.
Paulus wilde eerst voor de uitnoodiging bedanken, maar Marcelio zeide hem, dat zijn geheele positie van schrijver er mede gemoeid was. Het zou gelijk staan met zich voor goed onmogelijk te maken, als hij zulk eene invitatie afsloeg. Paulus wilde toch immers van zijn werk leven, en van niemand afhangen? Dan moest hij ook zorgen, dat hij bestaan kon, en de machthebbers niet noodeloos tegen zich maken.—
Er was niets aan te doen, hij móest gaan, als hij niet alles weer wilde bederven. Met een gevoel van zelfverwijt in het hart, alsof hij iets prijs ging geven, schreef Paulus, dat hij vereerd was, van Duval’s vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken.
Den volgenden avond kwam hij, deftig gerokt, het haar gefriseerd door een bekwamen kapper, in het groote Restaurant des Princes, in de Koninginnestraat, waar het redactie-diner van „Het Morgenrood” zou plaats hebben. Hij werd door een buigenden kellner in het gereserveerde zaaltje gelaten, waar hij opeens tusschen een achttal serieuse oude heeren stond. Zij imponeerden hem met grijze haren en baarden, met gouden brillen, en het air van geposeerde gewichtigheid, dat hen omgaf.
„Aha! Daar hebben we onzen jongen prins der droomen,” riep Jacob Duval vroolijk uit, en nam Paulus beschermend bij de hand. „Heeren, mag ik u voorstellen.... Paulus.... den schrijver van het charmante sprookje „De Prins en de Fee”, die ons het genoegen zal doen heden avond met ons aan te zitten.”
Paulus boog.
Hij hoorde een paar bekende namen op het gebied van kunst en wetenschap, met doctors- en professorentitels er voor. Die mannen waren allen grooter van gestalte dan hij, waardoor ze op hem neerzagen, beschermend, vriendelijk, vooral zíj die hem aankeken van achter hun gouden brillen.—En weêr voelde hij zich klein, en minderwaardig, bij zooveel officiëel gewichtigs.
Héél achter zijne verwarring bleef nog een flauw bewustzijn: „Dit zijn de mannen, die Wederich en Lavelane hebben bespot, die gehoond en geschimpt hebben het mooiste en zuiverste,” maar, als om die gedachte onwerkelijk te maken, hoorde hij opeens Duval zeggen: „Nu wachten we nog alléén maar op Wederich, onzen nieuwen mede-redacteur.”—
En juist kwam een bleeke, magere man binnen, onhandig en verlegen, besluiteloos staanblijvend, of hij eigenlijk niet goed verder durfde.
Paulus voelde de tranen in zijn oogen komen van teleurstelling en medelijden. Dit was dan de ideale held van zijn jonge droomen in het Bosch, dien hij had vereerd als een heilige, en nù was hij hier gekomen, om de handen te drukken van de vijanden van het mooiste en innigste uit zijn ziel. Het violette lintje van de orde van de Diamanten Ster was in zijn knoopsgat.
Wederich liep nu schoorvoetend, schuchter als een schooljongen, op al de heeren toe, onderdanig buigend, met iets van een lakei in zijne bewegingen. Toen hij aan Paulus werd voorgesteld, kwam hij meer op zijn gemak, alsof hij voelde, dat hij voor het fijne en teêre in hèm niet bang behoefde te zijn. En hij keek hem vriendelijk, ietwat beschermend aan. Paulus dacht opeens aan al het wondere mooi, dat die man ééns aan zijn ziel had gegeven, en de herinnering aan dat zuivere genot deed hem al het latere vergeten. Eerbiedig boog hij voor de ziel, die altijd nog in dien man moest zijn, en stamelde ontroerd een paar warme woorden van vereering en dank.
Toen gingen de heeren aan een prachtige, van zilver en kristal schitterende tafel zitten, waar achter lakeien in blauw en goud statig wachtten. Paulus werd een plaats aangewezen tusschen Wederich en Duval. Hij voelde zich nog altijd klein en nietig, tusschen al die geleerde, beroemde heeren, maar met een sluimerend bewustzijn, dat er tóch iets in hem was, beter misschien, dan zij allen te samen. Hun stemmen klonken luid en gezaghebbend, en als vuurwerk schitterden hun gesprekken vol geest en gloed. Er werd gesproken over oude wijsheid, die hij niet kende, over boeken, waar hij nooit de titels van had gehoord, over uitvindingen van groote geleerden, die hij niet begreep. Hij was daar maar heel onbeduidend en onwetend bij. Het was allemaal zoo verschrikkelijk deftig en officiëel. Die menschen hadden zulke wijze, overtuigde gezichten, en wisten zoo onnoemelijk veel. En onder al die ontzaglijke dingen van wetenschap en kunst zaten zij als deskundigen met groote kennis van zaken de fijne gerechten te proeven, en ledigden zij gretig de kristallen kelken met fonkelenden wijn. De atmosfeer was zwaar van de geuren van vleesch en wildbraad, en het werd drukkend warm in het zaaltje. De vorken tikkelden voortdurend met een irriteerend geluid op de borden. Rood werden de gezichten der etende geleerden.
Toen dacht Paulus ineens: „Wat heeft dit met mijn ziel te maken?... Wat kan er ooit voor moois uit deze menschen komen, dat mijn ziel kan aandoen?...”
En opeens vond hij het onbegrijpelijk dwaas, dat hij daar zat, hij, met zijn jonge, warme hart, die de grandiose schoonheid had aanschouwd van het Bosch, dáár, tusschen die deftige, gewichtige meneeren, die zoo genoeglijk hun eten zaten te kauwen, pratende over allerlei hooge, edele dingen, die onbestaanbaar leken in dit warme, bedompte zaaltje vol etensgeuren en heete gaslucht. Waar was hij dan toch in Godsnaam toe gekomen?
Er werd weinig acht op hem geslagen. Nu en dan zeide een van de heeren even iets tegen hem, minzaam, uit beleefdheid. Het was al een heele eer, dat hij mede mocht aanzitten. Wàt zij zeiden, waren banaliteiten over het eten en het weer, buiten de sfeer van zijn ziel.
Eindelijk zeide ook Wederich iets, die zwijgend naast hem had gezeten.
„—Ik heb dat sprookje van u zoo mooi gevonden, meneer Paulus.... het heeft me tot een sonnet gebracht.... u heeft dat zeker gelezen...?”
„—Ik dánk u er voor,” antwoordde Paulus zonder warmte, want hij had het vers niet mooi gevonden. Maar inééns dacht hij ook weer aan al het mooie van vroeger, en hartstochtelijk zeide hij, hem ontroerd aanziende:
„Maar nog véél meer dank ik u voor uw eersten bundel „Gedichten” van vroeger.... U wéét niet wat uwe verzen in mijn leven geweest zijn.... hoe ik er over gehuild heb, en hoe ik uw boek altijd bij mij droeg en het ’s nachts zorgvuldig bewaarde onder mijn kussen.... o! en al het mooie toen, in uw tijdschrift „De Lotus”, samen met Lavelane...!”
„Sstt! Sstt!” zeide Wederich. „Dien naam moogt u híer vooral niet uitspreken.... Dat is zijn eigen schuld, hij wil niet met zijn tijd meegaan, Lavelane, en staat nu moederziel alleen, in zijn belachelijk isolement.... Zóó, vondt u mijn eersten bundel „Gedichten” zoo mooi?.... zóó, zóó.... wat wild en wat naïef toch nog.... mijn „Jugendsünden” noem ik ze nu.... iedereen heeft nu eenmaal zoo’n zwarten tijd doorgemaakt....”
Paulus keek hem aan, sprakeloos van verbazing. Hij kon niets meer antwoorden. „Jugendsünden”... „zwarten tijd”.... het gaafste en zuiverste, dat ooit uit die dichterziel was opgeklonken!.... Er was iets hoekigs en straks in Wederich’s gezicht. Het leek Paulus, of er iets in hem dood was. Zijn bleek, tragisch-leelijk hoofd kwam bijna ridicuul uit den hoogen boord op, en zijn magere lichaam deed potsierlijk in den rok.... Het was om te lachen en tegelijk om heel erg te huilen, het vruchtelooze pogen van den eenvoudigen, gewonen man uit het volk om een verfijnde meneer te schijnen.
Naarmate het diner vorderde, werd de stemming onder de heeren vroolijker. Een deftige professor zeide een woordspeling over geslachtelijke dingen, die luid werd toegejuicht. Een ander vertelde iets over de liefde van twee beruchte actrices, die onafscheidelijk waren, en niets van mannen wilden weten. De gesprekken kleurden zich lichtelijk obsceen.
Toen begon Jacob Duval over een nieuw op te richten Academie, waarin enkel poëten zitting zouden hebben, en geen prozaschrijvers of historici. Dit zou iets eenigs zijn in de geheele wereld, een academie van enkel zuivere dichters, uit tien leden hóógstens bestaande. Een luidruchtig debat ontstond over de vraag, wie de tien uitverkorenen zouden zijn. Géén der geleerde mannen was het met een ander eens, wie het eerst van allen in aanmerking zou komen.
Eindelijk zeide Jacob Duval, een ingeving krijgend:
„En u, meneer Paulus, wat denkt ú er van?... U staat nog zoo heelemaal buiten de partijen... en uw oordeel is nog door niets geïnfluenceerd... wie vindt ú nu wel, dat allereerst in aanmerking zou komen van de echte, zuivere dichters?...”
Paulus dacht aan zijn heerlijke avonden in het Bosch, toen hij lag te droomen over de verzen van zijn liefste dichters. En naïef, zonder erg, zeide hij:
„Lavelane!”
Wederich trapte hem waarschuwend op den voet, maar het was te laat. Al de deftige heeren keken, als waren zij beleedigd, vóór zich. Het was of iets onheiligs was opgeklonken tusschen hun heilige eet-ceremonie.
„Bah!... Lavelane,” zei een lange, magere professor verachtelijk.
Jacob Duval trachtte het nog zoo goed mogelijk te maken, en zeide schertsend:
„Maar meneer Paulus... wat is u nog naïef!... weet u wel, dat u een „enfant terrible” bent!...”
Paulus begreep het nog niet goed, en antwoordde zonder erg:
„Lavelane is toch een groot dichter!”
Toen zeide een oude professor, lang-gebaard, met een grimmige uitdrukking op zijn gezicht:
„Lavelane moge een dichter zijn, hij is een man zonder principes, zonder piëteit, die geen eerbied heeft voor wat zijn voorgangers gedaan hebben, en zonder égards, voor wien of wat ook, alles neerhaalt wat officiëel erkend is tot de literatuur te behooren. Er is voor dien man niets heilig.”
„—En bovendien,” zeide Jacob Duval, als om het láátste, dóóddoende argument te geven, „Lavelane is geen heer, geen gentleman, en is niet iemand met wien je bijvoorbeeld aan tafel zoudt kunnen zitten, en dien je in gezelschap zoudt kunnen presenteeren.”
Paulus zweeg, verbaasd, tè overweldigd door zooveel onrechtvaardigheid, om nog iets te kunnen zeggen. Geen heer, geen gentleman voor dat gezelschap van oude, wijze geleerden, die zich amuseerden met schuine, obsceen getinte anecdotes over geslachtelijke dingen!
En Wederich, ééns Lavelane’s beste vriend, hij bleef zitten of er niets gebeurd was, en uitte géén enkel ridderlijk woord om hem te verdedigen! Hij zat daar, „heer” geworden jongen uit het volk, potsierlijk in zijn veel te wijden rok, het lintje glimmend in zijn knoopsgat, heulend met zijn vroegere vijanden, waar zijn groote, beste vriend werd beschimpt.
En hier, in déze bende zou híj nu óók moeten treden; met déze menschen zou hij óók moeten omgaan, nederig en onderdanig, om óók te mogen behooren tot de officiëele letterkunde van beschaafde, erkende schrijvers, en er geld mede verdienen, om te kunnen bestaan? Hij vergat alles, wat Elias hem gezegd had, en voelde een onweêrstaanbaren drang in zich opkomen, om zijne verontwaardiging te uiten. Het kropte nog te veel in hem op, en het duurde geruimen tijd eer hij iets zeggen kon.
Totdat een van de professoren opstond, en met hoog-geheven champagnekelk een toast uitsprak op Wederich, den nieuwbenoemden redacteur van „Het Morgenrood.” Hij wees er op, hoe Wederich in den loop der tijden zijn vroegere onrecht had leeren inzien, en zich thans ridderlijk verzoend had met wie vroeger zijn vijanden waren, zóó oprecht zelfs, dat hij nu het redacteurschap had aanvaard van hetzelfde tijdschrift, dat hij vroeger zoo fel had bestreden. Thans, nu hij zich bevrijd had van den verderfelijken invloed, dien de literaire anarchist op hem had uitgeoefend, die zich Lavelane noemde....
Hier kon Paulus zich niet langer bedwingen. Bevend van verontwaardiging stond hij op, en riep met luide stem over de tafel:
„—Zeg liever, thans, nu hij zijn besten vriend en zijn heiligste gevoelens heeft verraden, professor!.... Lavelane is de grootste dichter dien wij bezitten, en hij staat dáárom alléén, omdat hij niet mede wil knoeien met de groote, officiëele bende.... Wat heeft dit eet- en drinkgelag met de literatuur te maken, dit vráág ik u...? ik scháám mij hier aan te zitten met mannen, die het heiligste, wat de literatuur bezit, durven beschimpen!....”
Hij gooide het glas, dat vóór hem stond, aan stukken, en liep ziedend van drift de zaal uit, terwijl de deftige geleerden van de officiëele literatuur, als door den bliksem getroffen, bleven zitten, en elkaar wezenloos aanstaarden van opperste verbazing over zóó iets fabelachtigs en ongehoords....
Buiten gekomen, haalde Paulus diep adem. Dat deed goed, die frissche, koude avondlucht na de bedompte eet-atmosfeer van de zaal. Hij voelde zich van een grooten druk bevrijd, nu hij het eindelijk gezegd had, en hij schaamde zich diep, dat hij werkelijk een tijd had kunnen buigen voor de onwaardige bende, uit klein, benepen eigenbelang. Hij had geld verdiend met zijn boek, en hij zou nóg meer geld verdienen, naarmate het meer verkocht werd. Hij was nu ook beroemd, en ieder kende zijn naam. Maar gebógen had hij; en al had hij positief niets slechts gedaan, negatief had hij gehuicheld, door onderdanig te wezen tegenover de machthebbers en het poenendom.
Maar nú was hij dan vrij, eíndelijk, eíndelijk vrij! Nu zouden ze hem beschimpen, en bekladden en uitstooten, maar vríj wás hij. Zijn werk zou nu wel worden afgebroken, het debiet van zijn boeken zou dalen, en dan zou hij misschien wel ééns moeten hongerlijden, .... maar o! vríj zou hij toch zijn en blijven! Was het dan niet beter en heerlijker, om ellendig te zijn mèt de verdrukten, mèt de verworpenen, en de afgetobde hoeren van de straat, dan rijk en beroemd te wezen met de onwaardige usurpateurs van de literatuur, die het heiligste goed verzaken voor wat glorie en wat geld?
Op zijn kamer teruggekomen zocht hij al de critieken en besprekingen over zijn boek bij elkaar, verscheurde ze alle, maakte er een grooten hoop papier van, en wierp het pak in den haard. Met een innig genoegen zag hij de mooie vlammen er uit opslaan. Daar gingen de lof en het opgehemel en het gevlei van de verdorven, vijandige bende, die hem bíjna vergiftigd had door haar zoet gefluit. Wát kon het waard zijn geweest, het kunstige sonnet van Wederich „Aan de Reinheid,” het lange, geleerde artikel van Jacob Duval, die hem met Dante had vergeleken, en al die andere prullen van de officiëele machthebbers méér, als niet één van hen in staat was, het valsche van het echte te onderscheiden? Wederich, de verrader, de kunstige rijmelaar van nú, gevierd en geëerd, en Lavelane, de éénige die zijn ziel had rein gehouden, beschimpt en gehoond! En hoe had hij, Paulus, dan den lof van die schennende bende kunnen aanvaarden? Hij rilde van schaamte over dit denkbeeld.