Legenden en Romances van Spanje

Chapter 7

Chapter 73,733 wordsPublic domain

Daarna kwam het samentreffen tusschen Antolinez en den anderen Infant. Beiden braken zij hun lans op het schild van de tegenpartij. Toen trokken zij de zwaarden, en renden op elkander in. Antolinez deed met Colada zulk een geweldigen uitval naar Diego, dat het scherpe zwaard de stalen helm middendoor sneed, en een gedeelte van het hoofdhaar van Diègo medenam. De verschrikte prins wendde zijn paard en vluchtte, maar Antolinez vervolgde hem met voorgewende woede, en sloeg hem met het vlakke zwaard tusschen de schouders. Zóó kreeg de lafaard de straf der laffen. Toen Diègo de aanraking van het zwaard voelde, begon hij luidkeels te schreeuwen, gaf zijn paard de sporen en sprong over de omheining van het strijdperk, hiermede, volgens de regelen van het gevecht, zich gewonnen gevende.

Toen de trompetten der herauten schalden, stormden Muño Gustioz en Asur González op elkander in. De punt van Asurs speer gleed af op de wapenrusting van Muño, maar de speer van den kampioen van den Cid doorboorde het schild van zijn tegenstander en ging door diens borst heen, zoodat zij meer dan een vadem uit zijn schouderbladen stak. De trotsche Asur viel met een doffen slag ter aarde, maar had nog kracht genoeg, om genade te smeeken.

Toen verklaarde de Koning plechtig, dat de kampioenen van den Cid de overwinning hadden behaald, en zonder tijd te verliezen, reden zij naar Valencia terug, om hun meester op de hoogte te brengen van het blijde bericht, dat zijn eer gewroken was.

Spoedig daarna werd met groote praal het huwelijk voltrokken van de dochters van den Cid met de edele Infantes van Navarra en Arragon. De Poema del Cid eindigt echter even plotseling als zij begon:

Zoo kwamen bei zijn dochters dus tot groote eer en macht, En op den troon van Spanje zit zijn roemrijk nageslacht. Steeds grooter werd zijn eedle naam, roemruchtiger zijn zwaard, Tot op een schoonen Pinksterdag hij scheidde van deez' aard. Voor Christus, die Zijn zegen gaf, buig 'k mij ootmoedig neer, Zóó leefde de Campeador, zijn grooten naam zij eer!

DE WARE CID.

De bewerking, die Cervantes geeft van de Poema del Cid is misschien wel de beste, die in deze soort bewaard is gebleven. Stellig heeft de Cid geleefd; wat doet het er toe, of hij inderdaad zoo edelmoedig was? Want de Cid uit de romance is een totaal verschillende persoonlijkheid van den historischen Cid, die wel is waar een geboren leider, maar een slim, gewetenloos en wreed man was. De Poema is dus een romance, gebaseerd op de historie, en daar dit boek handelt over de romance en niet over geschiedenis, heeft het weinig zin den lezer te vergasten op een beschrijving van den waren inhaligen Roderigo van Bivar. »Mio Cid«, de naam, waarmede hij meestal wordt aangeduid, is een half Arabische, half Spaansche vertaling van het Arabische »Sid-y«--»Mijn Heer«, onder welken naam hij waarschijnlijk bekend was bij zijne Moorsche onderdanen in Valencia, en het is niet waarschijnlijk, dat hij bij zijn leven zoo werd genoemd in Spanje. Maar nog in deze tijden gaat er in het Schiereiland een zekere betoovering uit van dien naam. Zoolang het hart van den Brit sneller klopt, wanneer de naam van Koning Arthur genoemd wordt, en de Franschman ontroerd wordt door den naam van Roland, zoolang zal de Spanjaard de romantische schim vereeren, die als een machtig oorlogsgod zweeft boven de vroegste geschiedenis van zijn vaderland,--den Cid Campeador.

HOOFDSTUK III. »AMADIS DE GALLIËR«.

Op tooverheuvel staat een heerlijk slot; Betreed met mij de lichte tooverpaden, Waarop ééns jonkvrouwen en ridders traden; Beklim den heuvel, want u wacht een hoog genot: Uw blik zal waren langs de schoone dreven, De wegen, waar nog zweeft gestorven heerlijkheid Van roem en glorie uit den schoonen tijd, Die in aloude verzen is beschreven.

De wapenrusting glinsterend in teere kleuren, Vergeten schimmen uit het licht verleden, Verbleekte flarden van veroverde banieren, Doordrongen van de onsterfelijke geuren Van d'ouden tijd! O, kom met mij getreden: De Moorsche Fantasie gaat hoogtij vieren!

Menig venster in het aloude kasteel van de Spaansche Romantiek geeft het uitzicht op tafereelen van fantastische schoonheid of sombere grootschheid, maar geen enkel verschaft ons zulk een schitterend afwisselend en kleurrijk vergezicht, als het hooge torenvenster, van waaruit wij die omgeving van wonderen en hooge ridderlijkheid kunnen aanschouwen, waar de beroemde geschiedenis van den dapperen Amadis den Galliër zich heeft afgespeeld. Het venster, waarvan hier sprake is, bevindt zich in een hoogen toren van een eeuwenoud kasteel en toont ons de soort van landschap, die de wevers van oude tapijten, of de fantastische schilders van het oude Florence zoo lief hadden. Beneden ons ligt een vorstelijk domein van heerlijk weiland, waar zilveren beekjes doorheen stroomen; naar het Noorden toe verrijzen heuvels, waarop kasteelen gebouwd zijn. Daarachter, ver verwijderd, en meer gelijkend op lucht dan op aarde, verheffen zich de blauwe, scherp geteekende toppen van spookachtige bergen. Dit schouwspel van bijna bovennatuurlijke schoonheid geeft bij den eersten aanblik den indruk van onvergelijkelijken rijkdom van kleur en schittering. Het weiland is bezaaid met Moorsche tenten, en tegen de lucht teekenen zich de heldere kleuren van wimpels en de gouden pracht van banieren af. Het geschitter der wapenen prikkelt het bloed, evenals het geschal der krijgsmuziek. Wonderbaarlijke marmeren paleizen, wit als gebeeldhouwd ijs, verrijzen aan de grens van tooverachtige bosschen, of glinsteren op een vooruitspringende vlakte van het gebergte, en hunne tuinen en terrassen loopen schuin af naar een stil en eenzaam strand. Het tooneel is inderdaad »schoon als een stukje van het Paradijs.«

Zóó schijnt ons het verhaal van Amadis toe, wanneer wij voor het eerst bladeren in dit levendige en kleurige boek. Maar wanneer wij, met behulp van den tooverspiegel van den romancedichter, er een dieperen blik in slaan, dan zien wij, dat op sommige plaatsen het heldere tooneel in diepe schaduwen ligt. Naast de lichte heuvelen liggen diepe bergklooven, donker als de nacht, waarin allerlei monsters krioelen en zich vermenigvuldigen. De vorstelijke kasteelen, de lichte paleizen, herbergen dikwijls vogelvrije roovers en booze toovenaars. Afschuwelijke reuzen wonen in de bergen of op de boschrijke eilanden, die uit de lichtblauwe zee verrijzen, en draken bevolken de rotsen en bosschen. Maar al bevat het gedicht sombere naast lichte gedeelten, de atmospheer van Amadis is doortrokken van zulk een glans, dat wij eindigen met ook de donkere plaatsen lief te krijgen; wij gevoelen, dat de gruwelen, die zij bevatten, slechts een sterker product zijn van den wijnstok der romantiek, een bijzondere oogst, die bedwelming geeft.

En wanneer wij tot aan het vallen van den avond op onze observatiepost blijven, en de tooverachtige maansbelichting van deze wonderbare streek aanschouwen, dan zal ons een nog bezielender drank worden toegereikt uit den beker der romantiek. In het geheimzinnige maanlicht glinstert de wapenrusting als zilver in een bovenaardsche blankheid; bloedroode lichten stralen uit de torenkamers der toovenaars, en de bevallige gestalten van nymphen dwalen tusschen zee en bosch als levende manestralen. Uit de woestijnen tusschen de heuvelen en de ver verwijderde bergen, komen de kreten van roofzuchtige monsters, en de geheele fantastische wereld van Toovenarij is tot leven ontwaakt.

Is het dan een wonder, dat, toen dit heerlijke schouwspel aan de oogen van een volk van ridders werd geopenbaard, er zulk een geestdriftig gejuich opging, als waarmee slechts weinig voortbrengselen der letterkunde begroet werden? De schrijver van Amadis ontsluierde voor de ridderschap van Spanje die wereld, waarvan zij gedroomd had. Elke ridder voelde in zich de mogelijkheid van een Amadis en iedere jonkvrouw vond in zichzelf de eigenschappen van een Oriana. De geest en de stemming van het boek veroverden de Spaansche ziel volkomen, verbonden grovere idealen, en schiepen een nieuw wetboek van gebruiken en opvattingen. De intrige van het verhaal en de verschillende gebeurtenissen, die er uit voortkomen, zijn een samenhangend geheel en niet slechts een opsomming van afzonderlijke krijgsverrichtingen, of vervelende beschrijvingen van kleederen, uitrustingen of architectuur, afgewisseld door het gebluf van ruwe ridders of breedsprakige koningen, zooals dat bij de Cantares de gesta het geval was geweest. Daarenboven was het geheel doorweven met de liefdes-philosophie van ridderlijkheid, volgens welke de vrouw, inplaats van het eigendom of een stuk speelgoed van den man te zijn, werd verheven tot een oppermachtig voorwerp van vereering, zooals dat nooit gedroomd was door de ruwere dichters der Cantara.

DE OORSPRONG DER »AMADIS«-ROMANCES.

De eerste Spaansche lezing van Amadis verscheen in een Portugeesch kleed en was het werk van een Lusitaansch ridder, Joham de Lobeira (1261-1325), die te Porto geboren werd, te Aljubarrota streed, waar hij door Koning Joham, zaliger nagedachtenis, op het slagveld tot ridder werd geslagen, en die te Elvas stierf. Maar al beweert Southey het tegendeel, alles wijst er op, dat Frankrijk de bakermat was van deze romance, en er wordt in de Portugeesche literatuur zelfs melding gemaakt van de omstandigheid, dat een zekere Pedro de Lobeira, Amadis uit het Fransch vertaalde, in opdracht van den Infant Don Pedro, den zoon van Joham I. Het oorspronkelijke Fransche verhaal is volkomen verloren gegaan, maar de Spaansche vertalingen, die er uit voortkwamen, bleven behouden, en ook de Portugeesche uitgaven zijn niet bewaard gebleven. Het is bekend, dat een handschrift van Lobeira's romance reeds in het eind van de zestiende eeuw in de archieven der Hertogen van Arveiro te Lissabon gevonden werd, en daar ook nog aanwezig was in 1750. Na dit tijdstip echter werd het door de boekenverzamelaars uit het oog verloren, en alles wijst er op, dat het vernietigd werd bij de aardbeving van Lissabon in 1755, tegelijk met het hertogelijk paleis, waarin het bewaard werd.

Zijn roem en zijn inhoud bleven echter behouden door de Spaansche vertaling; wij moeten Portugal beschouwen als het geboorteland van Amadis in het Schiereiland, en wij hebben het te danken aan den Castiliaanschen geest, dat deze romance ons niet alleen bewaard bleef, maar dat dit waarschijnlijk zelfs geschiedde in verbeterden vorm. In de jaren tusschen 1492 en 1508 wijdde Garcia Ordoñez de Montalvo, gouverneur van de stad Medina del Campo, zich aan de taak, de romance te vertalen en om te werken. Het is niet bekend, wanneer het werk gedrukt werd; de eerste exemplaren zijn verloren gegaan, maar men zegt, dat de Spaansche veroveraars van Mexico getroffen waren door de gelijkenis dezer stad met de betooverde plaatsen, waarover in Amadis gesproken werd. Dit was in 1519 en niet in 1549, zooals Southey vermeldt. Misschien hadden zij het oog op de Portugeesche vertaling, maar in ieder geval is het bekend, dat er in 1519 een uitgave verscheen, en in 1547 een tweede in Sevilla. Wij hebben elders reeds vermeld, dat deze romance in alle talen werd overgebracht, en dat verschillende dichters er een vervolg op schreven, maar wij moeten er bijvoegen, dat slechts de eerste vier boeken van Amadis (dus de oorspronkelijke Amadis) door Montalvo zijn geschreven; de rest is van de hand van anderen.

ELISENA EN PERION.

De handeling der romance begint op een duister en onbepaald tijdstip, dat volgens de beschrijving, onmiddellijk valt na den dood van den Verlosser, toen er in Brittanje een Christelijk Koning leefde, Garinter genaamd, die gezegend was met twee bekoorlijke dochters. De oudste, bekend als »de vrouw met de guirlande«, omdat zij steeds een bloemenkrans droeg, was eenige jaren tevoren in het huwelijk getreden met Koning Languines (Angus) van Schotland, en zij had twee mooie kinderen, Agrayes en Mabilia. Elisena, de jongste dochter, was over de geheele Christelijke wereld beroemd om hare schoonheid, maar ofschoon vele machtige koningen en prinsen om hare hand hadden gedongen, wilde zij niemand huwen, en wijdde zij haar leven aan heilige werken. Volgens de opvatting van alle ridders en edelvrouwen van haar vaders Koninkrijk, overtrad deze bekoorlijke jonkvrouw door ongehuwd te blijven, alle wetten der liefde, en het geschiedde, dat de schoone en heilige Elisena door de meer wereldschen onder de vroolijke ridderschap, werd aangeduid als de »Verloren Kwezel.«

Zooals Elisena voldoening vond in een gestreng leven, zoo vond haar koninklijke vader vreugde in de jacht, en hij bracht veel tijd door in de groene bosschen, die in die dagen het grootste gedeelte van Klein-Brittanje bedekten. Bij één van deze gelegenheden, toen hij, zooals dat zijn gewoonte was, geheel alleen door de bosschen reed, hoorde hij wapengekletter, en toen hij bij een open plek in het bosch kwam, vanwaar de klanken van den strijd kwamen, zag hij twee Britsche ridders, die een gewapenden vreemdeling aanvielen, in wien hij, afgaande op zijn houding en wapenrusting, een man van rang en hooge geboorte vermoedde, en die zich met zulk een moed en behendigheid gedroeg, dat het hem gelukte, zijne beide tegenstanders te verslaan.

Toen de vreemdeling bezig was, zijn zwaard in de scheede te steken, ontdekte hij Garinter, reed op hem toe en groette hem op hoffelijke wijze. Hij beklaagde zich erover, dat een dolende ridder in Christelijk Spanje, zóó door de bewoners behandeld kon worden, als dit met hem het geval was geweest, waarop de Koning zeer verstandig antwoordde, dat er in ieder land goede en slechte menschen gevonden werden, en dat de verslagen ridders hun leenheer ontrouw waren, en hun lot hadden verdiend.

De vreemdeling deelde toen mede, dat hij op weg was naar den Koning van Brittanje met berichten van een vriend, en toen de Koning dit hoorde, maakte hij zich bekend. De ridder vertelde hem, dat hij Koning Perion van Gallië was, die reeds lang gehoopt had, vriendschap met hem te sluiten. Garinter drong er op aan, dat zijn vorstelijke ambtgenoot hem naar zijn paleis zou vergezellen, en toen Perion hierin toestemde, keerden zij naar de stad terug.

Toen zij in het paleis waren aangekomen, werd er een kostelijk feestmaal aangericht, waarbij de Koningin en Prinses Elisena aanzaten. Nauwelijks hadden Elisena en Perion elkander aanschouwd, of zij gevoelden, dat een groote en onsterfelijke liefde zich van hen had meester gemaakt. Toen de Koningin en de Prinses de feestzaal hadden verlaten, stortte Elisena haar hart uit bij haar dienstmaagd en vertrouweling Darioleta, en zij vroeg haar, te onderzoeken, of de Koning reeds gehuwd was. Darioleta, die niet spoedig uit het veld was geslagen, begaf zich regelrecht naar Perion, die zijn liefde voor Elisena in hartstochtelijke bewoordingen bekende, en beloofde, haar tot vrouw te nemen. Hij smeekte de dienstmaagd, hem bij Elisena te brengen, opdat hij het geluk mocht smaken, haar persoonlijk zijn liefde te verklaren. Darioleta keerde tot de Prinses terug met deze boodschap, en Elisena was zóó verlangend, zelf van Perions lippen de bekentenis zijner liefde te hooren, dat zij, niet denkende aan plaats of uur, zich naar zijne vertrekken begaf, waar zij bleef tot aan de morgenschemering, teruggehouden door zijne liefdesbetuigingen en door haar eigen verlangen, het bewijs harer liefde te geven aan den edelen en ridderlijken vorst, die zoo plotseling erin geslaagd was, haar ervan te overtuigen, dat haar vroeger leven kleurloos en droefgeestig was geweest. Tien dagen bleef Perion aan het Hof van Garinter, toen moest hij weer vertrekken; maar voordat hij afscheid nam, gaf hij zijn woord aan Elisena, wie hij één van de twee volkomen gelijke ringen, die hij droeg, als pand gaf van zijn trouw. Hoe hij echter zocht, hij kon zijn zwaard niet vinden, een beproefd en betrouwbaar wapen, en tenslotte gaf hij het op, ernaar te zoeken.

DE GEBOORTE EN HET VERSTOOTEN VAN AMADIS.

Na het vertrek van haar minnaar was Elisena diep bedroefd, en Darioleta slaagde er niet in, haar te troosten en haar op te wekken uit den toestand van wanhoop, waarin zij vervallen was. In het rijk van haar vader bestond, evenals in het moderne Schotland, een oude wet, die bepaalde, dat twee menschen, die zich door een plechtigen eed aan elkander hadden verbonden, geen verdere formaliteiten noodig hadden om hun huwelijk te wettigen, ofschoon het gebruikelijk was, dat het later door Kerk en Wet bekrachtigd werd. Perion en Elisena hadden elkander deze plechtige gelofte gedaan, maar de Prinses vreesde den toorn van haar vader, omdat de gelieven hem geen toestemming hadden gevraagd, en toen haar dus een zoontje geboren werd, was zij in grooten angst voor de gevolgen, want zij kende haar vader als een trotsch en driftig man, die in staat was tot het nemen van ernstige maatregelen, voordat hij zich op de hoogte had gesteld van de waarheid. Maar de wereldsche en schrandere Darioleta was niet kieskeurig in hare middelen om haar meesteres en zichzelf te vrijwaren voor de woede van den Koning, en ondanks de tegenwerpingen van Elisena, die te zwak was om het te beletten, bouwde zij een kleine houten ark, maakte die waterdicht met teer, en zonder te letten op de tranen en klachten harer meesteres, plaatste zij het pasgeboren jongetje erin, met het zwaard van Perion, dat zij uit zijn slaapvertrek had weggenomen. Toen schreef zij op een stuk perkament: »Dit is de Koningszoon Amadis«, bedekte dit geschrift met was, zoodat de letters niet konden worden uitgewischt, bond het aan den trouwring, dien Perion aan Elisena had gegeven, en hing het aan een zilveren koord om den hals van het kind. Toen droeg zij het kleine vaartuig voorzichtig en ongemerkt naar de rivier, die langs den tuin van het paleis stroomde, en vertrouwde het toe aan de kabbelende golfjes van het diepe water.

De kleine ark dreef vlug naar de zee, die slechts een halve mijl van het paleis verwijderd was, en nauwelijks was zij opgenomen door de golven, of zij werd ontdekt door de bemanning van een Schotsch schip, waarmede een Caledonische ridder, Gandales genaamd, uit Gallië naar zijn Noordelijk vaderland terugkeerde. Op zijn bevel zetten de zeelieden een boot uit, en toen zij het kleine vaartuig gegrepen hadden, brachten zij het naar het schip. De echtgenoote van Gandales was zóó verrukt over de schoonheid van het kind, dat zij besloot, het als haar eigen aan te nemen. Eenige dagen later voer het schip de Schotsche haven Antalia [19] binnen, en Gandales bracht den kleinen Amadis naar zijn kasteel, waar hij hem opvoedde met zijn eigen zoontje Gandalin.

Eenigen tijd daarna, toen Amadis ongeveer vijf jaren oud was, brachten Languines, de Koning van Schotland, en zijn Koningin, »de Vrouw met de Guirlande,« een bezoek aan het kasteel van Gandales, en zij waren zoo bekoord door de bevalligheid en schoonheid van Amadis, dat zij den wensch uitdrukten, hem als hun eigen kind aan te nemen. Gandales vertelde hun, wat hij van de geschiedenis van het kind wist, en het koninklijke paar beloofde hun, het geheel als hun eigen zoon te beschouwen. Amadis was, om de merkwaardige omstandigheden, waaronder hij gevonden was, bij iedereen bekend als »het Kind van de Zee,« en deze naam bleef aan hem verbonden, totdat zijn identiteit volkomen bewezen was. Hij toonde geen tegenzin zijne nieuwe beschermers te volgen, maar hij was wel bedroefd, omdat hij zijne pleegouders verlaten moest. De kleine Gandalin wilde echter volstrekt niet van hem gescheiden worden, en hij smeekte zóó hen samen te laten, dat Koning Languines tenslotte beide jongens met zich medenam.

PERIONS DROOM.

Laat ons nu terugkeeren tot Koning Perion. Hoewel hij weer in beslag genomen werd door staatszaken, voelde hij zich toch bezwaard van ziel om een droom, dien hij gehad had tijdens zijn verblijf aan het Hof van Garinter. In dien droom was iemand zijn slaapvertrek binnengekomen, had een hand in zijn borst gestoken, zijn hart er uitgenomen en dat in de rivier geworpen, die langs den tuin van Koning Garinter stroomde. Toen hij in zijn angst gilde, zeide een stem, dat hem nog een hart was overgebleven. Hij werd verontrust door de herinnering aan dezen droom, dien hij niet kon ontraadselen, en dus riep hij alle wijzen van zijn koninkrijk te zamen en verzocht hen te beproeven, een verklaring ervan te vinden. Slechts één van hen kon den droom uitleggen, en de wijze verzekerde hem, dat het hart, dat hem uit de borst was gerukt, een zoon was, die hem door een edele jonkvrouw was geboren, terwijl het tweede hart een andere zoon beteekende, die op een of andere wijze zou worden weggenomen tegen den wil van haar, die zich van het eerste kind had ontdaan. Toen de Koning terugkwam van den wijzen man, ontmoette hij een geheimzinnige jonkvrouw, die hem groette, en zeide: »Weet, o Koning Perion, dat wanneer gij uw eigendom terugkrijgt, het Koninkrijk Ierland zijn schoonste bloem zal verliezen«, en voordat de Koning haar terug kon houden om haar te ondervragen, was zij verdwenen.

Na verloop van tijd stierf Koning Garinter, en Perion en Elisena traden in allen vorm in het huwelijk. Maar toen Perion zijn vrouw vroeg, of zij hem een zoon had geschonken, schaamde zij zich zoo over de rol die zij gespeeld had bij de verdwijning van het kind, dat zij alles loochende. Later werden hun twee mooie kinderen geboren, een zoon en een dochter, Galaor en Melicia genaamd. Toen Galaor nog slechts twee en een half jaar oud was, wandelden de Koning en de Koningin, die in dien tijd in de stad Banzil, in de nabijheid der zee woonden, eens in de tuinen van het paleis, toen er plotseling een geweldige reus uit de golven verrees, den kleinen Galaor greep, en zich met hem uit de voeten maakte, voordat iemand het kon verhinderen.

Het monster sprong met het kind te water, klom aan boord van een schip, waarmede hij snel zee koos, en riep triomfantelijk uit: »De jonkvrouw heeft de waarheid gesproken!« De ouders waren diep bedroefd over het verlies van hun zoon, en in haar groot verdriet bekende Elisena het gebeurde met Amadis. Nu wist Perion, dat de wijze de waarheid had gezegd, toen hij zijn verklaring van den droom over de twee harten had gegeven. De reus, die den kleinen Galaor gestolen had, was echter geen kwaadaardig monster, doch een edelmoedig en vriendelijk schepsel. Hij zorgde voor het kind, alsof het één van zijn eigen reuzengeslacht ware geweest.

Hij woonde te Lyonesse, was bekend onder den naam van Gandalue, en bezat twee kasteelen op een eiland in de zee. Hij had dit eiland bevolkt met Christenen, en gaf den kleinen Galaor in de hoede van een vromen kluizenaar, met het uitdrukkelijk bevel, hem op te voeden tot een dapper en trouw ridder. Hij vertelde den kluizenaar, dat een jonge vrouw (dezelfde die de geheimzinnige woorden tot Koning Perion gesproken had, en die een machtige toovenares was), hem had gezegd, dat slechts een zoon van Perion zijn aartsvijand zou kunnen verslaan, den reus Albadan [20], die zijn vader gedood had en hem de rots Galtares had ontstolen. En zoo werd Galaor opgevoed door den kluizenaar.

ORIANA.