Legenden en Romances van Spanje
Chapter 8
Ongeveer in denzelfden tijd landde Koning Lisuarte van Brittanje in een Schotsche haven, waar hij met veel eerbetoon ontvangen werd door Koning Languines. Lisuarte had zijn echtgenoote Brisena en zijn bekoorlijk dochtertje Oriana bij zich, het schoonste schepseltje ter wereld; en omdat zij zoo'n last van zeeziekte had, besloten de ouders haar eenigen tijd aan het Schotsche Hof te laten. Amadis was nu twaalf jaren oud, maar hij leek wel vijftien, zóó groot en forsch was hij, en de Koningin stelde hem aan als page van Oriana, die zeide, dat zij »dit prettig vond«. Amadis koesterde deze woorden in zijn hart, zoodat hij ze nimmer meer kon vergeten. Maar hij wist niet, dat Oriana hem lief had, en hij had groot ontzag voor dit lieve en ernstige kleine meisje, voor wie hij zulk een diepe genegenheid opvatte. De stille liefde, die deze kinderen elkander toedroegen, was aandoenlijk schoon, maar zij bleef onuitgesproken, want Amadis was zeer bescheiden en Oriana was een ingetogen meisje.
In het hart van Amadis ontwaakten hooge gevoelens van ridderlijkheid, zoodat hij ten slotte Koning Languines verzocht, hem tot ridder te slaan. Languines was zeer verbaasd, dat deze jongen verlangde naar een eer, die hem zulke zware verplichtingen zou opleggen, maar hij ging op het verzoek in, en gaf bevel, dat er wapens voor hem gesmeed zouden worden. Hij zond Gandales, den ridder die hem in zee gevonden had, het bericht van de plannen van den jongen, en Gandales stuurde een afgezant naar het Hof, met het zwaard, den ring en het perkament, die hij in de ark had gevonden bij den kleinen zeevaarder.
Deze zaken werden Amadis als zijn eigendom ter hand gesteld, en toen hij dit alles aan Oriana toonde, vroeg zij hem de was, die het perkament voor bederf bewaarde, niet wetende, dat het een gewichtig document was, en natuurlijk gaf hij het haar. Korten tijd daarna bracht Koning Perion een bezoek aan Languines, om hem zijn hulp te vragen tegen Koning Abies van Ierland, die Gallië was binnengevallen met zijn geheele strijdmacht. Daar Amadis wist, welk een grooten naam Perion had als krijgsman, wilde hij liefst door zijn hand tot ridder worden geslagen, en hij vroeg de Koningin, hierin zijn voorspraak te zijn. Maar zij was bedroefd en afgetrokken en lette niet op zijn vraag. Hij vroeg Oriana naar de oorzaak dezer droefheid, en zij antwoordde: »Kind van de Zee, dit is de eerste vraag, die gij mij ooit gedaan hebt.«
»Ach jonkvrouw«, zeide Amadis, »ik ben niet waard iets te vragen aan iemand zooals gij.«
»Wat?« riep zij uit, »is uw hart zóó zwak?«
»O, jonkvrouw«, antwoordde hij, »het is te zwak in alles wat u betreft; maar het zou u willen dienen, alsof het uw eigendom was.«
»Mijn eigendom«, zeide Oriana verward, »en sedert wanneer?«
»Sinds gij »het prettig vondt«, antwoordde Amadis met een glimlach. »Weet gij niet meer, dat dit uwe woorden waren, toen de Koningin mij voor uw dienst bestemde?«
»Ik vind het heerlijk, dat het zoo werd geschikt«, zeide Oriana verlegen; en daar zij zag, dat Amadis zeer ontroerd was door haar allerliefst antwoord, sloop zij weg, om de Koningin naar den reden van haar droefheid te vragen.
De Koningin vertelde haar, dat zij treurig was, omdat vijanden het Koninkrijk harer zuster Elisena waren binnengevallen, en Oriana keerde tot Amadis terug en legde hem uit, waarom de Koningin niet op zijn vraag had gelet. Daarop gaf Amadis als zijn wensch te kennen, naar Gallië te gaan, om tegen de Iersche overweldigers te strijden, en Oriana juichte dit plan met geestdrift toe. »Gij zult als mijn ridder ten strijde trekken,« zeide zij eenvoudig en lieftallig. Amadis kuste haar hand, en verzocht haar, Prinses Mabilia, Perions dochter (en dus de zuster van Amadis) te vragen, er op aan te dringen, dat haar vader Amadis tot ridder zou slaan. Het meisje beloofde hem dit, en Koning Perion was zeer ingenomen met den vurigen wensch van den jongeling, het beroep van krijgsman te volgen. Hij verzocht hem dus te knielen, gaf hem den ridderslag, bevestigde de ridderlijke sporen aan zijne hielen, en gordde hem het zwaard aan.
AMADIS TREKT OP AVONTUUR UIT.
Amadis besloot, dadelijk op weg te gaan naar Gallië, en dus nam hij teeder afscheid van Oriana, en verliet, begeleid door zijn pleegbroeder Gandalin, tegen den avond het paleis. Zij hadden nog niet lang gereden, of zij ontmoetten de geheimzinnige toovenares, die, zooals wij gezien hebben, zulk een levendig belang stelde in het lot van onzen held, en wier naam Urganda was.
De fee groette Amadis bijzonder vriendelijk en gaf hem een lans ten geschenke, zeggende, dat deze binnen drie dagen »het huis, waaruit hij was voortgekomen, voor ondergang zou behoeden.« Zij was vergezeld van een jonkvrouw, en toen Urganda vertrokken was, bleef deze bij hem, en zeide, dat zij drie dagen met hem zou medereizen, en dat zij gewoonlijk niet bij de toovenares was, maar haar nu toevallig had ontmoet. Zij hadden nog niet ver gereden, toen zij bij een kasteel kwamen, waar zij een schildknaap hoorden jammeren, dat zijn meester daarin bedreigd werd door de bewoners. Amadis spoedde zich naar het voorplein, en ontdekte Koning Perion, die zich heldhaftig verdedigde tegen twee ridders en eenige soldaten. Met een kreet van woede viel Amadis de belagers aan, zwaaide zijn zwaard in alle richtingen, en deelde zulke hevige slagen uit, dat de verachtelijke ridders, die den Koning hadden aangevallen, gedood werden, en dat hunne volgelingen op de vlucht werden gedreven.
Perion herkende Amadis oogenblikkelijk als den jongeling, dien hij niet lang geleden tot ridder had geslagen. Zij verlieten te zamen het kasteel, en namen bij een tweesprong afscheid van elkander, met de wederzijdsche belofte, elkander in Gallië weder te ontmoeten. De jonkvrouw, die Amadis tot zoover begeleid had, vertelde hem, dat zij een afgezant van Oriana was, waarop Amadis bij het hooren van den naam zijner Vrouwe, zóó begon te beven van vreugde, dat hij, als Gandalin hem niet gesteund had, van zijn paard zou zijn gevallen. Toen nam de jonkvrouw afscheid van hem, zeggende, dat zij haar meesteres zijn succes zou melden.
Na verscheiden andere avonturen, kwam Amadis met Gandalin aan het Hof van Koning Perion van Gallië aan. Zij hadden nog slechts eenige oogenblikken gerust, toen zij de klaroenen van Koning Abies van Ierland hoorden schallen voor den aanval op de stad. Zij bestegen dadelijk hunne strijdrossen en deden met Agrayes en andere ridders een uitval naar het vijandelijk leger. Er volgde een hardnekkige strijd, waarin Amadis wonderen van dapperheid verrichtte. Perion en zijne volgelingen vielen daarna den vijand aan, maar zij waren zooveel minder in aantal dan het leger van Koning Abies, dat zij wel gedwongen waren, terug te trekken. De dag werd echter weer goed gemaakt door Amadis, die met zulk een woede vocht, dat paard noch man hem kon weerstaan, en in het heetst van het gevecht doodde hij o.a. Daugavel, den lieveling van Abies. Toen de Iersche Koning dit hoorde, was hij diep bedroefd, en toen hij tegenover Amadis kwam te staan, daagde hij hem voor den volgenden dag uit tot een tweestrijd op leven en dood. Zij kwamen dus samen en na een verwoed tweegevecht, dat verscheidene uren duurde, werd Abies verslagen; en hiermede nam de oorlog een plotseling einde.
Nu gebeurde het, dat Melicia, de dochter van Perion, haar ring verloor, dien zij van haar vader gekregen had, denzelfden, dien de Koning gedragen had, toen hij voor het eerst Elisena ontmoette, en die het duplicaat was van den ring, dien hij haar geschonken had, en dien zij om den hals van Amadis had gebonden, toen zij zich van hem ontdeed. Om te voorkomen, dat haar vader het verlies zou bemerken, gaf Amadis zijn eigen ring aan de prinses. Maar de Koning vond zelf het verloren kleinood en stelde een onderzoek in naar de herkomst van den tweeden ring. Door de bekentenis van Melicia, en de herkenning van het zwaard, dat Amadis droeg, kwam Perion tot de overtuiging, dat Amadis niemand anders zijn kon dan zijn lang verloren zoon; en toen de jonge ridder zijn levensgeschiedenis verhaalde, en hoe hij in zee was gevonden, verdween elke twijfel der ouders omtrent zijn identiteit. Zij waren zielsgelukkig, dat zij hem hadden teruggevonden, en erkenden hem in het openbaar als den troonopvolger.
Wij moeten nu weer den levensloop volgen van den broeder van Amadis, Galaor, die als kind zoo plotseling door den reus was weggevoerd. Hij was opgegroeid tot een dapper en behendig jongeling, en daar hij gehoord had, dat aan geen enkel Hof zulk een ridderlijke geest heerschte als aan dat van Koning Lisuarte van Brittanje, besloot hij daarheen te reizen, in de hoop, daar den ridderslag te mogen ontvangen. Zijn pleegvader, de reus, vergezelde hem, en zij hadden nog slechts twee dagen gereisd, toen zij aan het kasteel kwamen van een wreeden ridder, die, geholpen door zijne ondergeschikten, juist een eenzamen krijgsman aanviel. Galaor snelde hem te hulp en slaagde erin, de bende te verslaan. Galaor vatte zulk een liefde op voor den vreemdeling, dat hij verzocht, uit zijne handen den ridderslag te mogen ontvangen. Deze gunst werd hem met vreugde verleend, en nadat Amadis--want hij was de vreemde ridder--vertrokken was, vroeg Galaor een jonkvrouw, die hij plotseling naast zich vond staan, of zij den naam kende van den ridder, dien hij zoojuist geholpen had. De jonkvrouw, de toovenares Urganda, antwoordde, dat hij Amadis heette en dat hij de eigen broeder van Galaor was. Toen Galaor dit hoorde, was hij uitgelaten van vreugde, maar zijn vreugde was vermengd met groote droefheid, omdat hij hun verwantschap niet ontdekt had, voordat zij afscheid van elkander hadden genomen.
Nadat de toovenares Galaor had ingelicht, reisde zij Amadis achterna, die op weg was naar het Hof van Koning Lisuarte in Windsor. Zij vertelde hem, dat het zijn broeder Galaor was, die hem bevrijd had, het kind, dat zijn ouders ontstolen was. Dit bericht verrukte hem, maar bedroefde hem tevens.
Gesterkt door deze merkwaardige ontmoeting, vervolgde Galaor zijn reis, die ten doel had, de rots Galtares voorgoed te ontrukken aan de wreede heerschappij van den reus, die haar veroverd had.
Een reis van eenige dagen bracht hem op de plaats zijner bestemming, en op zijn uitdaging kwam de reus naar buiten, gezeten op een geweldig strijdros, en de vreeselijkste bedreigingen uitstootende. Hij reed onmiddellijk op den jongen ridder toe, in de hoop, met één slag den strijd te beslechten. Maar toen hij woest zijn knots zwaaide, trof hij zijn eigen paard; hij viel met donderend geweld ter aarde, en Galaor reed over zijn lichaam heen. Daarbij viel hij echter van zijn ros, en ontving een vreeselijken vuistslag van den reus, maar hij herstelde zich spoedig, trok zijn zwaard, en sneed den arm van het monster bij den schouder af. Feitelijk was hiermede de strijd geëindigd, want met een tweeden slag van zijn zwaard, onthoofde hij zijn tegenstander.
Amadis kwam nu aan het Hof van Koning Lisuarte, werd daar opgenomen in den kring van ridders en was daar spoedig de ziel hunner ondernemingen, zoodat hij in korten tijd beroemd was als een der edelste paladijnen van de Christelijke ridderschap. Zijne avonturen aan het Hof van Lisuarte zouden boekdeelen kunnen vullen; zijne voornaamste praestaties waren een verdelgingsoorlog tegen de reuzen, de nederlaag van den overweldiger Barsinan en den toovenaar Archelaus, benevens een groote menigte krijgsverrichtingen, te veel om ze hier te beschrijven. Zijne heldendaden zijn samengeweven met die van zijn broeder Galaor, met wien hij eens zelfs in fellen strijd geraakte, daar geen van beiden den ander herkende door de wapenrusting.
DE BELOFTE VAN LISUARTE.
Het gebeurde, dat terwijl Lisuarte recht sprak te Londen, er een bejaarde ridder in de zaal trad, die zulk een wonderschoone kroon en mantel vertoonde, dat de Koning verklaarde, ze tot elken prijs te willen koopen. De ridder zeide, dat hij op een bepaalden dag zou terugkomen om zijn loon op te eischen, en de Koning verbond zich, kroon en mantel zorgvuldig te bewaren, op straffe van verlies van zijn dierbaarst bezit. De ridder was een gezant van den valschen toovenaar Archelaus en de versierselen, die hij Lisuarte getoond had, waren door toovenarij gemaakt, zoodat, toen de Koning ze wenschte te dragen, en de koffer ontsloot, waarin ze bewaard werden, hij ontdekte, dat ze verdwenen waren. De oude ridder kwam terug en verlangde zijn loon. Lisuarte was genoodzaakt te bekennen, dat kroon en mantel verdwenen waren, en de handlanger van den sluwen toovenaar eischte Prinses Oriana als prijs van den Koning op. In een zwak oogenblik ging Lisuarte op dien eisch in, en de ridder reed heen met Oriana, die hij dadelijk in de macht van Archelaus stelde; Lisuarte viel in een hinderlaag, die hem door den listigen toovenaar gelegd was.
Toen Amadis en Galaor, die op dat oogenblik niet aan het Hof vertoefden, van dit verraad hoorden, spoedden zij zich naar Windsor, vast besloten de booze plannen van den toovenaar te verijdelen. Deze wilde n.l. Oriana uithuwelijken aan den pretendent naar den Britschen troon, den verraderlijken Barsinan, die al eens door Amadis overwonnen was. Galaor bevrijdde Lisuarte uit de macht zijner vijanden, en nadat Amadis in alle richtingen gezocht had naar de edele jonkvrouw, ontmoette hij haar ten slotte in een bosch, toen zij door Archelaus werd weggevoerd. Toen de toovenaar den dapperen ridder in het oog kreeg wiens heldendaden hij reeds zoo dikwijls had hooren roemen, maakte hij zich haastig uit de voeten, en liet Oriana achter in de handen van haar minnaar, die haar veilig naar het Hof terugbracht.
HET VERSTERKTE EILAND.
Met het begin van het Tweede Boek treden wij een wonderbaarlijke en geheimzinnige wereld binnen; dit boek kan in waarheid het Cor Cordium, de spiegel, de quintessence der romantiek genoemd worden. Het brengt ons in kennis met den Griekschen koningszoon Apolidon, die ons beschreven wordt als een dapper ridder en een machtig toovenaar. Hij stond zijne rechten af aan zijn jongeren broeder, en voer door de Groote Zee, waar hij een eiland ontdekte, dat slechts door boeren bewoond werd, en waar een machtige reus heerschte; dit eiland was bekend als het Versterkte Eiland, en werd in verscheidene romances bezongen als een waar paradijs.
Nadat hij den reus verslagen had, bleef Apolidon op het eiland wonen totdat zijn broeder stierf en hij naar Griekenland terugkeerde; maar voordat hij de plaats verliet, legde hij haar onder een machtige betoovering, opdat geen ridder of jonkvrouw daar zou mogen wonen, die niet zijn gelijke was in dapperheid, of niet even schoon als zijn geliefde Grymenysa. De wonderen van dit tooverland zijn wel waard beschreven te worden, en daar een groot gedeelte van de handeling dezer romance zich daar afspeelt, zullen wij ons inschepen op de toovergalei, die altijd gereed ligt in de haven der legende, en naar het eiland zeilen, om op de betooverde kust te landen.
Hier volgt dan een beschrijving in dichtregels van het eiland.
HET VERSTERKTE EILAND.
Apolidon, door toovermacht, Bouwde een huis van wondre pracht Op een eiland, waar geen enkel schip Voer door de zee langs die eenzame klip. Op de granieten zuilen van de poort Grifte hij het strenge woord, Dat slechts hij, die hem in deugden was gelijk, Zou mogen komen in dit gezegend rijk. Hangende terrassen glinsterend wit in de zon, Schoon als de tuinen van koningin Semiramis van Babylon, En de hoogte was van zulk een stralende pracht Alsof de dag lag opgestapeld op den nacht, En uit een groep van mirten, teedergroen, Verrees een wit en heerlijk paviljoen, Dat toescheen aan de zeelieden van ver, Een op een weiland neergedaalde ster. Tusschen paleis en zee vertoonde zich aan 't oog Een tooverachtig fonkelende stralenboog Met zon en sterren heerlijk bejuweeld; En in die nis stond een betooverd beeld, In welks ten hemel opgeheven hand Een koperen klaroen scheen, lichtend als in fellen brand. En als een ridder of een maagd In overmoed het had gewaagd, Geboren uit een vrij geslacht, Minder in schoonheid en in macht Dan toovenaar Apolidoon, Of Grymenysa, wonderschoon, Te treden in de tooverhal, Dan zou, met bulderend geschal De koperen klaroen uitbarsten in geweld, Zoodat daar de vermetele werd neergeveld. Maar als een jonkvrouw, hoog van naam, Een ridder zonder vrees of blaam Zou komen aan de poort, Dan zouden in den zaal'gen hof Fanfares, daverend van lof En vreugde zijn gehoord. Kristallen zuilen gaven aan de tooverlijn; Een platte steen van jaspis of van serpentijn, Waar, tusschen vlammende arabesken glinst'ren zou de naam Des ridders of der jonkvrouw van zoo hooge faam, Straalde op het Grieksch plaveisel; wie van beiden Eenmaal de tooverlijn zou overschrijden, Die zou aanschouwen in een glans, als stralend ijs De heerschers uit dit wond're paradijs, Gegoten in de bovenaardsche praal Van glinsterend, onsterfelijk metaal. Nog dieper in den hof plaatste de toovenaar Voor Grymenysa, in zijn hoogen zin, Als een verheerlijking van grenzenlooze min, Een wacht voor haar vertrekken, vol gevaar: Met negen zegels vol vervloeking, sloot hij haar ivoren deur Opdat slechts 't edelst hart, dat ooit werd voortgebracht, Aanschouwen zou die goddelijke pracht En zich zou laven aan den bovenaardschen geur. En opdat laagheid nimmer daar zou binnengaan, Liet hij twee woeste geesten met de macht van Sheol in de zwaarden, Onzichtbaar echter voor de oogen dezer aarde, Als strenge wachters voor de kamer staan. En alle draden van zijn wonderbaren geest, Waren geweven in het geheimzinnig tooverspel Rondom de schaduwen van deze citadel Waar hij zoo lange tijden oppermachtig was geweest. Toen ging hij uit die plaats van zaligheid, Aanroepend alle geesten als beschermers dezer oorden: Sabitu, Baphomet, Siduri, met zijn tooverwoorden, En macht hun gevend tot in eeuwigheid. En toen de maan verduisterde aan de lucht, Toen is de toovenaar dit paradijs ontvlucht; Hoe hij zijn rijk verliet, heeft niemand ooit gehoord, En nimmer keerde hij terug naar 't zalig oord. Maar nog zien herders in het morgenschemerlicht, Gestalten zweven, witter dan de neev'len dicht, En altijd hooren zij nog bij het vallend duister, Een teeder zuchten en een lispelend gefluister.
Voordat hij het toovereiland verliet, had Prins Apolidon er een gouverneur aangesteld, en hij had bevolen, dat wie er niet in slaagde, door den eereboog te gaan en toch het geweldige trompetgeschal overleefde, zonder vorm van proces van het eiland zou worden gegooid; maar dat hij, die de proef glansrijk doorstond, ontvangen en gediend zou worden met groot eerbetoon. Ook besliste hij, dat, wanneer het eiland een nieuwen heerscher zou krijgen, de betoovering zou worden opgeheven.
Toen de betoovering van het eiland ongeveer honderd jaar had geduurd, ontmoette Amadis, die teeder afscheid van Oriana had genomen en op avontuur was uitgetrokken, een jonge maagd, die hem van de wonderen van het Versterkte Eiland vertelde, dat, zooals zij zeide, nauwelijks twee dagen zeilen verwijderd was van de plaats, waar hij zich toen bevond. Amadis zeide, dat hij niets liever wilde dan zijn geluk te beproeven, en de vader der jonkvrouw, een machtig ridder, stemde erin toe hem te vergezellen op zijn gevaarlijke onderneming. Toen zij bij het Versterkte Eiland aankwamen, zagen zij het paviljoen, waarvan de muren behangen waren met de schilden van hen, die vergeefs getracht hadden, daar binnen te gaan; want ofschoon het verscheidenen gelukt was, onder den boog door te gaan, was nog niemand tot het paviljoen doorgedrongen. En toen Amadis zag, dat zoovele dappere ridders gefaald hadden, ontzonk hem de moed.
AMADIS GAAT ONDER DEN BOOG DOOR.
Amadis was vergezeld van Agrayes, den zoon van koning Languines van Schotland, en deze besliste, dat zij dadelijk zouden trachten onder den boog door te gaan. Toen hij door de poort trad, deed de trompet, die door het tooverbeeld werd omhoog geheven, zachte klanken hooren, en hij ging het paviljoen binnen. Toen naderde Amadis den overdekten gang, en de trompet blies nog luider en melodieuser dan zij eerst gedaan had. Beide ridders richtten nu hunne schreden naar de afgesloten kamer; zij zagen de plaat van Jaspis, waarop geschreven stond: »Dit is Amadis van Gallië, de ware minnaar, zoon van koning Perion.« Terwijl zij dit lazen, kwam Ardian, de dwerg van Amadis, op hem toeloopen met de mededeeling, dat Galaor en Florestan, zijn broeders, getracht hadden onder den boog door te gaan, maar dat zij van alle kanten door onzichtbare handen waren aangevallen, en nu voor dood waren achtergelaten. Amadis en Agrayes keerden dadelijk op hunne schreden terug en vonden de jonge ridders in een toestand van diepe bezwijming. Terwijl Amadis zijne broeders zoo goed mogelijk hielp, trachtte Agrayes de afgesloten kamer binnen te treden, maar ook hij ontving zulke slagen, dat hij het bewustzijn verloor.
Toen Galaor en Florestan zich eenigszins hersteld hadden van de uitwerking der slagen, die zij van onzichtbare aanvallers ontvangen hadden, vond Amadis, dat hij het aan de eer zijner geliefde verplicht was, de groote onderneming te wagen, en te trachten de gesloten kamer binnen te gaan, waarin nog geen ridder was binnengedrongen. Hij raapte dus al zijn moed bijeen, overschreed den tooverlijn tusschen de zuilen en voelde zich oogenblikkelijk bestookt door de onzichtbare krijgslieden, die zijne metgezellen ook hadden aangegrepen. Hij hoorde een verschrikkelijk geweld van stemmen, alsof alle ridders der geheele wereld tegen hem schreeuwden, en de slagen daalden met verdubbelde kracht en woede op hem neer. Maar de gedachte aan zijn geliefde maakte hem sterk en hij hield stand. Zoo nu en dan kreeg hij stompen tegen de knieën, en éénmaal werd het zwaard hem uit de hand geslagen; maar hij worstelde verder, totdat hij de kamerdeur bereikte, die vanzelf openging, om hem als het ware tot binnentreden te noodigen. Er werd hem een hand toegestoken, die hem naar binnen trok, en een stem riep uit: »Welkom, Gij ridder, die hier heerschen zult, want gij overtreft in dapperheid hem, die deze plaats onder betoovering gebracht heeft, en die in zijn tijd zijn gelijke niet had.« De hand die hem leidde, was groot en hard als die van een ouden man, en de arm was bedekt door een groen satijnen mouw. Zoodra Amadis in de kamer was verdween de hand, en hij gevoelde zijne krachten terugkeeren.
Toen Florestan en Galaor en de geheele bevolking van het eiland hoorden, dat de onderneming eindelijk geslaagd was, stroomden zij naar het paleis, waarvan de betoovering nu verbroken was, en zij bewonderden alle pracht en heerlijkheid ervan. Het was vol van de wonderbaarlijkste schatten en kunstwerken, maar niets was heerlijker te aanschouwen dan de standbeelden van Apolidon en Grymenysa.
ORIANA'S WREEDHEID.