Legenden en Romances van Spanje
Chapter 6
De Cid besteeg Babieca, en bracht zijne soldaten in het veld tegen de Mooren van Afrika. Toen begon een hardnekkige en woeste strijd. De Spaansche speren waren dien dag rood van het Moorsche bloed, en de Cid zwaaide zijn scherp zwaard Colado zóó verwoed, dat de Saracenen werden weggemaaid als het koren door de zeis. Hij richtte het zwaard op den helm van Koning Yussef, maar de Moorsche aanvoerder ontweek den slag, gaf zijn paard de sporen, en vluchtte in razende vaart, gevolgd door zijne zwarte troepen. Onmetelijk was de buit in goud, zilver, kostbaar opgetuigde paarden, schilden, zwaarden en wapenrustingen.
Door deze onafgebroken gevechten was de Cid te vermoeid, om den vijand te vervolgen, en met zijn zwaard nog druipend van het bloed, reed hij naar de plaats, vanwaar zijn vrouw en dochters den strijd gevolgd hadden. En zich voor zijne dames terneder buigende, riep hij uit: »Zóó worden de Mooren op het slagveld vernietigd.« Maar als steeds gedachtig aan zijn Koning en leenheer, zond hij oogenblikkelijk Alvarez Fañez en Pero Bermuez naar het Hof met de tent van Koning Yussef en 200 kostbaar uitgeruste paarden. Alfonso was zeer verheugd. »Ik zal dit geschenk van den Cid gaarne aannemen,« zeide hij, »en moge de dag van onze verzoening spoedig aanbreken.«
Toen de Infantes van Carrión zagen, dat de roem van den Cid dagelijks toenam, werden zij versterkt in hun besluit, den Koning om de hand van de dochters van den Campeador te vragen. Alfonso beloofde hun, met den Cid in onderhandeling te treden, niet alleen over een huwelijk van zijne dochters, maar ook over een verzoening met hem, want hij was zich volkomen bewust van de groote diensten, die de Campeador hem bewezen had. Daarom ontbood hij Alvarez Fañez en Pero Bermuez, stelde hen in kennis met het aanzoek van de Infantes van Carrión, en verzocht hun, het den Cid oogenblikkelijk over te brengen en hem tevens de verzekering van zijn hoogachting te geven.
De afgezanten begaven zich in allerijl naar Valencia en brachten den Cid de vereerende boodschap van den Koning over. De Cid was bijzonder verheugd over de toenadering. »Het is mij een vreugde de wenschen van mijn Koning te vervullen,« zeide hij, »ofschoon de Infantes van Carrión trotsch zijn, en slechte vasallen van den Troon. Maar de wil van God en van den Koning geschiede.«
Daarop maakte de Cid zich gereed, en begaf zich op reis naar het Hof; en toen de Koning vernam, dat hij naderde, verliet hij zijn paleis en reed hem tegemoet. En de Cid knielde neder voor den Koning, en hij beet in het gras, om zich voor zijn heer te vernederen. Maar Don Alfonso was ontroerd bij dit gezicht, en hem opheffende, gaf hij hem de verzekering van zijn gunst en van zijn liefde, bij welke betuiging de Cid diep bewogen was, en van vreugde schreide. Toen richtte de Koning een schitterend feestmaal aan, en toen dit ten einde liep, deed hij namens de Infantes van Carrión aanzoek om de hand zijner dochters. De Cid antwoordde, dat hij en zijne dochters het eigendom van den Koning waren, en dat Alfonso dus de jonkvrouwen ten huwelijk kon geven.
DE DOCHTERS VAN DEN CID TREDEN IN HET HUWELIJK.
Na eenige dagen van feesten en vermaak, keerde de Campeador terug naar Valencia, in gezelschap van de twee Infantes van Carrión. Hij vertelde zijn vrouw en dochters, dat dit huwelijk niet tot stand was gebracht door hem, maar door den Koning, en dat hij niet zonder vrees was over den afloop van deze verbintenis. Hij maakte echter die voorbereidingen, die in overeenstemming waren met de belangrijkheid van zulk een huwelijk met twee van de machtigste vorsten van Spanje; en Donna Elvira en Donna Sol werden met de Infantes van Carrión in den echt vereenigd in de Kerk van Sante Maria, door den krijgsman-bisschop Jerome. De huwelijksfeesten duurden veertien dagen, en de Cid had geen reden tot ontevredenheid over zijn schoonzoons, die zich zoowel in het tournooi als bij den dans als ware ridders gedroegen.
HET AVONTUUR VAN DEN LEEUW.
De Infantes van Carrión hadden met hunne echtgenooten ongeveer twee jaar in Valencia gewoond, toen er iets ernstigs gebeurde. Op zekeren dag, tijdens het middagrustuur, verbrak een leeuw, die gehouden werd ten dienste van de arena, zijne tralies, en drong het paleis binnen. De Campeador lag op een rustbank te slapen, maar al zijne onverschrokken schildknapen schaarden zich om hem heen om hem te beschermen, behalve de Infantes van Carrión, van wien de een achter de divan wegschoot, terwijl de ander zóó haastig het paleis ontvluchtte, dat hij over den boom van een druivenpers viel, en zijne kleeren scheurde. Door het rumoer ontwaakte de Cid; hij stond op, liep rustig op den leeuw toe, legde zijn vaste hand op den ruigen kop, en bracht het trotsche dier naar zijn hok terug. De leeuw verzette zich niet; klaarblijkelijk voelde hij in den Campeador zijn meester.
Toen de Infantes bemerkten, dat alle gevaar geweken was, verlieten zij hun schuilplaats; zij zagen er zóó bleek en angstig uit, dat de dappere volgelingen van den Cid niet konden nalaten te lachen. De trotsche Grandes van het Noorden voelden zich daardoor diep beleedigd, en in hunne harten ontwaakte de lust tot wraak.
Eenige dagen na deze gebeurtenis verspreidde zich de mare in de hoofdstad, dat Abu Bekr, de aanvoerder der troepen van den Koning van Marocco, naar Valencia optrok. De Cid en zijne strijders verheugden zich over dit bericht; de Infantes van Carrión echter waren minder verrukt over het nieuws, en zij beraadslaagden samen over middelen om den strijd te ontloopen, en weer naar hun eigen grondgebied terug te keeren.
Hier mist een gedeelte van het verhaal, maar uit het verder verloop blijkt, dat de ontbrekende regels betrekking hebben op een proeve van moed van ten minste één der Infantes, die, geprikkeld door de beschuldiging van lafheid, zich wapende om met een Moor te strijden, die hem echter op de vlucht dreef. Maar Pero Bermuez, die de gevoelens van den Cid wilde sparen, doodde den Saraceen, en liet het voorkomen, alsof de Infante het had gedaan.
EEN »GEHEIME DIENST«-GESCHIEDENIS VAN »DE CID«.
Er is een zeer romantisch verhaal verbonden aan den eersten regel van het volgende gedeelte van het gedicht:
»Eens koom' de dag, dat 'k van U bei hetzelfde ondervind.«
Deze regel wordt verondersteld de laatste te zijn van de toespraak van Pero Bermuez tot den Infant Don Ferrando, die hem waarschijnlijk zijn dankbaarheid had betuigd.
De eerste Engelsche schrijver, die getracht heeft de Poema del Cid te vertalen, was John Hookham Frere, de vertaler van de tooneelstukken van Aristophanes, die jaren geleden Britsch gezant te Madrid was. Hij gaf een waarschijnlijke verklaring van bovengenoemden regel en stelde den Markies de la Roma daarmede in kennis. Eenige jaren later, in 1808, toen de Markies in Franschen dienst het bevel voerde over een legerafdeeling in Denemarken, was Frere in de gelegenheid, hem een vertrouwelijke instructie te doen toekomen, en om den Spaanschen bevelhebber te overtuigen van de echtheid van de boodschap die hem gebracht werd, zinspeelde hij in zijn brief op bovengenoemden regel, waarvan slechts den Markies en hemzelf deze uitlegging bekend was. De boodschap leidde tot één van de gewichtigste troepenbewegingen in den oorlog met Napoleon.
DE STRIJDENDE BISSCHOP.
De Infantes van Carrión, die niet veel lust hadden in een langdurigen oorlog met de Mooren, besloten, bij de eerstvoorkomende gelegenheid naar hun eigen grondgebied terug te keeren. Maar, als om hen te beschamen, verscheen de strijdlustige Bisschop Jerome tot de tanden gewapend voor den Cid, en smeekte hem, aan het gevecht te mogen deelnemen. De Cid gaf glimlachend zijn toestemming, en oogenblikkelijk daarna besteeg de dappere geestelijke een reusachtig strijdros en rende in vollen draf de poort uit en den Saracenen tegemoet. Bij het eerste samentreffen doodde hij er dadelijk twee, maar hij had het ongeluk, zijn lans te breken. Niet in het minst uit het veld geslagen, trok deze vurige zoon van de Kerk het zwaard, zwaaide het boven zijn hoofd als de meest geoefende soldaat, en wierp zich met zijn geweldig strijdros ten tweede male op de Moorsche gelederen; en terwijl hij verwoed om zich heensloeg, wondde of doodde hij met elken slag een Moor. Maar de vijand omsingelde hem, en het zou slecht zijn afgeloopen met den vechtenden Bisschop, als niet de Cid, die met de oprechte bewondering die den strijder gevoelt voor de daden van een ander moedig man, diens dapperheid had gadegeslagen, zijn eigen strijd had gestaakt, Babieca de sporen had gegeven, en zich in het heetst van het gevecht had gestort. Bij dezen vreeselijken aanval weken de lichtgewapende Mooren angstig terug. Ten tweede male draafde hij op hen in, brak door hunne gelederen als een orkaan, en zaaide dood en verderf om zich heen. De Mooren wankelden, hunne troepen werden uiteengeslagen en zij vluchtten in allerijl. Het geheele leger van den Cid viel toen op hen aan; met al het voetvolk en paardenvolk stormden zij het Moorsche kamp binnen, verbraken de koorden der tenten, en wierpen de schitterende Oostersche paviljoens omver, waarin de Saracenen gehuisd hadden.
Zóó stormt in het vijandlijk kamp de Spaansche ruiterschaar, En door den schrik verlamd, staan Koning Bucars mannen daar. Het afgehouwen, bloedend hoofd, den arm van 't lijf gekapt, Verbrijzeld liggen zij in 't zand, door paardenhoef vertrapt. »Halt Koning Bucar!« roept de Cid; »tot mij kwaamt ge over zee; Gij zocht mij in deez' fellen strijd!... aan mij is 't woord van vree.« »Als in uw zwaard die vrede huist, en in uw steigrend ros, Begeer ik uwen vrede niet!...« Hij laat de teugels los. En als de wind stuift hij vooruit, recht naar de open zee, En naast hem, op zijn edel ros, draaft Spanje's ridder mee. Colado schittert in zijn hand, hij grijpt den Koning aan: »Kies!« wilt gij sterven door het zwaard, of in de golven gaan?« Het scherpe zwaard doorklieft den Moor, in stroomen vloeit zijn bloed. Moog' zóó verdwijnen van de aard' het gansche Moorsch gebroed! -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- 't Was op deez' glorierijken dag, dat Spanje's ridder won Dat kostbaar stuk als oorlogsbuit: zijn edel zwaard Tizon.
Toen de Cid uit den strijd terugkeerde, zag hij de Infantes van Carrión, en begroette hen: »Nu zij zich als dapperen gedragen, zullen zij ook door de dapperen goed worden ontvangen,« zeide hij ernstig tegen Alvarez Fannez. De trotsche en domme prinsen waren zeer vertoornd, toen zij deze uitlating toevallig hoorden, en de zucht naar wraak ontwaakte opnieuw in hunne harten. »Wij zullen den Cid in den steek laten en naar Carrión terugkeeren,« zeiden zij, »wij worden door deze roovers en hun leider bespot en beleedigd. Op weg naar huis zullen wij wel gelegenheid hebben, ons te wreken op zijne dochters.«
Bezield met dit laffe voornemen, vroegen zij den Cid glimlachend verlof tot vertrekken. Deze gaf met een bedroefd hart zijn toestemming, overlaadde hen met geschenken, waaronder de beroemde zwaarden Colado en Tizon, die hijzelf op de Mooren veroverd had, en droeg zijn neef, Felix Muñoz, op, de Infantes en zijne dochters naar Carrión te begeleiden.
DE WRAAK VAN DE INFANTES.
Groot was de droefheid van den Cid en van Donna Ximena, toen zij afscheid namen van hunne dochters Elvira en Sol, want zij waren niet gerust over haar lot. Maar zij droegen Felix Muñoz op, hunne dochters goed te bewaken, en hij beloofde dit te zullen doen. Na een reis van enkele dagen moest het gezelschap het groote woud van Corpes doortrekken, waar zij op een open plek hunne tenten opsloegen en den nacht doorbrachten. In den morgen zonden de Infantes de leden van hun gevolg vooruit, namen de zadelriemen van hunne paarden en sloegen daarmede de dochters van den Cid op gruwelijke wijze. De ongelukkige vrouwen smeekten te mogen sterven, liever dan deze schande te moeten ondergaan, maar de wraakzuchtige Infantes lachten verachtelijk, bespotten haar en mishandelden haar zóó schandelijk, dat zij haar voor dood achterlieten. »Zoo,« zeiden zij, »is de schande van het avontuur met den leeuw gewroken.« Daarop bestegen zij hunne paarden en reden heen.
Toen de verlaten en vernederde vrouwen bloedend in het gras lagen, kwam Felix Muñoz, haar neef, die den nacht in een ander gedeelte van het bosch had doorgebracht, aangereden, en toen hij haar ongelukkigen toestand zag, haastte hij zich, haar te helpen. Nadat hij hare wonden zoo goed mogelijk verbonden had, reed hij vlug naar de naastbijgelegen stad en kocht daar kleederen en paarden voor haar, zooals haar rang dat eischte.
Toen het bericht van dit alles den Cid te Valencia bereikte, werd zijn hart vervuld van toorn; hij gaf daaraan echter geen uiting, maar bleef mokken over de schande, zijne dochters aangedaan. Na enkele uren riep hij uit: »Bij mijn baard! dit zal den Infantes van Carrión geen voordeel brengen!« Spoedig daarna kwamen de dames Elvira en Sol te Valencia aan en hij ontving haar liefdevol maar niet met beklag. »Welkom, dochters,« zeide hij, »God behoede u voor kwaad. Ik heb dit huwelijk aanvaard, omdat ik het niet kon tegengaan. God geve, dat ik u spoedig gelukkiger gehuwd zie, en dat ik mij zal kunnen wreken op mijn schoonzoons van Carrión.«
HET HOF VAN TOLEDO.
De Cid zond zijne afgezanten naar Koning Alfonso om hem in kennis te stellen met den grooten smaad, zijne dochters aangedaan door de Infantes, en hem zijn steun te verzoeken, opdat gerechtigheid zou geschieden. De Koning was zeer verontwaardigd over het gebeurde, en beval, dat het Hof te Toledo zou bijeenkomen, en dat de Infantes daar zouden verschijnen, om zich over hun misdaad te verantwoorden. Zij verzochten toestemming on weg te blijven, maar de Koning weigerde beslist iedere uitvlucht, en eischte, dat zij oogenblikkelijk gehoor zouden geven aan zijn oproep. Met grooten tegenzin reisden zij naar Toledo, in gezelschap van Graaf Don Garcia, Asur González, Gonzalo Asurez en verscheiden vazallen, in de hoop, door uiterlijk vertoon den Cid ontzag in te boezemen. Spoedig kwam ook de Campeador aan het Hof aan, met eenige beproefde strijders, allen tot de tanden gewapend. Hij droeg een kostbaar gewaad van rood fluweel met goud geborduurd, en zijn baard was met een koord samengebonden. Toen hij binnentrad, verrees het geheele Hof om hem te begroeten, behalve de Infantes van Carrión met hun gevolg, want hij leek een hoog edelman, en de Infantes waagden het niet, hem aan te zien.
»Vorsten, baronnen en edelen«, zeide Koning Alfonso, »ik heb u opgeroepen, om in de zaak van den Cid Campeador recht te spreken. Zooals gij allen weet, is zijne dochters groote schande aangedaan, en ik heb rechters aangesteld, om deze zaak te onderzoeken en de waarheid aan het licht te brengen, want ik verdraag geen onrecht in Christelijk Spanje. Ik zweer bij het gebeente van San Isidro, dat hij, die deze zitting verstoort, uit mijn koninkrijk zal worden verbannen, en mijn liefde zal verbeuren, en dat ik zal staan aan de zijde van hem, die zijn recht zal kunnen bewijzen. Laat nu de Cid zijn klacht indienen, en wij zullen de verdediging van de Infantes van Carrión hooren.«
Toen verrees de Cid van zijn zetel en er was geen edeler figuur onder al deze hooge ridders aan het Hof.
»Mijn Heer en Koning«, zeide hij, »niet alleen mij hebben de Infantes van Carrión beleedigd, maar ook u, die hun mijne dochters ten huwelijk hebt gegeven. Laat hen, nu zij mijn schoonzoons niet langer zijn, mij eerst mijne zwaarden Colado en Tizon teruggeven.«
Toen de Infantes den Cid zoo hoorden spreken, dachten zij, dat hij niet verder tegen hen zou optreden, wanneer hij zijne zwaarden maar terug had, en dus overhandigden zij deze in allen vorm aan den Koning. Maar het was de bedoeling van den Cid, hen te treffen met alle middelen, die hem ten dienste stonden, en toen hij dus de kostbare zwaarden uit de hand van Alfonso had ontvangen, bood hij ze oogenblikkelijk Felix Muñoz en Martinez Antolinez aan, daarmede te kennen gevende, dat hij ze niet voor zichzelf begeerd had. Daarna wendde hij zich weer tot den Koning.
»Heer«, zeide hij, »toen de Infantes Valencia verlieten, gaf ik hun drieduizend Marken in goud en zilver ten geschenke. Laat hen, nu zij mijne schoonzoons niet langer zijn, mij dit geld teruggeven.«
»Neen«, riepen de Infantes uit, »wanneer wij daartoe gedwongen worden, verarmt de landstreek Carrión.« Maar de rechters eischten, dat de som oogenblikkelijk betaald zou worden. De verraderlijke prinsen konden zulk een schat niet in geld opbrengen, en dus besliste het Hof, dat zij dan in natura moesten betalen. Toen zagen de Infantes, dat er geen ontkomen aan was, en dus brachten zij den Cid verscheiden prachtige en kostbaar getuigde rijpaarden, die zij grootendeels van de leden van hun gevolg moesten leenen, waardoor zij voor de eerstvolgende jaren, groote verplichtingen op zich moesten nemen.
EERHERSTEL DOOR STRIJD.
Toen deze zaak eindelijk geregeld was, bracht de Cid zijn voornaamste aanklacht tegen de Infantes in het geding, en vroeg eerherstel in het tournooi voor den grooten smaad zijn dochters aangedaan. Hierop stond Graaf Garcia op, om de Infantes te verdedigen. Hij pleitte, dat zij van vorstelijken bloede waren, en alleen reeds daarom volkomen gerechtigd, zich te ontdoen van de dochters van den Cid. Toen verrees de oudste van de Infantes, Fernandez González, van zijn zitplaats om zijn instemming te betuigen met hetgeen zijn vazal gesproken had, en hij toonde opnieuw zijn minachting voor het huwelijk dat hij had aangegaan, door zijn laffe handelwijze te verdedigen, op grond van zijn vorstelijken rang. Hierop ontstak Pero Bermuez in hevigen toorn; hij hoonde de Infantes om hun lafheid bij het avontuur met den leeuw, en daagde hen tot den strijd uit.
HET OPTREDEN VAN ASUR GONZÁLEZ.
Toen de twist het hoogst gestegen was, trad Asur González, een aanmatigende vazal van de Infantes, de rechtszaal binnen.
Het grof gelaat verhit door wijn en 't overvloedig maal, De kleeren slordig en gescheurd, zóó drong hij in de zaal. Hij mat den Koning en het Hof met onbeschaamden blik En riep: »Wat moet die bluffer hier, die roover Roderick? Wil hij zich meten met Carrión, dat edel Vorstenhuis, Hij, die op roof trekt door het land, met al zijn vuil gespuis?« Maar woest sprong Muño Gustioz op: »Zwijg stil, gij dronken zwijn, Die 's morgens vroeg, nog voor 't gebed, reeds zat zijt van den wijn, Voor wien geen eed ooit heilig was, en trouw slechts was een woord, Van wien geen daad van menschlijkheid door iemand werd gehoord! O, moog' het mij gegeven zijn, dat 'k met dit scherpe staal De tong u snijde uit den mond, en stoppe uw leugentaal!« »Genoeg!« zoo riep de Koning uit; »deez' twist wordt niet beslecht Met woorden in het Parlement, maar met een zwaardgevecht.«
Nauwelijks was het tumult door het optreden van den Koning eenigszins bedwongen, of twee ridders traden de rechtszaal binnen. Het waren afgezanten van de Infantes van Navarra en Arragon, die gekomen waren, om namens hunne meesters den Koning om de hand te vragen van de dochters van den Cid. De Koning wendde zich tot den Cid en verzocht zijne toestemming tot dit huwelijk, en toen de Cid nederig zijne machtiging had gegeven, deelde de Koning de vergadering mede, dat het huwelijk op de gebruikelijke wijze zou worden voltrokken, en dat de strijd tusschen de twistende partijen den volgenden dag zou worden uitgevochten. Dit was slecht nieuws voor de Infantes van Carrión, die in hun angst eenig uitstel verzochten, om in de gelegenheid te zijn, zich te voorzien van goede paarden en wapenen, zoodat de Koning ten slotte minachtend zeide, dat het tournooi nu definitief zou plaats hebben over drie weken, en wel in Carrión, zoodat de Infantes geen enkele uitvlucht zouden kunnen bedenken of zouden kunnen beweren, dat de strijders van den Cid iets op hen vóór hadden gehad.
Toen nam de Cid afscheid van den Koning en bij het vertrek verzocht hij hem, zijn strijdros Babieca van hem aan te nemen, maar Alfonso weigerde dit vriendelijk aangeboden geschenk, met de hoffelijke verklaring, dat, als hij Babieca aannam, het dier een minder goeden meester zou krijgen. Daarna wendde de Campeador zich tot hen, die geroepen waren, zijn zaak in het tournooi te verdedigen, sprak eenige hartelijke woorden van afscheid, en vertrok weer naar Valencia, terwijl de Koning naar Carrión reisde, om het zwaardgevecht bij te wonen.
HET GERECHTELIJK BEWIJS DOOR MIDDEL VAN DEN STRIJD.
Toen de tijd van den wapenstilstand verstreken was, begaven de strijdende partijen zich naar de plaats, waar het tournooi zou plaats vinden. De mannen van den Cid hadden niet veel tijd noodig om zich te wapenen; maar de verraderlijke Infantes van Carrión hadden een groote menigte vazallen medegebracht, in de hoop, dat zij in den nacht de kampioenen van den Cid zouden kunnen overvallen, wanneer dezen niet op hunne hoede waren. Maar Antolinez en zijne metgezellen waren op verraad bedacht, en verijdelden het plan. Toen zij zagen, dat er geen ontkomen aan was, en dat zij gedwongen waren met hun tegenpartij op leven en dood te vechten, smeekten zij den Koning, de kampioenen van den Cid te verbieden, de beroemde zwaarden Colado en Tizon te gebruiken, want zij hadden een bijgeloovige vrees voor de macht van deze wonderbaarlijke wapenen, en zij betreurden het zeer, dat zij ze hadden teruggegeven. Maar Alfonso weigerde aan dit verzoek te voldoen.
»Gij hebt uwe eigen zwaarden,« zeide hij kortaf; »deze zijn zeer voldoende. Ziet toe, dat gij ze als mannen hanteert, want gij kunt er op aan, dat er van de zijde van den Campeador geen fouten zullen worden begaan.«
De trompetten schalden, en de Cid en drie zijner kampioenen sprongen op hunne ongeduldige strijdrossen, nadat zij eerst het teeken des kruises op hun zadel hadden gemaakt. De Infantes van Carrión bestegen ook hunne paarden, echter met minder animo. De maarschalken of herauten, wier taak het was de regelen van het gevecht te bepalen, en uitspraak te doen in geval van oneenigheid, namen hunne plaatsen in. Toen sprak Koning Alfonso: »Hoort naar mijne woorden, Infantes van Carrión. Het was uw plicht geweest, dezen strijd in Toledo te voeren, maar gij wildet niet; daarom heb ik deze drie ridders veilig naar Carrión gebracht. Maakt gebruik van uw recht, maar met eerlijke middelen. Wie verraderlijk handelt, dien zal het slecht vergaan.«
Hier volgt de beschrijving van den strijd:
Als de heraut het perk verlaat, dan staan zij oog in oog, Zij heffen 't schild zich voor de borst, de speren gaan omhoog; Tot d'aanval buigen zij het hoofd, dan sporen zij het paard, En stormen op elkander toe in razend woeste vaart. Dof klinkt de echo van den schok, en dreunend trilt de grond, Vol spanning zien de ridders toe of geen nog is gewond. Ferrando's speer stoot door het schild van Bermuez met kracht, Maar vóór hij nog het harnas raakt, versplintert reeds de schacht. Maar nu heft Bermuez zijn lans, en stoot met forsche hand; Door schild en harnas dringt de speer: Ferrando glijdt in 't zand, En kermend smeekt hij om genâ, het bloed stroomt uit zijn borst, En angstig op d'omwoelden grond ligt daar de laffe vorst! Toen trok Bermuez 't zwaard Tizon, te eindigen den strijd, Maar de Infant riep: »Ik erken, dat ge overwinnaar zijt.«