Legenden en Romances van Spanje

Chapter 5

Chapter 53,873 wordsPublic domain

»Neen«, zeiden de Joden naar den aard van hun ras, »dat is geen zaken doen; eerst ontvangen en dan betalen.« Zij verzochten dus te worden gebracht naar de plaats, waar de Cid kampeerde, en nadat zij hem begroet hadden, betaalden zij hem de afgesproken som. Zij waren verbaasd en verrukt over de zwaarte der kisten, en vertrokken hoogst voldaan, nadat zij Antolinez nog een commissieloon van 30 gouden Marken hadden gegeven voor het aandeel, dat hij in de zaak gehad had.

DONNA XIMENA.

Toen zij vertrokken waren, brak de Cid zijn kamp op, en galoppeerde door den nacht naar het klooster San Pedro de Cardeña, waar zijn vrouw, Donna Ximena, met zijn beide jeugdige dochters vertoefden. Hij vond haar verzonken in gebed voor zijn welzijn, en zij ontvingen hem met de hartelijkste betuigingen van vreugde. Hij nam den Abt ter zijde en deelde hem mede, dat hij op het punt stond op avontuur uit te trekken naar het land van de Mooren, en hij overhandigde hem een som, die toereikend was voor het onderhoud van Donna Ximena en hare dochters tot aan zijn terugkomst en hij voegde daarbij nog een milde gift ten behoeve van het klooster.

Maar reeds was het bericht van de verbanning van den Cid door het geheele land verspreid en zóó groot was de roem van zijn dapperheid, dat ridders van heinde en ver zich onder zijne banieren schaarden. Toen hij den voet in den stijgbeugel plaatste bij den brug van Arlanzon, was hij omringd door honderdvijftig ridders, die hem wenschten te volgen op zijn avontuurlijke tocht. Het afscheid van zijn vrouw en dochters is treffend geteekend:

Scherp als de pijn van nagels, die men afrukt van de hand, Zoo voelde hij zijn droefenis, toen hij verliet zijn land. En telkens wendde hij den blik, het hart vervuld van rouw, Bij d'aanblik van zijn dierbaarst goed: zijn kinderen en vrouw. Totdat Minaya eind'lijk riep, zijn metgezel en vriend: »De droefheid is geen passend kleed voor wie de wapens dient, Gij, die geboren zijt, mijn held, in een gelukkig uur, Trek vroolijk en verheugd van ziel op zoek naar avontuur. Wat heden gij als smart gevoelt, is morgen zaligheid! Het leed verdooft noch krijgstrompet, noch vreugde van den strijd!«

Toen gaven zij hunne paarden de sporen en galoppeerden naar de grenzen van Christelijk Spanje en staken op vlotten de rivier Duero over, waarna zij op Moorschen bodem stonden. Ver in het Westen konden zij de sierlijke Minaretten van de Saraceensche stad Ahilon zien, glinsterende in de middagzon, een zinnebeeld van de rijke schat, die zij zouden veroveren in het land der heidenen. In Higeruela schaarden zich nog meer dappere strijders onder de banieren van den Cid, grensbewoners, voor wie een rooftocht een feest was, en het breken van speren de schoonste muziek. Toen de Cid dien nacht sliep, droomde hij, dat de Aartsengel Gabriel hem verscheen, en tot hem zeide: »Stijg op, o Cid Campeador, stijg op en rijd heen; uw zaak is rechtvaardig; zoo lang gij leeft, zal alles, wat gij onderneemt, u gelukken.«

Met driehonderd volgelingen reed de Cid het land der Mooren binnen. Hij lag in hinderlaag, terwijl Alvarez Fañez en andere ridders een rooftocht ondernamen naar Alcalá. In hun afwezigheid bemerkte de Cid, dat de mannen van Castijon, een naburige Moorsche stad, de plaats verlieten om op het land te gaan werken, zonder de poorten te sluiten. Hij en zijne mannen deden een aanval op de poorten, doodden de weinige heidenen, die ze bewaakten, en namen de stad zonder veel strijd. Zijne mannen waren zeer verheugd over de schat van goud en zilver, die zij in de eigenaardige Moorsche huizen vonden. Maar zij waren barmhartig tegenover de inwoners, die zij meer tot dienaren dan tot slaven maakten.

DE INNEMING VAN ALCOCER.

Nadat zij te Castijon gerust hadden, reden de Cid en zijne volgelingen door de Vallei van Henares langs Alhamia naar Bubierca en Ateca, en daar hij in een onbekend land was, omringd door een menigte vijanden, nam hij stelling op een heuveltop bij de sterke Saraceensche stad Alcocer, die hij belegerde. Maar de stad was goed bewaakt en hij zag, dat, wanneer hij door de versterking wilde heendringen, het door krijgslist moest gebeuren en niet alleen door vechten. Daarom riep hij op een morgen, nadat hij gedurende vijftien weken Alcocer belegerd had, zijne manschappen terug, alsof hij zijne nuttelooze pogingen opgaf, en hij liet maar één tent achter.

Toen de Mooren zijn terugtocht bemerkten, juichten zij, en in hunne begeerte om te zien welken buit zij in die eenzame tent zouden vinden, liepen zij in alle haast de stad uit, en lieten de poorten open en zonder bewaking. Toen de Cid zag, dat de Mooren een groot eind van de stad verwijderd waren, gaf hij zijne manschappen bevel, terug te keeren en het opgewonden Saraceensche gepeupel te overvallen. Het kostte hem niet veel overredingskracht, zijne manschappen daartoe over te halen. De Castiliaansche ridders wierpen zich met hooggeheven lansen op de dichte menigte, en richtten een vreeselijke slachting aan. De ongelukkige Mooren, die zoo onverwachts overvallen werden, vluchtten in alle richtingen en spoedig was de vlakte overdekt met in het wit gekleede lijken. Intusschen draafde de Cid met enkele vertrouwde volgelingen naar de poorten en bezette ze, zoodat de Spanjaarden Alcocer in triomf binnentrokken. Zooals het zijn gewoonte was, behandelde de Cid de Mooren, die zich goedschiks aan hem overgaven, barmhartig, want, zeide hij, wij kunnen hen niet verkoopen, en wij zullen er niets bij winnen, als wij hun de hoofden afsnijden. Laat ons liever hen tot onze dienaren maken.

De Saracenen uit de naburige steden Ateca en Zerrel waren zeer verschrikt door de wijze, waarop Alcocer ingenomen was en zij berichtten den Moorschen Koning van Valencia, dat een zekere Roderigo Diaz uit Bivar, een vogelvrije, hun land was binnengevallen om er te plunderen, en reeds de sterke stad Alcocer had ingenomen. Toen Koning Tamin van Valencia deze tijding hoorde, was hij zeer vertoornd en zond een leger van drieduizend goed uitgeruste strijders den Campeador tegemoet. In zijn woede gaf hij zijne officieren het bevel, den Spaanschen verrader gevangen te nemen en hem levend bij hem te brengen, opdat hij zijn gerechten straf zou ondergaan. De Cid wist niets van de komst van deze troepen, en toen zijne schildwachten op zekeren morgen op de muren van Alcocer heen en weer liepen, waren zij verbaasd de geheele omgeving overstroomd te zien door Moorsche soldaten, die op hunne vlugge paardjes heen en weer draafden en hunne kromme zwaarden dreigend zwaaiden. Zijne buitenposten brachten spoedig het bericht, dat zij omsingeld waren, en zijne ridders en soldaten smeekten hem, ten strijde te mogen trekken tegen de ongeloovigen. Maar de Cid was bekend met de Moorsche krijgskunst en hij weigerde het verzoek in te willigen. Dagen lang paradeerde de vijand om de muren van Alcocer. Maar de Cid wist te goed, dat het dwaasheid zou zijn, met zijne driehonderd man een leger van drieduizend goed uitgeruste soldaten aan te vallen, en hij wachtte dus zijn tijd af.

DE STRIJD MET DEN MOORSCHEN KONING.

Eindelijk slaagden de Mooren erin, den watertoevoer van Alcocer af te snijden. De mondvoorraad verminderde ook, en de Cid begreep, dat zulk een wanhopige toestand een gewaagd besluit noodig maakte. Alvarez Fannez, die altijd naar het gevecht hunkerde, zooals een strijdros, wanneer het de krijgstrompet hoort, drong aan op een krachtigen uitval, en de Cid, die den moed van zijne mannen kende, stemde toe. Eerst zond hij alle Mooren buiten de stad en inspecteerde de versterkingen. Hij liet slechts twee mannen achter om de poort te bewaken, stelde zijne troepen op, en zij verlieten Alcocer in gesloten rijen en in volkomen slagorde. En hier moeten wij weder het woord laten aan den dichter.

Hoera! daar rijdt de woeste Moor, en zwaait het kromme zwaard, Hoor 't schetterend trompetgeschal en 't dreunen van de aard! Twee vaandels heffen zij omhoog, met trotsch en woest gebaar, En om elk vaandel legert zich een zwarte heidenschaar; Als golven van een woeste zee, zoo wast de vijand aan, En denkt de Christen Ridderschap met wreede hand te slaan. »Houdt stand! blijft in het zadel nu, gij ridders,« roept de Cid, »En sluit de rijen, want de aard' zag nog zoo'n aanval niet.« Maar 't vurig hart van Bermuez sprong op bij 't tromgeluid: »Hoe? wachten tot de vijand komt? Dat nooit!« zoo riep hij uit. »Dit trotsche vaandel hef ik hoog; Op! volgt mij in den strijd! Op, Ridders, tegen 't heidendom, voor Spanje en Christenheid!« »Blijf kameraad,« zoo sprak de Cid, maar Pedro schudde 't hoofd, En sprak: »Hij volg' mij trouw, die in de heil'ge zaak gelooft.« Fier hief de ridder zich in 't zaâl, en liet de teugels los, De sporen drukte in de flank hij van zijn edel ros. En als een schip, dat golven klieft en schuim opspatten doet, Zoo wierp de held zich in die zee, den Saracenenvloed; En onbewogen als een rots, die in de branding staat, Terwijl de woeste golf zich op haar borst te pletter slaat, Zoo hield, terwijl het heidensch tuig zijn slagen dalen doet Op helm en schild, de ridder stand met ongebroken moed. »Ter hulpe!« roept de eedle Cid, »op! voor het heilig kruis! Oud Castiliaansche Ridderschap, verdelg het Moorsch gespuis!« Zooals de jachthond voorwaarts stuift, zijn keten losgemaakt, Zooals de valk schiet naar omhoog, als men zijn kluisters slaakt, Nòg feller dan de vurigheid van 't ongebreideld ros, Zoo barst de woede van Castille op den vijand los. »Verzamelt U, gij Ridderschap, en valt den heiden aan, En volgt den strijder van Bivar, die nooit nog werd weerstaan!« Driehonderd lansen heft men hoog...., zij dalen op bevel, Driehonderd heid'nen liggen neer, een vlug en dood'lijk spel, De lansen rijzen weer omhoog, de lansen dalen weer; Ontelb're schilden liggen dan in 't zand versplinterd neer. Het sneeuwwit vaandel is gedrenkt in 't bloed nu van den Moor, Het onbeheerde krijgsros draaft de omwoelde vlakte door. Gelijk de bliksem 't luchtruim klieft, zoo schittert in de hand Van Roderick het scherpe zwaard; en mèt hem houden stand Alvarez Fannez, Gustior, en enk'le trouwen meer. Maar ziet, o bange schrik, de Saracenen velden neer Het strijdros van Alvar Fannez, den grooten, eedlen held! Maar haastig komt de Cid Campeador ter hulp gesneld, Ziet, hoe de dappere Fannez bedreigd wordt door den dood, Doordat een emir op zijn ros den held geen uitweg bood. Dan grijpt de onverschrokken Cid het zwaard met vaste hand, Hij zwaait het met een forschen greep..., de emir ligt in 't zand. »Bestijg zijn vurig strijdros nu, stijg op, nog dreigt gevaar, De phalanx van den vijand staat nog ongebroken daar.« Fannez werpt in het zadel zich, en zaait verderf en dood, Waarheen zijn ros hem draagt, daar kleurt het bloed de aarde rood. De Cid rent op den veldheer toe, doorklieft zijn schild met kracht, De Moorsche veldheer neemt de vlucht; den ridders is de macht. De moedige Antolinea valt dan op Galve aan; Hij en Fariz, zij wenden zich, zonder hun man te staan. Zij trokken op ten zegepraal, zij vluchtten voor den smaad, Hun helm gespleten door het zwaard, en met bebloed gelaat. Sinds dichters zongen van een slag en roemden eedlen strijd, Werd zulk een slagveld niet geroemd, nog tot op dezen tijd. Geen waardiger en trotscher strijd bezong een heldenlied: Nog kronen lauweren uw hoofd, o held, gij eedle Cid!

Het was een woedend en bloedig gevecht. De Moorsche nederlaag was volkomen, en de kleine Castiliaansche troep had slechts vijftien man verloren. Vijfhonderd, rijk opgetuigde Arabische paarden, elk met een schitterend zwaard aan den zadelknop, vielen den Cid in handen. Hij hield het vijfde gedeelte daarvan voor zichzelf, zooals dat het gebruik was voor bevelhebbers van dergelijke vrije troepen. Maar daar hij zeer verlangend was, vrede te sluiten met Koning Alfonso van Castilië, zond hij Alvarez Fañez als zijn vertegenwoordiger naar het Hof met dertig van deze kostbaar getuigde en gezadelde paarden.

Maar de Mooren waren, niettegenstaande hun nederlaag, niet van zins, den Cid vrij over hunne grenzen te laten trekken, en daar de Cid zag, dat hij niet lang bij machte zou zijn Alcocer in handen te houden, onderhandelde hij met de Saracenen van de naburige steden over den losprijs van Alcocer. Zij kwamen overeen, dat hij de plaats voor drieduizend Marken in goud en zilver zou verlaten, en zoo trok de Campeador verder Zuidwaarts, en nam stelling op een heuvel, ten Noorden van het district Mont'real. Hij maakte alle Moorsche steden in den omtrek schatplichtig, en bleef volle vijftien weken in zijn nieuw kamp.

Intusschen was Alvarez Fañez naar het Hof gereisd, en had den Koning de dertig prachtige paarden, die zij veroverd hadden, ten geschenke aangeboden. »Nog is het geen tijd om den Cid weder in genade aan te nemen«, zeide Alfonso; »maar daar deze paarden van de ongeloovigen komen, heb ik geen bezwaar ze aan te nemen. Ik schenk u vergiffenis, Alvarez Fañez, en hef uw ballingschap op. Wat den Cid betreft, ik kan niet anders zeggen, dan dat, wanneer een dapper strijder zich onder zijn banier wil scharen, ik hem dat niet zal beletten.

DE OORLOG MET RAYMOND BERENGER.

De Graaf van Barcelona echter, Raymond Berenger, een trotsch en aanmatigend heer, beschouwde de aanwezigheid van den Cid in een gebied, zóó dicht bij het zijne gelegen, als een persoonlijke beleediging, en in groote woede verzamelde hij al zijne manschappen, Mooren zoowel als Christenen, en maakte zich op, om den Cid te verdrijven uit de streek, die hij schatplichtig had gemaakt. Toen de Campeador hoorde, dat dit leger in aantocht was, zond hij een afgezant naar Graaf Raymond, om hem de verzekering te geven van zijne vredelievende bedoelingen ten opzichte van hem. Maar de Graaf vond, dat zijn persoonlijke waardigheid beleedigd was, en hij weigerde den boodschapper te ontvangen.

Toen de Cid het leger van Raymond zag optrekken naar de heuvelen van Mont'real, wist hij, dat zijne vredesvoorstellen vergeefsch waren geweest; hij verzamelde zijne troepen voor het woedende gevecht, dat hij wist, dat volgen moest, en wachtte den vijand af op de vlakte, die de gunstigste voorwaarden bood voor zijne ruiters. Het lichtgewapende Moorsche paardevolk van Berenger stormde tot den aanval, maar werd zonder eenige moeite door de Castilianen teruggeslagen. De Frankische krijgslieden van den Graaf, een troep flinke en oorlogszuchtige huurlingen, stormden toen den heuvel af, en vielen de soldaten van den Cid aan. Het samentreffen was geweldig, maar de strijd was kort, want de ridders van Castilië, geschoold in een voortdurend oorlogvoeren, hadden de Frankische ruiters spoedig verslagen. De Cid zelf viel Graaf Berenger aan en dwong hem, zijn beroemd zwaard Colada af te staan, dat zulk een belangrijke rol heeft gespeeld in de verdere oorlogsdaden van den Campeador. Een strijdzwaard, waarvan de overlevering vertelt, dat het dit beroemde wapen is, het Spaansche Excalibur, wordt nog getoond in de Armeria te Madrid, en alle geloovige bewonderaars van ridderverhalen zijn er van overtuigd, dat dit het zwaard is, dat de Campeador op den trotschen Berenger veroverde; zelfs de zekerheid, dat het gevest uit de vijftiende eeuw dateert, brengt dit geloof niet aan 't wankelen.

De troepen van den Cid waren buitengewoon verheugd over de zegepraal zoowel als over den buit en er werd een vorstelijk feest aangericht, om de blijde gebeurtenis te vieren.

De Cid noodigde den overwonnen Raymond Berenger op hoffelijke wijze uit zijn gast te zijn bij dit feestmaal, maar deze antwoordde uit de hoogte, dat zijn gevangenneming door vogelvrijen, hem de eetlust benomen had. Geprikkeld door deze onbeschoftheid, liet de Cid hem weten, dat hij zijn land niet zou terugzien, voordat hij het brood met hem zou hebben gebroken en een beker wijn met hem zou hebben gedronken. Gedurende drie volle dagen weigerde de Graaf ieder voedsel, en op den derden dag deelde de Cid hem mede, dat hij onmiddellijk in vrijheid zou worden gesteld, wanneer hij zijn vasten zou opgeven. Dit was teveel voor den trotschen Berenger, wiens honger nu grooter bleek te zijn dan zijn tegenstand. »Groote Goden!« roept de dichter uit, »met welk een gulzigheid at hij! Hij bewoog zijne handen zoo vlug, dat de Cid de bewegingen niet kon volgen.« Toen gaf de Cid hem de vrijheid en zij scheidden als goede vrienden.

»Stijg op, rijd heen, mijn eedle Graaf, als vrij en moedig Frank, Voor allen buit, dien gij mij liet, brengt u mijn harte dank. En komt gij met trompetgeschal, opdat de krijgskans keer', Dan wacht ik u, verheugd van ziel, hoor ik die klanken weer.« »Neen Roderick, de krijg is uit, en tusschen ons is 't vree: Geen strijd meer tusschen u en mij, het zwaard blijv' in de schee.« Toen reed hij heen; maar kort daarna wendde hij steels 't gelaat En keek hij angstig achterom, als vreesde hij verraad; Maar de gedachte aan zulk een daad was nimmer opgeweld, In 't harte van den trouwen Cid, dien nooit volprezen held!

DE CID VOERT OORLOG AAN DE ZEEKUST.

De Cid wendde zich af van Huesca en Montalvan en voerde zijne troepen naar den zeekant. Toen de Mooren van Valencia bemerkten, dat hij zich in Oostelijke richting voortbewoog, ontstelden zij zeer, en zij besloten hem zulk een ontzaglijk leger tegemoet te zenden, dat hij onmogelijk zou kunnen voortdringen. Maar hij weerde zijne aanvallers met zulk een woede af, dat zij het niet waagden, hem langer tegen te houden. Drie jaren lang voerde de Cid oorlog in deze streek en ontelbaar waren zijne overwinningen. Hij en zijne ridders vestigden zich in dit land als koningen. Zij maaiden het koorn, en zij aten het brood van het overwonnen volk, zoodat er hongersnood uitbrak onder de Mooren, die bij duizenden stierven.

Toen zond de Cid afgezanten naar Castilië en Aragon met de boodschap, dat alle Christenen, die zich aan zijne heerschappij wilden onderwerpen, bescherming zouden genieten. Op dit bericht schaarden duizenden zich onder zijn vaandel, en zijn leger werd hierdoor zóó versterkt, dat hij in staat was, op te trekken tegen Valencia, de Moorsche hoofdstad van deze landstreek. Hij stelde zich met zijn geheele leger op voor de poorten der stad en belegerde haar. Negen maanden lang omsingelde hij de stad en in de tiende maand openden de inwoners van Valencia de poorten, en gaven zij zich over. Groot was de buit aan goud en zilver en kostbare stoffen, zoodat alleen het aandeel van den Cid een waarde vertegenwoordigde van dertigduizend Marken. Zijn macht nam dientengevolge zóó toe, dat niet alleen zijn eigen volgelingen, maar ook de Mooren van Oost-Spanje, hem begonnen te beschouwen als hun rechtmatigen Koning.

Die steeds groeiende macht verontrustte den Moorschen Koning van Sevilla zeer, en hij besloot zijn geheele legermacht te mobiliseeren. Met een leger van dertigduizend man trok hij op tegen Valencia. Maar de Cid ontmoette hem aan de oevers van de Huerta en versloeg hem zóó volkomen, dat hij na dien nooit meer in staat was den Campeador te bestoken.

Toen ontwaakte in het hart van den Cid de hoop, dat de Koning hem weer in genade zou aannemen en hem zijn vertrouwen weer zou schenken. En hij zwoer een duren eed, dat hij uit liefde voor Alfonso nooit meer zijn baard zou laten scheren. »Zoo,« zeide hij, »zal mijn baard beroemd worden onder Mooren en Christenen.« Hij zond Alvarez Fañez ten tweede male naar het Hof, met een geschenk van honderd schitterend opgetuigde paarden van het zuiverst Arabische bloed, met de bede, dat hij zijn vrouw, Donna Ximena, en hunne dochters, zou mogen brengen naar zijne goederen, die hij zich met het zwaard veroverd had.

Intusschen was uit het Oosten een monnik naar Valencia gekomen, Bisschop Don Jerome, die in verre landen van den moed van den Cid had gehoord, en ernaar verlangde, tegen de ongeloovigen te strijden. De Cid was zeer met hem ingenomen en stichtte het bisdom Valencia voor den dapperen Christen, wiens eenige gedachte was, het Christendom te verspreiden en de Saracenen uit te roeien.

Inmiddels reisde Alvarez Fañez naar het Hof en werd tot den Koning toegelaten. Deze was verrukt over de verhalen, die Fañez hem deed over de krijgsverrichtingen van den Campeador, die de Mooren had bevochten in vijf groote veldslagen, hunne landen had onderworpen aan de Kroon van Castilië, en een bisdom had gesticht midden in het gebied der heidenen, zoodat hij hem gaarne wilde toestaan, Donna Ximena en de jonkvrouwen Elvira en Sol naar Valencia te brengen. Bij het hooren van dit bericht, was Graaf Garcia Ordoñez van de Leonesische partij, die indertijd de aanleiding was geweest tot de verbanning van den Cid, en die hem uit den grond van zijn hart haatte, zeer verstoord. De twee Infantes of Prinsen van Carrión echter, die de groote macht en den groeienden invloed van den Cid zagen, besloten, diens dochters ten huwelijk te vragen aan den Koning, maar zij verzwegen dit plan voorloopig.

Het tijdstip, waarop de Cid zijn schuld zou moeten aflossen bij de Joden Raquel en Vidas was reeds lang verstreken; en toen zij hoorden, dat Alvarez Fañez zich aan het Hof bevond, begaven zij zich daarheen, en zij verzochten hem, de geleende som terug te betalen. Alvarez Fañez verzekerde hun, dat alles zou geschieden, zooals de Cid beloofd had, en dat slechts het voortdurend oorlogvoeren zijn meester belet had, aan zijne verplichtingen tegenover hen te voldoen. Zij waren volkomen bevredigd door deze verklaring, en zoo groot was hun vertrouwen in den Cid geweest, dat zij de kisten nooit hadden geopend, om den aard te onderzoeken van het onderpand, dat hij hun gegeven had.

DE CID VERWELKOMT ZIJN GEZIN.

Alvarez Fañez reisde nu met Donna Ximena en de dochters van den Cid naar Valencia, en hij bracht haar veilig naar hare nieuwe woonplaats. Toen de Cid hoorde, dat zij naderden, besteeg hij zijn beroemd paard Babieca, dat hij eenige dagen te voren op de Mooren veroverd had, en reed zijn vrouw en dochters in galop tegemoet, om haar naar hare nieuwe bezittingen te brengen. Nadat hij zijn familie met groote hartelijkheid begroet had, geleidde hij haar naar het kasteel, van welks torens hij haar de landen toonde, die hij voor haar veroverd had. En zij dankten God voor zulk een rijke gave.

Er ontstond echter groote onrust onder de Mooren van Afrika, toen zij van de krijgsverrichtingen van den Cid hoorden, want zij beschouwden het als een schande, dat hij zulk een groot gedeelte van Spanje op hunne broeders van het Schiereiland veroverd had. Hun Koning Yussef verzamelde een machtig leger van vijftigduizend man, waarmee hij over zee voer, om tegen Valencia op te trekken, in de hoop, deze stad voor de Mooren te heroveren. Toen de Cid dit hoorde, riep hij dit: »Ik dank God en de Heilige Maagd, dat ik mijn vrouw en dochters hier heb. Nu kunnen zij zien, hoe wij de Mooren bestrijden, en ons brood verdienen in het vreemde land.«

De troepen van Yussef kwamen spoedig in het gezicht, en zij omsingelden Valencia zóó dicht, dat niemand de stad kon binnengaan of verlaten. Toen de vrouwen die groote krijgsmacht zagen, die om de stad gelegerd was, waren zij zeer beangst, maar de Cid stelde haar gerust. »Houdt goeden moed,« zeide hij, »want groote rijkdom zal ons deel zijn; ik ga een bruidsschat voor onze dochters veroveren.«

DE STRIJD MET KONING YUSSEF.