Legenden en Romances van Spanje

Chapter 4

Chapter 43,829 wordsPublic domain

Wij hebben reeds gesproken over den Franschen oorsprong van de Cantares de Gesta; hun naam reeds verraadt hunne Gallische afkomst. Maar wij moeten nog eens duidelijk in het licht stellen, dat de Cantares spoedig hun Noordelijk gewaad hebben verwisseld voor de Castiliaansche kleederdracht. Sommige landen bezitten zulk een uitgesproken eigen karakter, zulk een gemakkelijkheid, het eigen stempel te drukken op wat hen omringt, dat alles, stoffelijk zoowel als geestelijk, wat over hunne grenzen binnenkomt, van uiterlijk verandert en wordt omgetooverd, zoodat het in korten tijd zich volkomen heeft aangepast aan zijne nieuwe omgeving. Van deze toovergave schijnen Spanje, Egypte en Amerika het geheim te bezitten. Maar verander het uiterlijk van de Fransche Chansons zooveel gij wilt, voor den kenner van dezen dichtvorm zal hun oorsprong nooit twijfelachtig zijn. Ook kon de aard van de scheppende en uitvoerende kunstenaars op dit gebied niet voorgoed worden veranderd, zoodat wij niet verwonderd behoeven te zijn, wanneer wij in Spanje de Fransche trouvères en jongleurs terugvinden als trovadores en juglares. De trovador was de dichter, de schepper; de juglar was slechts de zanger, de voordrager, ofschoon de grenslijn tusschen beiden niet scherp getrokken was. Sommige bijzonder begaafde juglares waren ook de makers van de cantares, die zij zongen, terwijl een onbeteekenende trovador soms genoodzaakt was, de liederen van anderen te zingen. Instrumentalisten of begeleiders waren bekend onder den naam van juglares de péñola, ter onderscheiding van de voordragers of zangers, de juglares de boca.

DE ZANGERS VAN HET OUDE SPANJE.

Met het optreden van den juglar werd er afstand gedaan van den Cantar, want hij pleegde hem te veranderen en te besnoeien, langer of korter te maken, naar zijn gevoel voor de behoeften en den smaak zijner toehoorders het hem ingaf. Menigmaal trachtte hij den Cantar te gieten in den vorm van een volkslied, wat het geheel niet altijd ten goede kwam. Dikwijls was hij niet slechts vergezeld van een instrumentalist, maar door een remendador of gebarenspeler, die zijn verhaal door een stom spel toelichtte. Deze zonen van de luchtige kunsten waren berucht om hun onverschilligheid voor het aardsche slijk en zij leefden meestal van de hand in den tand. Een korst brood en een beker wijn was hun voldoende, wanneer het geld schaarsch was. Nog niet bezoedeld door den dorst naar goud, trokken zij van feestzaal naar feestzaal, van kasteel naar kasteel, slechts denkende aan hun zending--het verzachten van de zeden van een barbaarsche eeuw.

Gij lang gestorven broeders van de minnezangen, Die voor uw loon een beker wijn en lof slechts hebt ontvangen, Gij leeft nog voort in 't hedendaagsche lied!

Maar deze eenvoudige toestand was niet blijvend. Met het toenemen van den smaak voor de cantares, werden de trovadores en hunne trawanten, zooals dat meestal pleegt te geschieden, begeerig naar de genietingen van het leven, zich beroepende op de eeuwenoude bewering, dat de uiterlijke kenteekenen van de schoonheid het geboorterecht van den kunstenaar zijn, en vergetende, hoe noodlottig het is, »te bezoedelen met rijkdom en macht, den rijken en hemelschen geest van den dichter.«

Deze »geesten uit hooger sfeer« versmaadden helaas de goede gaven niet. Koningen, prinsen en edelen overlaadden den trovador met hunne gunsten, vleiden hem, door zijn kunst en zijn leven na te bootsen, en voegden zichzelf bij hun gilde. Weinig menschen van geest zijn zóó geschapen, dat zij een natuurlijke hooghartigheid en heerschzucht volkomen kunnen onderdrukken. In die dagen schijnt dichterlijke aanmatiging even veelvuldig te zijn voorgekomen als militaire blufferij, en de trovadores, verwend en gevierd als zij waren door vorsten en edelen, werden tenslotte onverdraaglijk in hunne onbeschaamdheid en begeerigheid. Het land was overstroomd door echte en zoogenaamde zangers, wier levenswijze overal schandaal verwekte, zelfs in een tijd, waarin men in dit opzicht niet kieskeurig was. Het publiek kreeg genoeg van die eeuwige cantares en het getokkel op één snaar. Het werd meer en meer gebruikelijk romances te lezen, inplaats van ernaar te luisteren, en zóó kwam het voor, dat de juglares langs de heirwegen van Spanje trokken en op de hoeken der straten hunne liederen voordroegen in een toestand van verarming, die vrij wat droeviger was te aanschouwen dan hunne vroegere gebrekkige, maar toch eervolle omstandigheden.

Weinige van de oude Spaansche cantares zijn bewaard gebleven, in tegenstelling met de meer dan honderd chansons, die Frankrijk kan vertoonen. Maar wat ervan is overgebleven, is voldoende om ons een duidelijk beeld te geven van het type. Zooals wij reeds vroeger aantoonden, hebben wij onze bekendheid met meer dan één ervan te danken aan de omstandigheid, dat zij werden opgenomen in de oude Kronieken van Spanje. Een uitstekend voorbeeld van dit proces van letterkundig balsemen wordt ons gegeven door de wijze, waarop de cantar van Bernaldo de Carpio werd ingebed in de betrekkelijk vervelende massa van de Algemeene Kroniek van Spanje, die in 1260 door Koning Alfonso den Wijze werd samengesteld, en waar men dit gedicht zal kunnen vinden in de hoofdstukken VII en XII van het derde deel. De dichterkoning verklaart, dat hij zijne geschiedenis van Bernaldo heeft gegrond op »Oude balladen« en in den geest, zoowel als den vorm van zijn verhaal van den legendarischen held kunnen wij den invloed van den cantar duidelijk waarnemen.

DE GESCHIEDENIS VAN BERNALDO DE CARPIO.

Toen de jonge Bernaldo de Carpio den mannelijken leeftijd bereikt had, was hij, zooals zooveel romanhelden, niet bekend met de omstandigheid, dat hij van vorstelijken bloede was; want zijn moeder was een zuster van Don Alfonso van Castilië en was in het geheim gehuwd met den dapperen en edelen Graaf de Sandras de Saldaña. Koning Alfonso, diep beleedigd dat zijn zuster iemand gehuwd had, die zoo zeer haar mindere in rang was, wierp den graaf in de gevangenis, waar hij hem van het gezicht liet berooven, en sloot de prinses in een klooster op. Hun zoon Bernaldo voedde hij echter zeer zorgvuldig op. Toen hij nog een jongeling was, bewees hij zijn oom belangrijke diensten, maar toen hij vernam, dat zijn vader in de gevangenis zuchtte, maakte een diepe zwaarmoedigheid zich van hem meester, en hij stelde geen prijs meer op de dingen, die vroeger zijn grootste vreugde uitmaakten. Inplaats van zich bezig te houden met dans en tournooi, kleedde hij zich in zwaren rouw, en tenslotte begaf hij zich naar Koning Alfonso, en smeekte hem, zijn vader de vrijheid terug te geven.

Alfonso was diep bewogen, toen hij bemerkte, dat Bernaldo bekend was met zijne afkomst en de gevangenschap van zijn vader, maar zijn haat voor den man, die zijne zuster veroverd had, was grooter dan de liefde voor zijn neef. Eerst gaf hij geen antwoord, en plukte aan zijn baard, zóó verbluft was hij. Maar koningen zijn niet spoedig uit het veld geslagen, en daar hij dacht, de zaak het vlugst van de baan te helpen door een barsch antwoord, zeide hij streng: »Bernaldo, als gij mij lief hebt, spreek dan nooit meer over deze zaak, want ik zweer u, dat uw vader, zoo lang ik leef, de gevangenis niet zal verlaten.«

»Sire«, antwoordde Bernaldo, »gij zijt mijn Koning en kunt doen, wat u goeddunkt, maar ik bid God, dat Hij u tot andere gedachten moge brengen.«

Koning Alfonso had geen eigen zoon, en in een zwak oogenblik stelde hij voor, dat Karel de Groote, de machtige keizer der Franken, hem zou opvolgen. Maar zijne edelen verzetten zich tegen zijne keus, en weigerden een Frank te erkennen als erfgenaam van den troon van Christelijk Spanje. Toen Karel de Groote hoorde van het voorstel van Alfonso, maakte hij zich op, om Spanje binnen te vallen, onder het voorwendsel, de Mooren uit te roeien; maar Alfonso, die berouw had van zijn voornemen, de kroon aan een vreemdeling na te laten, verzamelde zijne troepen om zich heen, en sloot een bondgenootschap met de Saracenen. Er werd een zware en hardnekkige slag geleverd bij Roncevalles, waarin de Franken ten slotte verslagen werden, voornamelijk door de behendigheid van Bernaldo, die met eigen hand den beroemden ridder Roland doodde.

Koning Alfonso trachtte deze en de andere diensten van Bernaldo te beloonen, maar deze wilde geen enkele gunst uit 's Konings handen ontvangen dan de vrijheid van zijn vader. Telkens weer beloofde de koning het verzoek in te willigen, maar even dikwijls vond hij een voorwendsel, om zijn woord te breken, totdat ten slotte Bernaldo, bitter teleurgesteld, zijn bondgenootschap verbrak, en zijn verraderlijken oom den oorlog verklaarde. De koning, die de populariteit en de oorlogskunde van zijn neef vreesde, nam toen een laffe krijgslist te baat. Hij verzekerde Bernaldo, dat zijn vader in vrijheid zou worden gesteld, wanneer hij er in toestemde, het groote kasteel Carpio aan hem af te staan. De jonge ridder gaf hem oogenblikkelijk zelf de sleutels over en smeekte, dat zijn vader hem dadelijk zou worden teruggegeven. Als antwoord wees de verraderlijke Alfonso op een troep ruiters, die in galop naderden.

»Daar komt uw vader, Bernaldo«, zeide hij spottend, »omhels hem.«

Bernaldo, zoo luidt het verhaal, ging tot hem en kuste zijne hand. Maar toen hij bemerkte, dat deze koud was en zijn kleur zwart, begreep hij, dat hij dood was; en onder den indruk van zijn leed begon Bernaldo luid te schreien en te jammeren, zeggende: »Helaas, Graaf Sandas, ik ben in een kwaad uur geboren, want nooit was iemand zóó verlaten als ik; want nu gij dood zijt, en mijn kasteel is weg, weet ik niet, wat ik beginnen moet!« Sommige Cantares de Gesta vermelden, dat de koning toen zeide: »Bernaldo, het is nu geen tijd voor vele woorden, en daarom beveel ik u oogenblikkelijk mijn land te verlaten.«

Met een gebroken hart, en volkomen vernietigd door dezen genadeslag, wendde Bernaldo de teugels, en reed langzaam heen. En van dien dag af werd zijn banier niet meer in Christelijk Spanje gezien, noch werd de echo van zijn hoorn tusschen de heuvelen gehoord. Ongelukkig en wanhopend nam hij dienst bij de Mooren. Maar zijn naam leeft in de balladen en romances van zijn vaderland voort, als van een dapper ridder, wien door het verraad van een leugenachtig en wraakgierig Koning, groot onrecht is aangedaan.

Ofschoon de Cantares van Fernán González en de Kinderen van Lara ook in de kronieken zijn opgenomen, heb ik er de voorkeur aan gegeven, deze in het hoofdstuk over de ballades te behandelen, daar zij in dien vorm het meest bekend zijn.

DE »POEMA DEL CID«.

Maar verreweg de meest volledige en eigenaardigste van de Cantares de gesta is de beroemde Poema del Cid, die nog steeds zoo genoemd wordt, ondanks alles wat wij van den oorspronkelijken vorm weten. Dat het een Cantar is, moet iedereen duidelijk zijn, die eenigszins bekend is met de Fransche Chansons de gestes. Zooals zoovelen der Chansons-helden wordt de Cid het slachtoffer van de ondankbaarheid zijns Konings, en wordt hij later weder in genade aangenomen. Wij ontmoeten in het gedicht voortdurend den gebruikelijken zinsbouw van de Chansons, en ook de atmosfeer van blufferige heldhaftigheid versterkt de overeenkomst, die tusschen beide bestaat. Er zijn ook duidelijke bewijzen, dat de schrijver van de Poema, de Chanson de Roland had gelezen of ervan had gehoord. Ik wil hiermede niet beweren, dat hij dit gedicht omwerkte, of, wat nog erger is, plagiaat pleegde ten opzichte van het grootsche werk van Roncevalles, maar er bestaat overeenkomst tusschen verschillende kleinere gebeurtenissen, hetgeen echter volkomen wordt goedgemaakt door de oorspronkelijke en bezielende wijze, waarop het onderwerp behandeld is. De gedachte en de vorm zijn typisch Spaansch; ook vertoont de taal geen Franschen invloed, behalve, zooals reeds gezegd is, in de afgezaagde uitdrukkingen, die de clichés zijn van het middeleeuwsche heldengedicht.

HET EENIGE MANUSCRIPT.

Er is slechts één manuscript bekend van de Poema del Cid, het handschrift van een zekeren Per of Pedro den Abt. Ongeveer in het laatste kwartaal van de achttiende eeuw kreeg de koninklijke bibliothecaris Sanchez door bibliografische nasporingen het vermoeden, dat zulk een manuscript zou kunnen bestaan in de buurt van Bivar, de geboorteplaats van den held van het gedicht, en hij slaagde erin, het in dit dorp op te diepen. De datum onder aan het handschrift vermeldt MCCXLV en de kenners zijn het niet eens over de beteekenis hiervan, daar enkelen meenen, dat na de tweede C, waar iets is weggeschrapt, met opzet een kleine ruimte is opengelaten en dat men moet lezen 1245 (1207 Gregoriaansche tijdrekening). Anderen gelooven echter, dat de juiste datum onder het manuscript 1307 is. Hoe het zij, het gedicht zelf dateert in ieder geval uit het tijdperk tusschen het midden van de 12e en het midden van de 13e eeuw.

Het manuscript is in een vrij verminkten en beschadigden toestand. Het begin en de titel zijn verloren gegaan, er mist een blad uit het midden, en het einde is slordig bijgeplakt door een onbekwame hand. Sanchez verklaart in zijn Poesias Castellanas anteriores al Siglio XV (1779-'90), dat hij een afschrift heeft gezien, dat in 1596 gemaakt is en waaruit blijkt, dat het manuscript toen reeds dezelfde onvolkomenheden vertoonde als nu.

DE SCHRIJVER ONBEKEND.

De persoonlijkheid van den schrijver van de Poema del Cid zal waarschijnlijk wel eeuwig onbekend blijven. Misschien was het een priester, zooals Ormsby veronderstelt, maar ik geloof eerder, dat het een beroeps-trovador was. In Frankrijk waren de trouvères en niet de geestelijken de scheppers van dergelijke gedichten, waarom zouden de trovadores het dan niet in Spanje zijn? [18]

Dat de schrijver leefde in een tijd, niet lang na dien, waarin de gebeurtenissen die hij verheerlijkte plaats grepen, is duidelijk; waarschijnlijk ongeveer een halve eeuw nadat de Cid voor de laatste maal zijn beroemd zwaard Colada uit de scheede trok. Op grond van verschillende plaatselijke toespelingen, die in het gedicht voorkomen, heeft men uitgemaakt, dat hij geboortig was uit de Valle de Arbujuelo, en een monnik was uit het klooster Cardeña, in de nabijheid van Burgos; maar deze veronderstellingen berusten slechts op wat men uit het gedicht heeft opgemaakt, en zijn niet veel waarschijnlijker dan het vermoeden, dat hij een Asturiër zou zijn, omdat hij den tweeklank ue niet gebruikt. Wij hebben echter goede redenen, aan te nemen, dat hij in elk geval een Castiliaan was, en wel voornamelijk om zijn heftigen politieken afkeer van het koninkrijk Leon, en alles, wat daarbij behoorde. Dat Pedro de Abt slechts een copiïst was, blijkt duidelijk uit de mishandeling van het manuscript, want ofschoon wij hem het behoud van de Poema te danken hebben, wordt onze dankbaarheid wel zeer getemperd door onze ontstemming over de wijze, waarop hij zijn taak volbracht. Want de copie staat vol noodelooze herhalingen, hij schrijft dikwijls twee regels door elkaar, en plaatst zoo nu en dan zelfs den inhoud van den éénen regel op den anderen, in zijn haast, om van zijn werk af te zijn.

ANDERE CANTARES VAN DEN CID.

Dat er ook andere Cantares zijn, die van den Cid verhalen, weten wij door de onderzoekingen van Señor Don Ramón Menéndez Pidal, die bewezen heeft, dat één ervan is opgenomen in de oudste uitgave van de Crónica General, waarvan blijkbaar drie exemplaren bewaard zijn gebleven, dateerende uit verschillende tijdperken. Wij weten nu ook, dat het gedeelte, waarvan hier sprake is, niet zooals men vroeger meende, afkomstig is van de Poema zooals wij die kennen. De gedeelten over den Cid in het tweede exemplaar van de Crónica zijn ook overgenomen uit een anderen Cantar van den vereerden held, bekend als de Crónica Rimáda, of Cantar de Rodrigo, dat waarschijnlijk het werk was van een juglar uit Palencia, en blijkbaar een mengelmoes van verschillende verloren Cantares over den Cid, zoowel als van andere Spaansche volksoverleveringen. Dit exemplaar dateert echter uit een lateren tijd dan de Poema en is vooral belangrijk omdat er verscheiden overleveringen van den Cid en oude volksverhalen van Spanje in zijn opgenomen.

DE MAAT VAN DE »POEMA DEL CID«.

Het heeft er allen schijn van, dat het gedicht, zooals dit met alle Cantares het geval was, geschreven is om in het openbaar te worden voorgedragen. De uitdrukking »O Señores,« die wij telkens ontmoeten, heeft dezelfde bedoeling als het »Listen lordings,« dat zoo veelvuldig in de oude romances en balladen van Engeland voorkomt, nl. de aandacht te trekken en de afnemende belangstelling weer te wekken van een middeleeuwsch publiek. De maat, waarin het werk is geschreven, is bijna even ongelijk als de dichterlijke waarde van den inhoud. Het is voornamelijk geschreven in Alexandrijnen of veertienlettergrepige regels, maar sommige regels hebben veel meer lettergrepen, terwijl andere weer geweldig besnoeid zijn, waarschijnlijk door de onoplettendheid of de haast van den copiïst. Het komt mij voor, dat de Poema, ofschoon in veel van de beste gedeelten van groote waarde, toch eenigszins overschat is, en ik verdenk menig Engelsch criticus, die zoo uitbundig de voortreffelijkheden van het werk prijst, ervan, het nooit in zijn geheel te hebben gelezen. Heele gedeelten ervan zijn buitengewoon onbeduidend, en in sommige ontaardt het in een rijmelarij, die ons herinnert aan de barbaarschheden van de pantomime; maar wanneer de oorlogstrompet schalt, dan wekt zij den zanger, zooals zij Scott wekt (de overeenkomst tusschen beiden is in veel opzichten opvallend) en een machtig orkest barst los. De regels golven aan en zwellen in een waar Homerisch stormgeloei, en wanneer wij luisteren naar het breken der Castiliaansche speren op de Moorsche schilden, dan worden wij herinnerd aan die geweldige regels van Swinburne's Erechtheus:

»Met een aardschok van botsend geweld, en met hoeven, bloeddruipend en rood, Grijpt de woedende krijg naar de zeis en zijn voet brengt den vlammenden dood.«

Maar de waarde der muziek van de Poema is niet uitsluitend gelegen in luidklinkende tonen. Het is de ware krijgsmuziek, die het bloed vuriger door de aderen jaagt, en de schrijver bereikt zijn effect niet alleen door den metrischen galop van zijn strijdros, zooals dit met den Engelschen dichter het geval is.

BEGIN VAN HET GEDICHT.

Het begin van de Poema del Cid, zooals wij dat bezitten, is treffend en dramatisch genoeg, om ons te troosten over het verlies van het oorspronkelijke begin. De groote bevelhebber, die tengevolge van het verraad van de Leonsche partij aan het Hof van Koning Alfonso, door een koninklijk bevel verbannen is uit het huis van zijn vader (c. 1088), rijdt ontroostbaar heen uit de verwoeste poorten van zijn kasteel. Een vrij nauwkeurige vertaling van dit treffende gedeelte volgt hier:

Hij wendt den blik nog eens naar 't huis, en tranen stroomen neer, De plek, die eens hem schuilplaats bood, hij kent haar nauwlijks meer. Verwoest de poorten van het slot, de wind blaast door de hal, Geen kleeden dekken meer den vloer, geen paard staat in den stal. Geen valk of havik vliegt hem toe, en zet zich op zijn hand; Een ridderlijke bedelaar...., zóó trekt hij uit zijn land, Hij zucht, zooals een strijder zucht: »U Heer, zij lof en prijs! Mij en den mijnen schonkt Gij reeds zoo menig gunstbewijs. De lastertong, de leugentaal, die sloegen mij terneer, Maar éénmaal komt de dag, dat Gij mij wreken zult, o Heer!« Een raaf vloog hem op zijde, toen hij reed uit Bivar's poort. Toen hij te Burgos ruste zocht, vloog nog de vogel voort. En bij dit somber teeken, verduisterde zijn blik: »Alvarez Fannez, wees gegroet, gij banneling als ik!« Met zijn getrouwen, zestig man, zoo reed hij door de straat; Vanuit de vensters zag hem na zoo menig droef gelaat. »Daar gaat,« zoo zuchtte menig hart, »een goed en trouw vasal, Die door zijn Koning werd miskend, door laster kwam ten val. En zeker had hem menig dak beschut dien droeven nacht, Als Burgos' volk niet had gevreesd des Konings sterke macht; Want een decreet, van zegels zwaar, ging door het gansche land: »Hij, die den Cid bescherming geeft, diens huis wordt platgebrand.« Toen dus de droeve stoet reed voort, toen wendde men den blik.... Met zijn getrouwen reed hij heen, de strijder Roderick. Bij 't huis, waar hij te wonen placht, daar sprong hij van zijn ros: »Uw meester staat hier voor de poort, maak slot en grendels los!« Maar uit een venster sprak de maagd, die 't slot voor hem bewaart: »O Heer, die eens in beter tijd hanteerde 't roemrijk zwaard, Een brief des Konings kwam naar hier, gezegeld door zijn hand, Die U en Uw getrouwen bant voor goed uit 't Spaansche land. Wie onzer, zij het slechts één nacht, een schuilplaats U mocht biên, Die is veroordeeld, en hij zal nooit meer het zonlicht zien. Ga dan, gij strijder voor het recht, en Gode sta U bij; Voor U geen rust in 't Vaderland, want gij zijt vogelvrij.

Daar de Cid en zijne getrouwen binnen de stad geen plaats konden vinden om hun hoofd neer te leggen, reden zij mistroostig naar de vlakte van Glera, ten Oosten van Burgos, waar zij hunne tenten opsloegen aan de oevers van de rivier Arlanzon. Daar voegde Martinez Antolinez zich bij hen, één van de vroegere vasallen van den Cid, die voedsel en wijn bracht voor hem en zijne volgelingen, en hem trachtte te troosten. De Cid bezat geen maravedi en wist niet, hoe hij zijne mannen van voedsel en wapenen moest voorzien. Maar hij en Antolinez bedachten een plan, waardoor zij hoopten, zich het noodige voor den krijg te verschaffen. Zij namen twee groote kisten, bedekten deze met rood leder, en versierden ze met vergulde spijkers, zoodat zij er zeer kostbaar uitzagen. Toen vulden zij de kisten met rivierzand, en sloten ze stevig dicht.

GELD LEENEN IN DE ELFDE EEUW.

»Martinez Antolinez«, zeide de Cid, »gij zijt een eerlijk man en een trouw vasal. Ga naar de Joden Raquel en Vidas, en vertel hun, dat ik vele kostbaarheden bij mij heb, die ik hun in bewaring wil geven, omdat zij te zwaar zijn, om mede te nemen. Geef hun deze kisten als pand voor wat zij ervoor willen geven. Ik roep God en al zijne heiligen tot getuigen, dat ik dit doe, omdat ik tot het uiterste gedreven ben, en terwille van hen, die op mij vertrouwen.« Antolinez, eenigszins huiverig van deze zending, zocht de Joden Raquel en Vidas op in hun woning, waar zij bezig waren, hun rijkdom en hun winst te berekenen. Hij vertelde hun, dat de Cid een groote schatting had geheven, die hij onmogelijk kon medenemen, en dat hij hun die in bewaring wilde geven, wanneer zij hem een behoorlijke som daarop wilden leenen; maar zij moesten plechtig beloven, de kisten gedurende een vol jaar niet te openen. De Joden overlegden samen en stemden er in toe, de kisten te verbergen en gedurende minstens een jaar den inhoud niet te onderzoeken. »Maar zeg ons eens«, zeiden zij, »met hoeveel is de Cid tevreden en welke interest wil hij ons voor dat jaar geven?«

»Van alle kanten komen arme menschen bij mijn meester, den Cid, om hulp«, zeide Antolinez; »hij heeft minstens zeshonderd Marken noodig.«

»Wij willen hem die som met genoegen geven«, zeiden Raquel en Vidas, »want de schat van zulk een machtig heer als de Cid, kan niet anders dan onmetelijk groot zijn.«

»Haast u dan«, zeide Antolinez, »want de nacht nadert en mijn meester, de Cid, is door een vonnis gedwongen, Castilië oogenblikkelijk te verlaten.«