Legenden en Romances van Spanje

Chapter 3

Chapter 33,566 wordsPublic domain

DE BLOEITIJD VAN DE ROMANCE.

Misschien zijn de eerste gegevens, die wij bezitten over de echte Spaansche Romance, die van Ayala, Kanselier van Castilië (1407), die zich in zijn Rimado de Palacio beklaagt over den tijd, dien hij verspilde met het lezen van zulk een »leugenachtig prul« als Amadis de Galliër. Hij zou zijn tijd slechter hebben kunnen besteden, maar hoe het zij, door zijn uitspraak krijgen wij een denkbeeld van den machtigen indruk, dien deze soort van romance op den Castiliaanschen geest maakte, die inplaats van zich tevreden te stellen met het slaafsch nabootsen van het Fransche voorbeeld, het herschiep in iets zuiver Spaansch. In geen enkel ander land van Europa vond het zaad van de Romance zulk een geschikten bodem om te ontkiemen en zich te ontwikkelen, en zeker gaf het nergens zulk een bijna tropische weelde en overdaad van bloem en vrucht.

Amadis werd gevolgd door een lange rij van dergelijke verhalen, die de lezer alle in dit boek zal ontmoeten. Het wordt algemeen erkend door de critici, te beginnen met Cervantes, als de beste en belangrijkste van de Spaansche Romances, en het werd vertaald in het Fransch, het Italiaansch en de meeste Europeesche talen; zelfs werd er, naar men zegt, een speciale vertaling van gemaakt voor Joodsche lezers. Met één slag had de Spaansche Romantiek de Fransche ridderlijke fantasie overwonnen op haar eigen terrein. Maar Amadis was niet, zooals Cervantes schijnt te meenen, het eerste ridderverhaal, dat in Spanje gedrukt werd. Want deze onderscheiding komt Tirante de Witte toe (1490), dat volgens Southey geen ridderlijken geest ademt. Onder anderen maken wij hierin kennis met Warwick den Konings-maker, die met goed gevolg een inval in Engeland door den Koning der Canarische Eilanden afslaat, en ten slotte geheel alleen den overrompelaar doodt en zijn krijgsmacht op de vlucht jaagt. Maar al vergist Cervantes zich in zijne bibliographie, de verklaring van zijn barbier, dat »Amadis het beste is van alle boeken, die in deze soort geschreven zijn,« is niet ver van de waarheid. [15] Tasso beschouwde het als »het mooiste en misschien ook het leerzaamste verhaal in zijn soort, dat men kan lezen.« Gaf hij slechts het oordeel weer van den kritischen scheerder, zooals men wellicht uit zijn taal zou kunnen opmaken?

Amadis werd gevolgd door een menigte van dergelijke gedichten. Door het buitengewone succes bij het publiek, ontstond er een heele literatuur van gelijke strekking en karakter, zij het ook niet van gelijke waarde. De eerste van deze letterkundige voortbrengselen was Palmerin de Oliva, waarvan de eerst bekende uitgave in 1525 in Sevilla verscheen, en die, evenals de Amadis, weer gevolgd werd door soortgelijke gedichten, zooals Primaleón, Platir en Palmerin van Engeland, misschien wel het beste van deze reeks.

Men neemt als vaststaand aan, dat Amadis en Palmerin van Portugeeschen oorsprong zijn, en ik zal hierop later terugkomen; maar ik wil hier slechts vermelden, dat er geen Portugeesch origineel bestaat, noch gedrukt, noch in manuscript. Maar deze romances werden zóó zuiver Castiliaansch als de Arthur-legenden Engelsch werden, ondanks hun vreemden oorsprong; en Spaansch zijn zij gebleven, zoowel voor het volk als voor de critici van geheel Europa.

De Palmerin-reeks wakkerde slechts de hartstocht voor Romantiek aan, en Spanje snakte zóó naar een letterkundig voedsel, dat geschikt leek voor zijne behoeften, dat zij, die trachtten het publiek te voorzien van romantische lectuur, nauwelijks in staat waren, een voldoende hoeveelheid ervan te leveren. Het natuurlijk gevolg hiervan was een stroom van haastig geschreven minderwaardige verhalen. De fantasie, die eerst alleen maar gewaagd was, werd nu schaamteloos, en het toppunt werd in dit opzicht bereikt in uitingen van een ongezonde verbeelding als Belianis van Griekenland, Olivante de Laura, en Felixmarte van Hyrcania. Maar ofschoon de meeste van deze voortbrengselen onzinnig waren en beleedigend voor het menschelijk intellect en den goeden smaak, vonden zij toch ontelbare lezers, en alles wijst er op, dat het beroep van uitgever in het Spanje van de zestiende en zeventiende eeuw buitengewoon voordeelig moet zijn geweest. Deze flauwe verhalen, die de schoonheid, de ware fantasie en den eenvoud misten van de andere romances, stonden tot deze in dezelfde verhouding als een menigte romans, uitgegeven in het begin der negentiende eeuw, tot die van Scott, die zij trachtten na te bootsen. Mexia, de sarcastische geschiedschrijver van Karel V, verbaast zich in zijn verhandeling over de Romance (1545) over de onnoozelheid van een publiek, dat zich met zulk een flauwe kost bezighoudt; »want«, zegt hij, »er zijn menschen, die gelooven, dat al die dingen werkelijk gebeurd zijn, ofschoon het grootste gedeelte ervan onmogelijk is.« Zoo zou een criticus van onze dagen kunnen spreken over de voorkeur van het groote publiek voor de goedkoope romans, of de minderwaardige sensatie-lectuur, artikelen, die in het groot worden gefabriceerd door de al te vlugge machines van de »Vernuft-Onderneming«.

Een andere merkwaardige en nog minder sympathieke uiting van het verlangen naar romantiek bij het Spaansche publiek, waren de godsdienstige verhalen als De Hemelsche Ridderschap, De Ridder van de Heldere Ster, en andere minderwaardige producten, waarin Bijbelsche figuren zijn bekleed met ridderlijke eigenschappen, en op zoek gaan naar avonturen. De tijd, waarin al deze verschillende typen der Spaansche Romance elkander opvolgden, was merkwaardig kort. Maar er verliep een halve eeuw tusschen het verschijnen van Amadis en de allerlaatste van zijne waardelooze imitaties. Het is niet moeilijk een verklaring te vinden voor de vlugge fabricatie en verspreiding van zulk een hoeveelheid goede en slechte lectuur. Wanneer wij bedenken, dat Spanje sedert eeuwen het land was geweest van de ware ridderlijkheid, dat zijn fantasie sterk ontwikkeld was in een langdurigen strijd met zijne heidensche vijanden, en dat het, in de ridderverhalen, die het nu met zulk een groote bewondering las, de afspiegeling vond van zijn eigen hoffelijken en heldhaftigen geest--den fijnstbesnaarden en ridderlijksten geest van Europa.

EEN MOGELIJKE MOORSCHE INVLOED OP DE SPAANSCHE ROMANCE.

Er zijn bewijzen te over, dat de eeuwenlange strijd op leven en dood met de Saracenen, een geweldigen invloed heeft uitgeoefend op de Spaansche romantische verbeelding. Maar was die invloed van directen aard, en het gevolg van een voortdurend contact met de Mooren, of kwam hij voort uit de atmosfeer van betoovering, die de Saraceen in Spanje achterliet, een betoovering, die nog versterkt werd door de wonderen van zijn architectuur en zijn kunst? Er bestaat bijna geen Spaansche romance, waarin de Moor niet beschreven wordt als een caballero en een waardig vijand. Maar is het de werkelijke Moor, dien wij ontmoeten in deze lijvige boekdeelen, die naast onze moderne boeken statige galeien lijken in gezelschap van visscherspinken; of is het de Saraceen der verbeelding, een Oosterling, door de fantasie geschapen, zooals de Turk in de werken van Byron? Het vraagstuk van den invloed der Moorsche literatuur op de Spaansche romance is vertroebeld door een ongelukkig wanbegrip van het publiek. Laat ons dus even den aard onderzoeken van de Arabische letterkundige scheppingen, en nagaan, in hoeverre deze in staat waren, de Castiliaansche kunst en fantasie te beïnvloeden.

De geschiedenis van de ontwikkeling van het Arabisch uit het dialect van een zwervende woestijnbevolking tot een taal, waarvan de schoonheid en dichterlijkheid wellicht ongeëvenaard zijn, is op zichzelf belangrijk genoeg, om een geheel boekdeel over een romantisch tijdperk te vullen. De vorm, waarin het Arabisch voor het eerst in Spanje optrad in het begin der achtste eeuw, moet de bewondering opwekken van iedereen, die belang stelt in letterkundige volmaaktheid. Het ontwikkelde zich in zeer korten tijd als letterkundige taal en handhaafde zich als zoodanig. Het was, alsof de tonen van een harde trompet langzamerhand waren opgenomen in die van een zilveren klaroen, waarvan de tonen zelfs nog helderder klinken, totdat zij tenslotte zulk een graad van scherpte bereiken, dat het oor er pijnlijk door getroffen wordt. Deze rijke taal, de ware taal van den letterkundigen aristocraat is, doordat zij zoo lastig te leeren is, en door de moeilijkheid van hare letterteekens, bij de groote massa van Europeanen zoo goed als onbekend, ook al, omdat er bij vertaling zooveel verloren gaat van hare fijnere schakeeringen. Zelfs bij het grootste gedeelte van de Arabieren in Spanje, waren de fijnbeschaafde verzen, waaraan hunne letterkunde zoo rijk was, onbekend. Hoeveel verder moesten zij dan wel niet afstaan van den Castiliaan of den Cataloniër?

ARABISCHE DICHTKUNST.

De omstandigheid, dat de Arabieren, toen zij nog een onbeschaafd volk waren, in de woestijn leefden, was niet gunstig voor het bereiken van een hoogen trap van letterkundige bekwaamheid, maar zij bevorderde wel de ontwikkeling van hunne aangeboren opmerkingsgave, die hen een schat van synoniemen deed vinden, waardoor hunne taal zeer verrijkt werd. De vondst van synoniemen en van mooie en treffende vergelijkingen moeten beschouwd worden als de eerste voorwaarde voor een bloeiende dichtkunst, en gedurende een eeuw in het tijdperk der Moorsche overheersching in het Oosten, zien wij de schitterende dynastie van de Abbassiden (circa 750) optreden als beschermers van een dichtkunst, die door de rijke Arabische taal zoo gemakkelijk tot uiting kwam.

Vertellen was altijd een geliefkoosde bezigheid geweest van de Arabieren in de woestijn, en nu kwam deze edele, ongedwongen oefening van de fantasie hun goed te pas. Wij kunnen ons geen juiste voorstelling maken van de snelheid, waarmede de Arabische letterkunde in dien tijd tot bloei kwam. De dichtkunst, die tegenwoordig geen »marktwaarde« meer heeft, was toen voor de waarlijk ontwikkelde hoogere standen een noodzakelijke levensbehoefte, kostbaarder dan de balen zijde van Damascus, de juweelen van Samarkand, of de reukwerken van Syrië, waarvan hunne legenden vol zijn, zooals de muren van Aladins paleis overdekt zijn met tooverachtige edelsteenen. Maar voor de Arabieren waren woorden inderdaad juweelen. Toen Al-Mamoun, de zoon van Haroun-al-Raschid, zijne vredesvoorwaarden dicteerde aan den Griekschen keizer Michael den Stamelaar, was de cijns, dien hij van zijn overwonnen vijand eischte, een verzameling manuscripten van de beroemdste Grieksche schrijvers. Een eisch, den heerscher over een volk van dichters waardig!

Maar het veroverde Spanje was vóór alles de zetel en het middelpunt van Arabische dichtkunst en wetenschap. Cordova, Granada, Sevilla--ja, eigenlijk alle steden van het Schiereiland, die door de Saracenen bezet waren, betwistten elkander den roem van hunne scholen en onderwijsinrichtingen, hunne bibliotheken en andere centra voor den geleerde en den kunstenaar.

De zeventig bibliotheken, die in de twaalfde eeuw in Moorsch Spanje bestonden, maakten Europa, met zijn gebrek aan ontwikkeling, te schande, en in dien tijd was het veel meer Arabië dan het vervallen Rome, dat Europa weer nieuwe beschaving bracht. Het Arabisch werd niet alleen de letterkundige taal, maar ook de spreektaal van duizenden Spanjaarden, die in het Zuiden onder Moorsche heerschappij leefden. Zelfs werd in het midden der achtste eeuw de Heilige Schrift in het Arabisch vertaald voor de talrijke Christenen, die geen andere taal kenden. De colleges en universiteiten, die door Abderahman en zijne opvolgers gesticht waren, werden bezocht door een groote menigte Europeesche geleerden. Zoo was het, behalve de dichtkunst, ook de kennis en de philosophie van de Saracenen, die van grooten invloed waren op de geestelijke vorming van Europa. Wanneer wij echter dieper doordringen in het vraagstuk van deze merkwaardige beschaving, dan zullen wij ontdekken, dat Europa nog meer te danken heeft aan de Spaansche Joden dan aan de Mooren zelf.

De vorm van Arabische cultuur, waarin wij voornamelijk belangstellen, is hare dichtkunst, in verband met den invloed, dien deze gehad heeft op de Spaansche letterkunde. De dichtkunst van dit zeer begaafde volk, dat zoo rijk was aan verbeeldingskracht, had op het oogenblik van hare komst in Spanje zeker wel haar hoogtepunt bereikt. Haar warme en zinnelijke geest was wel in zeer groote tegenstelling met de meer stemmige en ingetogen Grieksche en Romeinsche verzen, die door de Arabieren koud en vormelijk werden genoemd, en niet de moeite waard, vertaald te worden. Het overtrof alles, wat tot nu toe verschenen was, in gewaagde en overdreven uitingen, in beeldspraak en teedere gevoelens. De Arabische dichter stapelde het eene beeld op het andere. Hij was niet in staat in te zien, dat men door overlading te kort kan doen aan de schoonheid van iets, dat uit zichzelf reeds waarlijk schoon is. Verscheidene critici hebben het noodig gevonden, ons gerust te stellen, wat zijn oordeel en onderscheidingsvermogen betreft. Maar reeds bij eene oppervlakkige kennismaking met de Arabische literatuur, zien wij, dat de dichter werd meegesleept door zijn groote liefde voor het onderwerp, dat hij beschreef. In den tuin van den Arabischen dichter is elke bloem een juweel, elk stukje grond een kostbaar Perzisch tapijt, en elk meisje een engel uit het Paradijs, wier lichamelijke eigenschappen ieder op zichzelf weder het onderwerp worden van gloeiende dichtregels. Het voortdurende gebruik van synoniemen en van den overtreffenden trap, de overdrijving in de uitingen hunner liefde, en het dikwijls geheel ontbreken van een strekking en van die wijdloopige bespiegelingen, waarin de dichters van het Westen hunne tijdgenooten geleerd hebben, filosofische vraagstukken voor zichzelf op te lossen--dat waren de zwakheden van de Arabische zangers. Zij stelden een korte spreuk in de plaats van een verhandeling. Zij begrepen niet, dat de dichtkunst niet slechts vermaak beoogt, maar ook een middel is van groote opvoedkundige waarde.

De waarachtige liefde voor de natuur schijnt den Arabier evenzeer te hebben ontbroken als den Griek en den Romein. Hij hanteerde zijn onderwerp met evenveel zorg als een juwelier. Het schilderen van een lelie was hem niet genoeg; hij polijstte haar, totdat het een voortbrengsel uit een goudsmidswinkel geworden scheen. Voor hem was de natuur niet iets, dat verbeterd, maar dat overtroffen moest worden, een diamantmijn, waaruit elke steen geduldig moest worden geslepen.

Maar het zou onbillijk zijn, de fantastische literatuur der Arabieren een belangrijke plaats onder de kunstuitingen te ontzeggen. Wij kunnen het slechts betreuren, dat hun, door verschillende omstandigheden, de gelegenheid niet werd geboden, hunne gaven in de goede richting te ontwikkelen. Wanneer wij de geschiedenis lezen der Arabische staten, met hun hoog ontwikkelde beschaving, hunne druk bezochte academies, en hunne ver reikende macht, die zich uitstrekte van Centraal-Azië tot aan de Westelijke havens van de Middellandsche Zee, en wij wenden ons dan naar de plaatsen, waar dit alles bloeide, dan moet het ons wel zeer aan verbeeldingskracht ontbreken, wanneer wij niet onder den indruk komen van het totale verval, waaraan deze streken ten prooi zijn geworden. Het groote, naijverige en moedige ras, dat deze landen heeft overwonnen en beheerscht, heeft de volkeren voor zijne poorten verzameld, en de onbeschaafde bewoners van Europa zetten zich neder aan zijne voeten, om te luisteren naar zijn tooverachtige verhalen en de Openbaringen der Wetenschap, die van zijne lippen vloeiden. Het volk, dat uit de woestijn gekomen was, keerde weer tot de woestijn terug.

Waar ééns, in Djamschids fonkelend paleis De jonge Houri's dansten bij den klank der luit, Daar dwaalt de wilde ezel, kind van de woestijn; En op het graf van Barlaam jaagt de leeuw naar buit.

DE MOORSCHE »MODE« IN DE SPAANSCHE ROMANCE.

Van Moorsche grootschheid van gedachte en diepte van gevoel, vinden wij weinig in de Spaansche letterkunde, tenminste tot aan het begin der vijftiende eeuw. Hare eigenschappen waren beslist, zoo nu en dan zelfs hinderlijk, Europeesch, hetgeen verklaard moest worden uit haar oorsprong. [16] Maar het schijnt, dat met de Castiliaansche bezetting van de Moorsche gedeelten van Spanje, de atmosfeer, die de Saraceen had achter gelaten, grooten invloed uitoefende op den Spanjaard, die zijn ouden vijand schijnt te hebben omgeven met een stralenkrans van romantiek, en voor wiens fijne beschaving, waarvan de bewijzen zoo ruimschoots voorhanden waren in zijn architectuur en andere kunstuitingen, hij zulk een diepe bewondering had. Wanneer onze gevolgtrekkingen juist zijn, moet er ongeveer in dien tijd een Moorsche »Mode« in de Spaansche letterkunde zijn opgetreden, zooals er in Engeland een hartstocht ontwaakte voor alles wat Oostersch was, ten tijde van Byron en Moore, toen de Engelschen in de Levant begonnen te reizen. Maar deze mode was voornamelijk pseudo-Saraceensch, niet beïnvloed door letterkundige voorbeelden, en meer het indirect gevolg van atmosfeer en de kunstuitingen dan van het persoonlijk contact met de bevolking. Lang vóór de vijftiende eeuw echter, met hare manie voor alles wat Moorsch was, had de Arabische geest al ingewerkt op de Spaansche letterkunde, zij het ook slechts in geringe mate en onbewust. Wat echter de uiterlijke vormen van de Spaansche letterkunde betreft, deze hadden, noch in proza, noch in poëzie, iets van de Moorsche overgenomen, en dit is voornamelijk het geval met de assonanten, die de Castiliaansche dichtkunst kenmerkten, een prosodie, welke gevonden wordt in de gedichten van alle Romaansche talen uit vroegere tijden. De Mooren schijnen echter de balladen van de Spaansch-Moorsche grensbewoners naar hunne behoeften te hebben veranderd, voornamelijk die, welke betrekking hebben op het verlies van Alhamia. Zij zijn in ieder geval gebaseerd op Moorsche legenden. Sommige duffe geleerden, zooals de Markies van Santillana, hanteerden den Arabischen versvorm zooals Swinburne de Fransche rondeau, of Dobson de ballade, of zooals droogstoppels aan de Engelsche universiteiten in Grieksche hexameters schrijven, waarbij zij, uit bewondering voor het uitheemsche en diepzinnige, de onbegrensde mogelijkheden over het hoofd zien, die hun eigen taal hun biedt. Dit maakwerk, waarmede vele letterkundigen uit alle tijden zich hebben beziggehouden, had niet meer invloed op den grooten stroom van Castiliaansche literatuur, dan dergelijke pogingen plegen te hebben op de letterkundige oogst van een land. Sommige van de populaire Coplas, of coupletten, schijnen echter rechtstreeks uit het Arabisch te zijn vertaald, hetgeen niet te verwonderen is, wanneer wij denken aan het groote aantal menschen van gekruist ras, dat in het midden der zeventiende eeuw Spanje bewoonde. Het staat ook vast, dat Arabisch de spreektaal was van duizenden Christenen in het zuiden van Spanje. Maar het blijkt meer en meer, dat het een ernstigen tegenstander had in het Spaansch, een tegenstander, die het Arabisch even hardnekkig bestreed als de Spanjaard het den Moor deed. [17]

Misschien is wel de beste maatstaf voor het verval van het Arabisch als spreektaal in Spanje het feit, dat de schrijvers van verscheidene romances beweren, dat het slechts vertalingen uit het Arabisch zijn--meestal de scheppingen van Moorsche toovenaars en sterrewichelaars. Deze beweringen kunnen gemakkelijk worden weerlegd. Maar wanneer wij dit vraagstuk objectief beschouwen, moeten wij erkennen, dat de Spaansche literatuur zich evenmin kon vrijhouden van Arabischen invloed, als dit het geval was met de Spaansche muziek, de architectuur en het handwerk. Al deze invloeden waren echter ongetwijfeld van lateren datum en wat de romances betreft, was de invloed meer »geestelijk« dan »materieel.« Christelijk Spanje had gedurende achthonderd jaar de Saracenen van zich af weten te houden en toen het tenslotte erin toestemde uit den Saraceenschen beker te drinken, vulde het dien met Spaanschen wijn. Maar de uitheemsche drank, die dezen beker vroeger tot den rand toe vulde, had den geheimzinnigen geur en smaak van het Oosten erin achtergelaten, wel is waar zwak, maar toch onmiskenbaar.

HET TYPE VAN DE SPAANSCHE ROMANCE.

Het beste type van de Spaansche Romance is dat, waarin de geest van het wonderbaarlijke vermengd is met den geest van ridderlijkheid. Het oude Spanje met zijn grootsche opvattingen van eer, zijn fijn gevoel voor hoffelijkheid en zijn aangeboren fantasie, was als het ware de smeltkroes, waarin de elementen voor de romance gemengd werden. De eigenaardigheden van klimaat en omgeving droegen er ruimschoots toe bij, de sprookjes, waarvan de Spaansche geschiedenis wemelde, te onderhouden; en bovenal had het Spaansche volk een levendige belangstelling in de daden der ridders, zooals dat in geen enkel ander land van Europa het geval was. De Spanjaard droeg de kenteekenen der ridderlijkheid op waardiger wijze dan de Franschman of de Engelschman; het was zijn natuurlijk gewaad, en hij droeg het met een gratie, een ernst en een gevoel voor betamelijkheid, die niet te overtreffen waren. Wanneer hij ontaardde in een Don Quixote, dan was dit tengevolge van de groote toewijding, waarmede hij zich aan zijn ridderleven gegeven had. Hijzelf was de eerste, die er om lachte, toen hij bemerkte, dat zijn riddermanieren en zijn pantser veranderd waren, maar zelfs de klank van dien lach was edel, en het boek, dat dien lach opwekte, heeft minstens zooveel harten voor het romantisme gewonnen als het ontgoochelde.

De geschiedenis van den Spaanschen strijd is een verhaal van ridders, van strijders met een bijna bovenmenschelijke eerzucht en uithoudingsvermogen; van machtige stichters van koninkrijken, groote hervormers van de wereldkaart, die, gesteund door een handjevol getrouwen, in Valencia, Mexico, Italië of Arancanië, de fabelachtige daden van Amadis of Palmerin voorbijstreefden. In latere tijden zond het ijzerland Castilië oorlogsschepen uit, om zijne banieren over de onmetelijke zeeën te dragen naar de verst verwijderde gedeelten der aarde. Wat bewoog hen, te leven en te sterven in het harnas, omgeven door gevaren, grooter dan de tooverkunsten van kwaadwillige toovenaars, of de avonturen, die de dolende ridders ontmoetten, die op zoek waren naar geheimzinnige kasteelen? Wat hield hen staande in hun leven van voortdurenden strijd, ontbering en doodsgevaar? Kunnen wij er aan twijfelen, dat de heldenverhalen van hun Vaderland hen als met tooverkracht bewogen en bezielden, dat, wanneer zij ten strijde trokken, de verre klanken van het krijgsgeweld der helden uit de oude romances in hunne ooren schalden, zooals een fanfare uit de trompetten van herauten bij een tournooi?

En toen wij rustten ons ten strijd, Toen zong ons hart van zaligheid, Wij hoorden 't krijgsgetier. Bij 't denken aan Orlando's smart Aan Felixmarte's ridderhart En den dood van Olivier.

HOOFDSTUK II. DE »CANTARES DE GESTA« EN DE »POEMA DEL CID«.

Als in de hooge koningszaal De ridders en jonkvrouwen bij het maal Een kostelijk lied verlangen, Dan komt des minstreels schoone tijd, Hij zingt van ridders en woesten strijd En zijn teedere minnezangen.