Legenden en Romances van Spanje
Chapter 2
Gedurende vele geslachten bepaalden hunne worstelingen zich voornamelijk tot rooftochten aan de grens, en tot guerilla-gevechten, waarbij zij volstrekt niet altijd gelukkig waren, want de vurige en moedige Saracenen stelden zich niet tevreden met zich uitsluitend te verdedigen, maar tegenover elke overwinning, waarop de Castilianen zich konden beroemen, stonden tegenslagen en verliezen, die zij, met hun klein aantal, moeilijk konden verdragen. Toch werd hun moed en vasthoudendheid langzamerhand beloond, en voordat een eeuw verloopen was, hadden zij het grootste gedeelte van Oud-Castilië heroverd. Alleen reeds de naam van deze provincie, »Het Land van Kasteelen«, bewijst, dat, al was zij herwonnen, zij slechts behouden kon blijven, wanneer elke heuveltop versterkt was door vestingen; en zoo gaf deze landstreek, met al hare kasteelen, ten slotte haar naam aan het volk, dat haar bezit op zulk een hoogen prijs stelde. Voordat er weder 20 jaren verloopen waren, hadden de Castiliaansche strijders vasten voet in Nieuw-Castilië gekregen, en van dat oogenblik af, schijnen zij voortdurend met succes te hebben gestreden.
Met den val van Toledo in 1085 na een Saraceensche bezetting van drie en een halve eeuw, begint een nieuw tijdperk voor den voortgang van de Castilianen in Zuidelijke richting, en met de inname van Saragossa in 1118, keerden de kansen voor de Arabische overweldigers, die nu verdreven werden naar een klein gebied in het Zuiden en het Zuid-westen van het land. Deze omstandigheid schijnt echter meer gunstig te zijn geweest voor hun gevoel van saamhoorigheid, dan dat het hen heeft vernietigd, en de Castilianen moesten nog gedurende vier eeuwen rekening met hen houden, totdat bij den val van Granada, Boabdil of Abu-Abdallah, de laatste der Moorsche koningen, de sleutels afstond aan Koning Ferdinand van Castilië, een laatsten blik wierp op de stad, en naar Afrika voer, waar hij strijdend den dood vond.
In deze atmosfeer van voortdurenden strijd en onrust werd de romantische literatuur van Spanje geboren. Het is volstrekt niet verwonderlijk, dat hare ontwikkeling samenviel met dit wapengekletter. Trompetgeschal klinkt uit de gedichten. De letterkunde van dezen tijd is niet alleen de afspiegeling van den geest van een strijdend volk, maar zij is tevens een noodzakelijk product, want uit de liederen en legenden putten de ridders van Castilië nieuwen moed, strijdlust en opgewektheid, en zij werden er door bezield op den dag van den strijd. Wel mocht de zwervende ridder van Castilië, zooals in de oude ballade, zingen:
»Het harnas is mijn eenig kleed, En strijd is mij festijn! Mijne lamp, de straal van een planeet, Mijn wereld .... een woestijn.« [9]
Grensgevechten met hun herhaalde verandering van tooneel en voortdurende onrust, waren een geschikte voorbereiding tot het dolende ridderschap.
DE LETTERKUNDIGE ONTWIKKELING VAN HET CASTILIAANSCH.
Ofschoon verschillende vreemde invloeden op het Castiliaansch inwerkten, ontwikkelde het toch een geheel eigen letterkundig karakter, voornamelijk wat zijn gedichten betreft, zooals blijken zal bij de behandeling van zijne diverse Romantische vormen. Het had niets overgenomen van de letterkundige methoden van het Provençaalsch of Catalonisch, echter wel van den geest en den uitwendigen vorm daarvan. Toen het hoffelijke en eenigszins schoolsche dichterlijke systeem van de Troubadours in aanraking kwam met het ernstige en krachtige Castiliaansch, was het niet in staat, lang weerstand te bieden aan dezen invloed. Waar politieke omstandigheden de oorzaak waren geweest van het samentreffen dier twee elementen, waren zij het ook, die de overwinning van het Castiliaansch verhaastten. De regeeringsmacht in Aragon was sedert een vroeger tijdperk in aanraking geweest met het Castiliaansche koningschap, en Ferdinand de Rechtvaardige, die in 1412 den troon van Aragon besteeg, was een Castiliaansch vorst. De hoven van Valencia en Burgas waren dus feitelijk toegankelijk voor dezelfde politieke invloeden. Wanneer onze gevolgtrekkingen juist zijn, dan was het tijdens de regeeringen van Ferdinand den Rechtvaardige en Alfons V (1412-'58), dat de invloed van het Castiliaansch voor het eerst inwerkte op de sfeer van Catalonië. Wij zien het voor het eerst als dichtertaal gebruikt bij een zangwedstrijd ter eere van de Madonna, in 1474 te Valencia gehouden, en de 40 liederen, die bij deze gelegenheid werden gezongen, zijn later verzameld in het eerste boek, dat in Spanje gedrukt werd. Vier hiervan zijn in de Castiliaansche taal, die dus blijkbaar beschouwd werd als zijnde van voldoende letterkundige waarde, om bij zulk een wedstrijd te worden gebezigd. Het schijnt, dat Valencia, dat in vroegere tijden, wat spraak en kunst betreft, zuiver Catalonisch was, van 1470-1550 een eigen school had voor Castiliaansche dichters, die er veel toe hebben bijgedragen, het Castiliaansch als volkstaal te bestendigen. Maar de Cataloniërs waren niet van zins, hun taal, als de letterkundige taal van Spanje, zonder meer prijs te geven, en zij trachtten haar te handhaven door de instelling van een vakopleiding voor Troubadours, en door de schoonheden hunner taal hoog te prijzen bij de groote openbare zangwedstrijden. Het was te vergeefs. Zij moesten het afleggen tegen een taal, die krachtiger en rijker aan woorden en vormen was, en die daarenboven gesteund werd door een politieke macht, die sterker was dan de hunne.
DE DICHTKUNST AAN DE HOVEN VAN CASTILIË.
De opkomst van het Castiliaansch als letterkundige taal werd ook zeer bevorderd door de natuurwetenschappelijke belangstelling van verscheidene vorsten van Castilië. Alfonso de Wijze was zelf een dichter, en beoefende zijn moedertaal met verstand en toewijding, waardoor hij hare zuiverheid en nauwkeurigheid van uitdrukking aanmerkelijk verbeterde.
Onder zijn toezicht werd de Heilige Schrift in het Castiliaansch vertaald, en op zijn aandringen werd een Algemeene Kroniek van Spanje, zoowel als de Geschiedenis der Eerste Kruistocht, geschreven. Hij maakte het Castiliaansch tot de taal der gerechtshoven en trachtte in de verzen den meer exacten geest en de dichterlijke zinswendingen der Provençalen over te brengen.
Alfonso XI schreef een Algemeene Kroniek in de vlotte en vloeiende versmaat van de inheemsche redondillas, inplaats van de stijve en strakke Alexandrijnen, die in dien tijd gebruikelijk waren in letterkundige kringen. Ook liet hij boeken schrijven in Castiliaansch proza over de jachtkunst en over den stamboom van den adel. [10] Zijn familielid, Don Juan Manuel, droeg veel bij tot de ontwikkeling van de Spaansche fantasie, en hij gaf vastere vormen aan de Spaansche proza in zijn Conde Lucanor, een boek van ethische en politieke stelregels, waarvan de strekking duidelijk te voorschijn treedt in verhalen en fabels, ontleend aan de geschiedenis en de klassieke literatuur.
Hoewel Juan II [11] een zwak en lui vorst was, was hij toch een beschermer van de letterkunde; hij schreef verzen, ging veel om met dichters, en liet in 1449 een bloemlezing samenstellen uit de beste Spaansche gedichten.
Maar aan zijn hof heerschte een schoolsche geest; men volgde er de Italiaansche methodes, en hijzelf toonde groote liefde voor de Provençaalsche kunstuitingen. Niettegenstaande al deze kunstmatige hinderpalen, maakte de Castiliaansche taal groote vorderingen op haar veroveringspad. Zij was voorgoed de taal der Romance geworden, en de Romance zou in Spanje voor een geheele generatie van dien tijd de voornaamste letterkundige vorm worden.
DE OPKOMST VAN DE ROMANCE.
De ontwikkeling van de Romance in Spanje en de verschillende phasen, die zij heeft doorloopen, heeft niet die mate van belangstelling van den kant der Engelsche schrijvers gehad, die men had mogen verwachten in dezen tijd, waarin de kenner met toewijding de verborgen schuilhoeken der aarde moet doorzoeken, wil hij nieuwe letterkundige schatten te voorschijn brengen. De verschillende trappen van ontwikkeling der Romance zijn slechts terloops aangeduid, inplaats van uitvoerig behandeld, niet zoo zeer om de waardeloosheid van het materiaal, dan wel uit gemakzucht en een zekere oppervlakkigheid, die het kenmerk zijn van de meeste Britsche pogingen, om een juiste indeeling te maken van verschillende tijdperken en het onderling verband daartusschen duidelijk te belichten. Ik mag niet hopen, te slagen in een taak, die andere, en beter toegeruste autoriteiten wellicht uit goede overwegingen hebben verwaarloosd, maar ik zou liever tekort schieten in mijn streven een behoorlijk overzicht te geven van de verschillende overgangstrappen van de Spaansche Romance, dan den lezer te vergasten op een serie alleenstaande feiten en uitspraken zonder onderling verband, die, hoe belangrijk zij ook mogen zijn, geen duidelijk inzicht geven in oorzaak en gevolg, en die door de gebrekkige voorlichting, meestal aanleiding geven tot onjuiste gevolgtrekkingen.
Wanneer wij de letterkundige kaart van Europa beschouwen van de elfde tot de dertiende eeuw, dan zien wij het licht schijnen vanuit twee kwartieren--Joodsch-Arabisch Spanje en Frankrijk. Het eerste is voor het oogenblik voor ons van geen belang. Zijne letterkundige uitingen waren toen ten tijde niet sympathiek aan Christelijk Spanje, dat, zooals wij later zullen zien, alles wat Saraceensch was haatte, totdat de strijd tusschen 't zwaard en de kromme sabel was uitgevochten. Maar in Frankrijk had Castilië een schitterend voorbeeld, dat het volgde op zijn eigen wijze, die hem voorgeschreven werd zoowel door nationalen trots als door politieke noodzakelijkheid.
Wij hebben reeds gesproken over den invloed van Zuid-Frankrijk. In het tijdperk, waarover wij spreken, was Noord-Frankrijk, het land van de langue d'oïl, ofschoon het er betrekkelijk weinig rustig was, veel beter in staat, goede literatuur voort te brengen dan Castilië, welks voortdurende Vendetta met de Mooren, slechts weinig gelegenheid overliet aan het intellectueele deel der bevolking, zich aan de letterkunde te wijden, eene gelegenheid, waarvan de fijnste geesten echter een ruim gebruik maakten. De opkomst van de kaste der reizende dichters in Frankrijk voldeed aan de behoefte van het volk naar verhalen, en de trouvères van de twaalfde eeuw vonden in den glorierijken tijd van Karel den Groote, een steeds vloeiende bron voor hunne ridderlijke verbeelding, die zulk een ingang vond bij een middeleeuwsch publiek. De verzen, of beter gezegd, de epische poëzie, die zij ontleenden aan de geschiedenis van het Carlovingische tijdperk, waren bekend als chansons de gestes, »zangen van daden« van den grooten Frankischen Keizer en zijne onoverwinnelijke paladijnen. De trouvères zelf noemden ze Matière de France, terwijl de verhalen van Koning Arthur aangeduid werden als Matière de Bretagne, en die, welke berustten op de klassieke geschiedenis, Matière de Rome werden genoemd.
Tot voor betrekkelijk korten tijd waren deze reusachtige werken, waarvan verscheidene uit zes- of zevenduizend dichtregels bestaan, eigenlijk volkomen onbekend, zelfs bij het meerendeel van de letterkundige autoriteiten. [12]
Zooals wij ze kennen, zijn zij betrekkelijk modern van vorm, na dikwijls te zijn omgewerkt, waarschijnlijk zeer tot hun nadeel. Maar zij zijn het oudste voorbeeld van met zorg bewerkte verzen in eenige moderne taal, uitgezonderd Engelsch en Noorsch, en ongetwijfeld heeft de moderne literatuur van alle Europeesche landen zich ontwikkeld uit deze werken.
Deze chansons waren bestemd om gezongen te worden in de feestzalen der riddersloten, door rondtrekkende troubadours, die ze zelf maakten, of ze aan elkander afstonden. Zij handelden meer over wapengekletter dan over teedere gevoelens, ofschoon ook deze zoo nu en dan meesterlijk beschreven waren. De oudste van deze gedichten zijn geschreven in coupletten, laisses of tirades genoemd, elk bestaande uit twintig tot meerdere twintigtallen van regels, terwijl deze groepen onderlingen samenhang vertoonden door hun berijmd refrein. Later echter waren de geheele chansons berijmd.
CASTILIAANSCHE OPPOSITIE TEGEN DE CHANSONS DE GESTES.
In deze gedichten, die waarschijnlijk oorspronkelijk uit het Noorden van Frankrijk kwamen, en zich in den loop der tijden naar het Zuiden verspreidden, werd Karel de Groote voorgesteld als het bolwerk van het Christendom tegen de Saracenen van Spanje. Omringd door zijne paladijnen Roland, Olivier, Naymes, Ogier en Willem van Oranje, voerde hij een onafgebroken strijd tegen de Mooren of de »Saracenen« (heidenen) van Saksen. Van deze gedichten heeft Gautier er 110 gecatalogiseerd, waarvan de helft uit de twaalfde eeuw stamt. Een aantal van de latere chansons zijn in het Provençaalsch geschreven, maar alle pogingen, om van de geheele cyclus den oorspronkelijken vorm op te sporen, hebben blijkbaar gefaald.
Zeker is het, dat deze romantische stof in haar geheel haar weg vond in Castilië. Het is niet met zekerheid bekend, of dit geschiedde door Provence en Catalonië, maar het is niet onmogelijk, dat dit het geval was. Men zou meenen, dat Christelijk Spanje door zijn moeilijken strijd tegen de Mooren, zich voelde aangetrokken tot een literatuur, die zoo voortdurend handelde over de nederlagen van zijn aartsvijand. Dit was oorspronkelijk ook het geval, en de chanson vond dan ook een gunstig onthaal. Maar er bleken spoedig twee beletselen te bestaan voor eene onverdeelde waardeering. In de eerste plaats schijnt het Castilië van de twaalfde eeuw te hebben begrepen, dat, als Karel de Groote Spanje binnenviel, hij niet alleen den Moor, maar ook den Spanjaard tegenover zich zou vinden. Dit wordt niet gestaafd, zooals sommige autoriteiten meenen, door een gedeelte van een populair gedicht, bij de Baskiërs bekend als Altobiskarko Cantar, of Lied van Altobiskar, dat stilzwijgend erkent, dat de nederlaag van de achterhoede van Karel den Groote niet te danken was aan de Saracenen, maar aan de Baskiërs, die gebelgd waren over de doortocht van het Frankische leger door hunne bergpassen. Het geheel is een uitvoerig stuk in het Baskisch, door den Baskischen student Duhalde vertaald uit het Fransche gedicht van François Garay de Montglave (circa 1833). Een tweede slag van Roncevalles had plaats onder de regeering van Lodewijk den Vrome in 824, toen twee Frankische graven, uit Spanje komende, weder overvallen werden en verslagen door de Pyreneesche bergbewoners. Maar er schijnt nog een vroeger gevecht te zijn geweest tusschen Franken en Baskiërs in de Pyreneeën, onder de regeering van Dagobert I (631-638). De herinnering aan deze gevechten schijnt bij de bevolking levendig te zijn gebleven, zoodat de Spanjaard den Frank bleef beschouwen als zijn erfvijand. Aartsbisschop Roderick van Toledo trad streng op tegen die Spaansche juglares, die de heldendaden van Karel den Groote in Spanje bezongen, en Alfonso de Wijze trachtte, zooveel het hem mogelijk was, de mythische overwinningen van den Frankischen keizer te kleineeren.
Maar dit was niet alles. Het denkbeeld, dat Karel de Groote zijn intocht in Spanje had gedaan als overwinnaar, alles voor zich uitdrijvende, was in hooge mate beleedigend voor den trots en het patriotisme van de Castilianen, die de chansons de gestes in hun eigen geest wenschten uit te leggen, en inplaats van ze woordelijk over te nemen, zelf een verzameling liederen schiepen. Zij namen als den nationalen held van het Carlovingische tijdperk een denkbeeldigen ridder aan, Bernaldo de Carpio, dien zij begroetten als den bevrijder van Castilië, en ter wiens verheerlijking zij zangen dichtten, waarin hij wordt voorgesteld als de strijder, die Roland bij Roncevalles versloeg aan het hoofd van een zegevierend leger, dat niet uit Arabieren of Baskiërs, maar uit Castilianen was samengesteld.
DE CANTARES DE GESTA.
Maar al namen de Castilianen den inhoud van de chansons niet aan, den vorm namen zij wél over. Hun tegenzin tegen den uitheemschen geest en de strekking van de chansons schijnt te zijn ontstaan eenigen tijd nadat zij door geheel Spanje verspreid waren. Een Spaansch priester uit het begin der twaalfde eeuw schreef de wonderbaarlijke kroniek van Aartsbisschop Turpinus van Rheims; het moest de levensbeschrijving voorstellen van dien krijgshaftigen geestelijke, maar de werkelijke bedoeling was, aan te sporen tot bedevaarten naar Compostella, waarvan in het geschrift sprake was. Vele Franken trokken naar deze heilige plaats, onder wie Troubadours, die naar alle waarschijnlijkheid den geest en de metriek van de chansons brachten tot de Castiliaansche zangers, zoodat wij later hooren van Spaansche Cantares de gesta, waarvan echter de meeste, in tegenstelling met hunne Fransche voorbeelden, voor ons verloren zijn gegaan. De beroemde Poema del Cid, handelende over de krijgsverrichtingen van een groot Castiliaansch held, is in vorm en geest het type van een Cantar de gesta, en wij mogen op goede gronden aannemen, dat vele van de latere romanceros of balladen over helden als Bernaldo de Carpio, Gonzalvo de Cordova en Gayferos, oude cantares zijn, omgewerkt en vervormd door den tijd.
Evenals in Frankrijk, verloren in Spanje de Cantares de gesta hun aanzien. In den loop der tijden werden zij verdrongen naar marktplaatsen en herbergen. Van verscheidene werd de stof verwerkt in kronieken, maar de Juglares, die ze nu zongen, maakten er, wanneer ze ouderwetsch werden, slechte uittreksels van, of vervormden ze tot balladen, om ze geschikt te maken voor den smaak van een minder beschaafd publiek. [13]
DE KRONIEKEN.
Maar al kunnen wij het meerendeel van de Cantares de gesta niet meer in hun ouden vorm terugvinden, gedeelten ervan komen voor in de oude kronieken van Spanje. Zoo vertelt de Algemeene Kroniek van Spanje (c. 1252), waarvan wij, op grond van de laatste onderzoekingen, mogen aannemen, dat zij tenminste drie veranderingen of bewerkingen van den tekst heeft ondergaan, het leven van Bernaldo de Carpio, Fernán González, en de zeven kinderen van Lara; zij geeft korte vertellingen over Karel den Groote, terwijl het laatste gedeelte de geschiedenis van den Cid verhaalt, en er zoo nu en dan zelfs verwezen wordt naar de Cantares als de bron van een of ander relaas. Daarenboven zijn verscheiden gedeelten van de Kronieken klaarblijkelijk in hun geheel overgenomen uit zekere Cantares. De omstandigheid, dat zij hun oorspronkelijken onberijmden doch metrischen vorm hadden behouden, maakte het den lateren ballade-dichters gemakkelijk, ze weder om te werken tot verzen. Dit is o.a. geschied met de Kronieken van Bernaldo de Carpio en de Kinderen van Lara, en in dezen nieuwen vorm vinden wij ze terug in de cancioneros of bundels Volkszangen.
DE BALLADEN.
De onsterfelijke balladen van Spanje zijn het onderwerp geweest van een fellen strijd, en hun belangrijkheid noopt ons, er een afzonderlijk hoofdstuk aan te wijden. Het tijdperk waartoe zij behooren in aanmerking genomen, en hunne verhouding tot de grootere verhalende gedichten, kunnen wij ze hier niet al te uitvoerig behandelen. Volgens sommige autoriteiten zijn zij van nog ouderen datum dan verzen als de Poema del Cid en Kronieken als van Alfonso den Wijze, terwijl anderen als hunne vaste overtuiging te kennen geven, dat het grootste gedeelte der ballades uit een lateren tijd stammen. Het schijnt mij toe, dat er waarheid schuilt in beide veronderstellingen, en dat het hier zooals dikwijls in de letterkundige zeevaart, verstandig is, den middenkoers te houden. Volgens mijne opvatting zijn er vier verschillende typen van Spaansche balladen:
1. die welke spontaan ontstonden in het Noorden van Spanje, eenigen tijd nadat de Castiliaansche taal gevormd was, en die, wanneer wij er al eenige overblijfselen van bezitten, waarschijnlijk zóó totaal veranderd zijn, dat zij, die ze het eerst gezongen hebben, ze zelf niet meer zouden herkennen;
2. balladen, die als kronieken uit de Cantares de gesta zijn overgenomen;
3. volksballaden uit lateren tijd, meer of minder veranderd;
4. de modernere voortbrengselen van een bewuste kunst.
Ik geloof, dat de balladen of romanceros weer verdeeld moeten worden in twee soorten: die, welke spontaan uit het volk zijn voortgekomen, zonder letterkundige basis, en die, welke eigenlijk Cantares de gesta of gedeelten uit kronieken zijn, die in den loop der tijden een ander uiterlijk hebben gekregen. Ik ben met de meeste onderzoekers van de oude Spaansche literatuur van meening, dat de Cantares of Kronieken niets hebben overgenomen van de balladen uit eenig tijdperk, die, naar ik stellig geloof, slechts een volksuiting zijn. Natuurlijk omvatten deze twee soorten niet de meer »poëtische« of vervalschte balladen, die geschreven werden, nadat de ballade een erkende vorm voor proefnemingen op het gebied van bewuste dichtkunst was geworden; het is duidelijk, dat deze soort in geen der beide klassen kan worden ondergebracht.
Wij bezitten geen stellige aanwijzing omtrent de mate van vervalsching of verandering, die de balladen ondergingen, voordat zij verzameld en uitgegeven werden. Het zou echter vreemd zijn, wanneer geen balladen uit den vroegsten tijd tot ons waren gekomen, zij het dan ook in veranderden vorm, en het lijkt mij een even overdreven uiting van zucht tot kritiek, wanneer men de oudheid zou ontkennen van een lied, alleen omdat het eerst in een later tijdperk gedrukt werd, of omdat men het nooit in oude manuscripten heeft aangetroffen, als wanneer men zou twijfelen aan de oudheid van een legende of een volksgebruik, op grond van het feit, dat deze in onze dagen nog gangbaar zijn, tenzij men hun ontstaan in een latere periode zou kunnen bewijzen. Toch schijnt het mij toe, dat weinig van deze balladen ouder zijn dan bijv. die van Schotland of Denemarken.
Weinig balladen van Europa zijn meer waard bestudeerd te worden dan de Spaansche. Maar op deze plaats kunnen wij haar slechts beschouwen in hare verhouding tot de Romance. Dat zij nauw verwant is aan de romantische literatuur van het Schiereiland, zien wij reeds dadelijk aan den naam, dien de Spanjaarden aan deze gedichten hebben gegeven, nl. Romanceros. [14] Sommige ervan zijn eigenlijk slechts in naam romances of Cantares de gesta, doch inderdaad behandelen zij alle onderwerpen, die in de Cantares bezongen zijn, of in de Kronieken beschreven, zooals de Cid, Bernaldo de Carpio, Graaf Alarcos enz. Zij schijnen echter weinig gemeen te hebben met de latere, werkelijke romance, zooals Amadis, Palmerin of Felixmarte, en wel, omdat in den tijd, toen deze in de mode waren, de ballade reeds het eigendom geworden was van het volk. Zooals de markies van Santillana (1398-1458), die zelf een verdienstelijk dichter was, opmerkte in een brief, die beroemd is geworden om het licht, dat hij werpt op den toestand van de Spaansche letterkunde van dien tijd: »Er zijn verachtelijke dichters, die zonder systeem, methode of maat van die liederen en romances maken, waarin het gemeene volk behagen schept.« Zoo zouden Lovelace of Drummond of Hawthornden hebben kunnen schrijven over de Engelsche balladedichters.
Waar de balladen dus waren overgelaten aan de boeren en de arbeidersklasse, daar waren de hoogere standen, die tijd tot lezen hadden, aangewezen op de Kronieken en de enkele Cantares de gesta, die op schrift waren gebracht. Maar als gevolg van de vernietiging der Moorsche staten in Spanje, van den toenemenden rijkdom onder de hoogere standen en de uitvinding der boekdrukkunst, ontstond een meerdere vraag naar gedrukte boeken, die in de behoefte naar ontspanning zouden voorzien. Een groote scheppingsdrang ontwaakte. Eerst werd de romantische stof, die als het ware versteend en begraven lag in de Kronieken, tot nieuw leven gewekt. Voor sommige dezer gedichten was het slechts een kleine stap naar de eigenlijke romances. Maar Spanje snakte naar iets nieuws, en in het begin der vijftiende eeuw wendden de romancedichters hunne oogen opnieuw naar Frankrijk, welks onuitputtelijke bron van geestelijken rijkdom hun een overvloed van romantische stof begon te verschaffen.