Legenden en Romances van Spanje

Chapter 29

Chapter 293,853 wordsPublic domain

Mateo Aleman, de schrijver van den grooten Schelmenroman Guzman de Alfarache werd in Sevilla geboren. In zijn jeugd versmaadde hij een gouvernementsbetrekking en stak hij naar Mexico over, waar hij in 1609 een werk uitgaf over Spaansche taalkunde, benevens verscheidene Latijnsche verhandelingen. Maar zijn naam als romanschrijver verwierf hij door zijn Vita del Picaro Guzman de Alfarache, een werk, dat van zijn eerste verschijning in 1599 af, overgebracht is in elke Europeesche taal. Ofschoon het geschreven is in de meest zuivere en klassiek letterkundige stijl, is het toch los en natuurlijk, en het vindt zijn weerga niet in de schildering van de laagste klassen der Castiliaansche maatschappij en van de gewoonten en denkbeelden van den tijd, waarin hij leefde.

»Mijne voorouders,« vertelt Guzman, »kwamen oorspronkelijk uit de Levant. Maar zij vestigden zich te Genua, en oefenden in die stad het beroep van koopman uit op zulk een wijze, dat zij beschuldigd werden van woeker«.

De omstandigheid, dat deze levendige avonturier uit zulk een weinig eerbiedwaardig geslacht voortkwam, leidde er wel toe, dat hij reeds op jeugdigen leeftijd in aanraking kwam met allerlei schurkenstreken. Maar al waren zijne bloedverwanten allesbehalve kieskeurig waar het den handel betrof, zij verborgen hun schandelijk gedrag onder den mantel van schijnheiligheid en maatschappelijk fatsoen. Zij ontbraken nooit bij de Mis, en niemand zou iets hebben kunnen inbrengen tegen hun particulier leven. Voor de geboorte van Guzman hoorde zijn vader, dat één zijner correspondenten te Sevilla failliet was gegaan, en toen hij daarheen ging om zelf orde op zaken te stellen, werd hij gevangen genomen door een Algerijnschen zeeroover; hij ging over tot den Mohammedaanschen godsdienst en huwde een Moorsche vrouw. Toen zijn agent te Sevilla hoorde wat zijn voornaamsten schuldeischer overkomen was, ordende hij zijne zaken zonder diens hulp, en zoo was hij in korten tijd beter af dan ooit tevoren. Maar het gelukte den vader van Guzman te ontsnappen, en toen hij te Sevilla aankwam, eischte hij een afrekening van zijn oneerlijken handelsvriend, van wien hij een flinke som loskreeg. Daarna vestigde hij een zaak te Sevilla, en kocht een landgoed, dat hij St. Juan de Alfarache noemde. Hier leefde hij in overvloed, en nadat hij de weduwe van een ouden ridder gehuwd had, was ook zijn maatschappelijke positie uitstekend. Kort daarna werd zijn zoon Guzman geboren. Maar de Alfarache was zeer gesteld op vroolijk gezelschap, praal en uiterlijk vertoon, en nadat hij eerst een groot gedeelte van zijn fortuin verkwist had, duurde het niet lang, of hij ging zelf bankroet, waarna hij de tol aan de natuur betaalde.

Zijn weduwe en de kleine Guzman bleven onverzorgd achter, en toen de knaap in zijn veertiende jaar was, besloot hij zijn fortuin te zoeken; hij reisde dus naar Genua, in de hoop, dat de bloedverwanten van zijn vader bereid zouden zijn hem te helpen. Spoedig bereikte hij een herberg, waar hij iets te eten vroeg. Men bracht hem een ommelet, die, zooals hij zeide, beter een »eierpap« zou kunnen heeten, maar waarop hij toch aanviel »als een varken op eikels.« Bij het verlaten van de herberg gevoelde hij zich ellendig, en in een toestand, die de bezwijming nabij was, ontmoette hij een ezeldrijver, wien hij het onsmakelijke maal beschreef, dat hij juist genuttigd had; deze lachte hartelijk om het verhaal en bood hem vriendelijk aan, een zijner muilezels te bestijgen waarna zij spoedig in Oostelijke richting draafden. Korten tijd daarna ontmoetten zij twee monniken, en kwamen zij bij een herberg, waar zij weer een slecht maal kregen, dat door den waard echter zóó werd opgehemeld, dat de arme jongen wel gedwongen was, het zonder veel drukte te verorberen. Maar tot zijn grooten schrik ontdekte hij later, dat het gerecht bereid was van het vleesch van een jongen muilezel. Toen de herbergier hiervan beschuldigd werd, was hij zoo woedend, dat hij een groot zwaard greep, waarop de ezeldrijver een hooivork nam, en er zou zeker een moord gebeurd zijn, wanneer niet de stedelijke politie de vechtenden gescheiden had. De oneerlijke waard werd naar de gevangenis gebracht, maar ofschoon hij bekende den muilezel te hebben geslacht, wilde hij niet toegeven, dat hij den mantel van Guzman gestolen had, die spoorloos verdwenen was, en de knaap was dus genoodzaakt de herberg te verlaten zonder dit uitrustingstuk.

Toen Guzman en de ezeldrijver hun weg vervolgden, werden zij spoedig achterhaald door twee personen, die op muilezels gezeten waren, en die hen met de grootste opmerkzaamheid monsterden. Plotseling wierpen zij zich op den ongelukkigen knaap, bewerende, dat hij eenige kostbare juweelen gestolen had. De ezeldrijver kwam tusschen beiden, maar ook hij werd ruw aangegrepen, en de vreemdelingen bonden de beide reiskameraden aan hunne ezels vast. Op hetzelfde oogenblik kwamen de twee monniken weder opdagen, die zich vermaakten met het doen van verhalen, waarvan de strekking neerkwam op de wisselvalligheid van 's menschen lot. Maar deze verhalen zijn veel te lang om ze hier te vertellen en daarenboven hebben zij weinig te maken met den draad van ons verhaal.

Het gezelschap kwam toen bij de poorten van Cazalla, waar het gerecht uitmaakte, dat Guzman ten onrechte gevangen genomen was, en waar hem dus de vrijheid weergegeven werd. Hij nam zijn intrek in de beste herberg, die de stad er op nahield en den volgenden morgen begaf hij zich te voet op weg naar Madrid.

In een herberg in een der buitenwijken der hoofdstad ontmoette hij een weldadigen monnik, die zijn maal met hem deelde. Maar den volgenden morgen trachtte de waard hem met zijn rekening te bedriegen, en hij was op het punt hem bij wijze van betaling zijn jas af te nemen, toen de ezeldrijver, die zich weer bij hem gevoegd had, tusschenbeiden kwam, en als zijn meening te kennen gaf, dat Guzman van huis was weggeloopen. De slechte waard zag hierin een kans om zich te verrijken, en bood aan, den jongen in zijn dienst te nemen als staljongen; hij zou dan de ezeldrijvers, die in de herberg overnachtten, moeten helpen bij het stallen en voederen der ezels. Hier werd de jonge Guzman dan ingewijd in allerlei oneerlijke praktijken, want wanneer een voorname gast de herberg bezocht, kregen zijne muilezels of paarden slechts een handvol voer, terwijl hem de gewone prijs berekend werd. Inderdaad was deze herberg een broeinest van ongerechtigheden, en het leven daar werd Guzman zóó ondragelijk, dat hij met het kleine beetje geld, dat hij gespaard had, en de opbrengst van zijn jas en vest, met de noorderzon vertrok, en zich bij een troep voorbijtrekkende bedelaars voegde. Deze menschen leidden een kostelijk leven van hetgeen zij bedelden en stroopten; het waren onverbeterlijke spelers, en 's avonds had Guzman volop gelegenheid, valsch te leeren spelen. Later nam hij echter dienst als koksjongen bij een adellijk heer.

GUZMAN ALS KOKSJONGEN.

In deze betrekking maakte Guzman een prettigen tijd door, want het ontbrak in het huis van den ridder niet aan vroolijkheid. De jongen deed echter uitstekend zijn plicht, maar de ondeugd van het spel kreeg hem te pakken, en dikwijls zat hij tot laat in den nacht met de lakeien en livreiknechten aan de speeltafel. Op deze wijze verloor hij het geld, dat hij verdiend had, dadelijk weer, en toen hij niets meer had om aan zijn hartstocht voor het spel te voldoen, begon hij allerlei kleinigheden, die hij in huis kon machtig worden, te stelen, waarbij hij zijn geweten geruststelde met de overweging, dat de anderen hetzelfde deden. Op zekeren dag had zijn meester voor eenige vrienden een groot drinkgelag aangericht, en toen Guzman de zaal binnenkwam, waar zij bijeen waren, vond hij hen allen in vasten slaap. Toen zag hij op tafel een grooten zilveren drinkbeker staan, dien hij zich vlug toeeigende. De vrouw van den kok miste het voorwerp al heel spoedig, en er werd een onderzoek ingesteld naar de verdwijning ervan, waarop de slimme knaap den beker naar een goudsmid bracht, die hem zóó mooi oppoetste, dat hij geheel nieuw leek. Hij bracht hem terug naar de koksvrouw, die in grooten angst verkeerde, dat haar meester van het verlies zou hooren, en hij vertelde haar, dat hij bij den juwelier juist zulk een beker gevonden had, dien hij voor zes-en-vijftig reales kon koopen; en in haar verlangen, niet in moeilijkheden te komen, gaf zij hem dadelijk deze som. Maar het geld, dat op deze oneerlijke wijze verkregen was, werd oogenblikkelijk weer aan de speeltafel verloren, zoodat Guzman even arm was als voorheen.

Eenigen tijd later kreeg de kok bevel, een schitterenden maaltijd aan te richten voor een vreemden edelman, die eerst sedert kort in Madrid vertoefde. De koksjongen moest hiervoor een grooten zak met wild in ontvangst nemen, dien hij naar huis droeg. Maar daar het reeds laat was, nam hij hem mede naar zijn eigen zolderkamer. Midden in den nacht werd hij wakker, doordat katten vochten om een van de hazen, die in den zak waren. Toen Guzman zag, dat men dezen haas niet miste, en dat de lakeien links en rechts van de voorraden stalen, stak hij een half dozijn eieren in zijn zak. Maar de chef-kok zag het en gaf hem zulk een geweldigen schop, dat hij viel, waardoor de gebroken eieren uit zijn zak dropen, tot groot vermaak van de omstanders. Het gelukte hem echter, een paar patrijzen en eenige kwartels te verdonkeremanen; deze wilde hij aan een anderen kok verkoopen; maar zijn meester, die hem niet vertrouwde, volgde hem, en ontdekte, wat hij in zijn schild voerde, waarop hij op staanden voet ontslagen werd, nadat hij een flink pak ransel gekregen had.

Daarna bleef hem niets anders over dan weer terug te keeren tot zijn vroeger beroep van boodschaplooper. Maar spoedig hoorde hij, dat er binnenkort eenige troepen naar Genua zouden worden ingescheept, en hij besloot zich ook te laten aanmonsteren. Een oude apotheker, die nooit iets oneerlijks van hem ondervonden had, zond hem naar een vreemden koopman met een groote hoeveelheid zilver, dat Guzman in een diepen kuil bij de rivier verstopte. Toen hij den volgenden morgen bij deze plaats terugkwam, en de zakken met geld opgroef, ontdekte hij, dat zij vijf-en-twintig-honderd reales in zilver, en dertig pistoles in goud bevatten. Hij nam de zakken op zijn rug, opdat men ze voor de bagage van een reiziger zou aanzien, en begaf zich op weg naar Toledo. Hij zorgde er echter steeds voor, den grooten weg te vermijden, en slechts stille wegen te bewandelen.

Toen hij nog slechts twee mijlen van Toledo verwijderd was, liep hij een bosch in, waar hij gedurende het overige gedeelte van den dag wilde rusten, omdat hij niet in de stad wilde komen, voordat het donker was.

Hij was van plan naar Genua te gaan, en zijne bloedverwanten op te zoeken, en hij dacht er juist over, hoe hij zijn geld het best zou kunnen besteden om bij hen te komen en een goeden indruk op hen te maken, toen hij een geluid hoorde, en toen hij zich haastig omkeerde, zag hij een jongen man, ongeveer van zijn eigen leeftijd, die achterover op den grond lag, met het hoofd tegen een boom. Guzman deelde zijn wijn met hem, en de jongeling vertelde hem, dat hij geen cent bezat. Guzman bood hem aan, eenige van zijne kleederen te koopen, die hij in een bundel bij zich droeg, en hij maakte een van zijne geldzakken open, om hem te laten zien, dat hij in staat was te betalen. Voor honderd reales ging een prachtig pak kleeren in zijne handen over, en nadat Guzman afscheid genomen had van den vreemdeling, begaf hij zich naar Toledo, waar hij dadelijk zijn intrek nam in de beste herberg. Den volgenden dag schafte hij zich allerlei kleedingstukken aan, die hij noodig had, maar zijn ijdelheid werd hem de baas, en hij bestelde een prachtig pak, dat hem een schat kostte. Des Zondags ging hij naar de Cathedraal, waar hij een bekoorlijke dame ontmoette die hem vroeg haar naar haar huis te geleiden, om daar den avondmaaltijd te gebruiken. Guzman bestelde voor deze gelegenheid allerlei kostbare spijzen en dranken, maar het paar had zich nauwelijks aan tafel gezet, of er werd luid op de deur geklopt, en de dame riep hevig verschrikt, dat haar broeder thuisgekomen was, en dat Guzman zich zoo vlug mogelijk verbergen moest. De eenige plaats, waar hij zich behoorlijk verstoppen kon, was een groot, omgekeerd bad, en vanuit deze schuilplaats had hij het genoegen te zien, hoe de heer, die zoo juist was binnengekomen, alle kostbare gerechten, die hij betaald had, opat, en de vier flesschen wijn, die hij voor zijn eigen gebruik had gekocht, tot op den laatsten droppel ledigde. Spoedig na dit overvloedig maal, viel de heer in een diepen slaap, en Guzman maakte van deze gelegenheid gebruik weg te sluipen als een armer doch wijzer man.

Daar Guzman hoorde, dat een alguazil bijzonder belangstellend naar hem gevraagd had, vertrok hij haastig uit Toledo, en voegde zich te Almagro bij de soldaten, die naar Genua gingen. Hun kapitein, die onder den indruk kwam van zijn net voorkomen, begroette hem als zijn wapenbroeder, en behandelde hem als zijn gelijke. Guzman had in Toledo een knechtje in zijn dienst genomen, en deze kleine schelm vertelde overal rond, dat zijn meester een voornaam heer was. Maar de beurs van onzen held geraakte al aardig leeg, ofschoon hij nog ongeveer de helft van zijne oneerlijk verkregen bezittingen had. Inplaats dat het gezelschap dadelijk scheep ging, bleef het nog ongeveer drie maanden in Barcelona, zoodat zijne geldmiddelen spoedig uitgeput raakten, en hij door de officieren verwaarloosd en door de soldaten gemeden werd. Zijn kapitein had echter medelijden met hem, en bood hem een plaats aan zijn bediendentafel aan; dit was, volgens zijn zeggen, het eenige wat hij voor hem doen kon, want hij was zelf genoodzaakt buitenshuis te gaan eten omdat hij niet in staat was, zijne vrienden thuis te ontvangen. Guzman betuigde hem zijn dankbaarheid, en gaf hem te kennen, dat hij misschien later in de gelegenheid zou zijn, hem weer te helpen. De soldaten waren in het dorp ingekwartierd, en Guzman verzon het systeem van in elk huis meer manschappen onder te brengen dan noodzakelijk was; hij dreigde tenminste dit te doen, zoodat de beangste inwoners al heel blij waren, wanneer zij hem konden afkoopen. Op deze wijze herstelde hij den geschokten geldelijken toestand van den kapitein volkomen, en daar hem vele geschenken in den vorm van levensmiddelen door de angstige dorpsbewoners werden toegezonden, hadden de jeugdige schelm en zijn chef een goed leven. Maar nu werd hij overmoediger, en met zes van de meest roekelooze mannen van zijn compagnie, begon hij de voorbijgangers op den heirweg te berooven. Toen zijn kapitein dit echter hoorde, maakte hij dadelijk een einde aan dit gevaarlijke spelletje.

Op zekeren dag bemerkte Guzman, dat onder de weinige kostbaarheden, die den kapitein nog waren overgebleven, zich een bijzonder mooi gouden relikwieën-kastje bevond, met diamanten versierd, en hij vroeg hem dit voor eenige dagen te leen. De overmoedige jongeling ging er dadelijk mee naar een juwelier, wien hij het kostbare stuk aanbood voor tweehonderd kronen. Maar de man wilde hem er niet meer dan honderdtwintig voor geven, op welk aanbod Guzman niet wilde ingaan. De juwelier kwam den volgenden dag weer bij hem en hernieuwde zijn aanbod, dat nu door den jongen man aangenomen werd. Guzman overhandigde hem het foedraal waarin het kastje bewaard werd, en ontving hiervoor in ruil de honderdtwintig kronen. Maar nauwelijks had de oude man het huis verlaten, of de jonge avonturier begon te roepen: »Houd den dief! houd den dief!« Eenige soldaten grepen den juwelier, en Guzman riep opgewonden, dat hij hem het relikwieën-kastje van den kapitein ontstolen had. De juwelier verzekerde de politiemannen, dat hij het voorwerp voor honderdtwintig kronen had gekocht, doch dit werd door Guzman ontkend. De ongelukkige goudsmid werd voor den rechter gebracht, en daar hij wegens woekerhandel een slechte reputatie genoot, werd hij gedwongen het kostbare voorwerp terug te geven. Maar ofschoon de kapitein heel blij was met het geld, dat zoo onrechtmatig verkregen was, vreesde hij toch, dat een verdere omgang met zulk een schurk als de Alfarache, hem ten gronde zou richten. Eenige dagen later scheepten de troepen zich in naar Genua, en toen zij daar waren aangekomen, zeide zijn chef hem, dat het beter was, dat zij scheidden, en hij drukte hem een pistole in de hand.

GEKWELD DOOR DUIVELS.

De jonge avonturier begon dadelijk te informeeren naar zijne bloedverwanten, en zoo hoorde hij, dat zij de rijkste en machtigste personen uit de republiek waren. Hij vroeg den weg naar hun woning, waar hij allesbehalve vriendelijk ontvangen werd, te meer, daar hij er vreeselijk slordig en verwaarloosd uitzag. Maar daar hij ervoor gezorgd had, dat het bekend was, dat hij een familielid was, konden zij hem moeilijk de deur wijzen. Op zekeren avond ontmoette hij een eerwaardigen ouden man, die hem vertelde, dat hij zijn vader gekend had, en dat hij verontwaardigd was over de wijze, waarop zijn familie hem behandelde; daarom bood hij hem aan, bij hem zijn intrek te nemen. Zonder hem iets te eten te geven, zond hij hem dadelijk naar bed, waar de ongelukkige jongen niet kon inslapen van den honger. Voordat hij zich ter ruste begaf, zeide de oude man hem, dat het in de kamer, waarin hij zich bevond, spookte. Hongerig en onrustig lag Guzman wakker, toen tot zijn groote ontsteltenis vier duivelsche gestalten de kamer binnentraden en hem uit zijn bed sleepten. Zij smeten hem in een beddelaken, en zwaaiden hem zóó hevig heen en weer, dat hij telkens tegen de zoldering aanvloog, totdat zij uitgeput door de inspanning, hem weer in zijn bed gooiden, waarna zij de kamer verlieten. In den vroegen morgen verliet Guzman, stijf, pijnlijk en terneergeslagen het huis, maar hij zwoer een duren eed, nooit te zullen vergeten, hoe schandelijk zijn familie hem behandeld had, en dat hij zich bij de eerste de beste gelegenheid zou weten te wreken.

GUZMAN VOEGT ZICH BIJ DE BEDELAARS VAN ROME.

Toen Guzman Genua verlaten had in dezen ellendigen toestand, waarin hij zich vergelijkt bij een van die soldaten, die nog levend uit den slag bij Roncevalles gekomen waren, besloot hij naar Rome te gaan. »Italië«, zoo redeneerde hij, »is het weldadigste land van de wereld, en iedereen, die kan bedelen, kan binnen de grenzen van dat land reizen, zonder zich te bekommeren over zijn volgenden maaltijd«. Een paar weken later bevond hij zich dan ook inderdaad te Rome, met genoeg geld in zijn zak, om een nieuw pak kleeren te koopen; maar hij weerstond de verleiding en zwierf bedelend door de straten der keizerlijke stad. Hij ontmoette reeds spoedig een lotgenoot, die hem inlichtte over de werkwijze en gewoonten van de bedelaars van Rome, en die hem zooveel goeden raad gaf, dat hij al heel gauw meer geld ontving dan hij kon uitgeven. In korten tijd was Guzman een meester in de bedelkunst. Nadat hij op deze wijze eenige weken had doorgebracht, maakte hij kennis met den chef-bedelaar van de stad, die hem op de hoogte bracht van de wetten der bedelarij, die hij in zijn autobiographie uitvoerig bespreekt. Deze wetten leerde Guzman uit het hoofd. De bedelaars woonden te zamen, en vergaderden des avonds om nieuwe bedelmanieren te bedenken, en zich te oefenen in allerlei praktijken, waardoor zij medelijden konden opwekken. Des morgens vochten zij er meestal om, wie het dichtst bij het wijwater bij den ingang der kerken kon komen, want daar was altijd de rijkste oogst; en 's avonds maakten de bedelaars meestal een tocht langs de landhuizen in de buurt van Rome, vanwaar zij beladen met levensmiddelen terugkeerden. Bijna al deze bedelaars wendden lichaamsgebreken en ongeneeslijke ziekten voor. Eens simuleerde Guzman in de stad Gaeta een vreeselijke hoofdziekte, en de Gouverneur, die juist voorbijkwam, gaf hem een aalmoes. Den volgenden dag zat hij bij den ingang van een kerk met iets, dat een pijnlijke ziekte van het been moest voorstellen, en het geld stroomde hem toe; maar ongelukkig kwam de Gouverneur weer voorbij, en daar hij hem herkende, beloofde hij hem eenige afgelegde kleeren, wanneer hij met hem mede naar huis wilde gaan. Daar aangekomen, vroeg de Gouverneur hem, welk merkwaardig geneesmiddel hij gebruikt had, om hem binnen een dag af te helpen van zijn vroegere ziekte; en zonder het antwoord af te wachten, ontbood hij een geneesheer, die het been onderzocht, en den Gouverneur verzekerde, dat de bedelaar volkomen gezond was. Toen gaf de Gouverneur hem over aan zijne lakeien, die hem een flink pak ransel gaven, en hem daarna de stad uitjoegen.

Op zekeren dag had de schelm zich opgesteld bij het hek van een Kardinaal, die bekend was om zijn medelijdend hart, en toen deze hem hoorde klagen, gaf hij zijne bedienden bevel, den zieke naar een kamer in zijn huis te brengen, en hem daar te verplegen. Guzman had wederom een ernstige beenziekte voorgewend, en dus ontbood de Kardinaal twee der beroemdste geneesheeren van Rome. Hunne voorbereidingen waren van dien aard, dat Guzman vreesde, dat zij van plan waren, het been af te zetten, en toen de medici dus in een aangrenzend vertrek het geval bespraken, ging hij naar de deur om het gesprek af te luisteren. Een van beiden gaf als zijn meening te kennen, dat de ziekte voorgewend was, maar de andere was dit niet met hem eens. Eindelijk kwamen zij overeen, het geval aan den Kardinaal voor te leggen, en zij waren op het punt dit te doen, toen Guzman de kamer, waarin zij zich bevonden, binnentrad, zijn bedrog bekende, en hun voorstelde met hem te zamen den Kardinaal te bedriegen. De geneesheeren stemden hierin toe, en toen Zijne Eminentie verscheen, gaven zij een verontrustend en aandoenlijk verslag van de ernstige ziekte van Guzman. De Kardinaal, die een edel en goedgeloovig man was, drukte hun op het hart, niets te verzuimen, wat zou kunnen bijdragen tot het herstel van den patiënt. De geneesheeren waren zóó verlangend een hooge rekening te kunnen uitschrijven, dat zij Guzman dwongen drie maanden het bed te houden; die maanden schenen hem drie eeuwen toe, want het zwervende leven was hem een behoefte geworden, en het viel hem zwaar daar tijdelijk afstand van te moeten doen. Aan het einde van dien termijn, dienden de geneesheeren bij den Kardinaal hun rekening in met de verklaring, dat de patiënt volkomen hersteld was, en de geestelijke was zóó verrukt over deze wonderbaarlijke genezing, en zóó ingenomen met den levendigen geest van Guzman, dat hij den jeugdigen bedrieger aannam als zijn persoonlijken dienaar.

Guzman was echter maar matig ingenomen, met het nieuwe leven, dat voornamelijk bestond in het wachten in een voorvertrek, en tafeldienen. De tucht was er streng en alles wat hij stelen kon bestond uit een paar eindjes kaars. Maar eens ontdekte hij, dat er een groote hoeveelheid heerlijke ingemaakte vruchten in een kast bewaard werden, en daaraan deed hij zich toen te goed. De Kardinaal ontdekte de verduistering, doch kon den dader niet vinden. Maar toen Guzman een volgend keer de kast plunderde, kwam Zijne Eminentie juist binnen en betrapte hem op heeterdaad. Hij kreeg een geweldig pak slaag van den Major-domo, zoodat hem voorloopig de lust tot stelen vergaan was.

GUZMAN BEDRIEGT DEN BANKIER.