Legenden en Romances van Spanje
Chapter 28
Korten tijd daarna kocht de afvallige een schip, dat groot genoeg was om ruim dertig personen te bergen, en waarmee hij, volgens zijn zeggen, van plan was, verscheiden reizen te maken met een Moorschen deelgenoot, dien hij genomen had om argwaan te vermijden. Telkens wanneer hij langs de kust voer, wierp hij het anker uit in een kleine baai, dicht bij het huis, waar Zoraida woonde, opdat de bedienden gewend zouden raken aan zijn aanwezigheid daar. Hij landde zelfs bij verschillende gelegenheden bij het huis en verzocht Zoraida's vader om vruchten, die hem nooit geweigerd werden, want de oude Moor was zeer vrijgevig. Maar het gelukte hem nooit Zoraida zelf te spreken te krijgen. Wij waren met onze plannen nu zoo ver gevorderd, dat hij ons vroeg een dag vast te stellen, waarop wij de groote onderneming, waarvan alles afhing, zouden wagen. Ik nam dus twaalf Spanjaarden in dienst, die bekend waren als goede roeiers, en wier gangen niet al te nauwkeurig werden nagegaan. Wij hadden afgesproken, dat wij in het geheim de stad zouden verlaten in den avond van den eerstvolgenden Vrijdag, en dat wij elkander dan zouden ontmoeten dicht bij het huis van Agimorato. Maar het was noodig, dat Zoraida zelf ook in kennis werd gesteld met ons plan, en dus betrad ik op zekeren dag haar tuin, onder het voorwendsel, dat ik eenige kruiden wilde plukken. Maar bijna op hetzelfde oogenblik ontmoette ik haar vader, die mij vroeg, wat ik daar deed. Ik vertelde hem, dat ik een slaaf was van Arnaut Mami, (van wien het mij bekend was, dat hij met hem bevriend was,) en dat ik eenige kruiden noodig had voor een salade. Terwijl wij spraken kwam Zoraida uit het tuinhuis, en daar het de gewoonte was, dat Moorsche vrouwen zich vertoonden aan Christenslaven, riep haar vader haar tot zich. Zij was buitengewoon kostbaar gekleed, en droeg een overvloed van juweelen, en toen ik haar zoo voor het eerst aanschouwde, was ik getroffen door haar groote schoonheid. Haar vader vertelde haar de reden van mijn aanwezigheid, en zij vroeg mij, of ik spoedig losgekocht zou worden. Gebruik makende van de lingua franca, vertelde ik haar, dat ik reeds vrij was, en dat ik van plan was, mij den volgenden dag op een Fransch vaartuig in te schepen.
Op hetzelfde oogenblik werd de Moor voor zaken weggeroepen, en ik deelde Zoraida haastig mede, dat ik haar den volgenden dag zou komen halen. Zij sloeg dadelijk hare armen om mij heen, en leidde mij naar het huis; maar haar vader, die juist terug kwam, bespiedde ons; en kwam hevig verschrikt op ons af. Oogenblikkelijk wendde Zoraida een bezwijming voor, en zij vertelde Agimorato dat zij zich plotseling onwel gevoeld had. Ik gaf haar aan haar vader over, en zij gingen het huis binnen.
Den volgenden avond scheepten wij ons in, en lieten het anker vallen tegenover Zoraida's woning. Toen de duisternis was ingevallen, betraden wij onverschrokken den tuin, en daar wij de voordeur van het huis open vonden, begaven wij ons naar de binnenplaats. Zoraida trad ons dadelijk tegemoet met een kleinen koffer vol kostbaarheden, en zij vertelde ons, dat haar vader sliep. Maar het ongeluk wilde, dat wij hem door een onwillekeurig geluid, wekten, en hij kwam aan een venster, luidkeels roepende: Dieven, dieven! Christenen, Christenen! De afvallige vloog dadelijk naar boven en bond hem vast, en wij droegen vader en dochter aan boord. Ook namen wij de enkele Mooren gevangen, die zich op het schip bevonden, waarna wij de riemen grepen, en zeewaarts voeren.
Eerst trachtten wij Majorca te bereiken, maar er stak een hevige wind op; wij werden naar de kust gedreven, en waren zeer bevreesd, dat wij een der groote kruisers zouden ontmoeten, die zich in de buurt bevonden. Ik haastte mij, Agimorato te verzekeren, dat wij hem bij de eerstkomende gelegenheid zijn vrijheid zouden hergeven, en ik vertelde hem, dat zijn dochter Christin geworden was, en de rest van haar leven in een Christelijk land wilde doorbrengen. Toen de oude man dit hoorde, scheen het, alsof hij plotseling waanzinnig geworden was. Hij stond op, en wierp zich in zee, en het gelukte ons slechts met de grootste moeite, hem te redden. Korten tijd daarna liepen wij een kleine baai binnen, waar wij Agimorato aan wal zetten. Nooit zal ik de vervloekingen vergeten, waarmede hij zijn dochter overlaadde; maar toen wij wegzeilden, vervulde hij de lucht met zijn geklaag, en hij smeekte haar, terug te keeren. Maar zij verborg het gelaat in de handen, en bad de Heilige Maagd, hem te behoeden.
Wij waren nog niet ver van de kust verwijderd, toen de maan verduisterd werd, en bijna waren wij in botsing gekomen met een groot vaartuig, waarvan men ons in het Fransch toeriep, bij te draaien. Daar wij bemerkten, dat het een Fransch zeerooverschip was, gaven wij geen antwoord, maar voeren zoo snel mogelijk verder, waarop de bemanning een boot uitzette, ons schip enterde, en ons aan boord sleepte; Zoraida werd van al hare juweelen beroofd, en wij werden in het ruim van het schip geworpen. Toen wij den volgenden morgen de Spaansche kust bereikten, zetten zij ons in hun sloep, met twee kruiken water en een kleine hoeveelheid beschuiten, en de kapitein gaf in een opwelling van medelijden de bekoorlijke Zoraida bij het afscheid ongeveer veertig gouden kronen. Wij roeiden in de morgenschemering verder, en kwamen eenige uren later aan land. Nadat wij verscheidene mijlen geloopen hadden, ontmoetten wij een herder, die bij het zien van onze Moorsche kleederen, wegliep en alarm maakte. Niet lang daarna zagen wij een troep ruiters naderen, onder wie toevallig een bloedverwant van een onzer makkers was. Zij namen ons bij zich op hunne paarden, en spoedig bereikten wij de stad Velez Malaga. Daar begaven wij ons regelrecht naar de kerk, om God te danken voor de groote genade, die Hij ons betoond had, en daar zag en herkende Zoraida voor de eerste maal de Heilige Maagd.
»Met een gedeelte van het geld, dat Zoraida van den zeeroover gekregen had, kocht ik een ezel, en ik besloot te gaan onderzoeken, of mijn vader en broeders nog in leven waren. Dit is, edele heeren, het geheele verhaal van mijne ondervindingen«. Nauwelijks had de ontvluchte gevangene uitgesproken, of een schitterende koets hield voor de herberg stil. Een kostbaar gekleede heer en dame stapten uit, en traden de posada binnen, waar Don Quixote hun met groote hoffelijkheid tegemoet trad. De Christen vluchteling herkende in den heer zijn broeder, die nu rechter was aan het Hof van Mexico. Deze begroette hem recht hartelijk, en stelde hem de dame voor als zijn dochter. De man, die zooveel ondervonden had, besloot met zijn Moorsche bruid naar Sevilla terug te keeren, waar zij hun vader alles konden mededeelen, wat hun overkomen was. Tevens zou die oude man dan getuige kunnen zijn van den doop en het huwelijk van Zoraida; de grande verklaarde zich bereid voor haar toekomst en die van zijn zwaar beproefden broeder zorg te dragen.
DE GROEI VAN CERVANTES.
Vooral in verhalen als het vorige, bemerken wij duidelijk, hoe de stijl van Cervantes gemakkelijker en soepeler wordt naarmate de geschiedenis vordert. Het is duidelijk, dat hij zijn best heeft gedaan zich los te maken van de literaire kluisters van zijn tijd, en dit met succes. Hij vindt het niet langer noodig schrijvers als Antonio de Guevara na te bootsen, zooals hij deed in dat gedeelte, waarin Don Quixote de Gouden Eeuw beschrijft. Hij heeft de eigenaardige gemaaktheid van de vroegere bladzijden afgeschud, en is menschelijker en eenvoudiger geworden. Zijne gesprekken zijn meer in overeenstemming met de karakters, zijn dialoog is levendig, en zijn verhaaltrant boeiend. Maar ofschoon wij in deze bladzijden den realist zich zien ontwikkelen, heeft Cervantes toch nooit geheel het kleed der academische welsprekendheid afgeworpen; alleen wordt die welsprekendheid binnen de perken gehouden en heeft hij alle aanstellerij volkomen laten varen.
Het groote en zoo snel behaalde succes van Don Quixote was echter voornamelijk te danken aan den frisschen humor en de getrouwe wedergave van de Spaansche typen uit Cervantes' tijd. Naast de figuren met wie iedereen zich vertrouwd gevoelde, plaatste hij de bijzondere persoonlijkheid van den Ridder van de Droevige Figuur, een grillig type uit een andere eeuw, maar wien niets ontbrak van de waardigheid en andere grootsche eigenschappen van tijden waarvan hij den geest trachtte na te bootsen. Om en bij het zeventiende-eeuwsche Spanje bewoog de ouderwetsche figuur van Don Quixote zich, den gewonen gang van zaken verstorende, en in opstand komende tegen de opvattingen van dien tijd; het hoofd vol van de riddertijden, welker fantasieën hij op het landschap projecteerde door middel van het veel te sterke licht zijner verbeelding. Maar al verwekte het gebrek aan overeenstemming tusschen het optreden van den Don en den tijd waarin hij leefde, bij het stemmige en ernstige Spanje een onbedaarlijk gelach, men erkende toch de typeering van hem en van Sancho Panza als een meesterlijke schepping, en men zag in deze persoonlijkheden de belichaming van een tot waanzin opgevoerde fantasie, en van het primitiefste gezond verstand.
De belangrijkheid van den opzet van Don Quixote, en de fijnheid van techniek, waarmede het is uitgewerkt, kunnen niet nalaten indruk te maken op oordeelkundige lezers. Het werk is vol van de kennis van een man van de wereld; het ademt verfijndheid en hoffelijkheid, en er spreekt een geest uit, die het boek tot een meesterwerk stempelt. Hier is geen gebrek aan samenhang, men ontmoet geen onhandige zinswendingen of zwakheid van uitdrukking. Ik heb niet den indruk, dat Cervantes met bijzondere gemakkelijkheid schreef, en dit is misschien wel de beste maatstaf voor zijn groot letterkundig talent; want men ziet ook nergens de teekenen van een moeilijk volbracht werk. Hij heeft den gelukkigen middenweg gevonden tusschen een zorgelooze gemakkelijkheid en het uitvoerig, en dikwijls zenuwachtig gepeuter, dat het werk van moderne schrijvers zoo dikwijls ontsiert. Hij is accuraat en merkwaardig zuiver in zijne uitdrukkingen, en wij kunnen ons niet voorstellen, dat hij moeite heeft gehad met het vinden van de juiste woorden bij zijne beschrijvingen. Wat het geheim van mijn stijl ook geweest moge zijn, het product ervan was een zeldzaam vloeiend en afwisselend verhaal, nauwkeurig en zuiver van uitdrukking. Het geheele tooneel is tot in de kleinste bijzonderheden met de hand van een meester geschilderd.
HET TWEEDE DEEL VAN DON QUIXOTE.
Wij kunnen uit de groote tijdsruimte, die Cervantes liet verloopen tusschen het eerste en het tweede deel van zijn beroemden roman, opmaken, hoe zorgvuldig hij ervoor waakte, dat niet een minderwaardig vervolg zijn welverdiende reputatie zou bederven; en de romanschrijver van dezen tijd, die zich door de sensatielust van het publiek, en zijn eigen ijdelheid laat verleiden tot veelschrijverij, zou in dit opzicht wel eens een voorbeeld mogen nemen aan hem. Er wordt dikwijls beweerd, dat de moderne schrijver bij de heerschende letterkundige toestanden den tijd mist, dien hij noodig zou hebben voor een goed overdachten opzet, een zorgvuldig ontwikkelde techniek, en een zuiveren stijl. Dit is helaas maar al te waar! De hedendaagsche schrijver, die succes heeft, kan zich de luxe niet permiteeren tien maanden, laat staan tien jaren te laten verloopen tusschen zijne verschillende werken, en het is waarschijnlijk te danken aan de koortsachtige haast, waarmede men tegenwoordig arbeidt, dat het vervolg op een goeden roman zoo menigmaal een groote teleurstelling brengt. Onze eeuw is waarlijk geen eeuw van fijnproevers. Wij eten, drinken en lezen nagenoeg alles, wat ons wordt voorgezet, en al mopperen wij een beetje over de kwaliteit van het gebodene, wij gevoelen zeer goed, dat klachten geen verandering kunnen brengen in de omstandigheden, die de oorzaak zijn van het verval der letterkunde. Het Spanje uit de dagen van Cervantes was vrij wat kritischer; het zou geen slecht of slordig gestijleerde werken hebben verdragen, maar er waren toch elementen voorhanden, die dikwijls de publicatie van een volgend boekdeel verhaastten, en de voornaamste reden van dit ongewenschte verschijnsel was ongetwijfeld letterkundige diefstal. Het schijnt, dat Cervantes aangespoord werd tot het uitgeven van het tweede deel van Don Quixote, door de verschijning in 1614 van een boek van Alonso Fernández de Avellaneda, dat een minderwaardig vervolg was op het eerste deel van zijn groot werk, en welks inleiding allerlei onbeschaamdheden van persoonlijken aard bevatten. Dat Cervantes zeer verstoord was over dezen letterkundigen diefstal blijkt wel uit het feit, dat hij al zijn ander werk liet liggen om zich geheel te geven aan het beëindigen van Don Quixote.
De laatste hoofdstukken van Don Quixote moest hij haastig afmaken, omdat zijn mededinger zijn plan gestolen had; en zoo was hij niet alleen gedwongen, het geheel om te werken, maar ook, het zoo spoedig mogelijk af te maken. Maar niettegenstaande dezen tegenspoed is een belangrijk gedeelte van het tweede boek waarlijk grootsch. Don Quixote moge hierin minder vermakelijk zijn, hij is veel diepzinniger geworden, en Sancho Panza wordt steeds verstandiger en helderder van oordeel. Ook de andere karakters zijn scherper geteekend dan in het eerste deel. Het vervolg van Don Quixote is inderdaad een groote spiegel, waarin de Spaansche maatschappij uit de dagen van Cervantes weerkaatst wordt door middel van een wonderbaar genie. Het geweldige succes van het werk moet wel de grootste voldoening zijn geweest voor den stervenden schrijver, en zal hem stellig hebben getroost voor de teleurstellingen van een leven, dat werd doorgebracht in ballingschap en armoede.
LAZARILLO DE TORMES.
De grootste humoristische roman, die in Spanje geschreven was, voordat Don Quixote verscheen, was Lazarillo de Tormes van Diego Hurfado de Mendoza, een veelzijdig man, die Spaansch gezant in Engeland is geweest. Hij was zoowel van vaders als van moeders zijde van adellijke afkomst, en werd in 1503 te Granada geboren. Daar hij een jongere zoon was, werd hij voor de kerk bestemd en dus studeerde hij aan de universiteit te Salamanca, waar hij reeds gedurende zijn studententijd den roman schreef, die hem beroemd heeft gemaakt. De levendige beschrijvingen, het diep doordringen in de verschillende karakters en de frissche humor, bezorgden het werk dadelijk een belangrijke plaats in de Spaansche letterkunde van dien tijd. Maar Mendoza veranderde reeds spoedig van beroep, en koos de politieke loopbaan. Karel V benoemde hem tot Gouverneur van Siena, een kleine Italiaansche republiek, die onder Spaansche heerschappij gekomen was. Mendoza had echter een trotsch en hardvochtig karakter, en tyranniseerde het ongelukkige volk, dat aan zijne zorgen was toevertrouwd, op ondragelijke wijze. Zij beklaagden zich bij den Keizer bitter over zijn gedrag, en toen er geen verbetering in den toestand kwam, trachtte men hem te dooden. Bij een dezer aanslagen op zijn leven, werd zijn paard onder hem gedood door een schot, dat voor hemzelf bestemd was. Gedurende zijn afwezigheid werd Siena ingenomen door een Fransch leger, en daar de weerlooze toestand der stad werd toegeschreven aan de omstandigheid, dat hij eenige troepen uit Siena verwijderd had, werd hij in 1554 naar Spanje teruggeroepen.
Terwijl hij als staatsman en officier in Italië vertoefde, was Mendoza echter steeds werkzaam geweest op letterkundig gebied, want hij had zijne politieke aanteekeningen geschreven, een vertaling van Aristoteles, een verhandeling over werktuigkunde, en andere belangrijke werken, die er echter geen van alle toe bijdroegen, de populariteit te verhoogen, die zijn eerste roman hem bezorgd had.
Lazaro, of beter gezegd Lazarillo (het verkleinwoord van dien naam) was de zoon van een molenaar, die zijn beroep uitoefende aan de oevers van de rivier de Tormes, aan welke omstandigheid hij zijn naam te danken had. Toen Lazarillo slechts tien jaren oud was, werd zijn vader gedood in een veldtocht tegen de Mooren, en daar zijn moeder niet in staat was hem te onderhouden, vertrouwde zij hem toe aan de zorgen van een blinden man, die bedelend door het land trok.
Toen zij bij de brug van Salamanca kwamen, zag de jongen daar een steenen beest, dat den vorm had van een stier, en zijn meester zeide hem, dat wanneer hij zijn oor tegen het beeld zou leggen, hij het zou hooren brullen. Dit deed hij, maar de oude man duwde hem met zulk een geweld tegen het steenen beest, dat hij bijna het bewustzijn verloor; en zijn meester lachte hem nog op den koop toe uit, zeggende, dat de jongen van een blinden man zich nooit voor den gek mocht laten houden. »Ik kan je geen zilver of goud geven,« zeide hij, »maar wel iets, dat vrij wat meer waard is, nl. de wereldwijsheid, die ik door ondervinding gekregen heb.«
De kleine Lazarillo kon slechts met de grootste moeite genoeg te eten krijgen. De oude bedelaar bewaarde zijn brood en vleesch in een linnen knapzak, die van boven stevig gesloten was; maar de jongen maakte een kleine torn onder in de zak, en verschafte zich op deze wijze de uitgezochtste stukken vleesch, spek en worst. Ook was het zijn taak de aalmoezen in ontvangst te nemen, die weldadige menschen den blinden man toewierpen, en een gedeelte daarvan bewaarde hij in zijn mond, totdat hij door langdurige oefening erin slaagde, een flinke hoeveelheid koperen munten in deze spaarpot op te bergen.
Op een warmen dag ergerde het hem, te zien, dat de bedelaar wijn dronk, terwijl hij dorst moest lijden. De wijn werd bewaard in een grooten aarden kruik, en van tijd tot tijd gelukte het hem, een slok van den verkoelenden drank te bemachtigen. Maar al heel gauw ontdekte zijn meester de praktijken van den jongen, en daarna hield hij de kruik tusschen zijne knieën en bedekte hij de opening met zijn hand. Daarom boorde Lazarillo in den bodem der kruik een gaatje, dat hij met was toestopte. Wanneer de blinde bedelaar aan den maaltijd bij het vuur zat, smolt de was, en Lazarillo hield zijn mond voor het gat, en dronk van den wijn. Zijn meester was woedend en verbaasd toen hij bemerkte, dat de drank verdwenen was en hij schreef die verdwijning toe aan toovenarij. Maar toen zijn pupil een volgend keer het kunstje herhaalde, pakte de stevige oude bedelaar met beide handen de kruik vast, en sloeg hem er zoo hevig mede op het hoofd, dat zij brak, en de jongen ernstig gewond werd. Van dien dag af koesterde Lazarillo een wrok tegen den blinden ouden dwingeland, en hij wreekte zich, door hem langs de slechtste wegen en over de modderigste paden te leiden.
Lazarillo besloot een dienst te verlaten, waar hij wel schoppen maar geen geld kreeg, en dus bracht hij zijn meester naar de Arcade van Escalona, waarlangs een snelle beek vloeide. Wanneer men deze wilde oversteken, moest men òf springen, òf er tot den nek doorwaden. De bedelaar koos de eerste methode. De slimme Lazarillo zeide hem, dat het smalste gedeelte tegenover een grooten steenen pilaar was, en de ongelukkige bedelaar ging een paar schreden achteruit om een aanloop te kunnen nemen, en sprong toen met zulk een kracht over de beek, dat hij tegen den pilaar vloog, en bewusteloos neerviel. Met een triomfkreet holde Lazarillo weg, en nooit zag hij den blinde weer.
Zijn volgende meester was een priester, en hoe ongelukkig zijne ondervindingen met den bedelaar ook waren geweest, zij waren niets in vergelijking met wat hij nu te verdragen had. Want de vrome man was boven alle beschrijving gierig en liet hem schandelijk hongerlijden. Hij bewaarde zijn brood in een groote houten kist, en toen de priester afwezig was, liet Lazarillo door een reizenden ketellapper een valschen sleutel er op maken, zoodat hij zich dagelijks kon te goed doen, totdat de gierige meester het tekort opmerkte. De priester dacht, dat de ratten hem bestalen, en omdat er verscheidene gaten in de kist waren, stopte hij deze zorgvuldig met kleine stukjes hout; maar het brood bleef verdwijnen, en daar een der buren een slang gezien had in de woning van den priester, kwam hij tot de conclusie, dat die de boosdoener was. Om niet ontdekt te worden, sliep Lazarillo met den sleutel van de kist in zijn mond; maar op zekeren nacht maakte hij bij het ademhalen een fluitend geluid op de opening van dit instrument, en de oude priester, die dacht, dat het het gesis van een slang was, gaf zulk een hevigen slag in de richting vanwaar het geluid kwam, dat hij Lazarillo voor geruimen tijd kreupel maakte. Toen de jongen hersteld was, nam de oude priester hem bij de hand, bracht hem naar buiten, en zeide: »Lazarillo, mijn zoon, gij hebt groote natuurlijke gaven: gij zijt werkelijk veel te knap voor zulk een oud man als ik ben, en ik wensch je nooit terug te zien. Vaarwel!«
Lazarillo vond spoedig een nieuwen meester, die een voornaam en beschaafd man scheen. Maar hij bemerkte, dat hij nog ellendiger bezeild was dan vroeger, want al was zijn meester een deftig heer, hij bezat geen cent in de wereld, en hij was voor zijn dagelijksch brood volkomen afhankelijk van hetgeen de jongen kon loskrijgen van weldadige menschen. Op zekeren dag vroeg de waard om betaling, en de heer vertrok, volgens zijn zeggen om geld van zijn bankier te halen; maar hij keerde nooit terug, zoodat de ongelukkige deugniet weer zonder meester was.
Toen kwam hij onder de goede zorgen van een verkooper van aflaten, die van stad tot stad trok. Op een dezer reizen bevonden zij zich in een herberg, waar zijn meester vriendschap sloot met een alguazil of konstabel. Op een keer hielden de vrienden tot laat in den nacht te zamen een drinkgelag, dat met een twist eindigde. En toen de priester den volgenden dag een inleidende preek hield om zijn waren aan te prijzen, trad de alguazil binnen en beschuldigde hem van bedrog. De verkooper van aflaten bad onder groot vertoon van vroomheid, dat de hemelsche machten zouden oordeelen en den alguazil straffen, en deze viel onder hevige stuiptrekkingen ter aarde. Enkele kerkbezoekers smeekten den monnik, dat hij zijn invloed zou gebruiken, opdat de toorn des hemels den verrader minder zwaar zou treffen, en de vrome man daalde van de preekstoel, en legde een bul, die hij, naar hij zeide, van den Paus had ontvangen, op het voorhoofd van den lijder. De man stond oogenblikkelijk quasi genezen op, en de gemeente was zoozeer overtuigd, dat er een wonder was geschied, dat zij den geheelen voorraad van den priester opkocht. Maar de slimme Lazarillo begreep dadelijk, dat het een opgezette vertooning van het tweetal was geweest. De laatste meester, dien Lazarillo kreeg, was de Aartspriester van Salvador, in wiens dienst het hem uitstekend ging; hij huwde een van diens dienstmaagden, maar zij bracht schande over zijn huis, en bij den dood zijner vrouw was hij armer dan ooit.
Hier eindigt het verhaal. Het is onmogelijk in zulk een korte schets, recht te doen wedervaren aan de groote mate van kennis van het menschelijk hart, die uit dit kleine werk spreekt. Lazarillo de Tormes was de voorlooper van de geheele school van Schelmen-romans, die in lateren tijd het type van de Spaansche geestesvoortbrengselen werd, en waaruit meesterwerken als Guzman de Alfarache, de Gil Blas van Le Sage en de verhalen van Scarron voortkwamen, die denzelfden geest ademen als de boeken van den Engelschen schrijver Laurence Sterne; en nog steeds is de invloed van dit roman-type duidelijk merkbaar in sommige werken van Maurice Hewlett en Jeffery Farnol.
GUZMAN DE ALFARACHE.