Legenden en Romances van Spanje

Chapter 30

Chapter 303,193 wordsPublic domain

Maar Guzman haalde zooveel gemeene streken uit in het paleis van den Kardinaal, dat de voortreffelijke prelaat er tenslotte genoeg van kreeg. Toen kwam hij in dienst bij den Spaanschen gezant, een vriend van den Kardinaal, die volkomen op de hoogte was van de hebbelijkheden van onzen held. Na geruimen tijd bij dezen hoogwaardigheidsbekleeder te hebben gediend, besloot hij Rome te verlaten, en een reis door Italië te maken. Even te voren had hij kennis gemaakt met een Spanjaard, Sayavedra genaamd, met wien hij vriendschap sloot. Met ongeveer driehonderd pistoles en eenige juweelen, die hij van den gezant gestolen had, ondernam Guzman de reis. Maar Sayavedra had een wasafdruk gemaakt van de sleutels van Guzman, en plunderde voor diens vertrek zijn bagage, zoodat deze zonder de edelmoedige hulp van den gezant, Rome niet had kunnen verlaten. Te Siena ontmoette hij Sayavedra weer, en deze smeekte hem, zijn bedrog te vergeven, en hem als zijn bediende mede te nemen. Guzman, die medelijden met hem had, stemde hierin toe, en op weg naar Florence beraamden zij plannen tot het verbeteren van hun financieelen toestand. Zij verspreidden het gerucht, dat Guzman de neef was van den Spaanschen gezant, en hij had zelfs de onbeschaamdheid, zijn opwachting te maken aan het Hof, waar hij wegens deze familierelatie door den Groothertog ontvangen werd. Daar ontmoette hij een bekoorlijke en schatrijke weduwe, op wie hij verliefd werd. Maar haar familie informeerde naar hem, en toen het uitkwam, dat hij indertijd langs Rome's straten gebedeld had, was hij gedwongen de stad te verlaten. Te Bologna won hij bij het spel een belangrijke som, en toen hij en Sayavedra te Milaan aankwamen, huurden zij daar kamers, en zagen uit naar middelen om hunne juist verkregen rijkdommen productief te maken. Zij sloten vriendschap met een deugniet, die klerk was op een bankierskantoor, en bespraken met hem de mogelijkheid, zijn meester te ontlasten van een gedeelte van zijn geld. Guzman bezocht den bankier, en zeide, dat hij hem ongeveer twaalfduizend franken in goud te bewaren wilde geven. Hij werd vriendelijk ontvangen, en de bankier noteerde zijn naam en eenige andere bijzonderheden in zijn dagboek. Op weg naar huis kocht Guzman een vergulde cassette, die hij vulde met stukken lood; deze gaf hij aan Sayavedra, tegelijk met een zak met echt goud, en hij drukte hem op het hart een praatje te maken met den herbergier en hem te vertellen, dat hij zijn geld naar een bankierskantoor ging brengen, wat hij natuurlijk geen oogenblik van plan was. De bankiersklerk liet een valschen sleutel maken op de geldkist van zijn patroon, en toen deze den volgenden Zondag naar de Mis was, opende hij de kist, en zette er de vergulde cassette in, die nu inplaats van lood, tien quadruples, dertig Romeinsche kronen en een geschreven opgave van den inhoud bevatte. Daarna maakte hij het handschrift van zijn meester na en vulde diens aanteekeningen in het dagboek aan, in dien zin, dat hij het deed voorkomen, alsof niet alleen de vergulde cassette, maar de geheele inhoud van de geldkist het eigendom van Guzman was. Des Maandags begaf Guzman zich naar den bankier, en vroeg hem heel beleefd het geld terug, dat hij hem eenige dagen geleden gezonden had. De man ontkende natuurlijk, iets voor hem te hebben bewaard waarop Guzman zulk een misbaar maakte, dat er een oploop ontstond, en de twist werd zóó hevig, dat er een konstabel verscheen, die vergezeld was van den waard van de herberg, waar Guzman zijn intrek genomen had. Guzman beweerde, dat wanneer men de boeken van den bankier zou nazien, men zich ervan zou kunnen overtuigen, dat de som, waarover de quaestie liep, inderdaad genoteerd was, en toen het dagboek te voorschijn gehaald werd, bleek dat ook werkelijk het geval te zijn. De ongelukkige bankier gaf toe, dat hij een gedeelte van deze aanteekeningen zelf geschreven had, en dit was genoeg om de verontwaardiging der omstanders te wekken, want hij was zeer gehaat bij het volk om zijne woekerpraktijken en schraapzucht. Daarenboven was Guzman in staat een nauwkeurige opgave te doen van den inhoud der geldkist, en toen deze geopend werd, vond men er, tot verbazing van den bankier, de vergulde cassette in, waarvan sprake was, benevens de juiste som, die door hem genoemd was, en zelfs de muntstukken, die hij opgegeven had, en die met de lijst van den inhoud klopten. De waard kon bevestigen, dat Guzman de eigenaar der cassette was, en daar dus het bewijs geleverd scheen, overhandigde de plaatselijke rechter hem het geld, dat hij met zijne medeplichtigen deelde. Nu besloot Guzman naar Genua terug te keeren om zich te wreken op zijn bloedverwanten, die hem zoo gemeen behandeld hadden bij zijn vorig bezoek aan die stad. Hij vermomde zich als een hooge Spaansche geestelijke, en nam zijn intrek in een voorname herberg; en toen zijn familie van zijn verblijf daar hoorde, en van de praal, die hij ten toon spreidde, haastte zij zich hem een bezoek te brengen. Zij herkenden in hem niet den haveloozen en verlaten deugniet, die eenige jaren te voren hun hulp had gevraagd, en zijn oom vertelde hem zelfs het gebeurde met de duivels, alsof zij op deze wijze een indringer verdreven hadden. Guzman won hun vertrouwen volkomen, en daar hij een overvloed van geld had, stelden zij hem met een gerust hart een kostbare verzameling juweelen ter hand, die, naar hij zeide, een vriend van hem wilde leenen, om bij zijn huwelijk te dragen. Met deze kostbaarheden vluchtten hij en Sayavedra naar Spanje, maar op weg daarheen werd de laatste ernstig ziek, en in een aanval van ijlkoorts sprong hij overboord en verdronk.

Nadat Guzman in zijn vaderland teruggekeerd was, bereikte hij na vele avonturen Madrid, waar hij zijne juweelen aan een rijken koopman verkocht; deze hield hem voor een voornaam heer en gaf hem zijn dochter ten huwelijk. De koopman rekende op den vermeenden rijkdom van Guzman als steun in zijne eigen zaken; Guzman vertrouwde op de eveneens denkbeeldige schatten van zijn schoonvader, en daar de verkwistende jonge vrouw op de geldmiddelen van beiden teerde, was de geheele familie in korten tijd failliet. De schok was te hevig voor de dame, en zij stierf. Maar het gelukte haar sluwen vader, genoeg uit de schipbreuk te redden, om opnieuw te beginnen.

Guzman had echter genoeg van de financieele wereld, en hij besloot de rest van zijn onrechtmatig verkregen fortuin te gebruiken, om in de theologie te gaan studeeren. Te dien einde ging hij naar de universiteit van Alcalà de Henares, waar hij zijn candidaatsexamen aflegde, en na vier jaren van ijverige studie in de godgeleerdheid, wachtte hij slechts op een officieele aanstelling, om het priesterambt te kunnen bekleeden, toen hij door verkeerde invloeden weer op den slechten weg geraakte. Hij maakte n.l. kennis met een familie met verscheidene dochters, op een waarvan hij verliefd werd, waarna een huwelijk volgde. De jonggehuwden vestigden zich te Madrid, waar zij een avontuurlijk leven leidden. Maar eenige jaren later liep de jonge vrouw van hem weg, en nam alles van waarde, wat zij te pakken kon krijgen, mee. Ongeveer in dezen tijd had Guzman zijn moeder weer opgezocht, en inplaats dat zij hem van zijne kwade praktijken trachtte af te houden, hielp zij hem bij het verzinnen van zijne gemeene streken, zoodat het niet lang duurde, of hij werd tot vele jaren dwangarbeid veroordeeld. Maar het toeval wilde, dat hij de overheid kon helpen bij het ontdekken van een opstand, en als belooning hiervoor kreeg hij zijn vrijheid terug.

En hiermede nemen wij afscheid van den meest doortrapten schurk uit de literatuur. Maar al is Guzman de Alfarache misschien de sluwste boosdoener, dien wij ooit in een roman ontmoet hebben, hij is ook de vermakelijkste en meest origineele. Het is echter merkwaardig, dat over het geheel zijn loopbaan niet erg voordeelig was, en dat hij aan het eind van het verhaal nog even arm is als bij het begin. Het vermakelijkste van dezen roman is misschien wel de voorgewende onberispelijke toon, waarin hij geschreven is--een stijl, die bijna slaafs werd nagebootst door Le Sage in zijn Gil Blas, een werk, dat niet alleen wat zijn atmosfeer betreft, veel overeenkomst vertoont met Guzman de Alfarache, maar dat ook verscheidene voorvallen eruit heeft overgenomen.

BESLUIT.

Wij hebben nu alle wegen der Spaansche letterkunde bewandeld, den ernstigen, den quasi-heroïschen en den humoristischen. Misschien is wel geen enkel hoofdstuk van de letterkunde der wereld zóó rijk aan kleur, zóó afwisselend en zóó gevoelig. Er klinkt een toon in van hooge en edele schoonheid, van voorname ridderlijkheid, van grooten ernst, hoffelijk, vlekkeloos, en niet bezoedeld door alledaagschheid en bekrompenheid. De drinkbeker der Spaansche romantiek is gevuld met het hartebloed van een groot, ridderlijk en dichterlijk volk, dat de voorkeur heeft gegeven aan idealen boven de ruwe werkelijkheid, aan de verhevenheid van een nationale aristocratie boven de leegheid eener onware democratie. Arm Spanje! Hoe dikwijls gebruikt de Angelsakser deze uitdrukking in medelijdende zelfgenoegzaamheid! Met de troost van zulk een schatkamer van dichterlijken en romantischen rijkdom, kan Spanje het vaste vertrouwen koesteren, dat de heerlijke dagen, die door zijne trovadores bezongen, en door zijne dichters vereeuwigd zijn in statige verzen, eenmaal zullen wederkeeren. Arm Spanje! Neen, gelukkig Spanje! Betooverde spelonk, overvloeiende van heerlijke liederen? Veelkleurige schatkamer der legende, glinsterend juweel der onsterfelijke romance!

AANTEEKENINGEN

[1] De Moro latinado of de Spaansch sprekende Moor, is een voorname figuur in de latere Spaansche geschiedenis.

[2] In Bisschop Odoor's testament (747) zien wij het verval van het Spaansche Latijn aangetoond, en Karel de Kale zinspeelt in een edict van 844 op de usitato vocabulo der Spanjaarden, hun »Spreektaal.« Over het Gothische tijdperk zie men Père Jules Pailham, in het 4e deel van Cahier en Martin's Nouveaux Mélanges d'Archéologie d'Histoire, et de Littérature sur le Moyen Age (1877).

[3] Dit dialect was veel meer verwant aan de lingua rustica dan aan het Gothisch, dat grooter invloed heeft gehad op de uitspraak en den zinbouw van het Spaansch, dan op de woorden.

[4] »Over het geheel,« zegt Professor Saintsbury, »zijn het gemak, de verfijndheid, en, binnen zekere grenzen, de verscheidenheid van vorm, opmerkelijker dan de grootschheid van gevoel en van gedachten« (Flourishing of Romance and Rise of Allegory, p. 308-369). Hij merkt verder op, dat het Provençaalsche vers is een »uiting van kleine kunst.«--»Knap, schoolsch, aangenaam, maar zelden uitstekende boven het middelmatige.«

[5] Deze was getiteld El Arte de Trobar en een slecht uittreksel daarvan vindt men in Mayan's Origenes de la Langua Española (Madrid 1737).

[6] Over Provençaalschen invloed op Castiliaansche letterkunde zie men Manuel Mila y Fontanal Trovadores en España (Barcelona 1887); en E. Baret, Espagne et Provence (1857), een meer beknopte verhandeling.

[7] Toch vonden zij verscheidene Spaansch sprekende bewoners van die streken en het was de Romaansche taal van deze menschen, die tenslotte in Spanje overheerschend was.

[8] Madrid, 1839.

[9] Cancionero de Romances (Antwerpen, 1555).

[10] Zie het artikel over Alfonso XI in N. Antonio, Bibliotheca Hispana Vetus.

[11] Regeerde van 1407 tot 1454.

[12] Gaston Paris, La Littérature Française au Moyen Age (Paris 1888) en Léon Gautier, Les Epopées Françaises (Paris 1878-'92), zijn de voornaamste kenners van de Chansons de Gestes.

[13] Zie Manuel Milo' y Fontanal, Poesia heróico-populair Castellana (Barcelona, 1874).

[14] Deze naam, die het eerst gebruikt werd door Graaf Willem van Poitiers, den eersten troubadour, omvatte oorspronkelijk ieder werk, dat in de inheemsche talen der Romance geschreven was. Later werd hij in Spanje gebruikt als equivalent voor Cantar, en tenslotte duidde men er mede aan lyrisch-verhalende gedichten in achtlettergrepige assonanten.

[15] Don Quixote. Deel I, hoofdstuk VI.

[16] In het hoofdstuk, getiteld: »Moorsche Romances van Spanje«, zal de lezer voorbeelden vinden van romantische verhalen van dit volk, waaruit hem de verwantschap met de Spaansche romances zal blijken.

[17] Zie Dozy, History of the Moors in Spain (Engelsche vertaling) en Recherches sur l'Histoire politique et littéraire de l'Espagne (1881); F. J. Simonet, Inleiding tot zijn Glosario de Voces iberias y latinas usadas entre los Muzárabes (1888); Renan, Averroës et Averroïsme (1866).

[18] Ormsby (The Poem of the Cid), die zijne verhandeling in 1879 schreef, schijnt zeer eenvoudige begrippen te hebben gehad over wat een Cantar was, en hij zegt, dat de Poema bijna gelijktijdig ontstond met de »chansons de gestes«. Maar hij is waarschijnlijk minstens een eeuw in de war, daar de eerste Chansons dateeren uit het midden der elfde eeuw. Van trovadores en juglares had hij blijkbaar nooit gehoord. Toch is hij allesbehalve oppervlakkig en over het geheel is zijn boek het beste, dat in Engeland over de Poema geschreven is. Het is jammer, zooals Saintsbury terecht opmerkt, dat noch Ticknor noch Southey, die zoo uitvoerig over de oude Spaansche letterkunde schreven, bekend waren met de »Chansons de gestes.« Nog betreurenswaardiger is het, dat zooveel op het gebied van Spaansche vertalingen is overgelaten aan Longfellow, die zoo menige mooie ballade schandelijk verminkte. Waarschijnlijk was geen dichter beter in staat dan hij, een ballade zoo te vertalen, dat hij haar beroofde van alle kern en kracht. Maar hoe slecht zijne Spaansche vertalingen ook zijn, zij zijn nog heilig, vergeleken bij wat de Italiaansche vertalers ervan gemaakt hebben.

[19] Waarschijnlijk Anstruther in Fife.

[20] Er bestaat alle redenen te gelooven, dat deze reus Albadan dezelfde is als de reus Albiona, één der twee monsters, »zonen van Neptunus,« die volgens Pomponius Mela, Hercules in Ligurië aanvielen. De naam Albion werd eens aan geheel Brittanje gegeven, en later evenals Alba en Albany, aan Schotland, welks bevolking bekend was als Albannach. Volgens sommigen beteekent dit »de Witte«, wat betrekking zou hebben op de klippen van Dover! Veel waarschijnlijker is het, dat het beteekent: »het rijk van den God Alba, het land van den Witten God.« Alle Schotsche goden waren reuzen, evenals de Fomorianen van Ierland.

[21] Eerst had zij Schotland bezocht, en zich vervolgens ingescheept naar »Groot Brittanje«. Op deze tocht kwam zij bij de Kale Rots terecht, die zich blijkbaar ergens in de Middellandsche Zee bevond. Het is eigenaardig, dat de aardrijkskunde in dien tijd zulk een zwak punt was voor een volk, dat zooveel gedaan heeft op het gebied van ontdekkingen en zeevaart.

[22] William Stuart Rose, Amadis de Galliër: Een gedicht in drie boeken.

[23] Tenzij wij een uitzondering maken voor de Anseis de Carthage--een romance, die den ondergang van Spanje toeschrijft aan een zoon van Karel den Groote, wiens daden overeenkomen met die van Roderick. De Anseis is een Fransch werk.

[24] Behalve de verzameling romances, waarover wij hier spraken, en waarin de voornaamste typen van dichtkunst vertegenwoordigd zijn, waren er in het midden der zestiende eeuw nog bloemlezingen uitgegeven te Antwerpen en Saragossa, respectievelijk door Martin Nucio en Esteban de Nájera. De lezer kan ook de Primavera y Flor de Romance door Wolf en Hofman raadplegen, waarvan een nieuwe uitgave verscheen bij Señor Menéndez y Pelayo, de verzameling van Depping (2 dln. Leipzig 1844) en de Engelsche vertalingen van Lockhart en Bowring.

IN DEZE SERIE VERSCHENEN REEDS

H. A. Guerber, Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen. Haar oorsprong en invloed op letterkunde en kunst. Bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga. Met 64 fraaie platen. Vierde druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

H. A. Guerber, Noorsche Mythen. Uit de Edda's en de Sagen. Bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga, Met 64 fraaie platen. Derde druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

H. A. Guerber, Mythen van Griekenland en Rome. Haar oorsprong en beteekenis. Bewerkt door Dr B. C. Goudsmit. Met 64 fraaie platen. Vierde druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

Woislav M. Petrovitch, Heldensagen en Legenden van de Serviërs. Met een voorbericht van Chedo Miyatovitch, gewezen Servische Gezant aan het Engelsche Hof. Bewerkt door Mevr. J. P. Wesselink--v. Rossum. Met 32 prachtige gekleurde platen. Tweede druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

Dr H. Salomons, Verhalen en Legenden van Hindoes en Boeddhisten. Met een introductie van Prof. Dr W. Caland. Met 32 prachtige gekleurde platen. Tweede druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

T. W. Rolleston, Keltische Mythen en Legenden. Bewerkt door Dr B. C. Goudsmit. Met 65 fraaie platen. 2e druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

F. Hadland Davis, Mythen en Legenden van Japan. Bewerkt door Dr B. C. Goudsmit. Met 32 prachtige gekleurde platen. Derde druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

Josef Cohen, Nederlandsche Sagen en Legenden I en II. Met 32 illustratiën in kleurendruk en zwart van Pol Dom. 2e druk. Per deel Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

Lewis Spence, Mythen en Legenden van Egypte. Voor Nederland bewerkt door Dr J. W. van Rooijen. Met 8 gekleurde en zwarte platen. Tweede druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

Nelly Montijn-De Fouw, Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde. Geïllustreerd door Arthur Rackham. Ing. f 10.-, Geb. f 12.50

Dr H. van Prooye-Salomons, De Geschiedenis van Koning Nala. Een Episode uit het Mahabharata. Ing. f 3.90, Geb. f 4.90

UITGAVEN VAN W. J. THIEME & CIE TE ZUTPHEN.

Dr C. te Lintum, De Geschiedenis van het Amerikaansche Volk, met vele illustraties. Ing. f 2.75, Geb. f 3.90

E. M. Tappan Ph. D., De Geschiedenis van het Romeinsche Volk. Bewerkt door Dr B. C. Goudsmit. Met vele illustraties. Tweede druk. Ing. f 2.75. Geb. f 3.90

E. M. Tappan Ph. D., De Geschiedenis van het Grieksche Volk. Bewerkt door Dr B. C. Goudsmit. Met vele illustraties. Tweede druk. Ing. f 2.75, Geb. f 3.90

W. Jansen, Geschiedenis der Wijsbegeerte. I. Van Thales tot Plotinus. Ing. f 4.35, Geb. f 5.25 II. Van Origenez tot Leibnitz. Ing. f 5.50, Geb. f 6.50

Dr Jos. Schrijnen, Nederlandsche Volkskunde. Compleet in 2 deelen. Per deel Ing. f 4.50, Geb. f 5.75

Jonathan Swift, Gulliver's Reizen. Vertaald naar de nieuwe uitgave van Padraci Colum. Geïllustreerd door Willy Pogány. Met 12 gekleurde en vele zwarte platen. Ing. f 4.90, Geb. f 5.90

M. de Cervantes, Don Quyote de la Mancha. Vrij bewerkt naar Albert Geyer door G. D. Ell. Met 8 gekleurde en vele zwarte platen naar George Scholz. Geb. f 3.90

De Sprookjes van Andersen. Naar het Deensch bewerkt door Ph. R. F. C de Bruyn. Met twaalf gekleurde platen van Wanda Zeigner-Ebel. Geb. f 3.90

H. Beecher Stowe, De Kleine Vossen. 7e druk. Ing. f 1.75, Geb. f 2.50

Dr E. Vogel, Fotografisch Zakboek. Een handleiding en vraagbaak voor aanvangers en meergevorderden. Vrij bewerkt en aangevuld door J. J. M. M. v. d. Bergh. 5e druk. Ing. f 2.60, Geb. f 3.95

Dr P. G. Buekers, Plantenboek. Bewerkt naar Christiansen, Taschenbuch einheimischer Pflanzen. Met 48 fraai gekleurde platen. Geb. f 2.50

Kerst Zwart, Het Vogelboek. Zangers en Krassers bij huis en schuur, in tuin en park, langs weg en gracht, in veld en bosch, aan plas en strand. Met 109 gekleurde afbeeldingen van vogels. Tweede druk. Ing. f 3.25, Geb. f 4.25

End of Project Gutenberg's Legenden en Romances van Spanje, by Lewis Spence