Legenden en Romances van Spanje

Chapter 23

Chapter 233,570 wordsPublic domain

De Moorsche ridders keerden, zooals zij beloofd hadden, tot den Koning terug, en deelden hem de profetische woorden van den Fakir mede. De Koning werd doodsbleek, en riep uit: »Bij den God, dien ik vereer, het zal uw Fakir slecht vergaan, wanneer hij gelogen heeft, want gij kunt er op aan, dat ik hem voorbeeldig zal straffen.«

Korten tijd daarna, verzamelde Alfonso zijn leger, bestaande uit een onnoemelijk aantal divisies voetvolk, en meer dan tachtigduizend ruiters, onder wie bijna dertigduizend Arabieren waren. Hiermede trok hij op tegen Koning Taxfin en zijne bondgenooten, en hij ontmoette hem in de nabijheid van Badajoz, tusschen de struiken en vlakten, Zalacca geheeten, ongeveer twaalf mijlen van de stad verwijderd. De legers waren door een rivier gescheiden, en Taxfin zond een beleedigende boodschap naar den overkant, eischende dat Alfonso òf zijn Christelijk geloof zou afzweren, òf zich als zijn Vasal zou onderwerpen. Toen Alfonso deze boodschap gelezen had, wierp hij den brief woedend op den grond, en zeide uit de hoogte tot den afgezant: »Zeg tegen Taxfin, dat hij zich niet moet schuil houden tijdens het gevecht, opdat wij met elkander kunnen afrekenen.«

Verschillende omstandigheden beïnvloedden den strijd. De Vrijdag was de heilige dag der Muzelmannen, de Zaterdag was de Sabbath der Joden, die ruim vertegenwoordigd waren in het Christenleger; en de Zondag was de rustdag der Christenen. Alfonso had Taxfin reeds om een wapenstilstand verzocht gedurende deze dagen, en de Moor had daarin toegestemd. Maar Alfonso vond zich gerechtigd den aanval te beginnen des Vrijdags, op het uur van zonsopgang. Hij verdeelde zijn leger in twee divisies, en overviel daarmede den vijand. De Moorsche Koning van Sevilla had zijn sterrenwichelaar gevraagd een horoscoop te trekken om den afloop van den dag te weten te komen, en daar deze zeer ongunstig voor de Muzelmannen was uitgevallen, waren zij eenigszins ontmoedigd. Maar toen het hun gelukt was den eersten aanval van Alfonso te weerstaan, trok de sterrekundige een nieuwen horoscoop en bij deze gelegenheid luidde zijn voorspelling vrij wat gunstiger. De Koning van Sevilla, bezield door de gelukkige profetie, zette zich neder in zijn tent, nam pen en perkament, en dichtte de volgende regels, die hij ter bemoediging aan zijn bondgenoot Taxfin zond:

Door Godes toorn en 't Moorsche zwaard, Wordt 't Christenvolk verjaagd van de aard', Terwijl het sterrenbeeld voorspelt Uw grooten roem op 't oorlogsveld.

Taxfin was zeer gesterkt door deze dichtregels, en hij reed langs de gelederen, terwijl hij zijne manschappen toesprak. Maar hij had hiervoor niet veel tijd, want Koning Alfonso kwam aan het hoofd zijner troepen aangereden, en viel hem aan met alles, wat in Christelijk Spanje een wapenrusting droeg. Er volgde een woedend en bloedig gevecht. De Mooren hielden dapper stand, maar de geweldige ruiterschaar der Spanjaarden rukte op hen aan en overrompelde hen van alle kanten. Nu kwamen de Moorsche bondgenooten der Christenen in actie; zij omsingelden de Arabieren van Andalusië, en de geschiedenis vermeldt, dat de duisternis, die door deze reusachtige menschen- en paardenmassa veroorzaakt werd, zóó geweldig was, dat de strijdenden elkander niet meer konden zien, en in het blinde worstelden, alsof het in het diepst van den nacht was. Tenslotte begonnen Taxfins troepen zich in groote wanorde terug te trekken, terwijl het paardevolk der Christenen steeds verder opdrong. Slechts de Mooren van Sevilla hielden stand. Toen stelde Taxfin zich aan het hoofd van zijne reservetroepen, en reed met zijne ruitercolonnes recht op het paviljoen van Koning Alfonso toe, dat slechts zeer onvoldoende beschermd was, en dus zonder veel moeite met alle kostbaarheden, die zich daarin bevonden, den Mooren in handen viel. Alfonso, die zag, hoe Taxfin vooruitdrong, viel hem in de flank aan, en de beide opperbevelhebbers waren spoedig in een woedend gevecht gewikkeld. De Moorsche aanvoerder begaf zich onder zijne manschappen, spoorde hen aan tot standvastigheid, en riep hun toe, dat de belooning voor hun moed de kroon van het paradijs zou zijn. Tengevolge van zijne herhaalde aanvallen, begon het leger der Christenen achteruit te wijken, en bij een hernieuwden aanval van Taxfins bondgenooten, die eerst verslagen waren, gaf het allen tegenstand op. Toen Alfonso zag, dat alles verloren was, vluchtte hij, slechts vergezeld van vijfhonderd volgelingen, voor de zegevierende Mooren uit. Hij bereikte met moeite de stad Toledo, waar hij met slechts honderd man aankwam.

Van dezen dag af was Alfonso een gebroken man, en toen hij eenige jaren later het bericht kreeg van den dood van zijn zoon en de nederlaag van zijn volk in een oorlog met de heidenen, werd hij ziek en stierf hij. Zoo werd dus de profetie van den Fakir vervuld.

DE PRINS, DIE ZIJN KROON VERRUILDE.

Gedurende den eeuwenlangen strijd tusschen de Gothische en Arabische rassen in Spanje, ontstonden er verscheiden kleine koninkrijken, die even snel weer verdwenen, en waarvan de namen reeds lang vergeten zijn. Ongeveer tweehonderd jaar nadat de heidenen vasten voet in Spanje hadden gekregen, bestonden er in het midden van het land twee miniatuur koninkrijken, of beter gezegd, vorstendommen, waarvan het noordelijkste hardnekkig vasthield aan zijn Spaansche nationaliteit terwijl het andere, dat eraan grensde, even sterk aan zijn Moorsche zeden gehecht was. In dien tijd regeerde in het Spaansche vorstendom een buitengewoon verlicht en bekwaam man, Don Fernando. Zijn opvoeding was natuurlijk van dien aard geweest, dat hij zijne Moorsche buren met den diepsten afkeer en het grootste wantrouwen beschouwde. Zij waren, zoo hadden zijne leermeesters hem verteld, een menschenras, dat geen naastenliefde of eer kende, een wreed, kwaadaardig en wraakgierig volk, in het kort, het was niet te verwonderen, dat de jonge Fernando, die voortdurend in dien geest over zijne buren had hooren spreken, een geweldigen afkeer van hen had gekregen.

De lage heuvelrij, die de scheiding vormde tusschen de beide vorstendommen, was eerder, een aanmoediging dan een beletsel voor de eeuwigdurende invallen, die Moor en Christen in elkanders gebied deden, want zij behoorde niemand toe, zoodat de troepen van beide landen, zich daar gemakkelijk konden opstellen, voordat zij een rooftocht ondernamen. Aan deze strooptochten nam Fernando zelf ook deel, want het werd noodig geoordeeld, dat een vorst, die in bijna voortdurend oorlogsgevaar leefde, goed op de hoogte was van de praktijk der krijgskunst. Bij één van die vele miniatuurinvallen, was de troep, die onder Fernando's bevelen stond, ver in het Moorsche gebied binnengedrongen, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, en zoo kwam het, dat de manschappen ongedwongen en eenigszins zorgeloos voortreden, totdat zij zich plotseling bevonden tegenover den vijand, die hen in de flank aanviel en hunne gelederen verbrak. Het kleine troepje Spanjaarden werd op deze wijze in tweeën verdeeld, en vluchtte in tegenovergestelde richtingen, en Fernando, die slechts door een klein aantal volgelingen vergezeld was, galoppeerde in de richting van zijn eigen land, om buiten de gevechtslinie te komen.

Om zijn eigen gebied te bereiken, was hij nu gedwongen een grooten omweg te maken, en daar hij en zijne mannen dien dag reeds veel gereden hadden, waren hunne paarden na korten tijd zóó oververmoeid, dat zij onmogelijk verder konden. Tot overmaat van ramp zagen zij, dat de vijand hen dicht op de hielen zat. Zij besloten hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen, zooals dat Christelijke ridders betaamde, en zij waren op het punt af te stijgen, en een gunstig terrein te zoeken voor den komenden strijd, toen zij op eenigen afstand een gebouw zagen, dat in ruwen steen op een kleinen heuvel was opgetrokken. »Als er ergens een geschikte plek is, om ons te verdedigen, dan is het daar,« zeide Fernando. »Laat ons daar stelling nemen, en gebruik maken van de beschutting, die het gebouw ons biedt.«

Zij spoorden hunne paarden aan tot een uiterste krachtsinspanning, en bereikten spoedig den top van den kleinen heuvel. Nadat zij afgestegen waren, zocht Fernando den ingang van het vrij vervallen gebouw, en hij was op het punt binnen te treden, toen hij tot zijn verbazing een man ontdekte, die op den vloer geknield lag, in ernstig gebed verzonken. Zijn lange baard, zijn schamele kleeding en zijn geheele uiterlijk toonden duidelijk aan, dat hij een Moorsch kluizenaar was, een van die vromen, die de nabijheid der menschen ontvluchten om in vrede hunne godsdienstplichten te kunnen waarnemen. Fernando wilde hem juist op barschen toon toespreken, en hem bevelen weg te gaan, toen de kluizenaar, die in zijn overpeinzingen gestoord was door het gestamp van den gespoorden voet op den vloer, opzag, en hem vroeg, wat hij wenschte.

»Maak, dat gij wegkomt,« zeide Fernando, »want wij moeten deze plaats tot het uiterste verdedigen tegen uwe afvallige broeders.«

De kluizenaar glimlachte. »Jonge man,« zeide hij, »hoe kunt gij een oogenblik meenen, dat gij u in dit armzalige gebouw verdedigen kunt tegen de velen, die u binnen enkele oogenblikken omsingelen zullen? Uw zwaard en dat van uwe makkers zullen u evenmin kunnen beschermen als deze vervallen muren, die in enkele minuten ineengestort zullen zijn. Geloof mij, er is een vrij wat beter schild tegen het ruw geweld der menschen, dan steen of staal«.

»Ik weet niet wat gij bedoelt, oude man«, zeide Fernando. »Maar ik ben gewoon mijn vertrouwen te stellen in die zaken, die gij veracht«.

»Dat is treurig genoeg«, zeide de kluizenaar, »hebt gij in uw eigen land niet geleerd, jonge man, dat God een beter beschermer is voor hen, die op Hem vertrouwen, dan deze ijdele stoffelijke bolwerken, die sterfelijke menschen opwerpen tegen de woede van hunne medemenschen? Vertrouw op God, zeg ik u, en Hij zal u bijstaan door middel van den minsten zijner dienaren«.

»Indien het de God der Christenen was, van wien gij spreekt«, antwoordde Fernando, »zou ik moeten erkennen, dat gij woorden van wijsheid hebt gesproken. Maar uit den mond van een ongeloovige klinken zij mij godslasterlijk in de ooren«.

»Heer Ridder«, zeide de kluizenaar, »gij zijt nog jong, maar wanneer gij ouder geworden zijt, zult gij, hoop ik, hebben leeren begrijpen, dat God dezelfde is in alle landen, en dat verdeeldheid over Zijn persoonlijkheid, één der middelen is, waarmede de Duivel vijandschap zaait tusschen de geloovigen. Luister naar mijne woorden: Deze steenen ruïne is de laatst overgebleven toren van een oude vesting, waaronder zich een labyrinth van kerkers bevindt. Verberg u zoo spoedig mogelijk in de duisternis van deze onderaardsche gewelven, opdat gij aan de vervolging uwer vijanden ontkomen kunt; wanneer de nacht gedaald zal zijn, kunt gij naar uw eigen land terugkeeren.«

»Wees voorzichtig, Don Fernando,« riep een van de metgezellen van den Prins uit; »deze heiden tracht u in een valstrik te lokken, opdat zijne rasgenooten ons op hun gemak kunnen vermoorden.«

»Neen,« antwoordde de Prins, »want ik kan zien, dat deze brave en vrome man het goed met ons voorheeft, en ik vertrouw mij met een gerust hart aan hem toe. Wijs mij den weg, goede vader, naar de plaats waarvan gij spreekt.«

Hierop verzocht de kluizenaar de ruiters binnen te treden, en hij wees hun een donkeren en hellenden gang, waarlangs zij hunne paarden leidden. Nauwelijks hadden zij zich in de donkere schuilhoeken, waarheen de gang voerde, verborgen, of de heidenen, die hen vervolgd hadden, naderden onder luid geschreeuw. Hun aanvoerder riep den kluizenaar toe, of hij een troepje Christenridders had zien voorbijkomen. »Neen, er zijn hier geen Christenridders voorbijgegaan, mijn zoon,« antwoordde de vrome man, »ga heen in vrede.« De Moorsche kapitein besteeg daarop met een ernstigen groet zijn paard weer, en de troep reed verder.

De kluizenaar onthaalde de Christenridders zoo goed mogelijk, en keerde binnen enkele uren tot hen terug met de mededeeling, dat de duisternis was ingevallen. »Nu kunt gij veilig naar uw eigen land terugkeeren«, zeide hij.

»Hoe kan ik u beloonen?« riep Fernando uit, die diep getroffen was door den vriendelijken eenvoud van den ouden man.

»Het eenige wat gij voor mij doen kunt, jonge man, is in het vervolg mijne rasgenooten zachter te beoordeelen.«

»Wat gij mij vraagt is niet gemakkelijk,« zeide de Prins droevig, »want de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen, dat ik veel kwaads en weinig goeds van de Mooren gehoord heb.«

»Dat verwondert mij niets,« zeide de kluizenaar glimlachend, »want gij zult mij moeten toegeven, dat gij hen slechts ontmoet hebt met het zwaard in de hand of als gevangenen, wier harten verbitterd waren door hun nederlaag. Ontsluit uw geest, jonge man, of liever, bid, dat zijne poorten, die tot nu toe gesloten waren, opengeworpen mogen worden, om de stralen van goddelijke wijsheid binnen te laten. Tracht het goede te zien in uwe vijanden, en geloof mij, dan zult gij genoeg goeds in hen vinden.«

Terwijl hij sprak had Fernando inderdaad het gevoel, dat de poorten van zijn geest, die tot nu toe vastgeroest waren met vooroordeel, ontgrendeld werden. »Ik zal uw raad niet vergeten,« zeide hij, »want het is niet mogelijk, dat van zulk een vroom en edel mensch iets kwaads komt,« en met een eerbiedigen groet besteeg hij zijn paard en reed weg, vergezeld van zijne makkers.

In den vroegen morgen bereikte hij veilig de hoofdstad, en nadat hij zich gebaad had, en eenig voedsel had genuttigd, begaf hij zich naar de raadszaal, waar zijne ministers met de grootste belangstelling naar het verslag van zijne ondervindingen luisterden.

»Gij moogt van geluk spreken, uwe Majesteit,« zeide één van zijne raadslieden; »zonder de hulp van dezen vromen man zoudt gij nu stellig de gevangene zijn van uwe vijanden. Er zullen niet veel van zulke geesten in Moorsche lichamen huizen.«

»Hoe zoo, Señor,« antwoordde de Prins; »is het niet mogelijk dat gij u vergist? Wat weten wij eigenlijk van de Mooren, behalve wat wij in een voortdurenden strijd met hen hebben gezien? Zou het niet goed zijn, wanneer wij trachtten hen beter te leeren kennen?«

»Wat,« riep de Minister uit, »kennen wij hen niet als honden en afvalligen, als meineedige godslasteraars en aanbidders van valsche goden? De hemel verhoede, dat wij anderen van hun soort zouden leeren kennen dan den heraut, wiens taak het is, ons in het gemeenschappelijk strijdperk te roepen, opdat wij onze lansen op hun trouwelooze borst kunnen richten«.

»Uwe woorden schijnen mij goed noch verstandig toe,« zeide Fernando vriendelijk; »en ik wil u vertellen, heeren, dat ik dezen morgen huiswaarts rijdende, het besluit heb genomen, deze Mooren beter te leeren kennen. Ik zal mij daartoe naar hun land begeven, hun instellingen en godsdienst bestudeeren, en hun als menschen inplaats als vijanden tegemoet treden.«

»Dwaasheid,« riep de Kanselier uit; »dat is een onbekookt besluit van een jong en onervaren vorst.«

»Ik denk er anders over,« antwoordde Fernando; »maar om noodeloos gevaar te vermijden, heb ik besloten mij als Muzelman te vermommen. Zooals gij weet, spreek ik de Moorsche taal als een geboren Muzelman, en ik ken de levenswijze en de godsdienstige gebruiken onzer buren van hooren zeggen. Ik heb mijn besluit genomen en laat mij daar niet van afbrengen.«

»De wil van uwe Majesteit is wet«, antwoordde de Kanselier, die in het besluit van den Prins een mogelijkheid zag voor de uitbreiding van zijn eigen macht. Andere leden van het gevolg trachtten nog Fernando's besluit aan het wankelen te brengen, doch tevergeefs. De voorbereidende maatregelen waren spoedig getroffen en drie dagen nadat hij zijn voornemen te kennen had gegeven, trok Fernando als Moor vermomd, over de grenzen van het land zijner vijanden. Hij besloot zich eerst naar de hoofdstad te begeven, een vrij belangrijke plaats; daar aangekomen, steeg hij af en zocht een khan of herberg op. Hij trof daar allerlei soorten van reizigers aan: de koopman zat aan dezelfde tafel als de Mullah of priester, en de soldaat deelde zijn maal met den pelgrim. Het eerste wat Fernando bij dit volk opviel, was hun groote matigheid. Zij aten slechts weinig en dronken niets dan melk of water. De atmosfeer van ernst, die in de herberg heerschte, verraste hem. Deze bescheiden, bleek uitziende mannen zaten voor het meerendeel met neergeslagen oogen, weinig en rustig sprekende met zachte en beschaafde stem. Wanneer hun iets gevraagd werd, spraken zij niet dadelijk, maar zij schenen eerst rustig na te denken, voordat zij beleefd, en in goed gekozen zinnen antwoordden. Al hunne handelingen waren beschaafd en waardig. Fernando merkte op, dat zij ook buitengewoon zindelijk waren, niet alleen in hun kleeding, maar zij waschten zich voortdurend, hetzij in de herberg gedurende de voorgeschreven uren van gebed, hetzij in de schitterend ingerichte openbare baden der stad.

Aan den anderen kant bleek het den vermomden Prins, dat deze mannen slaven waren van een vormendienst, hetgeen ten gevolge had een bekrompenheid van denkbeelden, die duidelijk te voorschijn trad in alle hunne handelingen en uitlatingen. Er scheen in hun leven geen plaats te zijn voor eenige individualiteit. Fernando knoopte een gesprek aan met één van de geschoren Mullahs, die zich in een hoek van de herberg teruggetrokken had om rustiger den Koran te kunnen lezen. Eerst toonde hij slechts weinig lust tot spreken, maar toen hij bemerkte, dat de Prins met hem van gedachten wilde wisselen, bracht hij het gesprek op dat onderdeel van de Mohammedaansche wet, dat hij bezig was te bestudeeren, en hij verviel daarbij in zulk een haarkloverij, dat het den ongelukkigen Fernando diep berouwde, hem ooit te hebben aangesproken.

FERNANDO MAAKT VERGELIJKINGEN.

Toen Fernando zich dien avond ter ruste had begeven, maakte hij de balans van den dag op. Deze menschen schijnen mij buitengewoon vormelijk en conventioneel toe, dacht hij; maar daar tegenover staat de luidruchtige babbelachtigheid van de Europeanen, hun gebrek aan ingetogenheid en hun groote vrijpostigheid. Die Mullah was vreeselijk lang van stof, maar zijn er onder ons ook niet een menigte vervelende kerels? Komt het niet in alle werelddeelen voor, dat iemand door zelfgenoegzaamheid en verwaandheid een schrik voor zijn omgeving wordt? Ik geloof, dat een groot gedeelte der menschheid zijne medemenschen slechts nabootst, en dat men maar zelden een sterke persoonlijkheid aantreft.

Toen Fernando den volgenden morgen was opgestaan, bezocht hij de groote moskee der stad. Het was voor het eerst, dat hij een Moorsche kerk betrad, en het viel hem dadelijk op, dat daar eenzelfde stemming heerschte als in een Christelijke Kathedraal. Er ging ook daar een gedempt gefluister rond. Hier en daar stond een Mullah of leeraar, die zijne leerlingen onderwees in de Mohammedaansche wetten en godsdienstige gebruiken, en Fernando zag dit met groot genoegen, want zulk een persoonlijk onderwijs in de leerstellingen van het Christelijk geloof, werd in de kerken van zijn eigen land niet gegeven. Ook kon hij zijn oogen niet sluiten voor de groote geleerdheid en ontwikkeling van de redenaars. Deze schenen hem verre de meerderen van de bekrompen priesters, die in zijn kerk leeraarden, van wie slechts enkelen schrijven konden. Hij was zeer verbaasd te zien, dat in een vleugel van de Moskee, die als schrijfkamer was ingericht, zich een aantal oude en jonge Mullahs bevonden, die aan lessenaars gezeten, vloeiend schreven, en bezig waren met het copieeren van exemplaren van den Koran en andere godsdienstige werken.

Toen Fernando de Moskee verlaten had, bracht hij een bezoek aan de universiteit, waar hij in groote bewondering geraakte voor het rijke geestelijke leven, dat daar bloeide. In één der kamers was een leeraar, gekleed in een witten kaftan, bezig een voordracht te houden over de praktijk der geneeskunde, en hij deed dat met een scherpzinnigheid en bekwaamheid, als Fernando nooit eerder had aangetroffen. Zijn kennis van medicijnen en van de eigenschappen van planten en kruiden, scheen uitgebreid en nauwkeurig te zijn, en toen Fernando dacht aan de stumperige artsen, door wier onkunde jaarlijks zoovelen zijner onderdanen ten gronde gingen, voelde hij zich diep beschaamd, dat deze donkere geleerde vreemdelingen hun in theorie zoowel als in de praktijk zoo ver vooruit waren. Maar hij was scherpzinnig genoeg om in te zien, dat de spreker de medische wetenschap beschouwde als iets, dat in het verleden reeds zijn hoogtepunt bereikt had. Hij sprak van proefnemingen in den verleden tijd en vermeldde slechts de groote leermeesters der oudheid: Galenus en Hippocrates, Avicenna en Rhazes. Wanneer hij toevallig iets zeide van de leermeesters van zijn eigen tijd, dan geschiedde dit altijd eenigszins geringschattend, en nooit met een woord van waardeering; de oudheid was alles voor hem, en de leerstellingen der oude meesters in de medicijnkunst waren hem in zeker opzicht even heilig als de woorden van den Profeet.

In een schoollokaal, dat aan deze kamer grensde, bleef Fernando eenigen tijd luisteren naar een leermeester in de astrologie. Deze oude wetenschap had altijd een bijzondere bekoring voor hem gehad, en hij was er zich volkomen van bewust, dat de Mooren tot hare groote beoefenaren behoorden. De spreker beschreef uitvoerig den invloed, dien de verschillende planeten op het lot van den mensch hadden, hoe haar onderlinge stand het verloop van het menschelijk leven bepaalde, en hij behandelde het karakter van personen, die onder bepaalde astrologische voorwaarden geboren waren. Ook deze wetenschap was volgens den spreker niet meer voor verdere ontwikkeling vatbaar; en terwijl Fernando naar hem luisterde zeide zijn gezond verstand hem, dat hij veel als waarheid hoorde verkondigen, dat absoluut niet wetenschappelijk bewezen was. Er werd niets verteld van het wezen dezer planeten, niets feitelijks over de beweging der sterren, of over hun verhouding tot de aarde. In de aardrijkskunde-klasse heerschte echter een andere geest; daar werd het onderwijs op moderner wijze gegeven. Er werd gewezen op de werken van Arabische reizigers die Azië en Afrika doorkruist hadden; de levensverhoudingen in verre landen werden besproken, en over het algemeen veel nauwkeuriger dan in de Europeesche scholen, die hij bezocht had; waar weinig vaststaande feiten geleerd werden, waar de fantasie een groote rol speelde, en waar veel meer aandacht geschonken werd aan het buitengewone dan aan het waarschijnlijke.