Legenden en Romances van Spanje

Chapter 22

Chapter 223,917 wordsPublic domain

»Help mij, goede vogel,« riep de prins uit, »en ik zal u een hooge betrekking aan het Hof bezorgen.«

»Heel goed,« zeide de papegaai, »het eenige, wat ik vraag is, dat ik niet veel hoef te doen, want wij geleerden hebben een grooten afkeer van hard werken.«

Vergezeld van den uil en den papegaai, vervolgde Ahmed zijn reis naar Toledo om Prinses Aldegonda te zoeken. Zij vordenden slechts langzaam door de rotsachtige passen van de Sierra Morena, en de verschroeiend heete vlakten van La Mancha en Castilië, maar eindelijk kwamen zij in het gezicht van Toledo, dat gelegen is aan den rand van een afgrond, waar de Taag bruisend doorheen loopt. De praatzieke papegaai wees zijne reisgenooten dadelijk het verblijf van Prinses Aldegonda, een statig paleis, dat zich verhief uit de heesters van een verrukkelijken tuin.

»Ach Toledo«, riep de uil in extase uit, »Toledo, gij stad van toovenarij en mysterie!« Welk een macht van tooverformulieren zijn er niet uitgesproken in uwe donkere schuilhoeken. Stad van geleerdheid, van wonderen, van duizenden geheimenissen!«

»Kletspraat«, riep de papegaai. »Wind je niet op, mijn vriend de wijsgeer! O Toledo,« oreerde hij met uitgespreide vleugels, in navolging van den uil, stad van noten en van wijn, van vijgen en olie, van feesten, steekspelen en bekoorlijke señoritas! Nu, Prins, moet ik niet naar Prinses Aldegonda vliegen, en haar uw aankomst melden?«

»Doe dat, beste van alle vogels«, antwoordde de prins met warmte. Vertel haar, dat Ahmed, de pelgrim der liefde, naar Toledo is gekomen om haar te zoeken.«

De papegaai spreidde dadelijk zijne vleugels uit en vloog weg met deze boodschap. Hij vond de prinses, rustende op een divan, en nadat hij neergedaald was, naderde hij haar met de manieren van een volmaakten hoveling. »Schoone Prinses«, zeide hij met een diepe buiging, »ik kom als afgezant van Prins Ahmed van Granada, die naar Toledo is gereisd om zich te koesteren in de stralen uwer oogen.«

»O, welk een heerlijk nieuws«, riep de prinses uit. »Ik begon juist te twijfelen aan de standvastigheid van Ahmed. Vlieg naar hem terug, zoo vlug uwe groene vleugels u dragen kunnen en vertel hem, dat zijn schrijven het voedsel mijner ziel is geweest, en dat zijne woorden in mijn hart gegrift zijn. Maar ach, hij moet zich er op voorbereiden, de kracht zijner liefde met de wapenen te bewijzen. Morgen is het mijn zeventiende verjaardag, ter eere waarvan mijn vader een schitterend tournooi geeft, en de prijs voor den overwinnaar zal mijn hand zijn.«

Ahmed was verrukt over het nieuws, dat de papegaai hem bracht; maar zijn geluk over de trouw der prinses werd verduisterd door het feit, dat hij om haar zou moeten strijden, want hij was niet geoefend in het ridderspel. In zijn verlegenheid wendde hij zich tot den wijzen uil, die zooals gewoonlijk goeden raad schafte door hem te vertellen, dat er in een naburigen berg een grot was, waar op een ijzeren tafel een betooverde wapenrusting lag; daarnaast zou hij een betooverd strijdros vinden, dat daar gedurende vele eeuwen gestaan had. Na eenig zoeken vond Ahmed de bewuste grot. Een lamp met eeuwig brandende olie verspreidde een gedempt licht over de hoekige ruimte en met behulp daarvan waren de wapenrusting en het betooverde paard spoedig gevonden. Ahmed trok de wapenrusting aan en sprong op het paard, dat luid-hinnekend ontwaakte en hem uit de grot wegvoerde, terwijl de uil en de papegaai naast hem vlogen.

Den volgenden morgen begaf Ahmed zich naar het strijdperk, dat in de nabijheid der stad gelegen was. Het was een onvergelijkelijk schoon schouwspel, en edele ridders en lieflijke jonkvrouwen waren bij honderden opgekomen om hun vaardigheid in het voeren der wapenen, en haar schoonheid te vertoonen. Maar Prinses Aldegonda overtrof allen in schoonheid, want zij straalde als de maan tusschen de sterren. Bij de komst van Ahmed, die aangekondigd werd als »de Pelgrim der Liefde«, steeg de opwinding ten top, want hij was een buitengewoon ridderlijke en schitterende verschijning in zijn glinsterende wapenrusting en met juweelen bezaaiden helm. Men deelde hem mede, dat slechts kampioenen van vorstelijken bloede in het strijdperk werden toegelaten, en toen hij dit vernam, maakte hij zich bekend. Toen men hoorde, dat hij een muzelman was, begonnen de Christenridders hem te beschimpen, waarop Ahmed in woede ontstak en den ridder, die het heftigst in zijn spot geweest was, uitdaagde. Zij renden op elkander in, en de gespierde tegenstander werd uit het zadel geworpen. Maar de prins ontdekte nu, dat hij te doen had met een betooverd paard; want toen het eenmaal in actie was, kon niets het meer tegenhouden. Het Arabische ros wierp zich midden tusschen de ridders; Ahmeds tegenstanders vielen als een kegelspel onder zijn opgeheven speer, zoodat het strijdperk in een oogenblik bedekt was met hunne uitgestrekte lichamen. Maar des middags twaalf uur, hield de betoovering waaronder het paard handelde, plotseling op. Het ros draafde over het veld, sprong over de afsluiting, stortte zich in de Taag, zwom door den bruisenden stroom, en droeg den prins doodmoe maar voldaan naar de grot terug, waar het zijn plaats weer innam naast de ijzeren tafel, waarop de prins de wapenrusting weer neerlegde.

Ahmed gevoelde zich echter allesbehalve behagelijk, want onder degenen, die hij uit het zadel geworpen had in zijn woesten stormloop, was de Koning zelf, de vader van Aldegonda, die bij het zien van de verwarring, die Ahmed onder zijne gasten aanrichtte, hevig vertoornd hun te hulp was gekomen. Vervuld van de angstigste voorgevoelens, zond hij zijne gevleugelde boodschappers uit om eenig bericht. De papegaai keerde terug met een massa nieuws. Er heerschte groote ontsteltenis in Toledo, zeide hij; de prinses was bewusteloos weggedragen, en de algemeene opinie was, dat de prins òf een Arabisch toovenaar, òf een van de booze geesten was, die, naar men geloofde, in de grotten der bergen huisden.

Het was reeds dag, toen de uil terugkeerde. Hij had door de vensters van het paleis gegluurd, en gezien, hoe de prinses den brief van Ahmed kuste, terwijl zij luid schreide. Later was zij overgebracht naar den hoogsten toren in het paleis, en elke gang daarheen werd streng bewaakt. Maar een diepe en knagende melancholie had zich van haar meester gemaakt, en men meende, dat zij het slachtoffer was van toovenarij, zoodat er tenslotte een groote belooning--de kostbaarste diamant uit de koninklijke schatkamer--was uitgeloofd voor hem, die haar zou genezen.

Nu wist de wijze uil toevallig, dat er in de koninklijke schatkamer een sandelhouten kist met stalen banden aanwezig was, die beschreven was met geheimzinnige teekenen, die slechts door enkele geleerden konden worden ontcijferd. Deze koffer bevatte het zijden vloerkleed, dat uitgeweken Joden naar Spanje hadden medegebracht. Deze mededeeling gaf den prins veel te denken. Den volgenden dag ontdeed hij zich van zijn kostbare kleeding, en trok het eenvoudige gewaad van een Arabier uit de woestijn aan; daarna kleurde hij zijn gelaat en handen donkerbruin. Op deze wijze vermomd, begaf hij zich naar het koninklijk paleis, waar hij na een oogenblik wachten tot den Koning werd toegelaten. Toen deze hem naar de reden van zijn komst vroeg, antwoordde hij zonder aarzelen, dat hij in staat was de prinses te genezen, die, zooals hij zeide, ongetwijfeld door een duivel bezeten was; hij kon dien boozen geest uitdrijven, alleen door de macht der muziek, zooals dat bij zijn volksstam gewoonte was.

Toen de Koning zag, dat hij zoo vol vertrouwen was, bracht hij hem dadelijk naar den hoogsten toren, waar de prinses lag, en vanwaar men op een terras kwam, waar men het uitzicht had over de stad en het omliggende land. De prins zette zich op dit terras neder, en begon op zijn fluit te spelen. Maar de prinses bleef bewusteloos. Daarna herhaalde hij, alsof hij een duivelbezwering zong, de woorden van den brief, dien hij de prinses gezonden had, en waarin hij haar zijn liefde verklaard had. Toen ontwaakte zij, herkende diep geroerd de woorden, en beval, dat men den prins bij haar zou brengen. Ahmed werd in haar kamer geleid, maar de gelieven, die het gevaar, waarin zij verkeerden, begrepen, waren op hun hoede, en stelden zich tevreden met het wisselen van blikken, die welsprekender waren dan woorden. Nooit behaalde muziek een grooter triomf! De rozen keerden terug op de bleeke wangen der prinses, en de Koning was zóó verrukt, dat hij Ahmed verzocht het schoonste juweel uit zijn schatkamer te kiezen. De prins wendde echter een overgroote bescheidenheid voor, en antwoordde, dat hij geen juweelen begeerde, maar slechts een oud vloerkleed wenschte, dat in een sandelhouten koffer geborgen was, die door de muzelmannen, die eens in Toledo heerschten, was achtergelaten. De koffer werd oogenblikkelijk gebracht, en men spreidde het karpet op het terras uit.

»Dit karpet«, zeide de prins, »was eens het eigendom van Koning Salomo; het is waardig de schoonheid zelf te dragen. Laat de Prinses het betreden.«

De Koning gaf zijn dochter toestemming het verzoek van den Arabier in te willigen, en zij betrad het vloerkleed. Toen ging Ahmed naast haar staan, en zeide, zich tot den verbaasden Koning wendende:

»Weet, o Koning, dat uw dochter en ik elkander reeds lang hebben liefgehad. Herkent gij den Pelgrim der Liefde niet?«

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of het kleed verhief zich in de lucht, en tot groote ontsteltenis van alle omstanders, werden de gelieven weggevoerd, en zij verdwenen spoedig uit het gezicht.

Het tooverkarpet daalde neder in Granada, waar Ahmed en de prinses in den echt vereenigd werden met de praal, die hun hooge rang eischte. Later volgde hij zijn vader op, en zijn regeering was langdurig en gelukkig. Maar ofschoon hij nu een kroon droeg, vergat hij toch zijne gevleugelde vrienden niet. Hij benoemde den uil tot zijn grootvizier en den papegaai tot ceremoniemeester, en wij mogen dit beschouwen als het teeken, dat hij in al zijne koninklijke en huiselijke omstandigheden door wijsheid en uiterlijke waardigheid geleid werd.

Dit boeiende verhaal is natuurlijk samengesteld uit een aantal oorspronkelijke en afzonderlijke elementen--de gelieven, die onbekend met de liefde opgroeiden, om een voorspelling bij hun geboorte; het oude thema van de vogeltaal, van hulpvaardige dieren, en het onderwerp van het betooverde karpet. Het laatste is slechts een andere vorm van het oude begrip, dat een toovenaar zich op bovennatuurlijke wijze door de lucht kan voortbewegen; deze kunst schijnt hij te hebben geleerd aan de heksen der middeleeuwen, wier bezemstelen slechts het vliegende paard vervingen. Maar uit de omstandigheid, dat het karpet in dit verhaal voorkomt, mogen wij opmaken, dat het waarschijnlijk uit Perzië afkomstig is, het land waar het eerst karpetten geweven werden; vooral ook, omdat de toovenaars van primitiever volken andere en eenvoudiger middelen gebruikten om zich door de lucht voort te bewegen.

DE GELOFTE VAN DEN HEIDEN.

Het volgende verhaal werpt een helder licht op de verdraagzaamheid, en zelfs edelmoedigheid, die in het oude Spanje somtijds tusschen Moor en Christen betracht werd. Het betreft de geschiedenis van Narvaez, den generaal, die het bevel voerde over het garnizoen van Medina Antequara, een Moorsche stad, die in handen van de Spanjaarden gevallen was. Narvaez maakte de stad tot een middelpunt, vanwaar hij een reeks invallen deed in het naburige district Granada, met het doel provisie machtig te worden, en de ongelukkige bewoners van dezen streek alles te ontnemen, wat hun nog was overgebleven.

Bij één van deze gelegenheden had Narvaez een groote ruiterschaar uitgezonden om de omgeving te plunderen. Zij waren in den vroegen morgen, terwijl het nog duister was, uitgetrokken, zoodat zij bij zonsopgang reeds diep in het vijandelijk land waren doorgedrongen. De bevelvoerende officier reed eenige honderden meters voor den troep uit, en ontmoette tot zijn verwondering een Moorsch jongeling, die in het duister verdwaald was, en nu huiswaarts keerde. De jonge man hield moedig stand tegen de Spaansche ruiters, maar hij werd spoedig overrompeld, en toen zij van hem hoorden, dat de landstreek, waarin zij zich bevonden, niet veel meer was dan een verlaten vlakte, daar de vroegere bewoners bij hun vlucht alles hadden meegenomen, keerden zij naar Antequara terug, waar zij hun gevangene voor Narvaez voerden.

De gevangene, een jonge man van ongeveer drie-en-twintig jaar, was een schoone en statige verschijning. Hij was gekleed in een los, zijden gewaad van een warme donkerroode kleur, dat naar Moorsch gebruik, rijk versierd was, en hij bereed een edel paard van zuiver Arabisch ras. Uit deze omstandigheden maakte Narvaez op, dat hij een hooggeboren ridder was. Hij deed onderzoek naar zijn naam en afkomst, en vernam dat zijn gevangene de zoon was van den Alcayde van Ronda, een aanzienlijk Moor en een onverzoenlijk vijand der Christenen. Maar toen Narvaez den jongen man zelf ondervroeg, bemerkte hij tot zijn verwondering, dat hij niet in staat was, hem te antwoorden. Tranen stroomden langs zijn gelaat, en zijne antwoorden werden onderbroken door snikken die uit het diepst zijner ziel schenen op te stijgen.

»Het verbaast mij, u zoo voor mij te zien,« zeide Narvaez. »Dat gij, een ridder van goeden huize, en de zoon van zulk een dapper edelman als uw vader is, zoo bedroefd zijt en als een vrouw schreit, terwijl gij toch de gevaren van den oorlog kent, en er uitziet als een moedig soldaat en een goed ridder, dat begrijp ik niet.«

»Ik schrei niet omdat ik gevangen genomen ben,« antwoordde de jongeling; »ik stort tranen om een veel grooter leed, waarbij vergeleken mijn gevangenschap niets is.«

Onder den indruk van den ernst van den jongen man, en begaan met zijn ongelukkigen toestand, vroeg Narvaez hem vriendelijk naar de reden zijner droefheid, en getroffen door de vriendelijkheid van den generaal, zuchtte de jonge ridder diep, en antwoordde:

»Heer Gouverneur, ik heb sedert lang een jonkvrouw lief, de dochter van den Alcayde van een zekere vesting. Menigmaal heb ik ter harer eer gestreden tegen Christen ridders. De jonkvrouw schonk mij haar wederliefde, en beloofde mij, mijn vrouw te zullen worden, en ik was op weg naar haar toe, toen ik het ongeluk had uwe ruiters te ontmoeten en hun in handen te vallen. Ik heb dus niet slechts mijn vrijheid verloren, maar tevens mijn levensgeluk, dat ik reeds meende te bezitten. Wanneer u dit geen reden tot weenen toeschijnt, dan weet ik niet, waarvoor den mensch tranen geschonken zijn, en zie ik geen kans u duidelijk te maken, hoezeer ik lijd.«

De trotsche Narvaez was diep getroffen door het droevige verhaal van zijn gevangene, en daar hij iemand was met een gevoelig en edelmoedig hart, besloot hij te doen wat in zijn vermogen was, om het droevig lot van den jongeling te verzachten.

»Gij zijt een ridder uit een edel geslacht«, zeide hij, »en wanneer gij op uw eerewoord belooft, dat gij naar hier zult terugkeeren, zal ik u toestaan naar uw geliefde te gaan, om haar te zeggen wat de reden is, dat gij heden niet bij haar waart.«

De Moor nam het aanbod van Narvaez dankbaar aan, gaf hem de gevraagde belofte, en bereikte nog dienzelfden avond het kasteel, waarin zijn geliefde woonde. Hij ging den tuin binnen en gaf het teeken, waardoor hij haar gewoonlijk zijn aanwezigheid kenbaar maakte, en zij kwam oogenblikkelijk naar de plaats, waar zij elkander gewoonlijk ontmoetten. Zij begreep er niets van, dat hij niet op het afgesproken uur bij haar gekomen was, en hij vertelde haar wat de oorzaak van zijn wegblijven geweest was. Toen de jonkvrouw hoorde wat hem overkomen was, barstte zij in snikken uit, en haar minnaar trachtte haar te troosten; maar toen de morgen aanbrak, herinnerde hij zich zijn gelofte aan Narvaez, en hoe hij zijn woord als krijgsman en als ridder gegeven had, dat hij weer in gevangenschap zou terugkeeren.

»Er blijft mij niets anders over dan te gaan«, zeide hij. »Ik heb mijn vrijheid verloren, en God verhoede, dat ik u, die ik zoo innig liefheb, naar een plaats zou brengen, waar ook uw vrijheid gevaar zou loopen. Wij moeten geduldig wachten, totdat ik uit mijn gevangenschap verlost word, en dan keer ik oogenblikkelijk tot u weder.«

De jonkvrouw antwoordde echter: »Gij hebt mij reeds vele bewijzen gegeven van uw oprechte liefde, maar nu toont gij mij die duidelijker dan ooit door uw groote bezorgdheid voor mij; daarom zou het ondankbaar van mij zijn, wanneer ik niet met u medeging om uw gevangenschap te deelen. Ik wil met u gaan; als gij in slavernij moet leven, wil ik het ook doen.«

De jonkvrouw liet zich door haar kamervrouw hare juweelen brengen, en daarna steeg zij achter haar minnaar in het zadel. Zij reden den geheelen nacht door, en kwamen in den vroegen morgen te Antequaro aan, waar zij zich bij Narvaez aanmeldden. Deze was getroffen door den trouw der jonkvrouw en de rechtschapenheid en standvastigheid van den jongen Moorschen ridder. Hij schonk oogenblikkelijk beiden de vrijheid weder, overlaadde hen met geschenken en andere eerbewijzen, stond hun toe weder naar hun eigen land terug te keeren, én gaf hun een vrijgeleide tot buiten de grenzen van het vijandelijk land. Deze gebeurtenis, de liefde der jonkvrouw, de rechtschapenheid van den Moor, en bovenal de edelmoedigheid van den Christen bevelhebber, werden buitengewoon bewonderd door de Saraceensche ridderschap van Granada, bezongen door hunne voornaamste dichters, en door hunne geschiedschrijvers te boek gesteld. Een ofschoon dit verhaal in alle opzichten het karakter van een romance draagt, heeft het bovendien nog de verdienste, volkomen historisch te zijn.

DE DROOM VAN KONING ALFONSO.

Vol geheimzinnigheden is het verhaal hoe Don Alfonso, Koning van Galicië één van de Christelijke Staten, die het tegen de Mooren hadden uitgehouden, vervolgd werd door een droom, die steeds zijne nachtwaken verontrustte, en waarvan hij den diepen zin niet kon doorgronden, zoodat hij eindelijk er toe moest overgaan, zich om raad te wenden tot de beoefenaren der occulte wetenschap, diezelfde vijanden, tegen wie de droom hem waarschuwde.

In het jaar 1086 werden er voortdurend invallen gedaan in het gebied van Alfonso en andere Christelijke vorsten, door een groot leger van Almoravide Mooren, die uit Afrika kwamen om Centraal- en Noordelijk Spanje te bestoken. Toen het bericht van hun nadering tot Alfonso kwam, lag hij juist met zijne troepen voor Saragossa, maar bij het dreigende gevaar voegde hij zich bij zijne bondgenooten te Toledo, en maakte hij zich gereed tot den strijd met de aanvallers, die, terwijl zij uit zichzelf reeds talrijk waren, nog versterkt werden door de Mooren uit de verschillende Mohammedaansche Staten van Spanje. Voordat Alfonso Toledo verliet, werd hij bezocht door een van die vreeselijke visioenen, die, zooals de geschiedenis ons leert, zoo menigmaal den val van volkeren voorspeld hebben. Hij droomde, dat hij op een olifant gezeten was, en dat naast hem, op zijde van het reusachtige dier, een atambore of Moorsche trom hing, waarop hijzelf sloeg. Maar het geweld, dat uit het instrument voortkwam, was zóó hevig en onrustbarend, dat hij oogenblikkelijk doodelijk verschrikt ontwaakte. In het begin sloeg hij weinig acht op dezen droom en beschouwde hem als een gewone nachtmerrie, maar toen hij steeds hetzelfde droomde in de opeenvolgende nachten van zijn verblijf te Toledo, begon hij te gelooven, dat er een ernstige waarschuwing in verborgen was. Nacht op nacht ontwaakte hij doodelijk verschrikt, badende in het zweet en met den nagalm van den Oosterschen trom nog in zijne ooren, totdat hij eindelijk in de grootste onrust besloot, de geleerden van zijn Hof te vragen, wat de beteekenis van den droom zou kunnen zijn.

Met dit doel riep hij zijne geleerden en sterrenwichelaars tot zich, evenals de priesters en zelfs de rabijnen der Joden, zijne vasallen, die nog bedrevener waren in het uitleggen van droomen dan zijne Christelijke onderdanen. Toen hij hen om zich heen verzameld had, vertelde hij hun den inhoud van zijn droom, dien hij tot in de kleinste bijzonderheden beschreef, en hij eindigde zijn verhaal aldus: »Wat mij in dit alles het meest verbaast en verontrust, is de eigenaardige omstandigheid, dat ik steeds van een olifant droom, een dier dat in ons land niet voorkomt. En ook heeft de atambore een anderen vorm dan die bij ons, of waar dan ook in Spanje, gebruikelijk is. Ik vraag u, wat de beteekenis van dezen droom kan zijn, en verwacht ten spoedigste hierop uw antwoord.«

De wijzen zonderden zich nu af en keerden na eenigen tijd tot den Koning terug.

»Heer Koning,« zeiden zij, »wij zijn van meening, dat deze droom u is toegezonden om u kenbaar te maken, dat gij het machtige leger, dat de Mooren tegen u op den been hebben gebracht, zult overwinnen, dat gij hun kamp zult vernielen en groote schatten zult buitmaken, dat gij hun gebied zult bezetten en zegevierend zult terugkeeren, overladen met roem en eer. Ook gelooven wij, dat uw overwinning in het geheele Oosten bekend zal worden, want de olifant, die u elken nacht verschijnt, kan niemand anders zijn dan Juzef Aben Taxfin, Koning der Muzelmannen, en Heer over de uitgestrekte landen van Afrika, die evenals het bedoelde beest is opgegroeid in de woestijnen van dat land. De eigenaardig gevormde atambore, waarop gij in uw droom zoovele nachten geslagen hebt, duidt op uw roem, die tot in de meest afgelegen deelen der wereld verspreid zal worden.«

Alfonso luisterde met de grootste aandacht naar deze uitlegging, en toen de wijzen zwegen, zeide hij: »Het schijnt mij toe, dat uw verklaring niet de juiste is, want die, welke mijn eigen hart mij geeft, is van geheel anderen aard en kondigt mij dood en verderf aan.«

Nadat de Koning deze woorden gesproken had, wendde hij zich tot eenige Moorsche ridders, zijne vasallen, met de vraag, of hun wellicht een Moorsch geleerde bekend was, bedreven in het uitleggen van droomen. Zij antwoordden, dat zij zoo iemand kenden, en dat hij te Toledo in een der Moskeeën leeraarde; deze wijze zou zeker tot tevredenheid van den Koning een verklaring geven van het visioen.

Alfonso gaf dadelijk bevel, dat men den wijze in zijn tegenwoordigheid zou brengen; en spoedig daarna keerden de Moorsche ridders terug met den man over wien zij gesproken hadden, den Fakir Mohammed Aben Iza, die echter beslist weigerde den droom van een afvallige te verklaren; en toen hij hoorde voor welk doel hij ontboden was, wilde hij zelfs niet het paleis betreden.

Ten einde raad vertelden de Moorsche ridders den Koning, dat godsdienstige gemoedsbezwaren den Fakir beletten aan een Christelijk Hof te verschijnen, en de Koning, die de Mohammedaansche wetten goed kende, nam genoegen met hun belofte, dat zij hem de verklaring van den wijze zouden overbrengen. Daarna legden zij den Fakir de vraag voor, en toen zij op een verklaring bij hem aandrongen, zeide hij: »Gaat naar Koning Alfonso, en zegt hem, dat de vervulling van zijn droom zeer nabij is, en dat de beteekenis ervan deze is: Hij zal overwonnen worden in een roemloozen strijd, en vreeselijke verliezen lijden. Hij zal vluchten met slechts weinige getrouwen, en de overwinning zal blijvend aan den kant van de zonen van den Profeet zijn. Zegt hem verder, dat deze verklaring uit den Koran is afgeleid: »Weet gij niet, wat God beschikt heeft over den krijgsman van den Olifant? Heeft hij zijn kracht niet misbruikt en zijne booze bedoelingen niet nutteloos zien worden? Ziet gij niet, dat hij de ellenden van Babel over hen gebracht heeft?« Deze woorden--vervolgde de Fakir, voorspelden den val van Ibrahim, Koning der Abbassiden, toen hij met zijn leger tegen Arabië optrok, rijdende op een grooten Olifant. Maar God zond tot zijn vernietiging de wilde horden van Babel, die kogels van gloeiend vuur op het leger wierpen, en zijn heerlijkheid verkeerde in ellende en asch. Wat de atambore betreft, die Alfonso beschrijft, deze beteekent, dat het uur van zijn ondergang nabij is.«