Legenden en Romances van Spanje
Chapter 21
Bij zijn aankomst te Salerno stapte Cleomades aan een herberg af, en zonder tijd te verliezen vroeg hij den waard, waar hij den sterrenwichelaar zou kunnen vinden.
»Edele Heer,« zeide de herbergier, »hij is helaas een jaar geleden gestorven. En wij hebben hem juist meer dan ooit noodig, want indien hij leefde, zou hij onzen Koning hebben kunnen helpen om het schoonste schepsel, dat ooit geboren werd, het verstand terug te geven.« En hij vertelde Cleomades hoe Mendulus den gebochelde en de jonkvrouw gevonden had. Bij de vermelding van het houten paard schrikte Cleomades hevig, maar hij behield zijn tegenwoordigheid van geest, en deelde den waard mede, dat hij een onfeilbaar middel bezat tegen krankzinnigheid. Hij verzocht den man hem bij den Koning te brengen, en onder het voorwendsel, dat zijne wapenen argwaan zouden wekken, vermomde hij zich met een valschen baard en de kleeding van een geneesheer.
Hij werd dadelijk tot den Koning toegelaten, en toen deze het doel van zijn komst vernam, bracht hij hem oogenblikkelijk naar de plaats waar Claremond verpleegd werd. Cleomades had een handschoen medegebracht, die zijn geliefde toebehoorde; hij had dien volgestopt met kruiden, en onder het voorwendsel, dat deze genezing zouden brengen, legde hij den handschoen tegen haar wang. Toen zij haar eigen handschoen zag, keek zij den pseudo-geneesheer lang aan, en zij herkende haar geliefde onder zijn vermomming; maar nog steeds veinsde zij krankzinnigheid, en zij verzocht, dat men haar het houten paard zou brengen, opdat het met den geleerden dokter zou kunnen redetwisten. Men bracht het in den tuin waar zij zich bevonden, en de prinses zeide vast te gelooven, dat zij slechts zou kunnen genezen, wanneer zij met den geneesheer het houten paard besteeg. Mendulus gaf hiervoor zijn toestemming, en toen zij goed en wel op het kunstros gezeten waren, draaide Cleomades de pen om, en op hetzelfde oogenblik vlogen zij als een pijl uit de boog het luchtruim in. Den volgenden morgen kwam het gelukkige paar te Sevilla aan. Hun huwelijk werd dadelijk voltrokken, en Liopatris troostte zich met Prinses Maxima, zoodat iedereen reden tot vreugde had.
DE DRIE SCHOONE PRINSESSEN.
Toen Mohammed el Haygari, of »de Linksche« in Granada regeerde, ontmoette hij eens een troep ruiters, die terugkeerden van een rooftocht in Christelijke landen. Onder hunne gevangenen merkte hij een schoone en kostbaar gekleede maagd op, en men vertelde hem, dat zij de dochter was van den bevelhebber van een vesting, die bij deze gelegenheid veroverd en geplunderd was. De jonkvrouw was vergezeld van een kamervrouw, en Mohammed gaf bevel, dat beide vrouwen naar zijn harem zouden worden overgebracht. Hij drong er dagelijks bij de gevangen jonkvrouw op aan, dat zij zijn koningin zou worden. Maar zijn godsdienst zoowel als zijn leeftijd, waren oorzaak, dat haar familie niet op zijn aanzoek wenschte in te gaan. Ten einde raad besloot hij gebruik te maken van de bemiddeling der kamervrouw, en deze beloofde hem, zijn zaak bij haar jonge meesteres te bepleiten. Zij zeide tot de jonkvrouw, dat het onverstandig zou zijn, wanneer zij na het saaie leven in de afgelegen vesting, zou volharden in haar weigering, en dat zij, door Mohammed te huwen, meesteres zou kunnen worden over alles wat haar omringde, inplaats van de gevangene des Konings te blijven. Ten slotte gaf de Spaansche schoone toe; zij huwde den Moorschen vorst, en nam zelfs zijn godsdienst aan, even als haar kamervrouw, die met al het vuur, een bekeerling eigen, hare godsdienstplichten waarnam, en den Moorschen naam Kadiga ontving. Na verloop van tijd schonk de Koningin haar heer en meester drie dochters tegelijk. De hofastrologen trokken den horoscoop der kinderen, en met vele onheilspellende waarschuwingen drongen zij er bij den vader op aan, zijne dochters streng te bewaken, wanneer zij den huwbaren leeftijd bereikt zouden hebben.
Korten tijd na de geboorte van de drieling stierf de Koningin, en Mohammed, gedachtig aan de waarschuwing van zijne sterrenwichelaars, besloot de prinsessen in het koninklijk paleis Salobreña op te sluiten, een versterkt gebouw, dat uitzag op de Middellandsche Zee, en waar, naar zijn vaste overtuiging, haar geen kwaad kon overkomen.
De jaren gingen voorbij en de prinsessen bereikten den huwbaren leeftijd. Ofschoon zij door de vriendelijke Kadiga zeer zorgvuldig waren opgevoed en zij altijd te zamen waren geweest, waren zij natuurlijk zeer verschillend van karakter. Zayda, de oudste, had een onverschrokken aard en nam in alles de leiding; Zorayda, de tweede, had een sterk ontwikkeld schoonheidsgevoel, hetgeen waarschijnlijk de oorzaak was, dat zij zulk een groot gedeelte van den dag voor haar spiegel doorbracht. Zorahayda, de jongste, was zacht en verlegen, en geneigd tot droomen. Alle drie waren zij onbeschrijfelijk schoon, en wanneer de goedige, oude Kadiga naar het schoone drietal keek, schudde zij meewarig het hoofd. Wanneer zij haar vroegen, waarom zij zuchtte, ontweek zij met een grapje het antwoord, en zij ging vlug op een ander onderwerp over.
Op zekeren dag zaten de prinsessen voor een raam, dat uitzag op de hemelsblauwe Middellandsche Zee, en zij luisterden naar het zachte geklots der golven tegen de met palmen begroeide kust, die grensde aan den heuvel, waarop het kasteel Salobreña stond. Het was één van die avonden, waarop het ons moeilijk valt te gelooven, dat wij niet tijdelijk vertoeven in een droomenland, waar alles schoon, maar onwezenlijk is. De ondergaande zon kleurde de nevelen lichtrood als wierook, die opstijgt uit de urnen der schemering, en zee en horizon aan het oog onttrekt. Van achter de sluiers van zeedampen kwam een galei met witte zeilen te voorschijn, die naar de kust gleed en daar het anker liet vallen. Een aantal Moorsche soldaten brachten verscheidene Christengevangenen aan wal, onder wie zich drie kostbaar gekleede Spaansche ridders bevonden. Ofschoon zij met ketenen beladen waren, was hun optreden waardig en voornaam, en de prinsessen konden hare oogen niet van hen afhouden. Nog nooit hadden zij zulke edele jongelingen aanschouwd, want tot dusverre hadden zij nooit anders dan de zwarte slaven en de ruwe visschers uit die streek gezien, zoodat het niet te verwonderen was, dat de aanblik van deze jonge ridders haar het hart sneller deed kloppen.
De prinsessen bleven de gevangenen nastaren, totdat zij uit het oog verdwenen waren. Toen verlieten zij zuchtend het venster, en legden zich zwijgend en nadenkend op hare rustbanken neder.
Zóó vond de zorgzame Kadiga de drie prinsessen, en zij vertelden haar, wat zij gezien hadden, en vroegen haar allerlei over zulke, in hare oogen, hoogere wezens; en dus beantwoordde zij hare vragen met vele ridderverhalen uit Christelijk Spanje, hetgeen er slechts toe bijdroeg de nieuwsgierigheid der jonkvrouwen te verhoogen, die door de verschijning der gevangenen in zulk een hooge mate was opgewekt. Maar het duurde niet lang, of de oude vrouw bemerkte, welk een kwaad zij met hare verhalen gesticht had, en in een onverklaarbare angst, zond zij een slaaf naar haar koninklijken meester met een zinnebeeldige boodschap in den vorm van een mandje, gevuld met vijgebladeren, waarop een perzik, een pruim en een abrikoos lagen, alle drie in het eerste stadium van verleidelijke rijpheid, een symbool, waarvan Mohammed, die doorkneed was in de Oostersche beeldspraak van vruchten en bloemen, de beteekenis volkomen begreep. Gedachtig aan den raad der sterrenwichelaars, besloot hij de prinsessen onder zijn onmiddellijke bewaking te nemen, en hij gaf oogenblikkelijk bevel, den toren van het Alhambra tot haar ontvangst in gereedheid te brengen. Hij reisde zelf naar Salobreña om zijne dochters te halen, en toen hij ze aanschouwde, en zag hoe schoon zij waren, was hij dankbaar, dat hij zonder tijd te verliezen de jonkvrouwen onder zijn persoonlijk toezicht had genomen. Hij was zich zóó zeer bewust van het groote gevaar, dat drie zulke schoonheden konden loopen, dat hij zijn reis naar Granada voorbereidde door het zenden van herauten, met het bevel, dat de weg, dien hij met zijne dochters nemen zou, door iedereen moest worden verlaten, op straffe des doods. Toen ondernam hij de reis naar de hoofdstad, begeleid door een troep van de afschuwlijkste zwarte ruiters, die hij vinden kon.
Toen de ruiterschaar Granada naderde, achterhaalde zij een troepje Moorsche soldaten met een konvooi gevangenen. De soldaten hadden geen tijd zich terug te trekken, en daarom wierpen zij zich met het aangezicht ter aarde, en bevalen hunne gevangenen hetzelfde te doen. Onder de gevangenen bevonden zich de drie ridders, die de prinsessen op een afstand uit het venster van het kasteel Salobreña gezien hadden, en daar zij te trotsch waren om voor hun heidenschen vijand te kruipen, bleven zij staan.
Koning Mohammed ontstak in hevigen toorn over deze openlijke ongehoorzaamheid; hij trok zijn zwaard, en was op het punt de ongelukkige gevangenen het hoofd af te slaan, toen de prinsessen zich tusschenbeide wierpen en genade voor hen smeekten. De aanvoerder van het escorte zeide hem ook, dat de gewelddadige dood dezer ridders ernstige gevolgen zou hebben uit hoofde van hun hoogen rang, en hij beschreef den vertoornden vorst hoe deze dappere jongelingen gevangen genomen waren, terwijl zij als leeuwen onder de Spaansche vlag streden. Hierdoor eenigszins gekalmeerd, stak Mohammed het zwaard weder in de scheede. »Ik zal hun leven sparen«, zeide hij, »maar zij moeten voorbeeldig gestraft worden voor hun onbeschaamdheid«. Brengt hen naar den Vermiljoenen Toren, en laat hen daar dwangarbeid verrichten.
In de verwarring van het oogenblik, waren de sluiers der drie prinsessen op zijde geschoven, zoodat haar verblindende schoonheid te zien kwam. In die romantische tijden was liefkrijgen op het eerste gezicht een herhaaldelijk voorkomend verschijnsel, en de drie edele ridders ontvlamden plotseling in liefde voor de koninklijke jonkvrouwen, die zoo warm voor hun behoud gepleit hadden. Merkwaardigerwijze was elk hunner bekoord door een andere schoone, maar het zou even onbescheiden als onlogisch zijn, wanneer wij zouden vragen naar de oorzaak van deze wonderbare bestiering van Jonkvrouw Natuur, die in de romance misschien verstandiger wordt voorgesteld, dan zij in werkelijkheid is.
De koninklijke stoet reed nu verder, en de gevangenen werden naar hun kerker in den Vermiljoenen Toren gebracht. De verblijfplaats, die voor de prinsessen in gereedheid was gebracht, overtrof in heerlijkheid alles, wat men zich kan voorstellen. De vertrekken bevonden zich in een toren, die eenigszins afgezonderd stond van het eigenlijke paleis van het Alhambra; aan één kant zag men uit op een tuin, die schoon was als de eerste schrede in het paradijs, terwijl men aan de andere zijde het uitzicht had over een diep en schaduwrijk ravijn, dat de terreinen van het Alhambra scheidde van de Generalife. Maar de prinsessen waren blind voor de schoonheden van dit heerlijk oord; zij kwijnden zichtbaar, en niemand zag de gedruktheid der jonkvrouwen duidelijker dan de oude Kadiga, die gemakkelijk de oorzaak ervan kon vermoeden. Vervuld van medelijden met het eenzame bestaan der prinsessen, vertelde zij haar, dat zij, langs den Vermiljoenen Toren komende, de ridders na hun dagtaak bij de klanken der guitaar had hooren zingen. Op verzoek der jonkvrouwen, bracht zij den gevangenbewaarder ertoe, de ridders aan het werk te zetten in het ravijn onder de vensters harer vertrekken. Den volgenden dag werkten de ridders dus in het ravijn, en toen op het heetst van den middag de bewakers waren ingeslapen, zongen zij een Spaansch lied bij hunne guitaren. De prinsessen luisterden, en zij hoorden, dat het een liefdeslied was, aan haar gewijd. De jonkvrouwen antwoordden met een romance, waarvan het refrein aldus luidde:
De roos wordt verborgen door 't bladerenschild, Maar het nachtegaalslied in het harte haar trilt.
Elken dag werkten de ridders in het ravijn, en dagelijks onderhielden zij zich met de eveneens gevangen prinsessen, door middel van liederen en romances, die de gevoelens van weerskanten vertolkten. En telkens wanneer de bewakers hun middagslaap deden, vertoonden de prinsessen zich op het balkon. Maar er kwam een einde aan dezen zaligen toestand, want de familie van de drie jonge ridders betaalde een losprijs, en zij werden naar Granada gebracht, vanwaar zij de reis naar hun vaderland zouden aanvaarden. Zij richtten zich tot de oude Kadiga, en smeekten haar, hen te helpen, de prinsessen naar Spanje te ontvoeren. De oude vrouw bracht hare jonge meesteressen dit voorstel over, en daar zij allen dadelijk bereid waren, werd er een plan tot ontvluchting beraamd.
De woeste heuvel, waarop het Alhambra gebouwd is, was in dien tijd doorkruist met allerlei onderaardsche gangen, die van de vesting naar verschillende plaatsen der stad voerden, en Kadiga nam op zich, de koninklijke jonkvrouwen door één dezer gangen naar een uitvalpoort buiten de muren van Granada te geleiden. Daar zouden de ridders haar opwachten met vlugge paarden, die de gelieven over de grenzen zouden brengen.
De vastgestelde nacht kwam, en toen het Alhambra in diepe rust lag, lieten de prinsessen, begeleid door haar kamervrouw, zich langs een touwladder uit hare vensters in den tuin zakken--allen, behalve Zorahayda, de jongste en minst moedige, die op het beslissende oogenblik er niet toe besluiten kon, haar vader te verlaten. Door de nadering van de patrouille, die des nachts het paleis bewaakte, waren hare zusters en Kadiga genoodzaakt, zonder haar te vluchten. Kruipende vonden zij den weg door het duistere labyrinth, en zij slaagden er in, de poort buiten de muren te bereiken. De Spaansche ridders wachtten haar daar op. De minnaar van Zorahayda was wanhopig toen hij hoorde, dat zij geweigerd had den toren te verlaten, maar er was geen tijd te verliezen; de twee prinsessen stegen achter op het paard harer geliefden, Kadiga werd op het ros van een anderen ruiter geheven, en het gezelschap draafde in vliegende vaart weg.
Zij hadden nog niet lang gereden, toen zij het geluid van de alarmtrompet van het Alhambra hoorden, terwijl een wachtvuur op den hoogsten toren in vollen gloed opvlamde. Zij dreven hunne paarden met alle macht tot den grootsten spoed aan, en slaagden er in, hunne vervolgers steeds verder achter zich te laten; zij kozen weinig begane paden, verborgen zich in dichte bosschen, en waren eindelijk zoo gelukkig Cordova te bereiken, waar de prinsessen werden opgenomen in den schoot der Kerk, en met hunne respectieve minnaars in den echt verbonden werden.
Mohammed was haast waanzinnig van smart bij het verlies van zijne dochters. Maar hij nam--eenigszins noodeloos--zijne maatregelen, om zijn laatste dochter beter te bewaken. De ongelukkige Zorahayda, die hierna strenger dan ooit bewaakt werd, had bitter berouw over haar gebrek aan moed, en het verhaal luidt, dat zij vele nachten over de borstwering van den toren leunde, starende in de richting van Cordova. De overlevering, die nooit bijzonder barmhartig is tegenover de heldin en den lezer, zegt, dat zij jong is gestorven, en haar treurig lot was de aanleiding tot het ontstaan van menig droevige ballade, Moorsch, zoowel als Castiliaansch, zoodat zij tenminste in dit opzicht niet vergeefs heeft geleefd, terwijl hare meer gelukkige zusters niet bezongen werden.
DE GESCHIEDENIS VAN PRINS AHMED.
Weer is de oude stad Granada het tooneel der legende, die wij nu behandelen zullen. Maar op grond van overwegingen, die wij later zullen vermelden, kunnen wij wel aannemen, dat het verhaal van Perzischen oorsprong is. Het is de geschiedenis van Prins Ahmed, bijgenaamd »al Kamel«, of »de Volmaakte«, om de evenwichtigheid en schoonheid van zijn karakter. Bij de geboorte van dezen beminnelijken prins, voorspelden de astrologen, dat zijn leven buitengewoon gelukkig zou zijn, mits men één moeilijkheid zou kunnen overwinnen; maar die moeilijkheid was groot genoeg om het hart van elken vorst hevig te verontrusten. Wij zijn dan ook in het minst niet verwonderd, wanneer wij hooren, dat zijn koninklijke vader pessimistisch gestemd werd, wat de gelukskansen van den prins betreft, toen de wijzen hem mededeelden, dat, wilde zijn zoon ontkomen aan een droevig lot, hij ver moest worden gehouden van de verlokkingen der liefde, totdat hij den mannelijken leeftijd zou hebben bereikt. De ontstelde vader deed, zooals de meeste vaders in romances doen, hij sloot n.l. zijn pasgeboren zoon op in een allerliefst en afgelegen paleis, dat hij voor dit doel liet bouwen op den rand van den heuvel boven het Alhambra. Dit gebouw, dat tegenwoordig bekend is als de Generalife, is omringd door hooge muren, en hier groeide de prins op, onder de goede zorgen van Eben Bonabben, een Arabisch geleerde, die vele buitengewone gaven van hart en verstand had, welke hem geschikt maakten voor het bewaken van een jeugdigen vorst in de omstandigheden van Ahmed.
Onder de leiding van dezen ernstigen leermeester, bereikte de prins zijn twintigste jaar, volkomen onwetend waar het de dingen der liefde betrof. Maar in dien tijd verloor hij zijn gewone lankmoedigheid, en inplaats van aandachtig te luisteren naar de gesprekken van Eben Bonabben, verwaarloosde hij zijne studieën, en nam hij de gewoonte aan, door de tuinen van het paleis te dwalen. Zijn meester, die zag hoe het met hem gesteld was, en dat zijn sluimerend liefdesverlangen ontwaakt was, verdubbelde zijne zorgen, en sloot hem op in den meest afgelegen toren aan de Generalife. Om zijn belangstelling te wekken voor iets, dat zijne gedachten zou afleiden van bespiegelingen, die wellicht gevaarlijk voor hem konden zijn, onderwees hij hem in de taal der vogels, en de Prins had zooveel pleizier in deze merkwaardige wetenschap, dat hij haar spoedig volkomen machtig was. Nadat hij met groot succes zijn vaardigheid beproefd had, achtereenvolgens op een havik, een uil en een vleermuis, luisterde hij naar het vogelenkoor in den tuin. Het was lente, en elke gevederde zanger stortte zijn hart uit in een jubelend lied van liefde, welk woord telkens herhaald werd.
»Liefde,« riep de prins eindelijk uit, »wat beteekent dat, liefde?« Hij vroeg Eben Bonabben ernaar, die bij deze vraag in gedachte zijn hoofd reeds op zijne schouders voelde rollen, als een waarschuwing voor wat er gebeuren zou, wanneer hij niet in staat zou zijn, de vraag te ontwijken. Hij vertelde Ahmed, dat liefde een van de ergste kwellingen was, die de ongelukkige menschheid te dragen heeft, dat zij oneenigheid bracht tusschen vrienden en broeders, en verscheidenen der edelste mannen ten val had gebracht. Daarna verwijderde hij zich in de grootste verwarring en liet den prins aan zijn eigen gedachten over. Maar Ahmed merkte op, dat de vogels, die zoo lustig zongen, volstrekt niet ongelukkig waren, en daarom twijfelde hij aan de waarheid van de verklaringen van zijn leermeester. Den volgenden morgen, toen hij op zijn rustbank lag, trachtende het raadsel op te lossen, dat zijne gedachten voortdurend bezighield, vloog een duif, die vervolgd werd door een havik, het venster binnen, en viel fladderend op den grond. De prins raapte den verschrikten vogel op en streek de verwarde veertjes glad. Maar de duif scheen ontroostbaar en op zijn vraag, wat haar bedroefde, antwoordde zij, dat zij treurde om haar doffer, dien zij met haar geheele hart liefhad.
»Zeg mij, schoone vogel, wat is dat voor een ding, de liefde, waarvan de vogels in den tuin steeds zingen?«
»Liefde,« zeide de vogel, »is het grootste mysterie en de oorsprong van alle leven. Ieder levend schepsel heeft zijn maat. Hebt gij zoovele kostbare dagen van uw jeugd doorgebracht zonder de liefde te leeren kennen? Heeft nog geen schoone prinses of bekoorlijke jonkvrouw uw hart veroverd?«
De prins liet de duif weer vliegen en zocht Bonabben op. »Schurk,« riep hij uit, »waarom hebt gij mij zoo totaal onwetend gelaten? Waarom hebt gij het groote mysterie en den oorsprong van alle leven voor mij verborgen gehouden? Waarom moet ik alleen het geluk der liefde ontberen?« Bonabben zag, dat verdere uitvluchten noodeloos waren, en dus openbaarde hij zijn pupil, wat de sterrenwichelaars voorspeld hadden, en hoe het noodzakelijk gevolg hiervan de voorzorgen waren geweest, waarmee zijn jeugd omringd was geworden. Verder zeide hij tot den prins, dat, wanneer de Koning hoorde, hoe zijn vertrouwen beschaamd was, hij hem stellig zou laten onthoofden. De prins was zóó verschrikt door deze mededeeling, dat hij beloofde, zijn nieuw verworven wetenschap voor iedereen verborgen te houden. Dit stelde den wijze weer eenigszins gerust.
Eenige dagen na dit voorval wandelde de prins in den tuin; plotseling zette zijn vriendin, de duif, zich op zijn schouder neer. Hij vroeg haar, vanwaar zij kwam, en zij antwoordde, dat zij uit een ver land gekomen was, waar zij een schoone prinses had gezien, die, evenals Ahmed zelf, opgesloten was binnen de hooge muren van een afgelegen kasteel, en onbekend was gebleven met het bestaan der liefde. De wetenschap, dat er een wezen van de andere sexe bestond, dat in dezelfde omstandigheden was opgevoed als hijzelf, werkte als een vonk op het hart van Ahmed. Hij schreef oogenblikkelijk een brief in de hartstochtelijkste taal aan »De Onbekende Schoone, van den gevangen Prins Ahmed,« en gaf hem aan de duif, die beloofde, hem dadelijk aan het voorwerp zijner aanbidding te zullen brengen.
Dag op dag wachtte Ahmed tevergeefs op de terugkomst van den boodschapper der liefde; maar op zekeren avond fladderde de duif eindelijk zijn kamer binnen, waar zij voor zijn voeten neerviel en den laatsten adem uitblies. De pijl van een wreeden schutter had haar hart doorboord, maar zij had zich tot het uiterste ingespannen om haar zending te volbrengen. Ahmed raapte het teedere lichaam op en zag, dat het omwonden was met een parelsnoer, waaraan een miniatuur hing, een bekoorlijke prinses voorstellende, stralende in jeugd en schoonheid. De prins drukte de beeltenis hartstochtelijk aan zijne lippen, en hij besloot dadelijk te vluchten, en het origineel van het portret te zoeken, hoe groot de gevaren en welke de hindernissen ook mochten zijn.
Hij wendde zich tot den wijzen uil met wien hij niet meer gesproken had sedert den tijd, waarin hij nog een beginneling was in de studie der vogeltaal. Toen nam hij al zijne juweelen en liet zich nog dienzelfden nacht langs het balkon naar beneden glijden, klom over de buitenmuren van de Generalife, en begaf zich, vergezeld van den wijzen ouden uil, die erin toegestemd had als zijn cicerone op te treden, op weg naar Sevilla, om een raaf te zoeken, die volgens het zeggen van den uil, een groot toovenaar was, en die hem zou kunnen helpen bij het opsporen van zijn geliefde. Zij bereikten de stad in het Zuiden, en zochten den hoogen toren, waar de raaf woonde. Zij vonden den geleerden vogel, die hem den raad gaf naar Cordova te gaan, en den palmboom te zoeken van den grooten Abderahman; deze boom stond op het plein van de voornaamste moskee, en aan zijn voet zouden zij een beroemd reiziger vinden, die hun zou inlichten over het voorwerp hunner nasporingen.
Zij volgden de aanwijzing van den raaf, en reisden naar Cordova, waar zij tot hun groote teleurstelling aan den voet van den boom in kwestie, een groote volksmenigte vonden, die met belangstelling luisterde naar het gekakel van een papegaai, wiens pluimage schitterend groen was, en wiens levendig oog een schat van wijsheid verried. Toen de menigte zich verspreid had, vroeg de prins den schoonen vogel naar het voorwerp zijner liefde, en hij was verbaasd, het onwelluidend gelach te hooren, waarmee hij naar de beeltenis der jonge prinses keek.
»Arme jongeling,« kakelde hij, »zijt gij ook het slachtoffer geworden van de liefde? Weet dan, dat het portret, dat gij zoo innig vereert, de beeltenis is van Prinses Aldegonda, de dochter van den Christenkoning van Toledo.«