Legenden en Romances van Spanje
Chapter 20
Ofschoon de schatbewaarder verontwaardigd was over dezen eisch, volgde hij de bevelen van den astroloog op, en toen Ibrahim dus alles had gekregen, wat zijn hart begeerde, sloot hij zich in zijn onderaardsch verblijf op. Intusschen hield de Koning zich in den toren bezig met zijn houten soldaatjes, en daar de sterrenwichelaar niet bij de hand was, om zijn strijdlust te temperen, vermaakte hij zich met het verdelgen van legers, en het verslaan van geheele bataljons door een enkelen stoot met de tooverlans. Zijne vijanden waren zóó ontdaan over het lot van elken krijgstocht naar zijn gebied, dat zij tenslotte ophielden hem te bestoken, en gedurende vele maanden bleef de bronzen ruiter stil staan. Doordat Aben Habuz dus beroofd was van zijn liefste bezigheid, verveelde hij zich, en werd hij brommig. Maar op een goeden morgen bracht men hem het bericht, dat de bronzen ruiter zijn lans had gekeerd naar de bergen van Guadix.
De Koning begaf zich oogenblikkelijk naar den toren, maar op de toovertafel, die in de richting was geplaatst, waarheen de ruiter wees, bleef alles rustig. Geen houten soldaatje bewoog zich, geen paardje hinnikte. Aben Habuz zond een troep bespieders uit, en dezen keerden na verloop van drie dagen terug met de tijding, dat alles rustig was, en dat zij niets anders hadden gezien dan een Christen jonkvrouw, die bij een bron lag te slapen, en die zij gevangen genomen hadden.
Aben Habuz gaf bevel, de jonkvrouw bij hem te brengen. Haar trotsche houding en haar kostbare kleeding verraadden haar hooge afkomst. Op een vraag van den Koning antwoordde zij, dat zij een Gothische prinses was, en dat het leger haars vaders als het ware door een tooverslag in de bergen was uiteengejaagd.
»Wacht U voor deze vrouw, o Koning,« fluisterde de astroloog, die naast hem stond; »het schijnt mij toe, dat zij een toovenares is, die hierheen is gezonden om U ten val te brengen; ik zeg U: wees voorzichtig!«
»Zwijg Ibrahim,« antwoordde Aben Habuz, »gij zijt een wijs man, maar wat weet gij van de vrouw? Wie harer is geen toovenares? De jonkvrouw behaagt mij.«
»O Koning,« zeide Ibrahim, »ik heb U vele overwinningen bezorgd, maar van allen buit, dien gij behaald hebt, heb ik niets ontvangen. Geef mij deze gevangen Christin, die, zooals ik zie, een zilveren lier bij zich heeft, waarop zij heerlijke muziek voor mij kan maken in mijn onderaardsche verblijfplaats. Wanneer zij, zooals ik vermoed, een toovenares is, beschik ik over toovermiddelen om haar onschadelijk te maken. Maar U zou zij spoedig beheerschen, wanneer gij haar in uw huis opneemt.«
»Wat!« riep de vertoornde vorst uit, »bij den baard van den Profeet, gij zijt een zonderlinge kluizenaar! Deze jonkvrouw is niet voor u!«
»Het zij zoo,« sprak Ibrahim met van woede trillende stem, »maar ik vrees voor U, o Koning Aben Habuz. Neem U in acht, herhaal ik; wees voorzichtig.« En met deze woorden trok de sterrenwichelaar zich terug in zijn onderaardsche woonplaats.
Aben Habuz was op het eerste gezicht hartstochtelijk verliefd geworden op de schoone Gothische prinses, en in zijn verlangen, haar te behagen, verspilde hij alle schatten van zijn koninkrijk. Hij overlaadde haar met de kostbaarste geschenken en richtte, om haar genoegen te doen, honderd feesten aan--stierengevechten, tooneeluitvoeringen en tournooien. Dit alles aanvaardde de schoone als iets, wat haar toekwam. Het had er inderdaad allen schijn van, alsof zij den verdwaasden vorst aanspoorde tot steeds roekeloozer uitgaven. Maar hoeveel heerlijkheden hij ook over haar uitstortte, zij weigerde hardnekkig te luisteren naar een enkel verliefd woord van de lippen van Aben Habuz, en telkens wanneer hij trachtte van liefde te spreken, begon zij met hare vingers op de zilveren lier te tokkelen, en zij glimlachte dan raadselachtig. En telkens wanneer zij dit deed, voelde de Koning zich slaperig worden, en wanneer de zoete klanken zich van zijne zinnen meester maakten, viel hij in een diepen slaap, waaruit hij dan gewoonlijk verfrischt en versterkt ontwaakte. Zijne onderdanen waren echter volstrekt niet tevreden met den gang van zaken; zij waren ontstemd over zijn geweldige verkwisting en over het feit, dat hij zulk een gewillig slaaf was geworden van een vrouw van een vijandelijk ras, en ten slotte kwamen zij openlijk in opstand. Maar evenals Sardanapalus van Babylon, maakte hij zich los uit de zachte ketenen, plaatste zich aan het hoofd zijner troepen, en onderdrukte het oproer, nog voordat het zijn hoogtepunt bereikt had. Dit voorval verontrustte hem echter zeer, en hij herinnerde zich de woorden van den wijzen Ibrahim, die hem gewaarschuwd had, dat de Gothische prinses zijn ongeluk zou worden.
Hij zocht den sterrenwichelaar op in zijn grot, en vroeg hem raad. Ibrahim verzekerde hem, dat zijn positie onzeker zou blijven, zoolang de prinses in zijn woning vertoefde. Aben Habuz wilde daar echter niets van hooren, en hij vroeg den wijze, een plaats voor hem op te zoeken, waar hij zijne verdere levensdagen rustig zou kunnen doorbrengen met de prinses, die hij zoo vurig beminde.
»En wat zal mijn loon zijn, als ik zulk een verblijfplaats voor U vind?« vroeg Ibrahim.
»Gij moogt uw belooning zelf kiezen,« antwoordde de onverstandige oude vorst.
»Hebt gij wel eens gehoord van den tuin van Irem, o Koning, dat kleinood van Arabië?«
»Ja, uit sprookjes. Houdt gij mij voor den gek, o astroloog?«
»Evenmin als mijne oogen mij bedrogen hebben, o Koning, want ikzelf heb dit heerlijkste der paradijzen aanschouwd. Toen ik een kind was, ontdekte ik het toevallig, terwijl ik naar een kameel van mijn vader zocht. Vroeger was het het land der Additen; de hoofdstad was gesticht door Sheddad, zoon van Ad, achterkleinzoon van Noach, die besloot, daar een paleis te bouwen, omringd door tuinen, die het Paradijs in schoonheid zouden evenaren. Maar de vloek des hemels trof hem wegens deze vermetelheid. Hij en zijn volk werden van de aarde weggevaagd, en zijn paleis en de tuinen werden betooverd, zoodat zij onzichtbaar werden voor het menschelijk oog. Toen ik het boek van Salomon gevonden had, ging ik weder op zoek naar den tuin van Irem, en ik ontfutselde den geesten, die den tuin bewaken, het geheim van het tooverwoord, dat hem onzichtbaar maakt voor sterfelijke wezens. Door middel van dit tooverformulier kan ik U zulk een verborgen en heerlijk oord zelfs hier op den berg bij de stad verschaffen, o Koning!«
»O wijze sterrenwichelaar,« riep Aben Habuz geestdriftig uit, »het was verkeerd van mij, aan uwe woorden te twijfelen; doe wat gij beloofd hebt en bepaal zelf uw belooning.«
»Ik verlang slechts het eerste lastdier met zijn lading, dat de poort van Uw paradijs zal binnengaan,« zeide Ibrahim; »dat is toch zeker een bescheiden eisch?«
»Bescheidener kan het al niet,« riep de Koning uit, opgewonden door de gedachte aan zijn toekomstig geluk; »uw wensch zal vervuld worden.«
De sterrenwichelaar toog oogenblikkelijk aan het werk. Op den top van den heuvel boven zijn grot, bouwde hij een stevigen toren met een groote poort. Op den sluitsteen van dezen ingang bracht hij de beeltenis van een reusachtigen sleutel, en buiten op de poort die van een even reusachtige hand aan. Op een bijzonder duisteren nacht klom hij op den heuvel en sprak daar allerlei tooverformulieren uit. Den volgenden morgen begaf hij zich naar Aben Habuz, en deelde hem mede, dat hij zijn werk beëindigd had, en dat het paradijs, dat slechts zichtbaar zou zijn voor hem en zijn geliefde, hem wachtte.
Den dag daarna beklom de Koning den heuvel in gezelschap van de prinses, die een wit paard bereed. Naast hem schreed de sterrenwichelaar, steunende op zijn met hieroglyphen bedekten staf. Zoo naderden zij de poort, en Ibrahim wees hun de geheimzinnige hand en sleutel. »Zoolang deze hand den sleutel niet grijpt, zal geen sterveling macht krijgen over den meester van dit paradijs,« zeide hij.
Terwijl hij sprak, reed de prinses op haar paard door de poort.
»Zie,« riep de sterrenwichelaar uit, »kwamen wij niet overeen, dat het eerste lastdier, dat door de poort zou rijden, met zijn lading mij zou toekomen?«
Aben Habuz glimlachte eerst over hetgeen hij als een grap van den astroloog beschouwde. Maar toen hij bemerkte, dat het hem ernst was, werd hij woedend.
»Vermetele sterrenwichelaar,« schreeuwde hij, »durft gij uwe oogen op te slaan naar haar, die ik onder alle vrouwen heb uitverkoren?«
»Gij hebt uw koninklijk woord gegeven,« antwoordde Ibrahim. »Ik eisch de prinses op.«
»Hond der woestijn!« riep Aben Habuz, »gij zult gevoelen, wat het zeggen wil, mijn toorn te hebben opgewekt, gij bedrieger!«
»Daar lach ik om,« riep Ibrahim spottend. »Geen sterfelijke hand kan mij deren. Vaarwel! geniet van uw paradijs, en heersch met genoegen over uw rijk. Wat mij betreft, ik ga daarheen, waar gij mij niet volgen kunt.« En dit zeggende, greep hij het paard bij den teugel, sloeg met zijn tooverstaf op den grond en verzonk met de prinses in het binnenste van den heuvel. De aarde sloot zich over hunne hoofden en er was geen spoor meer te bekennen van de opening, waardoor zij verdwenen waren.
Toen Aben Habuz eenigszins van zijn verbazing bekomen was, liet hij een troep werklieden aanrukken om te graven. Maar het zand vulde de opening oogenblikkelijk weer, en ook de ingang der grot van den sterrenwichelaar was verdwenen. En wat nog erger was, de talisman, waarmede de astroloog den vrede in Granada bewaard had, weigerde te werken, en de oude onrust keerde weder. Maar op zekeren morgen kwam een boer bij Aben Habuz, en vertelde hem, dat hij, toen hij den heuvel overtrok, een spleet in de rots had ontdekt; daar was hij doorgekropen, en had toen een blik geslagen in een onderaardschen hal, waar de sterrenwichelaar op een kostbaren divan zat te slapen, terwijl de prinses hem op haar zilveren lier iets voorspeelde. De Koning slaagde er echter niet in, de rotsspleet te vinden. Ook kon hij het paradijs niet binnengaan, dat door zijn mededinger was gesticht. De top van den heuvel bleek een kale vlakte te zijn, die den naam van »Het Paradijs van den Dwaas« ontving. De verdere levensdagen van den ongelukkigen Koning werden hem tot een ondragelijken last door de voortdurende invallen van zijne oorlogszuchtige buren.
Dit is het verhaal van den heuvel van het Alhambra, waarop een paleis is gebouwd, dat in schoonheid de wonderen van de toovertuinen van Irem haast evenaardt. De betooverde poort bestaat nog in haar geheel, en is nu bekend als »De Poort der Rechtvaardigheid.« Men zegt, dat onder deze poort de oude Sterrenwichelaar nog in zijn onderaardschen hal woont, in een voortdurenden slaap gesust door de zilveren lier der prinses. Zij zijn elkanders gevangenen, en zullen dat blijven totdat de tooversleutel zal worden aangevat door de tooverhand, en de betoovering zoo van den heuvel zal worden afgenomen.
CLEOMADES EN CLAREMOND.
Het bekoorlijke verhaal van Cleomades en Claremond is zoo goed als zeker indirect van Moorschen oorsprong. In zijn inleiding tot Berte aux grans piés van Adenès (Parijs 1832), zegt Paulin Paris: Ik ben zeer geneigd te gelooven, dat het origineel van de vertelling Cleomades werkelijk Spaansch of Moorsch is. Alle personen zijn Saracenen of Spanjaarden, het verhaal speelt in Spanje, en zijn karakter vertoont sterke overeenkomst met dat van andere Oostersche verhalen. Keightley was van meening, dat Blanche van Castilië, de vrouw van Lodewijk VIII van Frankrijk, het verhaal in Spanje had gehoord, en het verteld had aan den Franschen dichter Adenès, die er een letterkundigen vorm aan gegeven heeft.
Ectriva, Koningin van Zuid-Spanje, hield een groot tournooi te Sevilla, waarbij Marchabias, Prins van Sardinië zich zóó onderscheidde, dat hij haar hart won. Zij schonk den jongen ridder haar hand, en hun huwelijk was zeer gelukkig, en werd gezegend met drie dochters en één zoon. Zij gaven den jongen den naam van Cleomades, terwijl de meisjes Melior, Soliades en Maxima werden genoemd.
Cleomades werd op jeugdigen leeftijd op reis gezonden. Maar nadat hij, gedurende verscheidene jaren, vreemde landen had bezocht, werd hij weer naar huis teruggeroepen om tegenwoordig te zijn bij het huwelijk zijner zusters, die in den echt vereenigd zouden worden met drie machtige vorsten, die allen beroemd waren als beoefenaren der tooverkunst. Het waren Melicandus, Koning van Barbarije, Bardagans, Koning van Armenië, en Croppart, Koning van Hongarije. De laatste had het ongeluk gebocheld te zijn, en daarenboven had hij een scherpe tong en een wreed hart.
De drie vorsten hadden elkander op weg naar Sevilla ontmoet, en zij hadden afgesproken het koningspaar zulke geschenken te geven, dat het genoodzaakt zou zijn, hun ook een kostbare gave aan te bieden. Melicandus overhandigde het koninklijke paar de gouden beeltenis van een man, die in de rechterhand een trompet van hetzelfde metaal hield, waarop hij blies, wanneer er verraad dreigde. Bardagans schonk hun een gouden kip met zes kuikens, die zoo kunstig waren nagebootst, dat zij korrels graan oppikten, en schenen te leven. Om de twee dagen legde de kip een paarlen ei. Croppart gaf een groot houten paard, dat buitengewoon kostbaar was opgetuigd, en dat volgens zijn zeggen, over land en zee kon reizen met een snelheid van vijftig mijlen per uur.
De Koning en de Koningin, die overdreven vrijgevig waren, noodigden de vreemdelingen uit, alles te vragen, wat zij in hun macht hadden weg te schenken. Melicandus vroeg de hand van Prinses Melior, Bardagans die van Prinses Soliades, terwijl Croppart verzocht, dat Prinses Maxima hem als levensgezellin zou worden gegeven. De twee oudste zusters waren zeer ingenomen met hare a. s. echtgenooten, die beiden schoon en beminnelijk waren, maar toen Maxima den leelijken en mismaakten Croppart zag, liep zij naar haar broeder Cleomades, en smeekte hem, haar te bevrijden van zulk een afschuwelijken minnaar.
Cleomades wees zijn vader op het onrecht, dat hij gedaan had, door zijn toestemming te geven tot zulk een huwelijk. Maar Croppart hield vol, dat de Koning zijn woord had gegeven, en dat hij niet van dit huwelijk wenschte af te zien. Cleomades, die niet wist, wat hij beginnen moest, zeide tot den Hongaarschen Koning, dat de waarde der geschenken van Melicandus en Bardagans reeds gebleken was, maar dat zijn verhaal over het houten paard wel gelogen kon zijn. Croppart bood aan, de waarheid zijner bewering te bewijzen. Plotseling begon de gouden man luid op zijn trompet te blazen, maar de aanwezigen volgden met zulk een gespannen aandacht het gesprek der twistenden, dat niemand op hem lette. De prins besteeg het kostbaar opgetuigde paard, en draaide op verzoek van Croppart aan een stalen pen in zijn kop; maar plotseling werd hij met zulk een snelheid de lucht ingedragen, dat hij binnen enkele minuten uit het oog verdwenen was.
De Koning en de Koningin, lieten in hevige verontwaardiging Croppart gevangen nemen. Maar hij zeide, dat de prins had moeten wachten, totdat hij hem getoond zou hebben, hoe hij met zijn houten paard moest omgaan. Intusschen vloog Cleomades mijlen en mijlen ver. Zijn merkwaardig paard bleef de lucht klieven met een geweldige snelheid, en toen de duisternis inviel, maakte het nog niet de minste aanstalten om zijn vaart te verminderen. Cleomades vloog den geheelen nacht door, en hij had in al die uren volop gelegenheid om over zijn gevaarlijken toestand na te denken. Daar hij zich herinnerde, dat er op de schouders van het paard juist zulke pennen waren als aan zijn kop, besloot hij te onderzoeken, waarvoor zij dienden. Hij ontdekte, dat hij, door een dezer pennen naar rechts of links te draaien, het paard van richting kon laten veranderen, en dat, wanneer hij aan de andere pen draaide, het paard zijn vaart verminderde en begon te dalen. De dag brak nu aan en hij zag, dat hij zich boven een groote stad bevond. Door handig met zijn paard te manoeuvreeren, slaagde hij erin te dalen op een hoogen toren, die in den tuin van een groot paleis stond. Hij klom door een dakraam en trad een prachtige slaapkamer binnen, waar hij een schoone jonkvrouw op een kostbaar rustbed zag liggen. Bij zijn nadering ontwaakte zij, en riep uit: »Antwoord mij, man, hoe hebt gij het gewaagd dit vertrek binnen te treden? Zijt gij wellicht die Koning Liopatris, aan wien mijn vader mij wil uithuwelijken?«
»Ja, dat ben ik,« antwoordde Cleomades. »Mag ik niet met u spreken?« vervolgde hij, want hij had op het eerste gezicht een hartstochtelijke liefde voor haar opgevat.
»Ga dadelijk naar den tuin terug,« zeide zij, »en daar zal ik bij u komen.«
De prins gehoorzaamde. Na enkele oogenblikken kwam de prinses bij hem. Maar zij waren nog niet lang te zamen geweest, toen de vader der jonkvrouw, Koning Cornuant van Toskane, verscheen, die hem dadelijk voor een bedrieger uitschold en hem ter dood veroordeelde. De prins vroeg hem, zijn lot te mogen ondergaan, terwijl hij op zijn houten paard zat. Zijn tooverpaard werd hem dus gebracht; hij besteeg het, draaide vliegensvlug de pen om, en verdween in de lucht, terwijl hij de prinses toeriep, dat hij haar trouw zou blijven.
Korten tijd daarna kwam hij weer te Sevilla aan, tot groote blijdschap van zijne ouders. Zij bevalen Croppart, het land te verlaten, maar hij dacht er niet over, aan dit bevel te voldoen, en bleef in de vermomming van een Oostersch geneesheer in de stad. De twee oudste prinsessen werden in den echt vereenigd met Melicandus en Bardagans. Cleomades kon echter de schoone prinses niet vergeten, en hij besteeg ten tweeden male zijn luchtpaard, en verdween ermede in de richting van het koninkrijk haars vaders.
Hij had het zóó uitgerekend, dat hij in den nacht aan het paleis zijner geliefde zou aankomen, en nadat hij in den tuin was afgestegen, begaf hij zich naar het vertrek van Claremond, die hij in vasten slaap aantrof. Hij wekte haar zachtjes, vertelde haar zijn naam en positie, bekende haar zijn liefde, en gaf zich aan haar genade over.
»Wat!« riep de prinses uit, »zijt gij werkelijk die Cleomades, dien wij allen beschouwen als het voorbeeld van een volmaakt ridder?«
De prins verzekerde haar, dat hij dezelfde Cleomades was, en om haar te overtuigen van de waarheid dezer bewering, ontdeed hij zich van een kostbaren armband, die het portret van zijn moeder en van hemzelf bevatte, en hij bood haar dit kleinood ten geschenke aan. De prinses bekende hem haar liefde, en op zijn aandringen besteeg zij met hem het houten paard. Toen zij opstegen, zag Cleomades beneden zich in de tuinen, den Koning, die door zijne hovelingen omringd was. Hij riep hem toe, dat zijn dochter veilig bij hem was, stuurde zijn paard in de richting van Sevilla, en reed snel weg.
Cleomades steeg af bij een klein, landelijk paleis in de buurt van het Hof, en liet de prinses daar achter om uit te rusten van de vermoeienissen van den tocht, terwijl hij verder reisde om zijne koninklijke ouders het gebeurde mede te deelen. Nadat Claremond zich wat verfrischt had, ondernam zij een wandeling in den tuin, om wat lichaamsbeweging te nemen, want zij was een weinig stijf geworden van haar luchtreis. Maar het ongeluk wilde, dat zij werd opgemerkt door Croppart, die vermomd als Indisch geneesheer, in den tuin was gekomen, oogenschijnlijk om geneeskrachtige kruiden te zoeken, maar in werkelijkheid om het terrein te verkennen.
Croppart herkende zijn eigen houten paard, en hoorde de jonkvrouw den naam Cleomades fluisteren; oogenblikkelijk vatte hij het plan op, het jonge meisje te ontvoeren. Hij naderde haar, en bood haar aan, haar naar Cleomades te brengen, welk aanbod zij, niets kwaads vermoedende, aannam. Croppart nam haar toen achter zich op het paard, draaide de pennen om, en het houten ros steeg met een duizelingwekkende snelheid de lucht in.
Eerst dacht Claremond aan geen onraad, maar na eenigen tijd kreeg zij argwaan, en toen zij naar beneden keek, zag zij inplaats van dichtbevolkte steden, slechts donkere wouden en eenzame bergen. Zij smeekte Croppart haar naar den tuin van het paleis terug te brengen, maar hij lachte om hare smeekbeden; ten slotte bezwijmde zij, uitgeput door leed en angst.
Croppart daalde met haar bij een bron, en besprenkelde de prinses met water, totdat zij weder uit haar bewusteloosheid ontwaakte. Toen deelde hij haar mede, dat hij van plan was, haar Koningin van Hongarije te maken. Maar het ontbrak de prinses niet aan tegenwoordigheid van geest, en zij vertelde hem, dat zij slechts een slavin was, die door hare ouders aan Cleomades verkocht was. Deze mededeeling had tot gevolg, dat de ruwe Croppart haar met nog minder respect bejegende dan tot nu toe het geval was geweest, zoodat zij, om aan de beleedigende behandeling te ontkomen, erin toestemde hem te huwen, in de eerste stad, waar zij zouden aankomen.
Nadat hij Claremond deze belofte had afgedwongen, dronk Croppart, die zeer dorstig was, met groote teugen uit de bron. Maar het water was zóó ijskoud, dat het hem slecht bekwam, en hij viel bewusteloos ter aarde. Claremond geraakte bij de bron in diepen slaap, uitgeput door angst en vermoeienis. Zóó vond haar Mendulus, Koning van Salermo, die zich dadelijk sterk tot het slapende meisje aangetrokken gevoelde. Hij nam haar mede naar zijn paleis, waar hij haar in een prachtig vertrek onderbracht. Croppart werd echter zóó zwaar ziek door het drinken uit de ijskoude bron, dat hij spoedig daarna overleed.
Claremond vertelde Koning Mendulus, dat zij een arme vondeling was, Trouvée genaamd, en dat zij Croppart, een reizend geneesheer, van de eene plaats naar de andere had vergezeld, om een karig stukje brood te verdienen. Dit belette den Koning echter niet, haar zijn hand en kroon aan te bieden. Om aan dit nieuwe gevaar te ontkomen, wendde Claremond krankzinnigheid voor, en zij speelde haar rol zóó uitstekend, dat Mendulus gedwongen was haar onder de hoede te stellen van tien vrouwen, wier taak het was haar te bewaken.
Intusschen heerschte er aan het Spaansche Hof groote onrust. Toen Cleomades met zijne ouders naar het zomerpaleis terugkeerde, was Claremond spoorloos verdwenen, en zijn droefheid was zóó hevig, dat men hem naar de hoofdstad moest terugbrengen in een toestand, die aan waanzin grensde. Toen hij hersteld was, begaf hij zich naar het koninkrijk Toskane, in de hoop, daar iets van zijn geliefde te vernemen. Op zijn eenzamen tocht kwam hij bij een kasteel, waar hij twee ridders versloeg, die weigerden hem door te laten. Van hen hoorde hij, dat een prins, Liopatris genaamd, aan wien Claremond ten huwelijk beloofd was, aan het Hof van Toskane was aangekomen, en dat drie van zijn ridders drie van Claremonds jonkvrouwen ervan beschuldigd hadden, medeplichtig te zijn aan de ontvoering harer meesteres. De beide ridders, die door Cleomades verslagen waren, dongen naar de hand van twee dezer jonkvrouwen, en zij hadden de beleedigers uitgedaagd. Daar nu echter één van hen door Cleomades gewond was, waren zij niet in staat ten strijde te trekken. Cleomades zeide, dat hij bereid was in de plaats van den gewonden ridder te gaan, en dus begaf hij zich met zijn niet gewonden kameraad op weg naar het Hof van Koning Cornuant.
Den volgenden morgen verschenen zij in het strijdperk. De drie beschuldigers werden verslagen, en de jonkvrouwen werden onschuldig verklaard volgens de wetten der ridderschap. Cleomades en zijn nieuwe wapenbroeder keerden nu in gezelschap van de drie jonkvrouwen terug naar het kasteel vanwaar zij gekomen waren. Toen hij zich echter ontdaan had van zijn wapenrusting, werd de dolende prins herkend door de jonkvrouwen voor wie hij gestreden had. Groot was haar droefheid toen zij hoorden, dat Claremond verdwenen was. Maar één van haar smeekte Cleomades hulp te vragen aan een beroemd sterrenwichelaar, die te Salerno woonde, en »die de meest verborgen dingen duidelijk zag.« Cleomades besloot dadelijk den wijze te gaan raadplegen, en dus begaf hij zich den volgenden morgen op weg naar Salerno, nadat hij hartelijk afscheid had genomen van de gelieven.