Legenden en Romances van Spanje
Chapter 19
Wij zijn nu gekomen aan de romantische balladen, de derde en laatste rubriek van Lockharts verzameling. Over »De Moor Calaynos« hebben wij reeds gesproken, evenals over »Gayferos« en »Melisendra«. Daarop volgt »De Droom van Vrouwe Alda,« volgens Lockhart een van de schoonste balladen van Spanje. Ik kan mij met dit oordeel niet vereenigen en geef verre de voorkeur aan »Admiraal Guarinos,« dat in een mooi en martiaal rhytme is geschreven. Guarinos was een admiraal van Karel den Groote. In het laatst der vorige eeuw was de toestand van de Britsche zeemacht een onderwerp van de allergrootste belangstelling onder alle lagen der maatschappij; en toen de schrijver van dit werk in zijn jeugd de ballade »Guarinos« las, maakte hij zich dan ook zeer bezorgd over de tuchteloosheid, die er stellig moest hebben geheerscht bij de Frankische vloot, gedurende de gedwongen afwezigheid van den opperbevelhebber Guarinos, die te Roncevalles door de Saracenen gevangen genomen was. Koning Marlotes, in wiens macht hij zich bevond, behandelde hem op hoffelijke wijze, maar wilde hem dwingen, den Islam te omhelzen, onder de belofte, dat hij hem dan zijne beide dochters ten huwelijk zou geven. Maar de admiraal wilde zich niet laten omkoopen, en weigerde tot den Mohammedaanschen godsdienst over te gaan. Marlotes kreeg dientengevolge een van die hevige driftbuien, die het bijzondere voorrecht schijnen te zijn geweest van Oostersche potentaten, en hij gaf bevel, dat Guarinos in den diepsten kerker van zijn kasteel zou geworpen worden.
Het was een Moorsch gebruik, de gevangenen drie keer per jaar uit hun kerker in het daglicht te brengen, tot vermaak en stichting van het volk. Bij één dezer gelegenheden, op het feest van Johannes den Dooper, had de Koning een groote schietschijf laten oprichten, waar de Moorsche edelen onder door moesten rijden, terwijl zij trachtten, haar met hunne speren te doorboren. Maar de schijf was zóó hoog geplaatst, dat het geen hunner gelukte, en de Koning, die ontevreden was over hun gebrek aan vaardigheid, weigerde het feestmaal te doen beginnen, voordat de schietschijf doorstoken was. Guarinos beroemde er zich op, de proeve van zijn behendigheid te zullen afleggen, en hij verkreeg de koninklijke toestemming, het te probeeren. Men bracht hem dus de wapenrusting, die hij in zeven jaren niet gedragen had, en zijn oud strijdros.
Zij gespten hem het harnas om, en reikten hem de speer, Zij plaatsten den helm hem op het hoofd, zoo mager en zoo teer. En zij brachten hem zijn liefste paard uit lang vervlogen tijd: Zóó wachtte hij dan aan de poort, gereed weer tot den strijd.
Guarinos fluisterde iets in het oor van het oude paard, en het herkende de stem van zijn meester.
Zacht streelde hij het oude ros, licht sprong hij in het zaâl, En reed, tot waar Marlote zat, in vorstelijke praal. Maar schamper lachte toen de Moor: »Heer Ridder, wees gegroet! Rijd naar uw doel, gij dappre held, en toon ons nu uw moed!«
Hoog hief Guarinos toen zijn lans, reed naar den Moorschen vorst, En met een enklen forschen stoot, doorboorde hij diens borst. Rijd snel, Guarinos, vlucht toch snel! rijd! vechtend voor uw leven, Ginds ligt het schoone Frankenland, dat vrijheid u zal geven!
Er schijnt eenig verband te bestaan tusschen deze ballade en de Fransche romance »Ogier de Deen,« en Erman vertelt ons, dat zij in 1828 in Siberië in het Russisch gezongen werd.
GRAAF ARNALDOS.
Deze mooie ballade, die in de Cancionero van Antwerpen (uitgegeven in 1555) voorkomt, verhaalt, hoe Graaf Arnaldos op zekeren morgen langs het strand wandelde, en getroffen werd door het geheimzinnige gezang van een matroos, die zich op een voorbijvarende galei bevond.
Moge 't oog verlangend stralen, Moge 't hart vergaan van wee, Nooit zal meer een stervling hooren 't Lied, dat opstijgt uit de zee.
Bij het zingen van den zeeman Kwam de woeste storm tot rust, En de aarde lag te droomen Als een maagd, in slaap gekust.
Helder lichtend rees de zeester Uit haar duister kil gebied En de adelaar bleef zweven Als betooverd door het lied.
»In den naam van God, den Schepper,« Kreet Arnaldos, droef en bang, »Oude man, ach, wil mij leeren Het geheim van uwen zang.«
»Graaf Arnaldos! Graaf Arnaldos! Kom aan boord, vaar met ons mee, Want de zee kan u slechts leeren De geheimen van de zee.«
Vele kleinere balladen volgen dan, die niet belangrijk genoeg zijn, om hier te worden weergegeven. Een bekoorlijke »Serenade,« overgenomen uit de Romancero General van 1604, is zeker niet het werk van een eenvoudigen boer.
Alle sterren stralen Aan den hemeltrans In den stroom zich spieglend Met verhoogden glans.
Kom zoele zuiderzucht, Maar laat geen wolkje komen, Verduisterend de lucht, En Zara's teedre droomen Jagend in ijle vlucht.
»DE GEVANGEN RIDDER EN DE MEREL«
verhaalt ons de droefheid van een krijgsman, die in zijn diepen kerker niet bemerkt, hoe de jaren wisselen en hoe de maan wast en afneemt:
Ach, droefenis woont in mijn hart, hoe schoon de Mei ook straalt, Ik weet niet, dat de dag ontwaakt, en dat de avond daalt; Eéns zong een blijde vogelstem bij 't rijzen van de zon; Dan wist ik, dat de nacht verdween, en dat de dag begon.
Een wreede hand had de merel gedood, die de vreugde had uitgemaakt van den armen gevangene. Maar de Koning hoorde zijn droeve klacht, toen hij langs den kerker wandelde, en hij gaf den ongelukkige de vrijheid terug. Wij zullen het droefgeestige »Valladolid« voorbijgaan, dat een beschrijving geeft van het bezoek van een ridder aan het graf zijner geliefde, die in deze stad gewoond had. »De Ongelukkig-Getrouwde Vrouw« verhaalt het leed van een dame, wier echtgenoot haar ontrouw is, en die zich met een anderen ridder troost. Zij worden verrast door haar heer en gebieder, en zij vraagt hem, alsof het vanzelf spreekt: »Moet ik vandaag nog sterven?« en zij smeekt hem, haar onder de oranje-appelboomen te begraven. De romance vertelt ons niet, of haar laatste wenschen vervuld werden, noch of zij ter dood gebracht werd, maar voor een Spaansch publiek der zeventiende eeuw was dit waarschijnlijk zóó vanzelfsprekend, dat het onnoodig was, het nog te vermelden.
»Dragut« geeft het verhaal van een beroemd zeeroover, wiens schip in den grond geboord werd door een galei, behoorende aan de Maltezer Ridders. Dragut ontkwam aan den dood door naar de kust te zwemmen, maar de Christen gevangenen, waarmede zijn boot volgeladen was, verdronken allen, met uitzondering van één, wien de ridders een touw toewierpen.
Het was een ridder uit een edel Spaansch geslacht, Die lang gezucht had onder Saraceensche macht. Gedwongen door den wreeden Moor met ijzren hand, Op zee galeislaaf, en een tuinmansknecht aan land.
De romancero: »Sale la estrella de Venus« verhaalt een tragische geschiedenis. Een Moorsch krijgsman, die de stad Sidonia ontvlucht was om de wreedheid zijner geliefde, die hem bespot had om zijn armoede en haar hand aan een ander geschonken had, vervult de lucht met zijn droeve klachten. Hij vervloekt de trotsche en wreede jonkvrouw, die hem zoo gegriefd heeft. Waanzinnig van smart begeeft hij zich naar het paleis van den Alcade, met wien de trouwelooze schoone dien avond in het huwelijk zal treden. Het gebouw schittert in een zee van licht, en is vervuld van vroolijk gezang.
En de gasten gaan opzijde, Als hij voortschrijdt als een vorst. Wee! hij nadert den Alcade En doorsteekt diens trotsche borst. Ach, het bloed uit diepe wonde Kleurt het vorstelijke kleed. Het paleis weergalmt van klagen, Angstgeschrei en wanhoopskreet! En terwijl de bange klachten Nog weerklinken in de lucht, Is de ridderlijke wreker Naar Medina reeds gevlucht.
Wij hebben nu ieder type der Spaansche balladekunst min of meer uitvoerig behandeld, en gezien, dat over het algemeen de domineerende toon romantisch en ernstig is, een gevolg van de gemoedsgesteldheid van een trotsch en fantasierijk volk. Ook zagen wij, dat tal van deze gedichten iets typisch Spaansch hebben, en dus raseigenschappen vertoonen. »Arm Spanje!« Hoe menigmaal hooren wij deze uitdrukking gebruiken door menschen van het Angelsaksische ras! Zij vergissen zich. Wat beteekent materieele armoede voor een volk, dat begaafd is met zulk een heerlijke verbeeldingskracht? Arm Spanje! Neen, rijk Spanje, schatkamer van een onuitputtelijken rijkdom aan overleveringen, van de kostbaarste juweelen der romance, van het drama en van het lied!
HOOFDSTUK XI: MOORSCHE ROMANCES UIT SPANJE.
Het spreekt vanzelf, dat dit meer romances over Mooren zijn dan door Mooren geschreven, want het zijn eigenlijk Spaansche volkszangen, die Saraceensche onderwerpen behandelen, of den tijd der Saraceensche overheersching beschrijven, en niet, zooals men wellicht zou meenen, overleveringen geput uit oude Arabische manuscripten. De Arabische letterkunde van Spanje draagt eerder een didactisch, theologisch en philosophisch, dan een romantisch karakter. Het verdichtsel was voornamelijk het gebied van den rondtrekkenden zanger, zooals het dit ook nu nog in het Oosten is; en het staat vast, dat vele Moorsche legenden en verhalen rondgingen onder de Spaansche boerenbevolking, speciaal in de zuidelijkste gedeelten van het Schiereiland. De verzamelaars hebben echter niet veel aandacht geschonken aan deze gedichten, waarvan de meeste ook weinig belangrijk zijn. Maar de weinige romances, die opgeschreven zijn, bekoren ons door haar groote schoonheid en glans. De belangrijkste verzameling overleveringen van de Mooren in Spanje, is ongetwijfeld die van Washington Irving, de Vertellingen uit het Alhambra. Hij verklaart zelf, dat hij deze »met groote toewijding gestalte en vorm heeft gegeven naar aanleiding van de verschillende vage aanduidingen en verhaaltjes, die hij op zijne vele voetreizen verzameld heeft, zooals een oudheidkundige een historisch document opbouwt uit enkele verspreide letterteekens van een bijna uitgewischt opschrift.« De eerste van onze Moorsche legenden zal ik dus navertellen uit de wondere bladzijden van den grooten Amerikaanschen schrijver.
DE ARABISCHE STERRENWICHELAAR.
Aben Habuz, Koning van Granada, mocht zeker wel aanspraak maken op een rustigen ouden dag. Maar de jonge en strijdlustige vorsten, wier landen aan zijn gebied grensden, waren niet van plan hem de verschrikkingen van den oorlog te besparen; en ofschoon hij alle mogelijke voorzorgen nam, opdat zijn rijk gevrijwaard zou zijn tegen de invallen dezer heethoofden, vervulde de voortdurende bedreiging van een aanval van één hunner, en de telkens terugkeerende binnenlandsche woelingen, zijn ouden dag met angst en ergernis.
Gekweld en verontrust, zocht hij een raadsman, die hem zou kunnen helpen zijn positie te versterken. Maar onder de wijzen en edelen aan zijn Hof ontmoette hij zulk een grove zelfzucht en gebrek aan vaderlandsliefde, dat hij er niet toe besluiten kon, één hunner zijn vertrouwen te schenken en hem in te wijden in zijne staatszaken. Terwijl hij zijn vereenzaamd bestaan overdacht, kwam men tot hem met de mededeeling, dat een Arabisch geleerde in Granada was aangekomen, wiens groote wijsheid en scherp verstand in het geheele Oosten spreekwoordelijk was. De naam van dezen geleerden Brahmaan was Ibrahim Elben Abu Ajib, en er werd gefluisterd, dat hij geboren was in den tijd van Mohammed, en de zoon was van een van diens persoonlijke vrienden. In zijne kinderjaren had hij het leger van Amru, den generaal van den Profeet, op zijn veldtocht naar Egypte begeleid, en hij was gedurende eenige eeuwen in dat land gebleven, waar hij zijn tijd had gebruikt voor de studie van die verborgen wetenschappen, waarin de Egyptische priesters zoo doorkneed waren. Niettegenstaande zijn hoogen ouderdom (hij zag er inderdaad zeer eerwaardig uit), had hij den langen weg van Egypte te voet afgelegd, steunende op zijn staf, waarin allerlei geheimzinnige teekens gegrift waren. Zijn baard reikte tot aan zijn gordel, zijne doordringende oogen verraadden een bijna bovenmenschelijk verstand en inzicht, en zijn houding was waardiger en vorstelijker dan van den meest verheven Mullah in Granada. Men vertelde van hem, dat hij het geheim bezat van het levenselixir, maar daar hij dit slechts op lateren leeftijd verkregen had, moest hij erin berusten, dat hij het uiterlijk van een grijsaard had, ofschoon hij er reeds in geslaagd was, zijn bestaan te verlengen tot meer dan tweehonderd jaren.
Het verheugde Koning Aben Habuz zeer, in de gelegenheid te zijn, zulk een beroemd man gastvrijheid te verleenen, en dus behandelde hij hem met buitengewone onderscheiding, maar de geleerde Arabier was afkeerig van elken vorm van weelde, en hij installeerde zich in een grot van den heuvel, waarop later het beroemde Alhambra gebouwd werd. Hij liet deze grot zoodanig veranderen, dat zij geleek op het inwendige van de hooge tempels van het Egyptische rijk, waar hij zoovele jaren van zijn lang leven had doorgebracht. Door de natuurlijke rots, die het dak vormde, liet hij door den hofarchitect een lange buis slaan, zoodat hij vanuit zijn duistere verblijfplaats zelfs midden op den dag den loop der sterren zou kunnen volgen. Want Ibrahim was doorkneed in de studie van de wetenschap der hemellichamen, die driewerf edele kunst der sterrenwichelarij, die door de geleerden van alle eeuwen erkend wordt als de ware bron van alle goddelijke wijsheid, en die door de oppervlakkige waanwijzen van een lateren tijd veronachtzaamd is geworden. Maar slechts voor een enkelen dag in de eeuwigheid zal dit wondere en gouden boek op zij gelegd worden; nooit zullen zijne bladzijden, beschreven met geheimzinnige en duistere letters, geheel voor den mensch gesloten worden. De vreemde, kronkelende letters van de taal der wijzen, en de even geheimzinnige symbolen van het oude Egypte, versierden de muren der grot van den sterrenwichelaar, en omringd door deze hieroglyphen, en voorzien van den primitieven telescoop, dien wij beschreven hebben, bracht de wijze Ibrahim zijne dagen door met het ontcijferen van de geschiedenis der toekomst, die in de schitterende bladzijden van het uitspansel beschreven stond.
Het was niet meer dan natuurlijk, dat de ongelukkige Aben Habuz hulp zocht bij den wijzen en helderzienden sterrenwichelaar. Het duurde dan ook niet lang, of Ibrahim was hem onmisbaar geworden, en werd overal in geraadpleegd. Hij antwoordde steeds vriendelijk en stelde zijne wonderbaarlijke gaven geheel in dienst van den gekwelden vorst. Op zekeren dag beklaagde Aben Habuz zich bitter erover, dat hij voortdurend bedacht moest zijn op de aanvallen zijner strijdlustige buren. De astroloog bleef eenige oogenblikken in gedachten verzonken; toen antwoordde hij: »O, Koning, lang geleden heb ik iets wonderbaars in Egypte aanschouwd, gemaakt door een wijze priesteres van dat land. Ten Noorden van de stad Borsia verheft zich een reusachtige berg, waarop het beeld van een ram geplaatst is, waarboven een haan zetelt; beide beelden zijn van glanzend koper en draaien om een spil. Wanneer het land door een inval bedreigd wordt, keert de ram zich in de richting van den vijand, en de haan begint te kraaien. Op deze wijze zijn de inwoners van Borsia in staat, tijdig hunne verdedigingsmaatregelen te treffen.
»Konden wij maar iets dergelijks in Granada uitvinden,« riep de Koning uit, »dan zouden wij weder gerust ons hoofd kunnen neerleggen.«
De sterrenwichelaar glimlachte over den ernst van den Koning. »Ik heb u reeds verteld, o Koning,« zeide hij, »dat ik vele jaren in Egypte heb doorgebracht, en mij heb toegelegd op de verborgen wetenschappen van dat geheimzinnige land. Op zekeren dag, toen ik aan den oever van de Nijl zat, en van gedachten wisselde met een Egyptischen priester, sprak mijn metgezel, wijzende op de geweldige pyramiden, die hunne schaduwen wierpen op de plek, waar wij ons bevonden: »Mijn zoon, hier ziet gij deze bergen van steen, de gedenkteekenen voor Koningen, die stierven toen Griekenland nog in opkomst was, en er nog geen steen van Rome stond; alle kennis, die wij u kunnen schenken, is als een droppel water in den Oceaan, vergeleken bij de geheimen, die deze monumenten bevatten. In het hart van de Groote Pyramide is een doodenkamer, waar de mummie rust van een hoogepriester, die dit geweldige monument ontwierp en bouwde. Op zijn borst ligt een wonderboek, dat gewichtige toovergeheimen bevat; het is hetzelfde boek, dat Adam geschonken werd na zijn val en met welks hulp Salomon den tempel te Jeruzalem bouwde. Van het oogenblik af, waarop ik deze woorden hoorde, o Koning, had ik geen rust meer. Ik besloot, door te dringen in de Groote Pyramide, en in het bezit te komen van dit wonderboek. Ik vormde een klein leger uit soldaten van den zegevierenden Amru en uit geboren Egyptenaren, en begon het stevige gebouw te doorboren, waarin dat boek van onschatbare waarde verborgen was. Na onbeschrijfelijk veel moeite en arbeid gelukte het mij, de verborgen gangen op te sporen. Langen tijd doorzocht ik de labyrinthen der reusachtige pyramide, voordat ik bij de doodenkamer kwam. En tastende in de zwartste duisternis, terwijl ik telkens opgeschrikt werd door het geritsel der kleeden, waarin de mummies der Pharao's gewikkeld waren, bereikte ik de heilige plaats, waar het lichaam van den hoogepriester in zijn strenge waardigheid lag. Ik opende de sarcophaag, ontdeed het stoffelijk overschot van zijne omhulsels, en vond het geheimzinnige boek, dat temidden van geurige kruiden en amuletten op de verschrompelde borst lag. Ik greep het, vluchtte terug door de duistere gangen en herademde eerst, toen ik den helderen Egyptischen dag en de vriendelijke groene oevers der rivier weder aanschouwde.«
»Maar wat heeft dat alles te maken met mijne moeilijkheden, o zoon van Abu Ajib?« vroeg de Koning geprikkeld.
»Ik heb u dit verteld, o Koning, omdat ik door middel van dit wonderboek de geesten van de aarde en de lucht kan aanroepen, en ik met hun hulp een talisman zal maken, zooals dien van den heuvel bij de stad Borsia.«
De sterrenwichelaar hield zijn woord. Doordat hij de beschikking kreeg over alle hulpbronnen van het koninkrijk, was hij in staat een hoogen toren te bouwen, boven op den heuvel Albayan. Op zijn bevel droegen de geesten groote steenen van de pyramiden van Egypte aan, en hieruit werd het gebouw opgetrokken. Op de bovenste verdieping maakte hij een ronde hal, waarvan de vensters in alle richtingen uitzagen, en voor elk venster plaatste hij een tafel, waarop als bij een schaakbord, houten soldaten waren opgesteld, ruiters en voetvolk, en de beeltenis van den vorst, die in die richting heerschte. Naast elke tafel lag een kleine speer, waarin tooverletters gegrift waren. De hal werd gesloten met een ijzeren hek, waarvan de sleutel door den Koning bewaard werd. Boven op den toren plaatste hij het bronzen beeld van een Moorsch ruiter, dat op een draaienden stang was bevestigd. Het droeg een schild en een speer, welke laatste hij loodrecht in de hand hield. Het beeld keek naar de stad, maar wanneer een vijand naderde, zou de ruiter zich naar hem toekeeren en de lans op hem richten, alsof hij hem wilde aanvallen.
Niettegenstaande zijn grooten afkeer van den oorlog, brandde Aben Habuz van verlangen, de deugdelijkheid van zijn talisman te beproeven. Hij behoefde niet lang te wachten, want op zekeren morgen bracht men hem de tijding, dat het gelaat van den bronzen ruiter naar de bergen was gekeerd, en dat zijn lans in de richting van den pas van Lope wees. Er werd oogenblikkelijk bevel gegeven, alarm te blazen, maar Ibrahim verzocht den Koning, de stad niet op te schrikken, en zijne troepen niet te mobiliseeren, maar hem te volgen naar de geheime hal in den toren.
Toen zij daar binnentraden, vonden zij het venster, dat op den pas van Lope uitzag, wijd open. »Aanschouw nu, o Koning,« zeide de astroloog, »het wonder van de tafel.« Aben Habuz keek naar de tafel, die bedekt was met de kleine houten ruiters en het voetvolk, en tot zijn groote verbazing zag hij, dat zij allen in volle actie waren, dat de krijgslieden hunne wapens zwaaiden, en dat de paarden hinnikten, maar deze geluiden waren niet sterker dan het gezoem, dat uit een bijenkorf opstijgt.
»Uwe Majesteit,« zeide de sterrenwichelaar, »indien U wenscht een paniek te veroorzaken onder Uwe vijanden, dan behoeft gij slechts met den knop van de tooverspeer op de tafel te slaan; maar wanneer gij dood en verderf onder hen wilt brengen, moet gij met de punt slaan.«
Aben Habuz greep de kleine lans en stootte deze in eenige der kleine figuurtjes, terwijl hij andere met de knop bewerkte. De eersten vielen voor dood op de tafel neer, en de anderen vielen in groote verwarring over elkander heen. Er werden bespieders uitgezonden, die zich ervan overtuigen moesten, of de werkelijke aanvallers inderdaad verslagen waren, en zij kwamen terug met het bericht, dat Christentroepen door den pas van Lope waren getrokken, maar dat zij onderling slaags waren geraakt, en in groote verwarring naar hun eigen land teruggevlucht waren.
De Koning was verrukt over het resultaat, en hij verzocht Ibrahim, zelf zijn belooning te noemen. »Ik heb slechts weinig behoeften,« antwoordde de sterrenwichelaar; »wanneer mijn grot wordt ingericht als een gepaste verblijfplaats van een philosoof, dan begeer ik niets meer.«
Verbaasd over deze groote bescheidenheid, ontbood de Koning zijn schatbewaarder, en hij droeg hem op, kennis te nemen van de wenschen van den sterrenwichelaar. De wijze verlangde, dat men een geheele reeks vertrekken in de rots zou uithouwen; en toen dit geschied was, gaf hij bevel, dat zij met de grootste weelde zouden worden ingericht. Vorstelijke ottomanes en heerlijke divans vulden alle hoeken, en de vochtige muren waren behangen met de kostbaarste zijden stoffen van Damascus, terwijl de rotsachtige vloeren bedekt waren met de schitterendste Perzische kleeden. Verleidelijke baden waren aangebracht, voorzien van de heerlijkste Oostersche reukwateren. De vertrekken werden verlicht door ontelbare zilveren en kristallen lampen, die Ibrahim vulde met een geurige en wonderbare olie, die voortdurend brandde, en niet kon worden uitgedoofd.
De schatbewaarder, die ongerust was over de verregaande verkwisting van den sterrenwichelaar, sprak den Koning erover aan; maar daar Zijne Majesteit zijn woord aan den wijze gegeven had, en hij diens verkwisting eenigszins had uitgelokt, kon hij moeilijk tusschenbeide komen, en hij kon slechts hopen, dat de inrichting der grot spoedig voltooid zou zijn. Toen de »kluizenaarswoning« eindelijk gevuld was met de weelde-artikelen van drie koninkrijken, vroeg de schatbewaarder, of de wijze tevreden was.
»Ik heb nog één klein verzoek,« antwoordde hij; »ik zou nl. gaarne eenige danseressen tot mijn beschikking hebben, om mij te verstrooien.«